← België

Arrest 246124 - Plannen van aanleg - 19/11/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.124 Rolnummer: A. 221428/X-16864 Zaak: Arrest 246124 - Plannen van aanleg - 19/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-25 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-28 06:38 Fiche Arrest nr 246.124 van 19 november 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 246.124 van 19 november 2019 in de zaak A. 221.428/X-16.864 In zake : de NV KANI rechtsgeding hervat door : de BVBA HAMBOS LOGISTICS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Ryckalts kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38/2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE HAACHT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Leandra Decuyper kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV EXTERN VERZELFSTANDIGD AGENTSCHAP DE VLAAMSE WATERWEG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 7 februari 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Haacht van 24 oktober 2016 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: RUP) “Bedrijventerrein Hambos”. X-16.864-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 26 april
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 september
  4. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Ryckalts, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Dirk Van Heuven, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaten Annelies Geerts en Maarten Van Den Nieuwenhuijzen, die loco advocaat Sven Vernaillen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. X-16.864-2/16 III. Feiten
  6. In de gemeente Haacht bestemt het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven het gebied tussen de gemeentegrens met de stad Leuven, de rechteroever van het kanaal Leuven-Dijle, de Bomorterhofloop en de spoorweg Leuven-Mechelen als industriegebied (hierna: het industriegebied van het gewestplan). De verzoekende partij is eigenaar van zestien in het industriegebied van het gewestplan gelegen percelen (hierna: verzoeksters terrein).
  7. In het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (hierna: GRS) van de gemeente Haacht wordt het volgende gesteld: “Hambos Bedrijventerrein van 42 ha, gelegen langs het kanaal Leuven-Dijle. Het herbergt vooral bedrijven uit de secundaire sector (toeleveringsbedrijven van bulk- en bouwmaterialen). Ongeveer 10 ha van het terrein is nog niet ontwikkeld. Gezien de omvang kan dit beschouwd worden als een bovenlokaal bedrijventerrein. […] 5.3.3.3 Conclusie De volgende zones worden weerhouden voor het verder ontwikkelingsproces voor de mogelijke realisatie van lokale bedrijventerreinen: - Zone 1: Keerbergsesteenweg - Zone 2: Lombaardenlaan, buiten de vallei van de Binnenbeek - Zone 3: Werchtersesteenweg […] 5.3.4 Selecties op bovenlokaal niveau De industriezone van Tildonk/Hambos wordt beschouwd als regionaal bedrijventerrein. […] 5.3.6 Suggesties voor de elementen op bovenlokaal niveau Tussen de spoorlijn 53A Mechelen-Leuven en het kanaal Leuven-Dijle werd het bedrijventerrein Hambos ontwikkeld. [...] Dit industriegebied wordt door de gemeente voorgedragen als een specifiek bedrijventerrein met multimodale ontsluiting. […] Tenslotte mag het regionaal bedrijventerrein [Hambos] geen ontoelaatbare milieubelasting betekenen voor de nabijgelegen natuurkernen X-16.864-3/16 en landbouwbasisgebieden zoals geselecteerd in de gewenste open ruimte structuur. […] 5.3.8 Ontwikkelingsperspectieven voor de bestaande bedrijvenzones De bedrijventerreinen Hambos en Kruineiken worden behouden als respectievelijk regionaal (bovenlokaal) en lokaal bedrijventerrein.”
  8. Op 14 juli 2014 stuurt de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport volgende brief aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haacht: “In uw schrijven van 22 mei 2014 vraagt u de delegatie van de planningsbevoegdheid voor de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan [voor] het industrieterrein Hambos […]. Noch het Vlaams Gewest noch de provincie Vlaams-Brabant heeft momenteel een planningsinitiatief gepland voor deze site. De gemeente Haacht beschikt over de volheid van bevoegdheid om hiervoor een gemeentelijk planningsinitiatief te nemen in uitvoering van het GRS; een delegatie is bijgevolg niet noodzakelijk.”
  9. De gemeente Haacht maakt vervolgens een voorontwerp van gemeentelijk RUP “Bedrijventerrein Hambos” op, evenals een nota waarin de mogelijke milieueffecten worden onderzocht (hierna: de screeningsnota).
  10. Op 9 maart 2016 organiseert de gemeente Haacht een plenaire vergadering over het voorontwerp van gemeentelijk RUP.
  11. Bij brief van 24 mei 2016 stelt de dienst Milieueffectrapportage van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid van het Vlaamse Gewest dat op basis van de screeningsnota en de ingewonnen adviezen geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-milieueffectrapport niet nodig is.
  12. Op 20 juni 2016 stelt de gemeenteraad van de gemeente Haacht het ontwerp van gemeentelijk RUP voorlopig vast. De in het ontwerp-RUP voorziene zone “Specifiek bedrijventerrein met multimodaal karakter” is bedoeld om het bedrijventerrein X-16.864-4/16 Hambos te kunnen inschakelen in een project van onder meer de tussenkomende partij, om een netwerk van aan de waterweg gelegen distributie- en consolidatiecentra uit te bouwen voor de sector van de bouwmaterialen.
  13. Tijdens het openbaar onderzoek, georganiseerd van 4 juli tot 1 september 2016, brengt de deputatie van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant advies uit. Er worden geen bezwaarschriften ingediend.
  14. Op 10 oktober 2016 bespreekt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: Gecoro) het advies van de deputatie en adviseert zij gunstig. 12.
  15. Met een besluit van 24 oktober 2016 stelt de gemeenteraad van de gemeente Haacht het gemeentelijk RUP “Bedrijventerrein Hambos” definitief vast. Dit is het bestreden besluit. Van dit besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 december
  16. 12.
  17. Uit het bij het definitief vastgestelde gemeentelijk RUP horende grafisch plan blijkt dat verzoeksters terrein het zuidoostelijke deel van de zone “Specifiek bedrijventerrein met multimodaal karakter” (artikel 4) vormt, op zes door dit terrein omringde percelen na (hierna: de door verzoeksters terrein omringde percelen). Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel van dit grafisch plan, waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht. X-16.864-5/16 12.
  18. De verordenende stedenbouwkundige voorschriften van het definitief vastgestelde gemeentelijk RUP bepalen voor verzoeksters terrein onder meer hetgeen volgt: “Artikel 4: Specifiek bedrijventerrein met multimodaal karakter […] Artikel 4.1: Gebiedscategorie Bedrijvigheid Artikel 4.2: Toegelaten bestemmingen Het bedrijventerrein is bestemd voor bedrijven met multimodaal karakter. Het multimodaal karakter bestaat uit het gebruik van de waterweg en/of het spoor voor het vervoer van een substantiële hoeveelheid basisgrondstoffen en/of (half) afgewerkte producten. [...] Binnen de zone zijn tevens gemeenschappelijke en complementaire voorzieningen, inherent aan het functioneren van de bedrijvenzone, toegelaten, met inbegrip van wegenis, al dan niet met een openbaar karakter. Kantoren met beperkte vloeroppervlakte, ondergeschikt en gekoppeld aan de productieactiviteit van individuele bedrijven, zijn toegelaten voor zover die activiteiten geen loketfunctie hebben en geen autonome activiteiten uitmaken. Constructies met een woonfunctie zijn enkel toegelaten ten behoeve van het besturend en/of bewakend personeel en van het personeel waarvan de aanwezigheid ter plaatse strikt noodzakelijk is. In elk geval dienen dergelijke constructies beperkt te worden tot één per bedrijf. Woningen X-16.864-6/16 worden in het bedrijfsgebouw geïntegreerd, tenzij kan worden aangetoond dat dit omwille van veiligheid, milieu of hygiëne niet wenselijk of verboden is. Artikel 4.3: Niet toegelaten bestemmingen De volgende functies en activiteiten zijn niet toegelaten: • Kleinhandel; • Autonome kantoren; • Agrarische productie; • Slachterijen; • Mestverwerking, slibverwerking; • Grondopslag, tenzij niet Vlarem-plichtig; • Grondbewerking en grondverwerking; • Productie en opslag van aardpek, teer asfalt en vergelijkbare producten; • Verwerking en bewerking van grondstoffen met inbegrip van delfstoffen; • Opslag en overslag van afval, afvalverbranding en afvalverwerking met inbegrip van recyclage. • Inrichtingen die vallen onder de toepassing van het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en waarvoor een veiligheidsrapport vereist is als gevolg van de toepassing van de milieuwetgeving, zijn niet toegelaten; • Afvalwaterzuiveringsinstallaties. Het verbod op afvalverwerking en recyclage heeft betrekking op autonome inrichtingen en activiteiten. Afvalverwerking of recyclage als activiteit, ondergeschikt en complementair aan de hoofdactiviteit van een bedrijf, is wel toegelaten.” 12.
  19. In de toelichtingsnota bij het definitief vastgestelde gemeentelijk RUP wordt het volgende gesteld: “5 Nadere uitwerking van de doelstellingen en visievorming 5.1 Samenwerkingsovereenkomst tussen W&Z [tussenkomende partij], Kani [verzoekende partij] en de gemeente Haacht De gemeenteraad van Haacht heeft in de zitting van 27 april 2015 een samenwerkingovereenkomst met Waterwegen en Zeekanaal (W&Z) NV en Kani NV goedgekeurd omtrent […] de watergebonden ontwikkeling van de site Hambos. Deze overeenkomst heeft tot doel een gemeenschappelijk project uit te werken dat de algemene ontwikkeling van de site Hambos bevordert en kan bijdragen tot de economische dynamiek in de regio. In het bijzonder worden de toekomstige mogelijkheden voor Hambos gekaderd binnen het project „Distribouw‟. Dit is een initiatief van de waterwegbeheerders W&Z, De Scheepvaart en de haven van Brussel, het Vlaams Instituut voor Mobiliteit (VIM), de producenten (Feproma) en de handelaren (Fema) in bouwmaterialen. Het project „Distribouw‟ beoogt de uitbouw van een netwerk van aan de waterweg gelegen distributie- en consolidatiecentra voor de sector van de bouwmaterialen. X-16.864-7/16 Te Hambos zal de geplande overslaginfrastructuur niet enkel dienen voor bouwmaterialen. Ook andere goederen, zoals bulkgoederen of andere gepalletiseerde goederen, zal men kunnen laden of lossen. De overeenkomst kadert in een ruimere context van de volledige nieuwe ontsluiting van de industriezone Hambos tot aan de Mechelsesteenweg (N26) te Herent. De samenwerkingsovereenkomst omvat [volgende doelstelling]: […] De watergebonden ontwikkeling van de site Hambos met de bouw van een laad- en losinfrastructuur aan de rechteroever van het kanaal Leuven-Dijle. […] Kani verbindt er zich tot om de site te Hambos als watergebonden industrieterrein te ontwikkelen. […] De samenwerkingsovereenkomst tussen W&Z, Kani en de gemeente Haacht legt reeds een aantal principes vast voor het versterken van de watergebonden bedrijvigheid van de bedrijvenzone. Daarnaast hebben Infrabel en de firma‟s Trebos en Cargill plannen om langs de spoorlijn een nieuw rangeerspoor aan te leggen, waardoor de bedrijvenzone ook spoorweggebonden zou worden. Er bestaan plannen om goederen aan te leveren via het nieuwe rangeerspoor aan de firma Trebos maar ook om goederen vanaf het rangeerspoor via een transportband naar het kanaal te brengen en op een schip over te laden, om andere bedrijven langs het kanaal te bedienen (o.a. de site Cargill te Wijgmaal). Deze ideeën passen binnen de doelstelling van het GRS om het multimodale karakter van het terrein te versterken. Terecht wijst het GRS op de mogelijkheden om zowel het kanaal als de spoorweg hiervoor in te schakelen. De ligging tussen een goederenspoor en een bevaarbaar kanaal is immers een grote meerwaarde en moet optimaal gevaloriseerd worden.” IV. Tussenkomst
  20. In haar laatste memorie betwist de verwerende partij het belang van De Vlaamse Waterweg om tussen te komen ter ondersteuning van de verzoekende partij, daar in geval van een vernietiging verzoeksters terrein onbruikbaar wordt bij gebrek aan een efficiënte en rechtszekere ontsluiting. Dit onbruikbaar worden gaat volgens de verwerende partij radicaal in tegen de statuten van De Vlaamse Waterweg.
  21. De Vlaamse Waterweg wijst er terecht op dat zij er belang bij heeft tussen te komen in onderhavig beroep waarin een RUP wordt bestreden met voorschriften “die een implicatie hebben op de beheermogelijkheden van [het kanaal] en de aanhorigheden”. X-16.864-8/16 Het komt niet aan de verwerende partij toe om in de plaats van de verzoekende partij in tussenkomst te oordelen welk standpunt ten gronde best overeenstemt met haar statuten.
  22. De aangevoerde exceptie wordt verworpen. De tussenkomst is ontvankelijk. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van de verwerende partij
  23. In haar memorie van antwoord voert de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid aan. De verwerende partij stelt dat het ingeroepen belang bij het onderhavige beroep strijdt met de princiepsovereenkomst die zij sloot met de verzoekende partij, waarin een plan werd opgenomen uit de bedrijfspresentatie van 27 september 2014 waaruit de toezegging blijkt om geen afvalstoffen te verwerken, geen verwerkingsactiviteiten en bewerkingsactiviteiten te ontwikkelen en een ruime groenbuffer te respecteren. De verwerende partij meent dat de verzoekende partij niet ontvankelijk haar belang kan gronden op beperkingen in het RUP die door haar zelf zijn voorgesteld en die uitdrukkelijk en zelfs schriftelijk zijn overeengekomen. Daarnaast werpt de verwerende partij op dat verzoeksters terrein onontwikkelbaar is na vernietiging van het bestreden gemeentelijk RUP. De enige toegang naar dit terrein is op heden immers het jaagpad dat, behoudens uitzonderingen, niet mag gebruikt worden door motorvoertuigen. De verwerende partij verklaart dat zij, als het bestreden gemeentelijk RUP wordt vernietigd, geen hulp meer zal bieden aan de verzoekende partij ter ontsluiting van haar terrein.
  24. In haar laatste memorie insisteert de verwerende partij dat er te dezen moet worden afgeweken van de normale regel dat een eigenaar van X-16.864-9/16 percelen in het plangebied belang heeft bij het bestrijden van het gemeentelijk RUP. De reden hiervoor is het onwettig karakter van de exploitatie van de verzoekende partij en het onwettig gebruik van het jaagpad. Dit wederrechtelijk gedrag ontneemt de verzoekende partij het recht om de Raad van State te vatten. Beoordeling
  25. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partij eigenaar is van haar terrein, dat door de voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP – die een reglementaire aard hebben – wordt herbestemd. Alleen al op grond van die hoedanigheid heeft zij in beginsel een voldoende belang bij haar beroep.
  26. Het komt niet aan de verwerende partij toe om in de plaats van de verzoekende partij te oordelen of een vernietiging van het bestreden gemeentelijk RUP voordelig is voor deze laatste. De afspraken die tussen de verwerende en de verzoekende partij zijn gemaakt naar aanleiding van een bedrijfspresentatie, laten niet toe af te wijken van het in het vorige randnummer aangehaalde beginsel, al was het maar omdat in het verzoekschrift wordt betwist dat het bestreden gemeentelijk RUP met die afspraken overeenstemt. Ook het in de laatste memorie van de verwerende partij aangehaalde element dat de verzoekende partij zich onwettig zou gedragen, ontneemt haar niet haar belang bij het beroep, al was het maar omdat het gedrag van de verzoekende partij hoe dan ook niets afdoet aan haar hoedanigheid van eigenaar.
  27. De aangevoerde exceptie wordt verworpen. X-16.864-10/16 V. Het derde middel Standpunt van de partijen 21.
  28. Het derde middel is genomen uit de schending van artikel 2.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), en van “de bevoegdheidsverdelende bepalingen in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen [hierna: RSV] en het hierin begrepen subsidiariteitsbeginsel”. 21.
  29. De verzoekende partij merkt op dat de verwerende partij zelf het industriegebied van het gewestplan heeft aangeduid als regionaal of bovenlokaal bedrijventerrein in zowel het GRS als in de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP. Daarbij werd letterlijk geput uit de typevoorschriften voor gewestelijke RUP‟s zoals opgenomen in de bijlage bij het besluit van 11 april 2008 van de Vlaamse regering „tot vaststelling van nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen‟, hetgeen eveneens de bedoeling aantoont om voorschriften vast te leggen voor een regionaal bedrijventerrein. De afbakening van een regionaal bedrijventerrein, zoals in het bestreden gemeentelijk RUP is gebeurd, behoorde geenszins tot de gemeentelijke taakstelling, gelet op de bepalingen van het RSV. Volgens de verzoekende partij had het RSV eerst de betrokken site moeten aanduiden als een bijzonder economisch knooppunt, wat vervolgens diende te worden bevestigd door het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie Vlaams-Brabant (hierna: RSVB), hetgeen niet gebeurd is. Gelet op het bovenlokale karakter van het bedrijventerrein moet de provincie de plannende overheid zijn, dan wel het Vlaamse Gewest. Met het bestreden gemeentelijk RUP wordt een regionaal bedrijventerrein afgebakend op het grondgebied van een gemeente die volgens de bindende bepalingen van het RSV niet geselecteerd is als economisch knooppunt. De verzoekende partij vervolgt dat er onmogelijk beweerd kan worden dat er gebruik zou zijn gemaakt van enige delegatiemogelijkheid. Er is op X-16.864-11/16 geen enkele wijze voorzien in een bijzonder economisch knooppunt te Haacht, zodat noch het Vlaams gewest, noch de provincie Vlaams-Brabant aan de gemeente kan delegeren wat zij zelf niet kunnen.
  30. In haar memorie van antwoord erkent de verwerende partij dat het betrokken bedrijventerrein in haar GRS als “regionaal” of “bovenlokaal” is gekwalificeerd. Precies door die kwalificatie veronderstelde zij dat het planinitiatief bij de hogere overheid lag en dat zij minstens een delegatie behoefde om zelf een RUP te kunnen opstellen. Daartoe richtte zij, na vooroverleg met de provincie, op 22 mei 2014 expliciet een vraag aan de bevoegde Vlaamse minister. Evenwel bleek en blijkt dat de betrokken site noch door het Vlaamse Gewest, noch door de provincie Vlaams-Brabant in hun structuurplannen aangeduid is als regionaal of bovenlokaal bedrijventerrein of als economisch knooppunt. Niets verhinderde haar dan ook om zelf een gemeentelijk RUP ter ontwikkeling van het bedrijventerrein op te stellen. De verwerende partij wijst er op dat dit standpunt expliciet werd bevestigd door de bevoegde minister in zijn brief van 14 juli
  31. De verwerende partij vervolgt dat het niet is omdat het bestaand bedrijventerrein in haar GRS gekwalificeerd wordt als “regionaal” of “bovenlokaal”, dat dit ook juist is. Het vaststellen van het bestreden gemeentelijk RUP ressorteert onder haar residuaire planningsbevoegdheid, daar noch het RSV, het RSVB voor die site een planningsinitiatief voorzien. De verwerende partij wijst er op dat zij niet zomaar een initiatief heeft genomen, maar zich voorafgaandelijk bij de hogere overheden heeft bevraagd. Daar zij zowel door het Vlaamse Gewest als door de provincie gemandateerd is, kan er zich geen bevoegdheidsprobleem voordoen.
  32. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de bewijslast om aan te tonen dat het om een bovenlokaal bedrijventerrein zou gaan bij de verzoekende partij ligt. X-16.864-12/16 Het watergebonden karakter van de bedrijvigheid maakt volgens de verwerende partij op zich geenszins dat geen gemeentelijk planinitiatief mogelijk zou zijn. De watergebondenheid leidt immers in principe tot minder en niet tot meer mobiliteit. De verwerende partij voegt er nog aan toe dat, hoewel de Vlaamse minister stelt dat een delegatie niet nodig is, de brief van 14 juli 2014 desondanks kan worden beschouwd als een delegatie van de planningsbevoegdheid van het Vlaamse Gewest aan de gemeente.
  33. De tussenkomende partij sluit zich aan bij het standpunt van de verzoekende partij. Beoordeling
  34. Wanneer een gemeente in een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een regionaal bedrijventerrein afbakent gaat zij in tegen de als volgt luidende bindende bepalingen van het RSV : “De regionale bedrijventerreinen in de grootstedelijke- en de regionaalstedelijke gebieden en in de economische knooppunten in het economisch netwerk van het Albertkanaal, en de bedrijventerreinen voor historisch gegroeide bedrijven worden door het Vlaams Gewest in de gewestplannen of in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend. De regionale bedrijventerreinen in de structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden en de kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau en in de specifieke economische knooppunten worden in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend of op voorstel en op vraag van de provincie door het Vlaams Gewest in gewestplannen afgebakend. Regionale bedrijventerreinen in de bijzondere economische knooppunten worden, al naar gelang het geval, afgebakend door het Vlaams Gewest dan wel door de provincie.”
  35. In het GRS van de gemeente Haacht wordt op grond van een inhoudelijke motivering gesteld dat het bestaande bedrijventerrein Hambos een “regionaal (bovenlokaal)” karakter heeft en wordt uitdrukkelijk voorzien om dit karakter te behouden. X-16.864-13/16
  36. De toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP en de bestemmingsvoorschriften voor het tegen de gemeentegrens gelegen “Specifiek bedrijventerrein met multimodaal karakter” (randnr. 12.3) bevestigen de bedoeling om het regionaal karakter van het bedrijventerrein te behouden. Het blijkt meer bepaald dat het bedrijventerrein ingeschakeld zal worden in een Vlaams netwerk waarin tussenkomende partij participeert, wat – met de woorden van de toelichtingsnota (randnr. 12.4) – de economische dynamiek “in de regio” moet stimuleren.
  37. Aan de voorgaande vaststellingen wordt geen afbreuk gedaan door de in de laatste memorie van de verwerende partij aangehaalde omstandigheid dat “watergebondenheid leidt […] tot minder […] mobiliteit”.
  38. Tot slot blijkt niet dat de provincie of het Vlaamse Gewest de verwerende partij zouden hebben gemachtigd om het bestreden gemeentelijk RUP vast te stellen. De interpretatie van de verwerende partij als zou de brief van 14 juli 2014 beschouwd kunnen worden als een delegatie van planningsbevoegdheid voor het afbakenen van een regionaal bedrijventerrein stuit af op de bewoordingen van deze brief (randnr. 5). Uit die bewoordingen blijkt immers dat net géén delegatie wordt gegeven.
  39. De conclusie is dat de verwerende partij door een gemeentelijk RUP vast te stellen waarin een regionaal bedrijventerrein afgebakend wordt de bindende bepalingen van het RSV heeft geschonden.
  40. Het middel is gegrond. VI. Omvang van de vernietiging
  41. In haar laatste memorie vraagt de verwerende partij “geheel ondergeschikt” een gebeurlijke vernietiging te beperken tot verzoeksters terrein. X-16.864-14/16
  42. Vanuit het oogpunt van de algemene planeconomie moet worden vastgesteld dat het bestreden gemeentelijk RUP een bedrijfsterrein betreft waarbij de situering langs het kanaal en de spoorweg bepalend is geweest voor de bestemmingsvoorschriften van de zone “Specifiek bedrijventerrein met multimodaal karakter” (randnr. 12.3). De door verzoeksters terrein omringde percelen (randnr. 12.2), waarvoor de laatstgenoemde bestemmingsvoorschriften zouden blijven gelden na de gevraagde partiële vernietiging, grenzen noch aan het kanaal, noch aan de spoorweg. In die omstandigheden kan de verwerende partij er niet van overtuigen dat verzoeksters terrein afsplitsbaar zou zijn van de rest van het bestreden gemeentelijk RUP. Dit is een voldoende reden om niet in te gaan op haar vraag tot gedeeltelijke vernietiging. BESLISSING
  43. De Raad van State vernietigt het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Haacht van 24 oktober 2016 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Bedrijventerrein Hambos”.
  44. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  45. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-16.864-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien november tweeduizend negentien, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-16.864-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.124 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.