id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.134 Rolnummer: A. 225020/XIV-37691 Zaak: Arrest 246134 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-29 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-24 12:16 Fiche Arrest nr 246.134 van 21 november 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.134 van 21 november 2019 in de zaak A. 225.020/XIV-37.691 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- XXX
- XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Franz Geleyn kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 104 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 april 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 201.229 van 19 maart 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.852 van 18 mei
- XIV-37.691-1/15 De verweerders hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 april
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Carmenta Decordier, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Vincent Hauquier, die loco advocaat Franz Geleyn verschijnt voor de verweerders, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verweerders dienen op 26 november 2012 een (tweede) aanvraag in om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). XIV-37.691-2/15 De staatssecretaris voor Asiel en Migratie neemt op 1 maart 2016 in hoofde van de verweerders een beslissing waarmee die aanvraag ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard. Op 8 april 2016 stellen de verweerders een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in tegen de voornoemde beslissing van 1 maart
- Met een arrest van 19 maart 2018 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voornoemde beslissing van 1 maart
- Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij werpt in een eerste middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 39/2, § 2, 39/65 en 62, van de vreemdelingenwet, van de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van de jurisdictionele motiveringsplicht en van “het beginsel van de bewijskracht van stukken overeenkomstig de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, minstens het principe van de miskenning van de bewijskracht dat geldt voor alle geschreven stukken”. De verzoekende partij citeert de motivering uit punt 2.
- van het bestreden arrest en voert aan dat de eerste rechter bij de beoordeling van beroepen tot nietigverklaring enkel mag nagaan of de aanvankelijk bestreden beslissing is genomen op grond van de juiste feitelijke gegevens, of die correct zijn beoordeeld en of het bestuur daarbij niet op onredelijke wijze tot zijn besluit is gekomen. Hij XIV-37.691-3/15 moet de feiten toetsen zoals ze op het ogenblik van de aanvankelijk bestreden beslissing bestonden. De verzoekende partij zet uiteen dat de verweerders het bestuur een rapport hebben bezorgd van de Organisation Suisse d’aide aux refugiés (hierna: OSAR) van 5 oktober 2011 over de behandeling in Tsjetsjenië van patiënten met een posttraumatisch stresssyndroom. De Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen oordeelt in het bestreden arrest dat het bestuur onvoldoende aandacht heeft besteed aan de overwegingen van het OSAR-rapport en dat de verweerders dit rapport wel degelijk op hun eigen situatie hebben betrokken, nu het in november 2013 aan het bestuur werd bezorgd en handelt over de ziekteverzekering in de Russische Federatie. De Raad voor Vreemdelingen- betwistingen beschouwt de beweringen van de ambtenaar-geneesheer als louter theoretisch en zonder rekening te houden met de persoonlijke situatie van de verweerders, met name de discriminatie wegens hun geografische en etnische afkomst als Ingoesjetiërs en persoonlijke problemen die hun toegang tot de gezondheidszorg zouden verhinderen. Volgens de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen kan niet zomaar worden gesteld “dat deze informatie drie jaar later niet langer actueel zou zijn”, waarbij hij ervan uitgaat dat het rapport dateert van
- De verzoekende partij brengt hiertegen in dat het OSAR-rapport betrekking heeft op de situatie in Tsjetsjenië en niet in Ingoesjetië, dat enkel in de inleiding kort aandacht wordt besteed aan de gezondheidszorg in de Russische Federatie en dat dit rapport dateert van 2011, vijf jaar vóór de aanvankelijk bestreden beslissing. De verzoekende partij betwist ook de stelling in het bestreden arrest dat de ambtenaar-geneesheer geen aandacht zou hebben voor de in het OSAR-rapport geschetste problemen. Er is wel degelijk een analyse gemaakt van de toeganke- lijkheid van de gezondheidszorg in de Russische Federatie, waarbij de ambtenaar-geneesheer zich niet moest focussen op Ingoesjetië vermits hij aangaf dat de verweerders het recht hebben zich te verplaatsen in de Russische Federatie. De verzoekende partij vervolgt dat volgens het bestreden arrest het advies van de ambtenaar-geneesheer onvoldoende is gemotiveerd vermits de XIV-37.691-4/15 huidige verweerders betogen dat er onvoldoende ziekenhuizen zijn in Ingoesjetië. Nochtans blijkt uit het voornoemde advies dat de verweerders een vrije keuze van woon- en verblijfplaats hebben zodat niet moest worden gemotiveerd over de toegang tot gezondheidszorg in Ingoesjetië. De Raad voor Vreemdelingen- betwistingen citeert uit de inleiding van het OSAR-rapport met betrekking tot de gezondheidszorg in de Russische Federatie dat iemand officieel moet zijn geregistreerd in zijn woonplaats om een gratis medische behandeling te kunnen genieten, zonder echter te motiveren waarom deze informatie de algemene bepaling zou weerleggen dat Russische burgers recht op vrij verkeer genieten en binnen de Russische Federatie vrij hun woon- of verblijfplaats kunnen kiezen. De verzoekende partij besluit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook niet aantoont dat het advies van de ambtenaar-geneesheer wat dat betreft onredelijk zou zijn.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel. Zij voegt toe dat in het advies van de ambtenaar-geneesheer uitdrukkelijk wordt aangegeven dat de verzoekende partij niet aantoont dat het voor haar onmogelijk is om de noodzakelijke medicatie te bekostigen in de Russische Federatie. Beoordeling
- Zoals de verzoekende partij zelf aangeeft, wordt in de inleiding van het door de verweerders bijgebrachte OSAR-rapport aandacht besteed aan de algemene gezondheidszorg in Rusland. Door zich wat dat betreft op dit rapport te steunen, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve niet de bewijskracht ervan miskend. Wat het OSAR-rapport betreft, heeft de huidige verzoekende partij in haar nota met opmerkingen voor de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen zelf laten gelden dat de verweerders “nalaten dergelijke algemene informatie toe te passen op hun persoonlijke situatie en dat zij daarenboven niet XIV-37.691-5/15 aantonen dat de informatie afkomstig van een rapport van 2013, drie jaar later nog actueel zou zijn en zou ingaan tegen de informatie die de ambtenaar-geneesheer gebruikte om zijn advies te onderbouwen”. In antwoord daarop stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel dat “de rapporten waarop de ambtenaar-geneesheer zich heeft gebaseerd […] geen aandacht [besteden] aan het probleem zoals vastgesteld in het OSAR-rapport, zodat niet zomaar kan worden gesteld dat deze informatie drie jaar later niet langer actueel zou zijn”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft daarmee enkel geantwoord op de kritiek van de huidige verzoekende partij maar zelf niet gesteld dat het rapport zou dateren uit 2013 en niet uit
- Overigens dateert het advies van de ambtenaar-geneesheer uit 2016, hetgeen inderdaad “drie jaar later” is dan de mededeling van het OSAR-rapport door de huidige verweerders aan de verzoekende partij in
- Volgens de verzoekende partij is in het advies van de ambtenaar-geneesheer wel degelijk de toegankelijkheid van de gezondheidszorg in de Russische Federatie onderzocht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dienaangaande: “Het motief: ‘Volgens de federale Russische wet op het recht van de burgers van de Russische Federatie op vrij verkeer en keuze van de verblijfplaats en de woonplaats binnen de Russische Federatie […] heeft elke burger van de Russische Federatie het recht op vrij verkeer en de keuze van verblijfplaats en woonplaats binnen de Russische Federatie. De Tsjetsjenen, de Ingoesjen en de Dagestanen hebben als burgers van de Russische Federatie dezelfde rechten en plichten die in de bepalingen van deze wet voorkomen als de andere burgers van de Russische Federatie’ [is] niet afdoende rekening houden[d] met bovenvermelde conclusies aangaande het ziekteverzekeringsstelsel van het OSAR-rapport”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dat “de beweringen van de arts adviseur […] louter theoretisch zijn en […] geen rekening [houden] met de persoonlijke situatie van de verzoekende partijen, met name hun geografische en ethnische origine, de discriminatie waarvan Ingoesjen het slachtoffer zijn, hun persoonlijke problemen die hun toegang tot werk en de zorgen bieden”. Hij is van oordeel dat “de loutere verwijzing in het medisch advies naar XIV-37.691-6/15 het eerste artikel van een federale Russische wet […] echter uitsluitend theoretisch [is] en het daar eenvoudig aan toevoegen dat alle Tsjetsjenen, Ingoesjen en Dagestanen als Russische burgers dan wel dezelfde rechten en plichten zullen hebben, […] op zichzelf de meer specifieke informatie zoals door verzoekers aangebracht niet [kan] weerleggen”. Door de bevindingen van de ambtenaar-geneesheer te beschouwen als theoretisch en niet betrokken op de persoonlijke situatie van de verweerders, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen betekenis aan het medisch advies die in strijd is met de bewoordingen of de inhoud ervan.
- De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ is als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Wel kan de Raad van State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van die wet zou hebben geschonden, zonder dat de Raad voor State zich daarbij echter in de plaats van de annulatierechter kan stellen om zelf te oordelen of de motivering van die beslissing afdoende is of niet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft met de beoordeling dat “het motief dat ‘elke Russische onderdaan recht heeft op vrij verkeer en dat de patiënt zelf het hospitaal of de specialist kan kiezen naargelang waar hij of zij de kwaliteit van de zorgen het beste vindt’ niet afdoende is”, niet de inhoud van de formelemotiveringsplicht geschonden. Om te voldoen aan de vereisten van de formelemotiveringsplicht is het niet vereist dat ook de gronden voor de motieven worden weergegeven. Verder komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe zelf het al dan niet afdoend karakter van de motivering in de aanvankelijk bestreden beslissing te beoordelen. Overigens gaat de verzoekende partij uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest waar zij stelt dat het advies van de XIV-37.691-7/15 ambtenaar-geneesheer volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onvoldoende is gemotiveerd omdat de verweerders hebben aangevoerd dat er in Ingoesjetië onvoldoende ziekenhuizen zijn. In het bestreden arrest wordt de repliek van de verzoekende partij dat de verweerders niet aantonen dat zij in Ingoesjetië geen toegang hebben tot de ziekenhuizen echter verworpen omdat de verweerders net aanvoeren dat er in Ingoesjetië geen gespecialiseerde ziekenhuizen zijn en wordt vervolgens de motivering betreffende de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de zorgen voor de verweerders elders in de Russische Federatie onderzocht.
- De verzoekende partij toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, door na te gaan of het door de verzoekende partij met de aanvankelijk bestreden beslissing gevoerde onderzoek al dan niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 9ter van de vreemdelingenwet en van de zorgvuldigheid en de redelijkheid, met name wat het rekening houden met de individuele situatie van de verweerders betreft, de grenzen van zijn bevoegdheid als annulatierechter heeft overschreden.
- Uit het bovenstaande blijkt ook dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de motieven voor zijn beslissing op duidelijke wijze heeft weergegeven in het bestreden arrest. De verzoekende partij toont derhalve geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht.
- Het eerste middel is ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. XIV-37.691-8/15 Tweede middel Standpunten van de partijen
- De verzoekende partij werpt in een tweede middel de schending op van artikel 9ter van de vreemdelingenwet. De verzoekende partij voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest aanvaardt dat in hoofde van de ambtenaar-geneesheer geen verplichting bestaat om regio per regio na te gaan welke zorgen er beschikbaar zijn doch overweegt dat deze stelling niet opgaat indien de vreemdeling uitdrukkelijk aangeeft uit welke regio hij komt en dat uit artikel 9ter, derde lid, van de vreemdelingenwet een gedeelde verantwoordelijk- heid tussen het bestuur en de vreemdeling volgt. Nochtans impliceert de in artikel 9ter van de vreemdelingenwet bepaalde medewerkingsplicht dat de verweerders uit eigen beweging de actuele medische problematiek moesten aantonen met actuele documenten. De verzoekende partij zet uiteen dat de vreemdeling zelf verantwoordelijk is voor het aanreiken van alle nuttige en actuele informatie over de aangevoerde ziekte en dit niet enkel op het ogenblik van het indienen van de aanvraag maar ook in de loop van de procedure. Het advies van de ambtenaar-geneesheer bevat verwijzingen naar bronnen uit 2014 en 2015 terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich steunt op een OSAR-rapport uit 2011 en er verkeerdelijk van uitgaat dat het dateert uit
- De recentere informatie uit het medisch advies heeft ook betrekking op de kwaliteit van de zorg in de Russische Federatie. Volgens de verzoekende partij schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 9ter van de vreemdelingenwet door te oordelen dat het medisch advies louter theoretisch is en geen rekening houdt met de actuele situatie in
- XIV-37.691-9/15 De verzoekende partij vervolgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de zinsnede dat “niet zomaar kan worden gesteld dat deze informatie drie jaar later niet langer actueel zou zijn” het principe miskent dat de ambtenaar-geneesheer niet is gehouden tot een motivering over de regio waaruit de vreemdeling afkomstig is. Het volstaat immers dat een adequate behandeling mogelijk is in het “land van herkomst” en niet in de regio van herkomst van dat land. De verzoekende partij laat nog gelden dat in het advies van de ambtenaar-geneesheer is vastgesteld dat er geen contra-indicatie in hoofde van de verweerders is om te reizen. De ambtenaar-geneesheer heeft een onderzoek gevoerd naar de regionale toegankelijkheid doch gewezen op het vrije verkeer en de keuze van woonplaats binnen de Russische Federatie.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel. Zij acht de kritiek van de verweerders dat de informatie waarop de ambtenaar-geneesheer zich baseert niet toegankelijk is voor het publiek, niet relevant. Die kritiek doet geen afbreuk aan de inhoud van de desbetreffende informatie, die bovendien is terug te vinden in het administratief dossier. Beoordeling
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast dat te dezen, hetgeen niet wordt betwist, de in artikel 9ter, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet voorziene situatie in rekening werd genomen van een ziekte die “een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft” en dat “werd onderzocht of de benodigde medische behandeling beschikbaar en toegankelijk is in het land van herkomst”. Hij stelt op wettige wijze dat dit onderzoek dient te gebeuren “geval per geval, rekening houdend met de individuele situatie van de aanvrager”, hetgeen betekent “dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van een benodigde medische behandeling en XIV-37.691-10/15 opvolging moeten worden beoordeeld in het licht van de algemene situatie in het land van herkomst en de individuele omstandigheden van het betrokken individu” en dat daarbij “het redelijkheidscriterium in acht [moet] worden genomen”.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bevestigt ook het beginsel “dat er in hoofde van de ambtenaar-geneesheer geen verplichting bestaat om regio per regio na te gaan welke zorgen er beschikbaar zijn”. De verzoekende partij richt zich echter tegen de navolgende overweging in het bestreden arrest dat “deze stelling […] niet op[gaat] in het geval de vreemdeling uitdrukkelijk aangeeft uit welke regio hij komt”. Deze laatste overweging in het bestreden arrest is strijdig met artikel 9ter van de vreemdelingenwet in de mate dat de herkomst van een vreemdeling uit een bepaalde regio van een land op zich geen afbreuk doet aan de algemene regel dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de zorgen in geheel het land van herkomst mogen worden bekeken en niet enkel in de regio van herkomst. Het feit dat de verweerders afkomstig zijn van Ingoesjetië betekent derhalve op zich niet dat de benodigde zorg in Ingoesjetië zelf voorhanden moet zijn en dat het niet zou volstaan dat deze zorg ook elders in de Russische Federatie beschikbaar en toegankelijk is.
- De voornoemde overweging in het bestreden arrest kan de strekking ervan evenwel niet hebben beïnvloed. De Raad voor Vreemdelingen- betwistingen heeft de aanvankelijk bestreden beslissing immers niet op die grond vernietigd. In de eerste plaats heeft de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen “de stelling dat er in hoofde van de ambtenaar-geneesheer geen verplichting bestaat om regio per regio na te gaan welke zorgen er beschikbaar zijn” slechts gedeeltelijk gerelativeerd, namelijk “in zoverre voor verzoekers [thans verweerders] de mogelijkheid bestaat om zich te begeven naar die regio waar verwerende partij heeft vastgesteld dat een behandeling beschikbaar is en XIV-37.691-11/15 voor zover de in die regio beschikbare behandeling ook effectief (daadwerkelijk) toegankelijk is voor verzoekers, rekening houdend met hun individuele situatie”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “blijkt genoegzaam dat verzoekers hebben aangetoond afkomstig te zijn [uit] een specifieke deelrepubliek van de Russische Federatie, met name Ingoesjetië, hetgeen deel uitmaakt van hun individuele situatie”. Het is niet in strijd met artikel 9ter van de vreemdelingenwet om, zoals de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangeeft, de herkomst uit een bepaalde regio en daarmee samenhangende mogelijke problemen mede bij de beoordeling te betrekken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft echter niet geëist dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de vereiste behandeling enkel werd onderzocht in functie van Ingoesjetië.
- In de tweede plaats heeft de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen het door de ambtenaar-geneesheer gevoerde onderzoek naar de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de vereiste behandeling in Ingoesjetië en de Russische Federatie afgetoetst. Hij heeft daarbij onderzocht of afdoende rekening is gehouden met de individuele situatie van de verweerders. Concreet merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat de ambtenaar-geneesheer in zijn advies enkel ziekenhuizen in Moskou vermeldt waar de nodige zorgen voorhanden zijn doch geen onderzoek heeft verricht naar ziekenhuizen in Ingoesjetië. Na deze vaststelling vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aanvankelijk bestreden beslissing niet omdat de vereiste behandeling niet mogelijk zou zijn in Ingoesjetië doch hij gaat na of het onderzoek naar de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de vereiste behande- ling in de rest van de Russische Federatie op afdoende wijze is gebeurd.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt een vergelijking tussen het door de verzoekers bijgebrachte OSAR-rapport en de door de ambtenaar-geneesheer zelf aangehaalde informatie over de gezondheidszorg in de Russische Federatie om na te gaan of het onderzoek beantwoordt aan de vereisten van artikel 9ter van de vreemdelingenwet. Hij beschouwt de informatie XIV-37.691-12/15 en het standpunt van de ambtenaar-geneesheer, die zich steunt op het in een Russische federale wet bepaalde recht op vrij verkeer en vrije woonstkeuze, als “louter theoretisch” en zonder rekening te houden “met de persoonlijke situatie van de verzoekende partijen, met name hun geografische en ethnische origine, de discriminatie waarvan Ingoesjen het slachtoffer zijn, hun persoonlijke problemen die hun toegang tot werk en de zorgen verhinderen”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is het OSAR-rapport wel degelijk betrokken op de eigen situatie van de huidige verweerders in de mate dat daaruit blijkt dat het afsluiten van een ziekteverzekering is onderworpen aan strenge en moeilijke voorwaarden en dat men namelijk officieel moet geregistreerd zijn op zijn verblijfplaats en ziekteverzekering moet betalen en dat men dan alleen toegang heeft tot de zorgen die op de verblijfplaats bestaan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft artikel 9ter van de vreemdelingenwet niet geschonden door te oordelen dat “de rapporten waarop de ambtenaar-geneesheer zich heeft gebaseerd […] geen aandacht [besteden] aan het probleem zoals vastgesteld in het OSAR-rapport, zodat niet zomaar kan worden gesteld dat deze informatie drie jaar later niet meer actueel zou zijn”. Het feit dat het OSAR-rapport ouder is dan de rapporten waarop het advies van de ambtenaar-geneesheer en de aanvankelijk bestreden beslissing is gesteund, betekent niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het niet zou mogen betrekken in zijn beoordeling van de wettigheid van de aanvankelijk bestreden beslissing. Overigens blijkt niet uit het bestreden arrest, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er ten onrechte van uitgaat dat het OSAR-rapport dateert van
- De verweerders hebben dat rapport blijkens de niet betwiste gegevens van de zaak in 2013 aan de verzoekende partij bezorgd en de ambtenaar-geneesheer heeft zijn advies uitgebracht in 2016, hetzij “drie jaar later”, zoals in het bestreden arrest staat. De Raad van State is als administratieve cassatierechter niet bevoegd om kennis te nemen van de zaak zelf. Het komt hem derhalve niet toe in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen na te gaan of de XIV-37.691-13/15 beoordeling in de aanvankelijk bestreden beslissing zorgvuldig, redelijk of afdoende gemotiveerd is. Het komt hem evenmin toe zich daartoe uit te spreken over de bewijswaarde of de actualiteitswaarde van de in het onderzoek betrokken stukken. Waar de verzoekende partij niet akkoord gaat met de conclusie in het bestreden arrest dat het door de verzoekende partij gevoerde onderzoek bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 9ter van de vreemdelingenwet omdat de individuele situatie van de verweerders niet in rekening is gebracht, althans niet afdoende is gemotiveerd of onzorgvuldig is onderzocht, toont zij geen schending aan van artikel 9ter van de vreemdelingenwet.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-37.691-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig november tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.691-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.134 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div