id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.135 Rolnummer: A. 219679/XIV-37119 Zaak: Arrest 246135 - Tucht (openbaar ambt) - 21/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-02 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-24 12:16 Fiche Arrest nr 246.135 van 21 november 2019 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.135 van 21 november 2019 in de zaak A. 219.679/XIV-37.119 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Clonen kantoor houdend te 2600 Berchem Fruithoflaan 124/14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5906 MECHELEN-WILLEBROEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 8 juli 2016, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van het politiecollege van de lokale politie Mechelen-Willebroek van 9 juni 2016 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 237.377 van 14 februari 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XIV-37.119-1/53 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie en een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 september 2019. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas De Burchgraeve, die loco advocaat Koen Clonen verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste Auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 237.377 van 14 februari 2017. Er wordt naar verwezen. XIV-37.119-2/53 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoeker voert in het eerste middel de onbevoegdheid van de hogere tuchtoverheid aan, alsook de schending van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet), van artikel 61 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 ‘tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten’ (hierna: het koninklijk besluit van 8 februari 2001), van het recht van verdediging en van artikel 30 van de tuchtwet. Een eerste onderdeel betreft de onbevoegdheid van de hogere tuchtoverheid en de schending van artikel 38sexies van de tuchtwet. Verzoeker voert aan dat de tuchtbeslissing is aangetast door een onregelmatigheid wegens het initiële optreden van een onbevoegde tuchtoverheid. Hij wijst erop dat het koninklijk besluit van 25 april 2014 voorziet in de installatie van het territoriaal ambtsgebied van de nieuwe politiezone Mechelen-Willebroek. Dit besluit is op 23 mei 2014 bekendgemaakt en onmiddellijk in werking getreden. Uit artikel 91/6 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998) volgt volgens verzoeker dat het mandaat van lid van het politiecollege van de nieuwe politiezone aanvangt op 23 mei 2014. Hij besluit op grond van die teksten dat een tuchtprocedure lastens hem maar kon worden gevoerd door het politiecollege van de politiezone Mechelen-Willebroek. Zelfs al wordt aangenomen dat het politiecollege maar actief zou zijn vanaf de instelling van de politiezone middels het tweede koninklijk besluit van 17 juli 2015, dan nog kan er geen twijfel meer bestaan omtrent de onbevoegdheid van de burgemeester als tuchtoverheid. Per koninklijk besluit van 19 december 2014 werd de korpschef van de nieuwe politiezone benoemd en dit ter voorbereiding van de officiële start van XIV-37.119-3/53 de eengemaakte politiezone op 1 januari 2015. Bovendien wordt in het koninklijk besluit van 17 juli 2015 bevestigd dat de lokale politiezone wordt ingesteld op 1 januari 2015. Met dit besluit wordt volgens verzoeker alle twijfel weggenomen omtrent de bevoegdheid van het politiecollege Mechelen-Willebroek. Hij besluit, op basis van de verschillende publicaties inzake de installatie van de politiezone, de benoeming van de korpschef, de instelling van de lokale politie en de verklaringen hieromtrent van de betrokken burgemeesters, dat het vaststaat dat de nieuwe politiezone alsook de organen ervan hun bevoegdheden waarnemen met ingang van 1 januari 2015. Het koninklijk besluit van 17 juli 2015 is volgens verzoeker dan ook slechts de bevestiging van een organisatie die reeds vanaf januari 2015 werd geïmplementeerd en installeert geenszins retroactief een nieuwe organisatie. Aangezien de instelling van de nieuwe politiezone met retroactiviteit vanaf 1 januari 2015 slechts beantwoordt aan de feitelijke situatie, stellen er zich evenmin problemen omtrent de rechtszekerheid. Het louter declaratief/bevestigend karakter van de instelling van de nieuwe politiezone maakt dat de retroactiviteit in de praktijk bijzonder weinig problemen stelt en kan worden verantwoord naar recht. Gelet op het feit dat het inleidend verslag slechts werd betekend op 28 mei 2015 en het voorstel tot tuchtstraf hem ter kennis werd gebracht op 16 en 29 juli 2015, besluit verzoeker tot de bevoegdheid van het politiecollege en dit niet alleen voor de eindbeslissing maar ook voor de voorbereidende handelingen: het inleidend verslag werd opgesteld door de burgemeester van de stad Mechelen die onbevoegd is. Hetzelfde geldt voor de voorstellen van zware tuchtstraf. Vanaf 23 mei 2014, minstens vanaf 1 januari 2015 beschikte de burgemeester van de stad Mechelen niet langer over enige tuchtbevoegdheid. De tuchtvordering vervalt en de eindbeslissing kan die voorafgaande onregelmatigheden niet regulariseren. In het tweede onderdeel voert verzoeker de schending aan van artikel 61 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001. Volgens verzoeker mag het duidelijk zijn op basis van het inleidend verslag en het voorstel tot zware tuchtstraf, zoals hernomen in de bestreden beslissing, dat de feiten die aan verzoeker ten laste worden gelegd, in belangrijke mate, zo niet exclusief, zijn verbonden aan zijn statuut van syndicaal afgevaardigde. Hoewel dat door de XIV-37.119-4/53 tuchtoverheid in twijfel wordt getrokken, kan redelijkerwijze niet worden betwist dat het syndicaal verlof wezenlijk deel uitmaakt van de prerogatieven van een syndicaal afgevaardigde. Dat het gebruik van gedupliceerde syndicale attesten als zodanig geen verband houdt met de behartiging van de belangen van andere personeelsleden, doet hieraan geen afbreuk. Niet alleen werden zijn dienstprestaties gecontroleerd, ook zijn activiteiten als syndicaal afgevaardigde werden volledig onderzocht. Verzoeker wijst erop dat de wetgever de syndicale afgevaardigden net tegen dergelijke verregaande inmenging in hun taken als vakbondsafgevaardigden heeft willen beschermen door artikel 61 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001. In het derde onderdeel voert verzoeker de onregelmatige samenstelling van de tuchtoverheid bij de beraadslaging aan, alsook de schending van het recht van verdediging en van artikel 30 van de tuchtwet. Hij voert aan dat uit de notulen noch uit de bestreden beslissing blijkt dat de burgemeester van de gemeente Willebroek en de korpschef de zitting van het politiecollege van 2 juni 2016 hebben verlaten op het ogenblik dat het politiecollege overging tot beraadslaging en besluitvorming. De tuchtoverheid heeft aldus beraadslaagd en besloten tot de bestreden beslissing in een andere samenstelling dan die waarin hij werd gehoord. 5. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker omzeggens woordelijk het middel, eraan toevoegende wat volgt. Wat het eerste middelonderdeel betreft, voegt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord vooreerst eraan toe dat hij het niet eens is met de periode die de Raad van State als de “transitieperiode” beschouwt. Volgens hem kan op grond van de samenlezing van de artikelen 257quinquies/4, 257quinquies/5 en 257quinquies/6 van de wet van 7 december 1999 slechts worden besloten dat de transitieperiode liep van 23 mei 2014 tot 1 januari 2015. Naar verzoekers mening is op 1 januari 2015 aldus van rechtswege een einde gekomen aan de transitieperiode en was de burgemeester van de stad Mechelen niet langer bevoegd om een XIV-37.119-5/53 tuchtprocedure in te leiden op 28 mei 2015. Verzoeker voegt aan zijn uiteen- zetting uit het verzoekschrift ook nog toe dat de Raad van State uitdrukkelijk erkent dat vanaf 23 mei 2014 niets het optreden belette van de nieuwe organen van de nieuwe politiezone, daarin begrepen het politiecollege van de nieuwe politiezone. Verzoeker stelt tot slot niet te begrijpen waarom de bevoegde tuchtoverheid van de nieuwe politiezone het tuchtdossier niet heeft behandeld en vermoedt dat een verklaring voor het optreden van de burgemeester van de stad Mechelen kan worden gevonden in de partijdigheid van de burgemeester en diens persoonlijk doel om een definitief einde te stellen aan de meer dan dertig jaar lange carrière van verzoeker. Wat het tweede middelonderdeel betreft, blijkt volgens verzoeker uit de tekst van artikel 61 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 niet dat aan de voorwaarden in dit artikel cumulatief zou moeten zijn voldaan opdat het van toepassing zou zijn. In zijn memorie van wederantwoord merkt verzoeker bovendien op dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord opnieuw verwijst naar feiten die thans, ingevolge de strafrechtelijke uitspraak, achterhaald zijn, en waardoor zijn onschuld voor deze feiten werd bevestigd. Door aldus op een manifest onjuiste basis te argumenteren miskent de tuchtoverheid volgens verzoeker het strafrechtelijk gezag van gewijsde van het vonnis van 26 november 2015. Wat het derde middelonderdeel betreft, herhaalt verzoeker dat de grootste discussie bestaat over de bevoegdheid van de burgemeester van de stad Mechelen en dat minstens kan worden gesteld dat de hogere tuchtoverheid, door vanaf 23 mei 2014 niet op te treden in haar nieuwe constellatie, de zaken nodeloos heeft gecompliceerd. XIV-37.119-6/53 Beoordeling 6. In het tussenarrest nr. 237.377 van 14 februari 2017 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middel voorlopig als volgt geoordeeld: “Eerste onderdeel 6. In essentie voert verzoeker aan dat het inleidend verslag en de voorstellen van zware tuchtstraf niet rechtsgeldig door de burgemeester van de stad Mechelen konden worden genomen omdat die ter zake onbevoegd was. Op grond van artikel 17 van de tuchtwet is de hogere tuchtoverheid bevoegd tot het opleggen van een zware tuchtstraf als de voorliggende. Voor het geval van verzoeker is dit overeenkomstig artikel 20, 1°, a), van de tuchtwet, ‘de burgemeester of naargelang het geval, het politiecollege’ en dit in functie van het gegeven of de lokale politiezone een eengemeentezone dan wel een meergemeentezone vormt. Te dezen dient de vraag wie op grond van die bepaling in het voorliggende geschil bevoegd is om het inleidend verslag op te stellen en de voorstellen van straf te formuleren, te worden onderzocht in het specifieke kader van de oprichting van de politiezone Mechelen/Willebroek met eigen rechtspersoonlijkheid. Die wordt opgericht ingevolge de vrijwillige samensmelting van de politiezone Mechelen met de politiezone Willebroek overeenkomstig artikel 91/2, eerste lid van de wet van 7 december 1998. De tuchtwet voorziet niet in bijzondere bepalingen die de weerslag van de samensmelting van politiezones op het verloop van tuchtprocedures regelen. Toepassing dient derhalve te worden gemaakt van de gemeenrechtelijke bepalingen ter zake vervat in de wet van 7 december 1998. 7. De in de stand van het geding relevante bepalingen van de wet van 7 december 1998 luiden: ‘Art. 91/1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet worden verstaan onder: 1° de vorige politiezone: de politiezone waarvan het ambtsgebied voordien door de Koning werd vastgelegd; 2° de nieuwe politiezone: de politiezone die voortvloeit uit de samensmelting van twee of meerdere vorige politiezones die bij dit hoofdstuk wordt geregeld. Art. 91/2. De gemeente- of politieraden van de betrokken politiezones kunnen gezamenlijk een aanvraag tot vrijwillige samensmelting van hun vorige politiezones indienen bij de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie. De Koning kan op voordracht van beide ministers het territoriaal ambtsgebied van de nieuwe politiezone bepalen. Art. 91/6. Het mandaat van lid van het politiecollege van een nieuwe politiezone vangt aan op de datum van bekendmaking van het koninklijk besluit tot bepaling van het territoriaal ambtsgebied van de nieuwe politiezone. […] Art. 257quinquies/4. Vanaf de bekendmaking van het koninklijk besluit tot bepaling van het territoriale ambtsgebied van de nieuwe politiezone, worden de prerogatieven van de organen van de vorige politiezones XIV-37.119-7/53 waarop zij zal opvolgen beperkt tot de handelingen die voortvloeien uit het dagelijkse beheer, die gaan over de dringende zaken of die betrekking hebben op de lopende zaken. Zoniet zijn de genomen beslissingen of hun gevolgen niet tegenstelbaar aan de organen van de nieuwe politiezone. Art. 257quinquies/5. De Koning stelt de lokale politie van de nieuwe politiezone in, op de eerste dag van een trimester, wanneer Hij vaststelt dat de volgende voorwaarden zijn vervuld: 1° het territoriaal ambtsgebied van de politiezone is vastgesteld overeenkomstig artikel 91/2; 2° de personeelsformatie is bepaald; 3° het bedrag van de gemeentedotaties op de begroting van de nieuwe politiezone, is conform met artikel 91/9; 4° de eindrekening is opgemaakt en goedgekeurd overeenkomstig artikel 257quinquies/9, § 1. Art. 257quinquies/6. De instelling van de lokale politie van de nieuwe politiezone stelt een einde aan het bestaan van de vorige politiezones en stelt van rechtswege een einde aan het mandaat van de politieraadsleden van de vorige politiezones. […] Art. 257quinquies/9. § 1. De eindrekening van de vorige politiezones wordt opgemaakt op de laatste dag van het trimester dat de oprichting van de lokale politie bedoeld in artikel 257quinquies/5 voorafgaat. § 2. De nieuwe politiezone neemt van rechtswege de activa en passiva van de vorige politiezones waarop zij opvolgt, over. § 3. De eindrekening wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de politieraad van de nieuwe politiezone.’ Overeenkomstig artikel 91/2, tweede lid, van de wet van 7 december 1998 kan de Koning, op voordracht van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, het territoriaal ambtsgebied bepalen van de nieuwe politiezone, waarbij de ‘nieuwe politiezone’ die is welke voortvloeit uit de samensmelting van beide vorige politiezones (art. 91/1, 2° van de wet van 7 december 1998). Luidens artikel 91/6 van de wet van 7 december 1998 vangt het mandaat van lid van het politiecollege van een nieuwe politiezone aan op de datum van bekendmaking van het koninklijk besluit tot bepaling van het territoriaal ambtsgebied van de nieuwe politiezone. Op grond van artikel 257quinquies/4 van diezelfde wet worden ‘vanaf de bekendmaking van het koninklijk besluit tot bepaling van het territoriale ambtsgebied van de nieuwe politiezone, […] de prerogatieven van de organen van de vorige politiezones waarop zij zal opvolgen beperkt tot de handelingen die voortvloeien uit het dagelijkse beheer, die gaan over de dringende zaken of die betrekking hebben op de lopende zaken. Zoniet zijn de genomen beslissingen of hun gevolgen niet tegenstelbaar aan de organen van de nieuwe politiezone.’ Luidens art. 257quinquies/5 van diezelfde wet stelt de Koning de lokale politie van de nieuwe politiezone in op de eerste dag van een trimester wanneer Hij vaststelt dat, cumulatief, het territoriaal ambtsgebied van de politiezone is vastgesteld overeenkomstig artikel 91/2 van de wet van 7 december 1998, dat de personeelsformatie is bepaald, dat het bedrag van de gemeentedotaties op de begroting van de nieuwe politiezone conform is met artikel 91/9 van de wet van 7 december 1998 en dat de eindrekening is opgemaakt en goedgekeurd overeenkomstig artikel 257quinquies/9, § 1, van diezelfde wet. Volgens die bepaling wordt de eindrekening van de vorige politiezones opgemaakt ‘op de laatste dag van het trimester dat de oprichting van de lokale politie bedoeld in artikel 257quinquies/5 voorafgaat.’ De instelling van de lokale politie van de nieuwe politiezone stelt een einde aan het bestaan van de vorige politiezones XIV-37.119-8/53 (art. 257quinquies/6 van de wet van 7 december 1998). 8. Uit de voormelde bepalingen van de wet van 7 december 1998 kan op het eerste gezicht worden afgeleid dat de organen van de vorige politiezones en de organen van de nieuwe politiezone gedurende een bepaalde transitieperiode gelijktijdig bestaan en functioneren. In de memorie van toelichting bij de wet van 30 december 2009 ‘houdende diverse bepalingen’, wordt dat als volgt verwoord (Parl. St. Kamer, 2009-2010, nr. 52-2299/1, 129): ‘Om de toepassing van een aantal bepalingen van het huidig ontwerp mogelijk te maken, zullen de organen van de vorige én van de nieuwe politiezones gedurende de periode tussen het door de Koning bepalen van het grondgebied en de eigenlijke inplaatsstelling, gelijktijdig functioneren. De organen van de politiezones die zullen verdwijnen, zullen in deze periode geen beslissingen nemen die de nieuwe zone buitenmatig verbinden of die buitensporige gevolgen zouden hebben. In deze geest beperkt het ontwerp de prerogatieven van de uittredende organen tot het dagelijks beheer en het beheer van dringende of lopende zaken. De beslissingen van de uittredende organen die niet kaderen binnen deze grenzen zullen de organen van de nieuwe politiezone niet binden.’ Het gelijktijdig functioneren vindt plaats ‘vanaf de bekendmaking van het koninklijk besluit tot bepaling van het territoriale ambtsgebied van de nieuwe politiezone’ (art. 257quinquies/4 van de wet van 7 december 1998) en dat tot aan de instelling door de Koning van de nieuwe lokale politiezone op grond van artikel 257quinquies/5 van de wet van 7 december 1998 aangezien die instelling een einde maakt aan het bestaan van de vorige politiezones (art. 257quinquies/6 van de wet van 7 december 1998). Voorts volgt uit het aangehaalde artikel 257quinquies/4 van de wet van 7 december 1998 dat de prerogatieven van de organen van de vorige politiezones gedurende die transitieperiode beperkt zijn tot ‘de handelingen die voortvloeien uit het dagelijkse beheer, die gaan over de dringende zaken of die betrekking hebben op de lopende zaken’. 9. Inzake de procedure tot vrijwillige samensmelting van de politiezones Mechelen enerzijds en Willebroek anderzijds, wordt bij artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit van 25 april 2014 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 2000 houdende de indeling van het grondgebied van de provincie Antwerpen in politiezones’ het territoriaal ambtsgebied van de nieuwe politiezone Mechelen/Willebroek bepaald. Het voormelde koninklijk besluit van 25 april 2014 is bekendgemaakt in het Belgische Staatsblad van 23 mei 2014. Hetzelfde koninklijk besluit voorziet in artikel 2, 2°, de opheffing van de territoriale ambtsgebieden van de vorige politiezones Mechelen en Willebroek, maar dit ‘op de dag van de instelling van de lokale politie’ van de nieuwe politiezone Mechelen-Willebroek (art. 4 van het koninklijk besluit van 25 april 2014). Op grond van wat voorafgaat volgt dat vanaf 23 mei 2014 de transitieperiode aanvat en dat de organen van de vorige politiezones Mechelen en Willebroek en de organen van de nieuwe politiezone Mechelen-Willebroek, gedurende die transitieperiode gelijktijdig bestaan en functioneren. De prerogatieven van de organen van de vorige politiezones Mechelen en Willebroek zijn gedurende die periode beperkt tot ‘de handelingen die voortvloeien uit het dagelijkse beheer, die gaan over de dringende zaken of die betrekking hebben op de lopende zaken’ (art. 257quinquies/4 van de wet van 7 december 1999). Omwille van de in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde korte verjaringstermijn om de tuchtprocedure op te starten en de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen, kan het opstarten en afhandelen van een tuchtprocedure op het eerste gezicht worden beschouwd als een dringende zaak in XIV-37.119-9/53 de zin van de voornoemde bepaling. 10. Op het ogenblik dat de burgemeester van de stad Mechelen het inleidend verslag van 28 mei 2015 opstelde en de voorstellen van zware tuchtstraf van 14 en 27 juli 2015 nam, was de procedure tot vrijwillige samensmelting van de vorige politiezones Mechelen en Willebroek nog niet afgerond. Hieruit volgt dat de burgemeester van de stad Mechelen op grond van het hiervoor aangehaalde artikel 257quinquies/4 van de wet van 7 december 1999 bevoegd was om die handelingen te stellen. De omstandigheid dat bij koninklijk besluit van 17 juli 2015 ‘tot instelling van de lokale politie van de politiezone Mechelen/Willebroek’ de nieuwe politiezone Mechelen/Willebroek met terugwerkende kracht op datum van 1 januari 2015 wordt ingesteld - waardoor die op die datum rechtspersoonlijkheid verwerft - doet hieraan geen afbreuk. De retroactieve instelling door het voornoemde koninklijk besluit van 17 juli 2015 van de nieuwe politiezone Mechelen/Willebroek, impliceert immers niet dat daardoor met ingang van 1 januari 2015 ‘declaratief’ en op retroactieve wijze (enkel) het politiecollege van de nieuwe politiezone Mechelen/Willebroek bevoegd zou zijn om de tuchtprocedure lastens verzoeker te voeren. Om de temporeel bevoegde tuchtoverheid aan te wijzen, dient immers op het eerst gezicht te worden gekeken naar het ogenblik waarop het voormelde instellingsbesluit tot stand is gekomen. Het besluit van 17 juli 2015 bestaat te dezen slechts vanaf het moment waarop het door de Koning is ondertekend. Het kan nooit eerder bestaan of worden geacht te bestaan. Ook bepalingen met een terugwerkende kracht regelen dus de toekomst, ongeacht de temporele functie ervan. Terugwerkende kracht betekent derhalve enkel dat voor de toekomst nieuwe rechtsgevolgen worden vastgeknoopt aan oude rechtsfeiten. Aangezien niet kan worden teruggekeerd in de tijd en slechts nieuwe rechtsgevolgen kunnen worden vastgeknoopt aan oude rechtsfeiten, moet aldus bij de bevoegdheidskwalificatie worden gekeken naar het ogenblik waarop het voormelde besluit tot stand komt en niet naar de temporele werkingssfeer ervan. Op het eerste gezicht mag aldus uit de temporele werking van het voornoemde instellingsbesluit alleen worden afgeleid dat voor de toekomst aan de door de burgemeester van de stad Mechelen tijdens de overgangsperiode overeenkomstig artikel 257quinquies/4 van de wet van 7 december 1998, in het kader van de lastens verzoeker gevoerde tuchtprocedure wettig gestelde handelingen, als rechtsgevolg wordt aangeknoopt dat die moeten worden toegerekend aan het politiecollege van de nieuwe politiezone Mechelen/Willebroek. 11. Het argument dat op basis van verschillende publicaties inzake de installatie van de nieuwe politiezone, de benoeming van de korpschef, de instelling van de lokale politie en de verklaringen hieromtrent van de betrokken burgemeesters, vast zou staan dat de nieuwe politiezone alsook de organen ervan hun bevoegdheden waarnemen met ingang van 1 januari 2015, overtuigt op het eerste gezicht niet. Zoals hiervoor is vastgesteld, bestaan en functioneren immers gedurende de transitieperiode de organen van zowel de vorige als van de nieuwe politiezone. De (feitelijke) omstandigheid dat de nieuwe organisatie en organen vanaf 1 januari 2015 in plaats zouden zijn gesteld, doet aldus geen uitspraak over de wettigheid van de beslissingen genomen gedurende die transitieperiode door de burgemeester van de vorige politiezone. 12. Evenmin overtuigt het argument dat de tuchtoverheid goed op de hoogte was van de stand van zaken van de samensmelting. Het gegeven dat het koninklijk besluit bestaat sinds de ondertekening ervan op 17 juli 2015, houdt niet in dat het vanaf die datum tegenwerpelijk is aan de (organen van
- de)vorige en nieuwe politiezone(
- s)en die bindt. Het inleidend verslag en het eerste voorstel van tuchtstraf dateren van voor de datum van het voornoemde XIV-37.119-10/53 koninklijk besluit. Het tweede voorstel van zware tuchtstraf van 27 juli 2015 dateert weliswaar van erna, maar van voor de bekendmaking ervan op 31 juli 2015 in het Belgisch Staatsblad. Zonder dat de Raad van State in de huidige stand van het geding moet onderzoeken of dat tweede voorstel van zware straf zich niet aandient als overbodig, toont verzoeker niet aan dat de burgemeester van de stad Mechelen kennis van het koninklijk besluit van 17 juli 2005 had of moest hebben vooraleer hij de gegriefde handelingen heeft gesteld en dat het hem moet worden tegengeworpen. 13. Verzoeker stelt tot slot in het middel ook nog dat zijn interpretatie betreffende het koninklijk besluit van 17 juli 2015 conform artikel 257 van de wet van 7 december 1998 is. Die bepaling heeft betrekking op het eerste nationaal veiligheidsplan gezamenlijk voor te bereiden door de Rijkswacht, de gerechtelijke politie bij de parketten, en de algemene politiesteundienst. Het is de Raad van State niet op het eerste gezicht duidelijk in welke zin die bepaling bijdraagt tot de interpretatie van het voornoemde koninklijk besluit. 14. Het eerste onderdeel is niet ernstig. Tweede onderdeel 15. Artikel 61 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 luidt: ‘Art. 61. De bepalingen betreffende de tuchtregeling en de tuchtstraffen mogen, tenzij wat de naleving van artikel 127, derde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, en artikel 17 van de wet betreft, niet worden toegepast op de syndicale afgevaardigden voor de handelingen die zij in die hoedanigheid verrichten en die rechtstreeks verband houden met de door hen uitgeoefende prerogatieven. De adviezen en beoordelingen uitgebracht in het raam van tuchtprocedures, procedures inzake bevordering, ambtsontheffing en beoordeling van de morele hoedanigheden of de beroepsbekwaamheden mogen niet steunen op de handelingen verricht als syndicale afgevaardigde, noch ervan gewag maken.’ Uit het te dezen ter zake zijnde eerste lid van de aangehaalde bepaling blijkt dat de bepalingen betreffende de tuchtregeling en de tuchtstraffen ‘niet worden toegepast op de syndicale afgevaardigden voor de handelingen die zij in die hoedanigheid verrichten en die rechtstreeks verband houden met de door hen uitgeoefende prerogatieven.’ De bedoelde prerogatieven worden opgesomd in de artikelen 14 en 15 van de wet van 24 maart 1999 ‘tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten’ die respectievelijk de erkende en de representatieve vakorganisaties betreffen. In beginsel genieten syndicale afgevaardigden aldus de bescherming bedoeld in artikel 61, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 voor alle handelingen die zij stellen als syndicale afgevaardigde en die rechtstreeks verband houden met hun opdracht. Toch ontsnapt niet elk optreden van een syndicale afgevaardigde aan de mogelijkheid van een tuchtrechtelijke vervolging vanwege de tuchtoverheid. In het bijzonder kunnen op het eerste gezicht handelingen gesteld in het kader van een onrechtmatige uitoefening van de prerogatieven van de vakorganisaties wel tuchtrechtelijk worden gestraft. Voorts lijkt het prerogatief van een syndicale afgevaardigde om in die hoedanigheid bij de overheid op te komen voor een individueel personeelsbelang, het behartigen van de belangen van personeelsleden, andere dan hemzelf, te betreffen. Elke politieambtenaar heeft immers het recht om voor zijn eigen belangen op te komen. Een syndicale afgevaardigde die opkomt voor zijn eigen belang als personeelslid oefent dan ook enkel het recht uit dat elk personeelslid toebehoort om voor zijn eigen belangen op te komen. Hij heeft daarvoor geen bijzonder prerogatief nodig en derhalve oefent hij op dat ogenblik geen bijzonder prerogatief uit. Hij geniet daarbij dan ook niet de bijzondere bescherming van artikel 61, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001. XIV-37.119-11/53 De in artikel 61, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 bepaalde voorwaarden zijn tot slot op het eerste gezicht cumulatief. Ze moeten beiden zijn vervuld opdat het personeelslid de erin besloten bijzondere bescherming geniet. Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om desgevraagd zelf een beoordeling te maken van de vraag of de syndicale afgevaardigde voor de hem verweten handeling of gedraging de hiervoor bepaalde bijzondere bescherming geniet. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde reglementaire bepaling binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 16. Hetgeen aan verzoeker wordt ten laste gelegd, is hiervoor reeds weergegeven (supra, punt 3.10.). Er wordt naar verwezen. Inzake het eerste tuchtfeit voert verzoeker in het tweede onderdeel van het middel geen kritiek, zodat het onderdeel op dat punt faalt. Het tweede feit betreft het ‘voor geen enkel zelfgemaakt niet authentieke attesten aangevraagd syndicaal verlof, authentieke attesten binnengeleverd te hebben (tweede onderdeel).’ De verwerende partij blijft te dezen binnen de perken van haar beoordelingsbevoegdheid, door ten aanzien van verzoeker dat feit te beschouwen als een aan verzoeker toerekenbaar tuchtvergrijp en dus niet als een handeling die de bijzondere bescherming dient te genieten op grond van artikel 61, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001. In concreto maakt verzoeker niet aannemelijk dat het niet-binnenleveren van authentieke attesten voor de door hemzelf gemaakte niet authentieke attesten voor syndicaal verlof, een handeling is gesteld in het kader van een rechtmatige uitoefening van de prerogatieven van de vakorganisaties, en dit los van de vraag of dat tweede feit wel rechtstreeks verband houdt met de door verzoeker als syndicaal afgevaardigde uitgeoefende prerogatieven. Verzoeker beperkt zich te dezen tot de algemene opmerkingen dat de hem ten laste gelegde feiten ‘in belangrijke mate, zo niet exclusief, zijn verbonden aan zijn statuut van syndicaal afgevaardigde’ en tot de blote bemerking dat ‘redelijkerwijze niet [kan] worden betwist dat het syndicaal verlof wezenlijk deel uitmaakt van de prerogatieven van een syndicaal afgevaardigde’, zonder te doen blijken dat is voldaan aan de hiervoor in rechte geldende cumulatieve voorwaarden vereist op grond van het aangehaalde artikel 61. Anders dan hoe verzoeker het evenwel ziet, volgt uit de door verzoeker geschonden geachte bepaling niet dat het op zich zou volstaan dat de hem ten laste gelegde feiten ‘in belangrijke mate, zo niet exclusief, zijn verbonden aan zijn statuut van syndicaal afgevaardigde’, opdat verzoeker de bijzondere bescherming zou genieten vervat in het aangehaalde artikel 61, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001. Voorts staat in de gevoerde tuchtprocedure geenszins ter discussie dat het syndicaal verlof een wezenlijk deel uitmaakt van verzoekers syndicale prerogatieven, maar wel het niet-overleggen van authentieke attesten die dat verlof staven. Het feit dat verzoeker die handelingen stelde als ‘syndicaal afgevaardigde’ doet daar geen afbreuk aan. Verzoeker geeft aldus blijk van een eigen feitelijke beoordeling van het tweede tuchtfeit als handeling die binnen de bescherming van het voormelde artikel 61, eerste lid, valt, maar hij maakt niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de kwalificatie van de ten laste gelegde feiten, op dat punt tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan. 17. Het tweede onderdeel is niet ernstig. XIV-37.119-12/53 Derde onderdeel 18. Artikel 30 van de tuchtwet luidt: ‘Indien een tuchtstraf opgelegd wordt door het politiecollege, mogen de leden ervan die niet permanent tijdens het geheel van de hoorzittingen aanwezig waren, niet deelnemen aan de beraadslaging noch aan de stemming over de op te leggen tuchtstraf.’ Die bepaling heeft enkel betrekking op de tuchtvordering voor het politiecollege optredend als hogere tuchtoverheid. Zij sluit uit dat de leden van dat politiecollege die niet aanwezig waren bij de verhoren die in het kader van de tuchtvervolging gehouden zijn, deelnemen aan de beraadslaging en aan de stemming over de tuchtstraf. Vereist is aldus dat het politiecollege, in haar hoedanigheid van tuchtoverheid, verzoeker in de voorafgaande tuchtprocedure mondeling heeft gehoord. Te dezen lijkt dat niet het geval te zijn. Verzoeker werd immers op 3 juli 2015 niet gehoord door het politiecollege, maar wel door de burgemeester van de stad Mechelen, optredend als tuchtoverheid van de vorige politiezone Mechelen. Zoals uit de behandeling van het eerste onderdeel blijkt, was die de op dat ogenblik bevoegde tuchtoverheid. De betrokken burgemeester trad hierbij niet op als lid van het politiecollege van de nieuwe politiezone, hetgeen overigens in strijd zou zijn geweest met de op dat ogenblik geldende bevoegdheid inzake tuchtaange- legenheden. Aangezien het horen van verzoeker op 3 juli 2015 aldus niet gebeurde door het politiecollege, kan op het eerste gezicht artikel 30 niet zijn geschonden. De omstandigheid dat nadien het politiecollege de bevoegde tuchtoverheid werd, doet aan de voorgaande vaststellingen geen afbreuk. Aangezien geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling lijkt te vereisen dat een lid van het na de samensmelting van politiezones bevoegd geworden politiecollege, dat evenwel niet had mogen aanwezig zijn bij het verhoor door de toen bevoegde tuchtoverheid, niet mag deelnemen aan de beraadslaging of stemming over de op te leggen straf, faalt het middel op het eerste gezicht in rechte. In de mate dat verzoeker zijn grief dat de eindbeslissing is genomen door een tuchtoverheid die anders is samengesteld dan op het ogenblik van verhoor, afleidt uit de schending van het recht van verdediging, lijken in deze stand van het geding de verplichtingen die de tuchtoverheid ter zake heeft, dezelfde draagwijdte te hebben als die vervat in artikel 30 van de tuchtwet, hetgeen op het eerste gezicht door verzoeker wordt erkend waar hij stelt dat ‘het […] bijgevolg niet nodig [is] dat deze regel uitdrukkelijk in een wettelijke bepaling is geformuleerd om van toepassing te zijn.’ Een toetsing ter zake aan het recht van verdediging mag derhalve niet tot een andere conclusie leiden. 19. In de mate dat verzoeker in het middel opmerkt dat niet blijkt dat de korpschef de zitting niet heeft verlaten, zet hij niet uiteen in welke mate dat de door hem aangevoerde beginselen en bepalingen schendt. Het onderdeel is op dat punt op het eerste gezicht niet ontvankelijk. 20. Het derde onderdeel is niet ernstig. Conclusie 21. Het eerste middel is niet ernstig.” 7. Verzoeker herneemt het eerste middel omzeggens woordelijk in de memorie van wederantwoord en voegt enkel toe wat hiervoor is omschreven. Het auditoraat valt in zijn verslag over het beroep tot nietigverklaring het tussenarrest bij en bevindt het middel ongegrond. Het verwerpt eveneens de XIV-37.119-13/53 toevoegingen van verzoeker in de memorie van wederantwoord op grond van de volgende overwegingen: “[…] Wat het eerste middelonderdeel betreft, stelt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord het niet eens te zijn met de periode die de Raad van State als de ‘transitieperiode’ beschouwt. Volgens hem kan op grond van de samenlezing van de artikelen 257quinquies/4, 257quinquies/5 en 257quinquies/6 van de wet van 7 december 1999 slechts worden besloten dat de transitieperiode liep van 23 mei 2014 tot 1 januari 2015. Naar verzoekers mening is op 1 januari 2015 aldus van rechtswege een einde gekomen aan de transitieperiode en was de burgemeester van de stad Mechelen niet langer bevoegd om een tuchtprocedure in te leiden op 28 mei 2015. Verzoeker poneert alzo enkel zijn eigen mening, doch brengt geen elementen naar voor die de overweging van de Raad van State weerleggen dat de retroactieve instelling van de nieuwe politiezone Mechelen/Willebroek bij koninklijk besluit van 17 juli 2015 niet impliceert dat daardoor met ingang van 1 januari 2015 declaratief en op retroactieve wijze enkel het politiecollege van de nieuwe politiezone Mechelen/Willebroek bevoegd zou zijn om de tuchtprocedure lastens verzoeker te voeren. Verzoeker stelt voorts nog dat de Raad van State uitdrukkelijk erkent dat vanaf 23 mei 2014 niets in de weg stond aan het optreden van de nieuwe organen van de nieuwe politiezone, daarin begrepen het politiecollege van de nieuwe politiezone. Deze opvatting van verzoeker doet geen afbreuk aan het feit dat uit artikel 257quinquies/4 van de wet van 7 december 1999 volgt dat de prerogatieven van de organen van de vorige politiezones gedurende de transitieperiode beperkt zijn tot ‘de handelingen die voortvloeien uit het dagelijks beheer, die gaan over de dringende zaken of die betrekking hebben op de lopende zaken’ en dat - zoals de Raad in zijn arrest vaststelt - ‘het opstarten en afhandelen van een tuchtprocedure (…) (kan) worden beschouwd als een dringende zaak in de zin van de voornoemde bepaling’. Verzoeker geeft verderop in zijn memorie van wederantwoord overigens zelf uitdrukkelijk toe dat ‘[t]uchtzaken moeten worden behandeld als een dringende zaak en met de vereiste spoed worden afgehandeld’. Aangezien de procedure van vrijwillige samensmelting van de vorige politiezones Mechelen en Willebroek nog niet was afgerond op het ogenblik dat de burgemeester van de stad Mechelen het inleidend verslag van 28 mei 2015 en de voorstellen van zware tuchtstraf van 14 en 27 juli 2015 opstelde, was hij op grond van artikel 257quinquies/4 van de wet van 7 december 1999 bevoegd om die handelingen te stellen. De stelling van verzoeker dat de organen van de nieuwe politiezone vanaf 23 mei 2014 rechtsgeldig konden optreden doet aan het voorgaande geen afbreuk. Verzoeker stelt voorts niet te begrijpen waarom de bevoegde tuchtoverheid van de nieuwe politiezone het tuchtdossier niet heeft behandeld en vermoedt dat een verklaring voor het optreden van de burgemeester van de stad Mechelen kan gevonden worden in de partijdigheid van de burgemeester en diens persoonlijk doel om een definitief einde te stellen aan de meer dan dertig jaar lange carrière van verzoeker. Zoals hoger reeds werd opgemerkt, heeft de burgemeester van de stad Mechelen de zaak behandeld omdat hij op grond van artikel 257quinquies/4 van de wet van 7 december 1999 bevoegd was om dringende zaken, waaronder het opstarten en afhandelen van een tuchtprocedure, te behandelen. Zoals uit de bespreking van het vierde middel blijkt, toont verzoeker geen partijdigheid in hoofde van de burgemeester van de stad Mechelen aan en beperkt hij zich te dezen tot het poneren van een louter vermoeden. XIV-37.119-14/53 Wat het tweede middelonderdeel betreft, blijkt - in tegenstelling tot hetgeen de Raad van State in het hierboven geciteerde arrest stelt - volgens verzoeker uit de tekst van artikel 61 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 niet dat aan de voorwaarden in dit artikel cumulatief zou moeten zijn voldaan opdat het van toepassing zou zijn. Artikel 61 van het koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten bepaalt uitdrukkelijk dat de bepalingen betreffende de tuchtregeling en de tuchtstraffen ‘niet worden toegepast op de syndicale afgevaardigden voor de handelingen die zij in die hoedanigheid verrichten en die rechtstreeks verband houden met de door hen uitgeoefende prerogatieven’. Uit de eenvoudige lezing van dit artikel blijkt dat het gebruik van het voegwoord ‘en’ erop wijst dat de beide voorwaarden cumulatief van toepassing zijn. Verzoeker brengt geen enkele redengeving naar voor die op het tegendeel zou wijzen. De Raad van State besluit overigens - en verzoeker weerlegt op geen enkele wijze - dat hij ‘niet aannemelijk maakt dat het niet-binnenleveren van authentieke attesten voor de door hemzelf gemaakte niet authentieke attesten voor syndicaal verlof, een handeling is gesteld in het kader van een rechtmatige uitoefening van de prerogatieven van de vakorganisaties, en dit los van de vraag of dat tweede feit wel rechtstreeks verband houdt met de door verzoeker als syndicaal afgevaardigde uitgeoefende prerogatieven […]’. Verzoeker weerlegt evenmin ’s Raads pertinente overweging dat ‘in de gevoerde tuchtprocedure geenszins ter discussie (staat) dat het syndicaal verlof een wezenlijk deel uitmaakt van verzoekers syndicale prerogatieven, maar wel het niet-overleggen van authentieke attesten die dat verlof staven. Het feit dat verzoeker die handelingen stelde als ‘syndicaal afgevaardigde’ doet daar geen afbreuk aan. […]’. In zijn memorie van wederantwoord merkt verzoeker bovendien op dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord opnieuw verwijst naar feiten die thans, ingevolge de strafrechtelijke uitspraak, achterhaald zijn, en waardoor zijn onschuld voor deze feiten werd bevestigd. Door aldus op een manifest onjuiste basis te argumenteren miskent de tuchtoverheid volgens verzoeker het strafrechtelijk gezag van gewijsde van het vonnis van 26 november 2015. Zoals uit de definitieve tuchtstraf overduidelijk blijkt, wordt het feit waaraan verzoeker refereert niet langer weerhouden. Zo staat in de bestreden beslissing omtrent het ‘[m]eer dan 90 zelf gemaakte niet authentieke attesten ter staving van aanvragen voor syndicaal verlof binnen bij de personeelsdienst van de lokale politie Mechelen te hebben ingediend waarbij voor minstens 20 data door de vakbond geen syndicaal verlof werd toegekend’ uitdrukkelijk te lezen dat ‘[d]e Tuchtraad (…) van oordeel (
- is)dat voor het eerste onderdeel het gezag van strafrechtelijk gewijsde geldt’, dat ‘[d]it advies wordt gevolgd’ en dat ‘[d]it onderdeel (…) daarom niet langer in aanmerking (wordt) genomen […]’. De tuchtoverheid besluit in de bestreden beslissing dienaangaande uitdrukkelijk dat ‘[h]et tweede tuchtfeit (…) zich (beperkt) tot het tweede onderdeel’, dat in de bestreden beslissing omschreven wordt als ‘voor geen enkel zelf gemaakt niet authentieke attesten aangevraagd syndicaal verlof authentieke attesten binnengeleverd te hebben’. Ook uit de verdere lezing van de bestreden beslissing blijkt niet dat verzoeker zou zijn gestraft voor feiten waarvoor het strafrechtelijk gewijsde geldt. Wat het derde middelonderdeel betreft, herhaalt verzoeker dat de grootste discussie bestaat over de bevoegdheid van de burgemeester van de stad Mechelen en dat minstens kan worden gesteld dat de hogere tuchtoverheid, door vanaf 23 mei 2014 niet op te treden in haar nieuwe constellatie, de zaken nodeloos heeft gecompliceerd. Dienaangaande kan worden verwezen naar hetgeen reeds werd opgemerkt omtrent verzoekers argumenten inzake het eerste middelonderdeel, meer bepaald dat de burgemeester op 23 mei 2014 bevoegd was voor het behandelen van XIV-37.119-15/53 dringende zaken, waaronder het opstellen van het inleidend verslag van 28 mei 2015 en van de voorstellen van zware tuchtstraf van 14 en 27 juli 2015. Verzoeker erkent voorts dat ‘de situatie in casu is tot stand gekomen ingevolge de uitzonderlijke omstandigheden van de fusie van twee politiezones’, maar meent evenwel - samengevat - dat het politiecollege van de nieuw samengestelde politiezone hem had moeten uitnodigen voor een nieuw verhoor. Een andere optie bestond er volgens verzoeker in dat het politiecollege zou besluiten in een andere samenstelling, meer bepaald met het lid dat wel aanwezig was bij de hoorzitting. In de praktijk stond, aldus verzoeker, wegens het overwegend aandeel van de burgemeester van de stad Mechelen, niets een correcte besluitvorming in de weg. De Raad van State oordeelde in het hierboven geciteerde arrest dienaangaande reeds als volgt: ‘In de mate dat verzoeker zijn grief dat de eindbeslissing is genomen door een tuchtoverheid die anders is samengesteld dan op het ogenblik van verhoor, afleidt uit de schending van het recht van verdediging, lijken in deze stand van het geding de verplichtingen die de tuchtoverheid ter zake heeft, dezelfde draagwijdte te hebben als die vervat in artikel 30 van de tuchtwet, hetgeen op het eerste gezicht door verzoeker wordt erkend waar hij stelt dat ‘het […] bijgevolg niet nodig [is] dat deze regel uitdrukkelijk in een wettelijke bepaling is geformuleerd om van toepassing te zijn.’ Een toetsing ter zake aan het recht van verdediging mag derhalve niet tot een andere conclusie leiden.’ De opties die verzoeker thans - overigens pas voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord - voorstelt, doen geen afbreuk aan het voorgaande.” Verzoeker is niet meer ingegaan op het auditoraatsverslag opgesteld in het raam van het annulatieberoep. Hij beperkt zich in de laatste memorie tot het volharden “in de door hem geformuleerde middelen en bezwaren”. Aldus heeft verzoeker niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. 8. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, het standpunt van het auditoraat bij te vallen, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middel thans ongegrond te bevinden. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 9. Verzoeker voert in het tweede middel de schending aan van het vermoeden van onschuld, de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van ne bis in idem. Hij meent, samengevat, dat het optreden van de tuchtoverheid XIV-37.119-16/53 onregelmatig is, daar een deel van de feiten onvoldoende wordt bewezen en een ander deel van de feiten reeds is verjaard, minstens reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van een eerdere tuchtprocedure. Verzoeker onderscheidt vier onderdelen in zijn middel. In het eerste onderdeel voert verzoeker de schending aan van het strafrechtelijk gewijsde en het vermoeden van onschuld. Na een eigen analyse van het verloop van de tuchtprocedure, betoogt hij dat (een deel van) de hem ten laste gelegde feiten onvoldoende is/zijn bewezen ten gevolge van de beperkte inspanningen waarmee de tuchtoverheid het onderzoek heeft gevoerd. Hij wijst ter zake op de volgens hem beperkte inhoud van het vooronderzoek hetgeen hij uitgebreid detailleert. Hij wijst hierbij “volledigheidshalve” op het feit dat de tuchtoverheid slechts eenmaal kennisneemt van een deel van het strafdossier, namelijk lopende het strafrechtelijk onderzoek in februari-maart 2015, en dat zijn verweer ter terechtzitting en in conclusie nog geen deel uitmaakte van dat dossier op het ogenblik van inzage ervan door de tuchtoverheid. Ook de documenten naar aanleiding van het bijkomend onderzoek zijn niet gevoegd. Verzoeker besluit dat de tuchtoverheid zich alle moeite heeft bespaard om de gegevens van het strafdossier verder op te volgen en te actualiseren. Volgens verzoeker leveren de overige stukken van het dossier geen bijkomende relevante informatie op inzake de hem ten laste gelegde feiten. Wel kon de tuchtoverheid uit haar kopie van een deel van het strafdossier afleiden dat hij de feiten met betrekking tot het opnemen van syndicaal verlof ten stelligste betwist. Zij heeft naar aanleiding daarvan geen bijkomende onderzoekmaatregelen bevolen, noch achtte zij het kennelijk nodig verzoeker hierover te horen, dan wel het strafrechtelijk dossier verder op te volgen. Ook blijkt uit het verslag van de vooronderzoeker dat verzoeker inzake de feiten die betrekking hebben op het niet-betekenen van bevelen tot medebrenging, een andere mening was toegedaan dan de betrokken hoofdinspecteurs die in het kader van het vooronderzoek werden verhoord. Volgens verzoeker vond de tuchtoverheid het opnieuw niet nodig hem hierover te horen, niettegenstaande de procureur des Konings volgens hem de mening was toegedaan dat een onderzoek XIV-37.119-17/53 te weinig elementen opleverde om de situatie op te helderen. Verzoeker vindt het opmerkelijk dat de hogere tuchtoverheid op basis van dezelfde informatie wel de schuldige meent te kunnen aanduiden. Voorts vestigt verzoeker “de aandacht op enkele elementen, die door de tuchtoverheid niet in overweging zijn genomen doch die aan haar bekend waren dan wel bekend zouden zijn geweest indien zij zich had gekweten van een zorgvuldige feitenvinding”. In een breed uitgesponnen betoog gaat verzoeker ter zake vooreerst in op de feiten met betrekking tot het niet-betekenen van de bevelen tot medebrenging. In essentie voert hij aan dat hem concreet wordt verweten dat hij op de bevelen tot medebrenging heeft vermeld dat hij zelf die bevelen betekende en een afschrift ervan aan de betrokkenen zou hebben overhandigd en dat zulks zo tevens door hem werd bevestigd in het proces-verbaal. Waar de tuchtoverheid evenwel bij hoog en bij laag volhoudt dat de enkele verantwoordelijkheid voor de betekening van de bevelen tot medebrenging bij verzoeker ligt, betoogt verzoeker dat het openbaar ministerie niet tot een dergelijk besluit is gekomen en dat het geheel onduidelijk is op basis van welke bijkomende informatie de tuchtoverheid heeft kunnen besluiten tot de enkele schuld van verzoeker. Hij benadrukt dat hij steeds heeft verklaard dat hij aan het “WOT” de onmiddellijke opdracht had gegeven om de bevelen te betekenen. Zijn schuld aan de verstoring van de goede werking van de dienst wordt dan ook in geen geval aangetoond. Ook benadrukt verzoeker dat het opmerkelijk is dat C.F., G.V. en K.H. in december 2014 werden gehoord door de vooronderzoeker en verzoeker niet: hij ontving een uitnodiging tot verhoor voor het eerst op 15 maart 2015. Volgens verzoeker is het bijzonder dat de tuchtoverheid het wegens het geheim van het onderzoek aangewezen acht hem niet te horen, terwijl zij geen enkel bezwaar heeft tegen het verhoor van andere betrokkenen. Verzoeker voert aan dat de vooronderzoeker haar besluiten enkel steunt op de verklaringen in het kader van het vooronderzoek van commissaris D.B. en van de andere betrokkenen die mogelijks evenzeer schuld dragen voor de buitenvervolgingstelling van drie verdachten van diefstal met braak. De vooronderzoeker houdt op geen enkele wijze rekening met de bevindingen en bedenkingen van het openbaar ministerie, dat op haar beurt besluit tot onvoldoende XIV-37.119-18/53 bewijzen lastens verzoeker. Volgens verzoeker raakt een dergelijke werkwijze kant noch wal. Zo is het tevens onduidelijk op basis van de gegevens van het dossier of bij het WOT op dat ogenblik ander personeel aanwezig was dat hierover bijkomend zou kunnen worden ondervraagd. Het parket beslist tot seponering van het dossier inzake valsheid in authentieke en openbare geschriften door een ambtenaar in de uitoefening van zijn functies en dit wegens gebrek aan enig bewijs van schuld. Volgens verzoeker is het onduidelijk op basis van welke feiten de tuchtoverheid verzoekers verantwoordelijkheid afleidt en hierbij voorbijgaat aan het vermoeden van onschuld. Het feit dat de bevelen niet werden betekend, hetgeen heeft geleid tot de vrijlating van de verdachten, kan op basis van de voorliggende bewijsstukken niet onverkort worden toegerekend aan verzoeker. Verzoeker stelt te begrijpen dat hij niet op de bevelen had moeten vermelden dat hij zelf die bevelen had betekend en een afschrift aan de betrokkenen zou hebben overhandigd, doch het is volgens hem niet die verkeerde vermelding die de vrijlating van de verdachten heeft veroorzaakt, maar wel het feit dat de bevelen achteraf niet zijn betekend en dat allicht door een miscommunicatie die evenwel niet volledig toerekenbaar is aan verzoeker. Inzake het tweede tuchtfeit betoogt verzoeker dat er geen bijkomende elementen voorliggen voor die tekortkoming en de toerekenbaarheid ervan aan verzoeker. Hij wijst erop dat de correctionele rechtbank oordeelde dat het geheel van de feiten zoals uiteengezet in de dagvaarding niet afdoende bewezen is. De rechtbank is hierbij ingegaan op verzoekers verweer waarin hij niet alleen het bestaan van feitelijke tekortkomingen nuanceert, maar in het bijzonder het gebrek aan schuld bepleit. Inzake het verwijt dat hij authentieke attesten, waarvan hij stelt dat hij ze inleverde in het raam van het strafrechtelijk onderzoek, niet zou hebben ingeleverd bij de personeelsdienst, betoogt hij dat die dienst nauwelijks beschikt over enig authentiek attest. Volgens een ingeburgerde praktijk werd het syndicaal verlof geregistreerd op basis van niet-authentieke attesten en van de syndicale afgevaardigden werd niet verwacht dat zij later een ‘authentiek’ attest binnenleverden. Het kan hem dan ook niet worden verweten dat hij, buiten een uitdrukkelijk verzoek om, geen authentieke attesten inleverde. Aangezien de XIV-37.119-19/53 personeelsdienst jarenlang heeft getolereerd voor alle syndicale afgevaardigden dat zij hun syndicaal verlof staafden op basis van niet-authentieke attesten, treft hem geen schuld wat dat tuchtfeit betreft. In het tweede onderdeel voert verzoeker de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet. Hij betoogt dat de datum van de vaststelling of de kennisneming van de feiten zoals die door de hogere tuchtoverheid wordt aangegeven in het inleidend verslag en gehandhaafd wordt in de bestreden beslissing, niet correct is, minstens dat onterecht toepassing is gemaakt van het tweede lid van artikel 56 van de tuchtwet. Ook de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie (hierna: de AIG) en de Tuchtraad zouden het kennelijk niet eens zijn over de wijze waarop artikel 56 van de tuchtwet te dezen dient te worden toegepast. Verzoeker meent dat de beide tuchtfeiten verjaard zijn. Met betrekking tot het eerste tuchtfeit, met name de feiten die betrekking hebben op het niet-betekenen van bevelen tot medebrenging, betoogt verzoeker dat de hogere tuchtoverheid ingevolge het informatieverslag van 30 oktober 2013, haar op 4 november 2013 ter kennis gebracht, op voldoende nauwkeurige wijze de feiten heeft kunnen vaststellen, minstens had de hogere tuchtoverheid op dat ogenblik alle gegevens in handen om onmiddellijk klaarheid te brengen in de situatie. De verjaringstermijn voor het eerste tuchtfeit begon dan ook op 4 november 2013 te lopen, waardoor de tuchtvordering verviel op 4 mei 2014. Voorts zet verzoeker omstandig uiteen dat die vervaltermijn van zes maanden in geen geval is gestuit door enig lopend strafrechtelijk onderzoek lastens hem. Een eerste en enig proces-verbaal lastens hem werd opgesteld op 5 december 2015, hetgeen zich situeert na het verstrijken van de initiële verjaringstermijn. Met betrekking tot het tweede feit, met name de feiten betreffende het opnemen van syndicaal verlof, stelt verzoeker dat de hogere tuchtoverheid al vanaf 2 april 2013 op de hoogte was van de feiten, met name in het XIV-37.119-20/53 kader van een voorafgaande tuchtprocedure lastens verzoeker. Te dezen stelt hij het volgende: “Immers kan op basis van het verslag voorafgaand onderzoek in het kader van deze eerste tuchtprocedure d.d. 2 april 2013 worden vastgesteld dat aan de tuchtoverheid het volgende reeds eerder uitdrukkelijk ter kennis werd gebracht: - ‘Ter zake dien ik vast te stellen dat de meeste attesten die door [verzoeker] worden afgeleverd slechts een kopiehandtekening bevatten.’ - ‘Bij nazicht blijkt hij trouwens ook meer syndicale verlofdagen dan de toegestane 60 te hebben opgenomen en/of aangevraagd’ - ‘Met betrekking tot de regels in verband met het aanvragen van syndicaal verlof, is het ook zo dat deze meestal niet op een correcte wijze worden toegepast door [verzoeker]. Ik bezorg jou een lijst van syndicale verloven, waarvoor niet op voorhand een aanvraag werd gedaan samen met een volledige lijst van verloven die hij ter zake heeft genomen.’ (stuk 2b - bijlage 2: verhoor [V.])”. Dat naar aanleiding van de verklaringen van verzoeker in die procedure geen materieel feit aan het licht kwam, is volgens verzoeker slechts te wijten aan het stilzitten van de tuchtoverheid zelf die naar aanleiding van die informatie geen verdere actie heeft genomen. Die feiten hebben weliswaar het voorwerp uitgemaakt van een opsporingsonderzoek, maar dat betekent niet dat artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet zomaar kan worden toegepast. De Raad van State gaat na of een tuchtoverheid de gepaste initiatieven heeft genomen en of de tuchtoverheid niet in de mogelijkheid was om, los van het strafonderzoek, een eigen onderzoek te voeren. Te dezen bevindt verzoeker het “op zijn minst merkwaardig” dat de tuchtoverheid, na de dagvaarding van verzoeker en diens verweer ter terechtzitting dat leidde tot zijn vrijspraak, plots besluit om het resultaat van de strafprocedure niet af te wachten en in alle haast de tuchtprocedure te hernemen opdat zij geen rekening zou moeten houden met het vonnis in het voordeel van verzoeker. Verzoeker stelt voorts dat de hogere tuchtoverheid vanaf de kennisneming van de feiten op 2 april 2013 tot en met 29 december 2014 heeft stilgezeten. Van eigen onderzoek is er gedurende die tijd geen sprake en geen enkele onderzoekshandeling is verricht. Inzake de datum van 20 januari 2015 is verzoeker van mening dat de tuchtoverheid reeds veel eerder over de nodige XIV-37.119-21/53 informatie beschikte om een vooronderzoek inzake tucht op te starten. Het blijkt volgens verzoeker heel duidelijk uit het dossier dat het geheel van de feiten wel degelijk aan de tuchtoverheid bekend was, minstens had kunnen zijn op basis van een louter intern onderzoek, naar aanleiding van de documenten die V. in het kader van een eerste tuchtprocedure ter beschikking heeft gesteld. Verzoeker oordeelt dat de hogere tuchtoverheid, mits het stellen van enkele onderzoeksdaden hetgeen zij heeft nagelaten, de ware toedracht van de feiten zeer spoedig had kunnen achterhalen. Een proces-verbaal dat op 5 december 2013 “pour les besoins de la cause” werd bezorgd aan de procureur des Konings kan de verjaring van de feiten niet ongedaan maken. In het derde onderdeel voert verzoeker de schending aan van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem. Hij meent dat de feiten die betrekking hebben op het opnemen van syndicaal verlof reeds het voorwerp uitmaakten van een onderzoek dat in het raam van een eerste tuchtprocedure wegens onwettige afwezigheid werd afgesloten met een eindbeslissing van 10 juni 2013. Volgens hem “betroffen de feiten in de eerste procedure evenzeer het mogelijk onregelmatig karakter van de aanvraag van syndicaal verlof door [verzoeker].” De feiten die hem nu worden verweten hebben allen plaatsgevonden in de periode van januari 2012 tot en met april 2013. Volgens hem kan de tuchtoverheid moeilijk voorhouden dat de eerste feiten wezenlijk verschillen van de feiten die thans het voorwerp uitmaken van de procedure. Hij benadrukt dat toen op 25 april 2013 een tuchtprocedure werd ingeleid en hij erop werd gewezen dat hij de voorgeschreven procedure inzake het indienen van syndicale attesten stipt moet volgen, hij bovendien geen enkele onregelmatigheid meer beging. In het vierde onderdeel voert verzoeker de schending aan van artikel 7 van de tuchtwet. Het is geheel onduidelijk waarom de beide tuchtfeiten thans worden gevat in een enkele tuchtprocedure. De samenhang van de feiten wordt op geen enkele wijze door de tuchtoverheid uitgelegd. Meer nog, volgens verzoeker zou er samenhang zijn tussen het eerder op 10 juni 2013 bestrafte tuchtfeit en de feiten die thans betrekking hebben op het opnemen van syndicaal XIV-37.119-22/53 verlof als syndicaal afgevaardigde, zodat die feiten samen dienden te worden behandeld in het raam van de eerste, in 2013 gevoerde tuchtprocedure. 10. De verwerende partij betwist, wat het vierde onderdeel van het middel betreft, in haar memorie van antwoord in hoofdorde de ontvankelijkheid van het middelonderdeel. Zij voert aan dat verzoeker dat middel nooit heeft opgeworpen voor de tuchtoverheid hoewel hij daartoe verschillende gelegenheden heeft gehad. Het betreft nochtans een (vermeend) “zichtbaar gebrek”, zodat verzoeker verplicht was op grond van de op hem rustende zorgvuldigheid en het beginsel van behoorlijk burgerschap, dat voor de tuchtoverheid zelf op te werpen. Door dat niet te doen, heeft hij het recht verwerkt dat middel, dat geenszins de openbare orde raakt, thans nog op te werpen. Voorts heeft hij geen belang bij het middel: hij klaagt aan dat de tuchtprocedure daardoor langer heeft geduurd dan wanneer de beide tuchtprocedures afzonderlijk zouden zijn gevoerd. Hij lijkt daarmee aan te voeren dat hij liever sneller tuchtrechtelijk was ontslagen. Uit het voorstel van zware tuchtstraf blijkt immers expliciet dat de tuchtoverheid voor beide feiten op zich het ontslag van ambtswege als tuchtstraf heeft voorgesteld. 11. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker omzeggens woordelijk het middel, er een beperkt aantal elementen aan toevoegend waarin hij ingaat op de overwegingen van het schorsingsarrest en die hierna mee worden besproken bij de beoordeling ervan. Beoordeling Eerste, tweede en derde onderdeel van het middel 12. In het tussenarrest nr. 237.377 van 14 februari 2017 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State inzake het eerste, tweede en derde onderdeel van dit middel voorlopig als volgt geoordeeld: “Eerste onderdeel 28. De Raad van State neemt in deze stand van het geding aan dat verzoeker in XIV-37.119-23/53 wezen een gebrek aan zorgvuldige feitenvinding aanvoert. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. Een tuchtstraf kan, rekening houdend met het vermoeden van onschuld, alleen wettig worden opgelegd wanneer de tuchtoverheid over voldoende gegevens beschikt om de ten laste gelegde feiten voor bewezen te houden. Uit de formele motivering moet blijken dat zulks het geval is. Inzake de feitenvinding, heeft de tuchtoverheid bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de toerekenbaarheid van de ten laste gelegde feiten. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de toerekening ervan aan de overtreder. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 29. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Tuchtmaatregelen zijn erop gericht een politieambtenaar te bestraffen voor een schuldige gedraging of tekortkoming. Het element schuld is bijgevolg een wezenlijk gegeven van elke tuchtvordering, zonder hetwelk geen tuchtstraf opgelegd kan worden. Het loutere feit van een professionele tekortkoming, ongeacht of die tekortkoming al dan niet opzettelijk werd begaan, volstaat evenwel te dezen opdat de tekortkoming tuchtrechtelijk kan worden vervolgd. Geconcretiseerd op het voorliggende beroep, impliceert het voormelde zorgvuldigheidsbeginsel dat de tuchtoverheid, om vast te stellen of een feit een tuchtvergrijp is, moet nagaan of het betrokken personeelslid zelf - hetzij opzettelijk, hetzij door nalatigheid - de schuld draagt voor de hem toegerekende beroepsfout. Het volstaat derhalve dat de beroepsfout aan hem moet worden toegerekend. Zoals hiervoor is gesteld, beoordeelt de tuchtoverheid zulks discretionair. 30. De bestreden beslissing zet uiteen waarom de feiten bewezen zijn, alsook de kwalificatie ervan als tuchtfeiten en de toerekening ervan aan verzoeker (zie supra, punt 3.10., punt 4 van de bestreden beslissing). Er wordt naar verwezen. Inzake het eerste tuchtfeit dat betrekking heeft op het niet-betekenen van bevelen tot medebrenging, ontkent verzoeker die feiten op zich niet in het verzoekschrift. Hij geeft immers aan dat hij ‘begrijpt dat hij niet op de bevelen had moeten vermelden dat hij zelf deze bevelen had betekend en een afschrift aan betrokkenen zou hebben overhandigd’, doch minimaliseert de gevolgen van zijn beroepsfout door te betogen dat het niet die verkeerde vermelding is die de vrijlating van de verdachten heeft veroorzaakt, maar wel het feit dat de bevelen achteraf niet zijn betekend, ‘allicht door een miscommunicatie die evenwel niet (volledig) toerekenbaar is aan [verzoeker].’ Te dezen bemerkt de Raad van State dat uit de bestreden beslissing aan verzoeker wordt toegerekend, samengevat, het feit dat ‘door het niet respecteren van de procedurevoorschriften en wettelijke bepalingen omtrent het uitvoeren van de bevelen tot medebrenging en de niet correcte registratie van de feiten in een proces-verbaal, […] door [verzoeker] dan ook zware beroepsfouten [werden] gemaakt.’ De omstandigheid dat, volgens verzoekers feitelijke beoordeling, de begane beroepsfout niet de vrijlating van de verdachten XIV-37.119-24/53 heeft veroorzaakt, betreft niet de vraag naar de schuld of de toerekenbaarheid van de beroepsfout aan verzoeker, maar wel naar zijn aandeel in het al dan niet berokkenen van schade en de omvang ervan. Die kritiek van verzoeker is te dezen derhalve niet relevant. Verzoeker voert ook aan dat geen rekening werd gehouden met de bedenkingen en bevindingen van het openbaar ministerie, waarbij volgens hem ‘het gebrek aan enig bewijs van schuld’ de procureur des Konings heeft doen besluiten tot seponering van het strafdossier lastens hem. Dat argument overtuigt niet. Los van de vaststelling dat het strafdossier lastens verzoeker door het parket werd geseponeerd ‘wegens onvoldoende bewijzen’ - wat op zich niet noodzakelijk inhoudt dat er geen ‘schuld’ is in de tuchtrechtelijke zin - beperkt die sepotbeslissing geenszins de beoordelingsbevoegdheid van de verwerende partij om te oordelen of het betrokken personeelslid zelf - hetzij opzettelijk, hetzij door nalatigheid - de schuld draagt voor de hem toegerekende beroepsfout. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de hogere tuchtoverheid, verwijzend naar het advies van de Tuchtraad, aanvoert dat verzoeker ‘niet [kan] ontkennen dat [hij], als commissaris volledig op de hoogte [is] van de regels met betrekking tot het betekenen van bevelen tot medebrenging’. Van een commissaris van politie die tevens wachtoverste was en waarvan niet wordt betwist dat hij verantwoordelijk was voor de overbrenging van drie verdachten, mag zulks immers redelijkerwijze worden verwacht. Door aldus de voormelde beroepsfout bestaande uit ‘het niet respecteren van de procedurevoorschriften en wettelijke bepalingen omtrent het uitvoeren van de bevelen tot medebrenging en de niet correcte registratie van de feiten in een proces-verbaal’ toe te rekenen aan verzoeker, gaat de hogere tuchtoverheid de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid ter zake niet te buiten. Eenzelfde vaststelling geldt wat verzoekers argument betreft dat de vooronder- zoeker zich louter heeft gebaseerd op verklaringen van anderen die volgens verzoeker evenzeer schuld dragen voor de buitenvervolgingstelling van drie verdachten. In deze stand van het geding volstaat te dezen de vaststelling dat dat gegeven op zich niets afdoet aan de hiervoor vastgestelde verantwoordelijkheid van verzoeker voor de door hem begane beroepsfout. 31. In de mate dat verzoeker met betrekking tot het tweede feit aanvoert dat ook dat feit het voorwerp uitmaakt van een strafprocedure en dat voor het geheel van de feiten uiteengezet in de dagvaarding de correctionele rechtbank oordeelde dat die feiten niet bewezen zijn, blijkt uit de dagvaarding niet dat verzoeker is vervolgd voor het thans als tuchtfeit omschreven feit bestaande uit het voor geen enkel zelf gemaakt niet-authentieke attest aangevraagd syndicaal verlof authentieke attesten te hebben binnengeleverd. Aldus staat in deze stand van het geding niet vast dat de strafrechter omtrent de feiten die het voorwerp van de tuchtprocedure uitmaken, zeker en noodzakelijk heeft beslist dat die niet zijn bewezen. Op het eerste gezicht zit de aan verzoeker ten laste gelegde uiteindelijke niet-staving door een authentiek document niet vervat in het moreel of materieel bestanddeel van de valsheid in geschrifte en het gebruik van valse stukken waarover de correctionele rechtbank heeft beslist. Hieruit volgt dat op het eerste gezicht de vrijspraak door de correctionele rechtbank het opleggen van de tuchtstraf niet belet. In de mate dat verzoeker derhalve de schending van het gezag van gewijsde aanvoert, is die grief niet ernstig. 32. Verzoeker betoogt ook dat er volgens hem een ‘ingeburgerde praktijk’ bestond dat het syndicaal verlof van de afgevaardigden werd geregistreerd op basis van niet-authentieke attesten en dat ‘de personeelsdienst jarenlang heeft getolereerd, voor alle syndicale afgevaardigden, dat zij hun syndicaal verlof staafden op basis van niet-authentieke attesten’. Aldus treft hem geen schuld ‘wat betreft de niet-aflevering van de authentieke attesten, daar hij daartoe evenmin XIV-37.119-25/53 uitdrukkelijk werd verzocht, laat staan aangemaand.’ Ook dit argument overtuigt niet. Dat er een ingeburgerde praktijk zou bestaan dat het syndicaal verlof werd gestaafd of geregistreerd op basis van niet-authentieke attesten, is één zaak, maar aan verzoeker wordt op het eerste gezicht niet ten laste gelegd dat hij zijn syndicaal verlof registreerde of aanvroeg op basis van een niet-authentiek attest van zijn vakorganisatie, maar wel dat hij voor geen enkel met zelfgemaakte, niet-authentieke attesten aangevraagd syndicaal verlof een authentiek attest voorlegt of ‘binnenlevert’. Verzoeker toont niet aan dat er een ‘ingeburgerde praktijk’ zou bestaan die zulks tolereert. Voorts belet de omstandigheid dat van hem noch van de overige syndicale afgevaardigden werd verwacht dat zij later een authentiek attest binnenleverden, niet dat hij voor elk syndicaal verlof aangevraagd door middel van een zelfgemaakt attest, een authentiek attest moet kunnen voorleggen of ‘binnenleveren’. Niet blijkt uit de door verzoeker voorgelegde stukken noch uit het administratief dossier dat zulks is gebeurd. Op het eerste gezicht mag niettemin van een commissaris van politie die tevens syndicaal afgevaardigde is redelijkerwijze worden verwacht dat hij de regels inzake het aanvragen van syndicaal verlof beheerst en er strikt mee omgaat. Door aldus de voormelde beroepsfout bestaande uit ‘het voor geen enkel zelfgemaakt niet-authentiek attesten aangevraagd syndicaal verlof authentieke attesten binnengeleverd te hebben’ toe te rekenen aan verzoeker, gaat de tuchtoverheid de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid ter zake niet te buiten. 33. In de mate, tot slot, dat verzoeker de schending van het zorgvuldig- heidsbeginsel ziet in het feit dat de hogere tuchtoverheid het strafdossier niet correct is blijven opvolgen, blijkt uit de gegevens van de zaak dat de hogere tuchtoverheid op 6 oktober 2015 naar de stand van het dossier vroeg en om inzage en afschrift ‘van eventueel hieraan gekoppelde navolgende processen-verbaal te krijgen en toelating tot gebruikmaking ervan op tuchtgebied te bekomen’. Het Parket-Generaal heeft met een brief van 29 januari 2016 een ‘eensluidend verklaard afschrift van het strafdossier’ bezorgd aan de hogere tuchtoverheid. Verzoeker heeft dat gegeven niet betrokken in zijn verzoekschrift. Zijn kritiek is, in het licht van de concrete samenstelling van het dossier, niet ernstig. 34. Het eerste onderdeel is niet ernstig. Tweede onderdeel 35. Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luidt: ‘Art. 56. De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.’ Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en XIV-37.119-26/53 bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid - maar niet de verplichting - om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst -, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging. De beslissing om de definitieve uitspraak over de strafvordering niet af te wachten houdt dus op zich niet het bewijs in van een onzorgvuldigheid in hoofde van de tuchtoverheid. De omstandigheid dat de tuchtoverheid aanvankelijk van oordeel is dat zij niet voldoende voorgelicht is om zonder de gegevens van het strafonderzoek tuchtrechtelijk op te treden, belet niet dat de tuchtoverheid na verloop van tijd tot andere inzichten komt en alsnog voor het - definitief - afsluiten van de strafrechtelijke procedure, tuchtrechtelijk optreedt met de gegevens waarover zij op dat ogenblik beschikt. De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij ontstentenis van dat bewijs zal worden vastgesteld dat de tuchtvordering niet tijdig ingesteld is. Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 36. Inzake de verjaring van de tuchtvordering betreffende het eerste tuchtfeit, namelijk de feiten met betrekking tot de uitvoering van opdrachten van gerechtelijke politie. XIV-37.119-27/53 37. Uit het inleidend verslag blijkt dat de opstart van de tuchtprocedure uitdrukkelijk steunt op de inzage op 4 december 2014 van de stukken uit het strafdossier ME.10.L1.[XXXXXX]/2013. Verzoeker van zijn kant plaatst zich op het standpunt dat de hogere tuchtoverheid ingevolge het op 4 november 2013 aan haar ter kennis gebrachte informatieverslag van 30 oktober 2013, reeds op 4 november 2013 op voldoende nauwkeurige wijze de feiten heeft kunnen vaststellen, minstens had zij op dat ogenblik ‘alle gegevens in handen om onmiddellijk klaarheid te brengen in de situatie.’ Het informatieverslag is hiervoor weergegeven (zie supra, punt 3.3.). Dat biedt voldoende duidelijkheid omtrent het feit dat blijkbaar de bevelen tot medebrenging niet werden betekend, maar op het eerste gezicht blijkt evenwel uit dat verslag dat er tegenspraak bestaat omtrent de vraag aan wie dat (vaststaande) feit moet worden toegerekend. Uit het hiervoor aangehaalde informatieverslag blijkt immers dat, waar verzoeker aan de wachtoverste G.V. heeft verklaard dat hij ‘die [bevelen] had afgestempeld en getekend en dat hij had gevraagd om deze bevelen te laten betekenen’, alsook ‘dat hij aan ‘die van het WOT’ ([H.]) had gevraagd om de bevelen te laten betekenen.’ Uit datzelfde informatieverslag blijkt evenwel dat H. aan de wachtoverste G.V. meedeelt dat verzoeker ‘dit noch aan hem noch aan iemand anders van de overbrengers heeft gevraagd’, alsook dat F. van de eerste ploeg heeft verklaard dat verzoeker ‘niemand [heeft] aangesproken om de bevelen te laten betekenen.’ Niet wordt betwist dat te dezen de toerekenbaarheid van of schuld aan het niet-betekenen van de bevelen tot medebrenging een wezenlijk element betreft dat in de voorliggende tuchtzaak aan de orde is. Verzoeker toont aldus op het eerste gezicht niet aan dat de hogere tuchtoverheid reeds op 4 november 2013 over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om zich een duidelijk beeld te vormen over dat wezenlijke element van het tuchtfeit, en om hiervoor de tuchtvordering lastens verzoeker in te stellen. De hogere tuchtoverheid houdt voor, inzonderheid in het (eerste) voorstel tot zware tuchtstraf (zie supra, punt 3.8.), dat het voor haar ‘derhalve onmogelijk [was] om op een andere wijze dan mits inzage van het dossier de wezenlijke elementen die in de zaak aan de orde zijn, de omstandigheden, de toerekeningsvatbaarheid, … te onderzoeken’ en dat het ‘zonder te kunnen beschikken over de stukken van het tuchtdossier, waaronder het PV waarin [verzoeker] attesteerde dat de bevelen tot medebrenging werden betekend, overigens ook onmogelijk [was] de feiten afdoende te bewijzen.’ De Raad van State is in deze stand van het geding dan ook van oordeel dat de hogere tuchtoverheid binnen de perken van haar appreciatiebevoegdheid blijft door te oordelen dat de gegevens waarover zij op 4 november 2013 beschikte, niet volstonden om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen. 38. Het inleidend verslag is een eerste maal op 1 juni 2015 en een tweede maal op 2 juni 2015 ter kennis gebracht van verzoeker. Te rekenen vanaf 4 december 2014, is op het eerste gezicht de tuchtvordering ingesteld binnen de in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde termijn. De tuchtvordering is wat dat feit betreft, tijdig ingediend. In de mate dat verzoeker ook bekritiseert dat de hogere tuchtoverheid foutieve toepassing maakt van de mogelijkheid om op grond van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet de tuchtvordering uit te stellen, volstaat, uit wat voorafgaat, de vaststelling dat de tuchtoverheid zich niet op die mogelijkheid beriep doch de vordering binnen de termijn bepaald in artikel 56, eerste lid, heeft ingesteld. 39. Inzake de verjaring van de tuchtvordering betreffende het tweede tuchtfeit, namelijk de feiten met betrekking tot het opnemen van syndicaal verlof. 40. Uit het inleidend verslag (zie supra, punt 3.7.) blijkt dat de tuchtoverheid toepassing heeft gemaakt van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet omdat de feiten XIV-37.119-28/53 waarvan zij kennisnam middels het informatierapport van 6 december 2013 (zie supra, punt 3.5.) het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek. Op 20 februari 2015 kreeg de tuchtoverheid inzage in het dossier en ontving zij een afschrift. Verzoeker van zijn kant plaatst zich op het standpunt dat de hogere tuchtoverheid reeds sinds 2 april 2013 op de hoogte was van de feiten en dat naar aanleiding van verklaringen afgelegd in het raam van een vroegere tuchtprocedure. Voorts vindt verzoeker het merkwaardig dat de tuchtoverheid plots besluit het resultaat van de strafrechtelijke procedure dan toch niet af te wachten. Deze grieven worden hierna op hun merites beoordeeld. 41. In de mate dat verzoeker het ‘op zijn minst merkwaardig’ vindt dat de tuchtoverheid na de dagvaarding van verzoeker en diens verweer plots zou hebben besloten om het resultaat van de strafprocedure niet af te wachten, is hiervoor reeds uiteengezet (supra, punt 35) dat de omstandigheid dat de tuchtoverheid aanvankelijk van oordeel is dat zij niet voldoende voorgelicht is om zonder de gegevens van het strafonderzoek tuchtrechtelijk op te treden, niet belet dat zij na verloop van tijd tot andere inzichten komt en alsnog voor het - definitief - afsluiten van de strafrechtelijke procedure, tuchtrechtelijk optreedt met de gegevens waarover zij op dat ogenblik beschikt. Het gegeven dat de tuchtoverheid beslist om, na inzage van het strafdossier, de definitieve uitspraak over de strafvordering niet af te wachten - te meer daar er in hoofde van de tuchtoverheid een verplichting bestaat om binnen een redelijke termijn een tuchtzaak af te handelen en uit het hiervoor aangehaalde artikel 56 van de tuchtwet juist volgt dat, indien het eigen onderzoek voldoende klaarheid in de zaak brengt, het bestaan van een strafonderzoek op zich geen deugdelijke reden zou zijn om de tuchtvordering niet op te starten - vitieert op zich de bestreden beslissing niet. Uit de gegevens van de zaak en meer bepaald de aanstelling van de vooronderzoekster op 6 februari 2015, blijkt dat de tuchtoverheid eerst van oordeel was dat zij de uitkomst van de strafrechtelijke procedure moest afwachten, maar dat de tuchtoverheid - zoals blijkt uit het hiervoor aangehaalde uittreksel uit het eerste voorstel van zware straf (supra, punt 3.8.) - na inzage op 20 februari 2015 van het strafdossier door de aangewezen vooronderzoekster, ‘de ernst en de omvang en zwaarwichtigheid van de feiten [kan] vaststellen’ en dat ‘pas dan […] het bewijs van de feiten [kan] worden geleverd’. Voorts is de tuchtoverheid luidens het voorstel van zware straf de mening toegedaan dat, ‘indien [zij] enkel en alleen op de informatie uit het informatierapport [dd. 6 december] zou voortgegaan zijn en de feiten als bewezen zou hebben geacht, zou [haar] het lichtzinnig uiten van beschuldigingen en het onvoldoende nauwkeurig verzamelen van bewijskrachtige elementen worden verweten.’ Gelet op de hiervoor geschetste appreciatieruimte die de tuchtoverheid heeft bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover zij beschikt volstaan om tuchtrechtelijk op te treden heeft, volgt uit wat voorafgaat dat verzoeker prima facie niet aannemelijk maakt dat de tuchtoverheid ter zake de grenzen van haar appreciatiebevoegdheid te buiten is gegaan, door te oordelen dat zij zich pas na inzage van het strafdossier op 20 februari 2015 een duidelijk beeld kon vormen omtrent het bestaan en de ernst van het tweede feit en de toerekening ervan aan verzoeker. 42. Verzoeker voert ook aan dat de tuchtoverheid reeds ten tijde van de in 2013 lastens verzoeker gevoerde tuchtprocedure - ingevolge het verslag van het voorafgaand onderzoek van 2 april 2013 - op de hoogte zou zijn geweest of zou moeten zijn geweest van het feit dat verzoeker zelfgemaakte attesten voor het aanvragen van syndicaal verlof vervaardigde en bij de personeelsdienst binnen- leverde. De Raad van State stelt vast dat verzoeker dat argument ook reeds heeft opgeworpen in de voorafgaande procedure voor de Tuchtraad. Te dezen heeft de XIV-37.119-29/53 Tuchtraad in zijn advies dat argument als volgt beoordeeld: ‘4.1.2. Volgens de verzoeker werd de bevoegde tuchtoverheid door middel van een verslag voorafgaand onderzoek (in het kader van een eerste tuchtprocedure) d.d. 2 april 2013 van [L.] reeds in kennis gesteld van de feiten met betrekking tot het opnemen van syndicaal verlof op basis van zelf gemaakte attesten met gebruik van een gekopieerde handtekening. Beoordeling Tuchtraad Uit de verklaring van [V]. (Bijlage 2 aan het verslag van vooronderzoek van 2 april 2013) blijkt dat deze op 12 november 2012 stelde dat: ‘- ik stel samen met u vast dat syndicaal attest, afgeleverd door [verzoeker] voor 14 oktober 2012 niet in origineel werd getekend maar een kopie is; -ter zake dien ik te melden dat de meeste attesten die door [verzoeker] worden afgeleverd slechts een kopiehandtekening bevatten. Ik weet dus ook niet in hoeverre de secretaris van het NSPV, waarvoor hij afgevaardigde is, daadwerkelijk op de hoogte is van alle syndicale verloven die [verzoeker] heeft genomen; -mij blijkt hij trouwens ook meer syndicale verlofdagen dan de toegestane 60 te hebben opgenomen en/of aangevraagd’. Het staat vast dat het voorwerp van de voorgaande tuchtprocedure een onwettige, want niet behoorlijk gestaafde, afwezigheid betrof zijnde een totaal ander feit dan deze die ten grondslag liggen van huidige procedure. Bij de lezing van voormelde verklaring kan geenszins afgeleid worden dat het om zelf gefabriceerde attesten zou gaan maar eerder om een ‘kopie’, hetgeen een totaal andere dimensie geeft aan het feit. Daarenboven betrof het een verklaring van een ondervraagd persoon in het kader van een ander feit zonder dat daarop dat ogenblik enig materieel stuk naar voor gebracht werd. Samen met de tuchtoverheid is, wat de feiten sub 2 (hierna omschreven) betreffen, de Tuchtraad van oordeel dat ook voor deze feiten het inleidend verslag tijdig werd betekend meer bepaald op 30 mei 2015.’ Ook stelt de Raad van State vast dat de hogere tuchtoverheid eveneens het voorliggende argument van verzoeker heeft beoordeeld in haar eerste voorstel van zware tuchtstraf (zie supra, punt 3.8.). Er wordt naar verwezen. Voorts blijkt uit de behandeling van het derde onderdeel van het voorliggende middel dat uit de tuchtbeslissing van 10 juni 2013 blijkt dat de feiten die aan die tuchtveroordeling ten grondslag lagen, op het eerste gezicht identiek noch in hoofdzaak dezelfde zijn als die welke ten grondslag liggen van de thans bestreden tuchtbeslissing. Verzoeker stelt weliswaar dat de redenering van de Tuchtraad niet kan worden gevolgd, maar bij het formuleren van zijn eigen standpunt omtrent de kennis die de tuchtoverheid had moeten hebben of kunnen hebben door de kennisneming van het verslag van het voorafgaand onderzoek van 2 april 2013, betrekt of bekritiseert hij geenszins de voorgaande beoordelingen. De Raad van State stelt bijgevolg in het raam van het voorliggende kort geding vast dat verzoeker op het eerste gezicht niet aannemelijk maakt dat de hogere tuchtoverheid, door, om de redenen uiteengezet in het voorstel van zware tuchtstraf en in het advies van de Tuchtraad, verzoekers standpunt niet bij te treden omtrent de draagwijdte van dat voorafgaand onderzoek, de perken van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan. Door zich bijgevolg op het standpunt te plaatsen dat pas met de kennisneming van het informatieverslag van 6 december 2013 de tuchtoverheid voor het eerst kennis kreeg van de feiten met betrekking tot het opnemen van syndicaal verlof, maakt de hogere tuchtoverheid geen onredelijke toepassing van haar appreciatiebevoegdheid ter zake. 43. Verzoeker voert ook aan dat de hogere tuchtoverheid heeft stilgezeten en dat er van een eigen onderzoek geen sprake is geweest, noch dat er onderzoeksdaden XIV-37.119-30/53 werden verricht. Te dezen beperkt verzoeker zich tot een algemene kritiek, zonder dat hij evenwel aangeeft - in een context waarin verzoeker de feiten betwist en een opsporings- onderzoek aanhangig is - welke voor de hand liggende tuchtrechtelijke onder- zoeksdaden de tuchtoverheid of de aangestelde voorafgaande onderzoeker konden stellen om op tuchtrechtelijk vlak meer duidelijkheid in de zaak te krijgen betreffende de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst - zonder daarbij het strafonderzoek te hinderen en die zouden toelaten dat de tuchtoverheid op grond daarvan over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen. Verzoeker verwijst te dezen bij wege van enig voorbeeld naar ‘het opvragen van bepaalde gegevens bij de dienst intern toezicht of de personeelsdienst’, maar hij verklaart niet nader in welke mate dat ‘opvragen’ zou hebben bijgedragen tot het verkrijgen van meer duidelijkheid inzake de wezenlijke elementen van de tuchtzaak. Hetzelfde geldt wat de uitnodiging tot horen betreft tijdens het voorafgaand onderzoek. Het enkele gegeven dat de tuchtoverheid verzoeker had kunnen horen, maakt op zich niet aannemelijk dat verzoeker gedurende het lopende strafonderzoek aan de tuchtoverheid klaarheid heeft willen geven over de wezenlijke elementen die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde zijn zodat zijn tuchtrechtelijk verhoor redelijkerwijs te dezen een voor de hand liggende onderzoeksdaad zou zijn geweest. Voorts blijkt uit het dossier dat de tuchtoverheid op regelmatige tijdstippen bij de gerechtelijke overheden heeft geïnformeerd naar de stand van zaken zodat er op dat punt geen sprake lijkt te zijn van een passieve houding in hoofde van de tuchtoverheid. 44. Het is aan verzoeker die de schending van artikel 56 van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker op het eerste gezicht dat bewijs niet levert. De Raad van State is in deze stand van het geding eveneens van oordeel dat de tuchtoverheid binnen de perken van haar appreciatiebevoegdheid blijft door geen eigen administratief onderzoek uit te voeren en door te wachten op de kennisgeving van het strafdossier om de werkelijke toedracht van het tweede tuchtfeit te achterhalen. 45. Het tweede onderdeel is niet ernstig. Derde onderdeel 46. Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, dat onder meer ook is opgenomen in artikel 4, lid 1 van het ten opzichte van België op 1 juli 2012 in werking getreden Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, verbiedt een persoon te vervolgen of te berechten voor een tweede ‘misdrijf’ voor zover identieke feiten of feiten die in hoofdzaak dezelfde zijn eraan ten grondslag liggen (EHRM (Grote kamer) 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland, punt 82; EHRM 14 januari 2014, Muslija t. Bosnië en Herzegovina, punt 33; GwH 3 april 2014, nr. 61/2014, punt B.15.1.; GwH 19 december 2013, nr. 2013/181, punt B.3.1.). 47. Verzoekers kritiek betreft in wezen het idem-aspect van het geschonden geachte beginsel. Uit de vergelijking van de feiten die aan de grondslag liggen van de aan verzoeker op 10 juni 201[3] opgelegde tuchtstraf van de blaam (supra, punt 3.2.), met de feiten waarvoor de thans bestreden tuchtstraf wordt opgelegd (supra, punt 3.10.), blijkt op het eerste gezicht dat die identiek noch in hoofdzaak dezelfde zijn. De enkele omstandigheid dat de thans aan verzoeker verweten feiten zich allen XIV-37.119-31/53 situeren in de periode van januari 2012 tot en met april 2013 leidt niet tot een andere conclusie. Hetzelfde geldt wat verzoekers standpunt betreft dat hij sinds 20 april 2013 geen onregelmatigheid meer begin, noch het feit dat verzoeker ter zake niet akkoord is met het standpunt dat de Tuchtraad ter zake innam. 48. Het derde onderdeel is niet ernstig.” 13. Verzoeker herneemt het eerste tot en met het derde onderdeel van het tweede middel omzeggens woordelijk in de memorie van wederantwoord en voegt er enkel een aantal elementen aan toe. Het auditoraat valt in zijn verslag over het beroep tot nietigverklaring het tussenarrest bij en bevindt de drie eerste onderdelen van het tweede middel ongegrond. Het verwerpt eveneens de toevoegingen van verzoeker in de memorie van wederantwoord op grond van de volgende overwegingen: “Met betrekking tot het eerste middelonderdeel stelt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord vooreerst nog dat hij pas in het kader van de procedure voor de Raad van State kennis kon nemen van de communicatie tussen de tuchtoverheid en het parket. Hij stelt zich verderop in zijn memorie van wederantwoord ‘ernstige vragen bij de voeging van de betreffende stukken aan het tuchtdossier’ en meent dat het niet refereren aan deze stukken in de bestreden beslissing ‘slechts aan(toont) dat de hogere tuchtoverheid geheel onverschillig staat tegenover de waarheidsvinding en om die reden bewust informatie heeft achtergehouden voor de Tuchtraad’. Verzoeker voert geen bepaling aan die de tuchtoverheid ertoe zou verplichten hem van deze stukken in kennis te stellen of er melding van te moeten maken in haar eindbeslissing, noch poneert hij dat deze stukken zich niet in het tuchtdossier zouden bevinden. Hoe dan ook toont verzoeker niet aan dat het - volgens hem - ‘achterhouden’ van deze stukken tot een ander besluit zou moeten leiden wat het eerste middelonderdeel betreft. Bovendien doet zijn argument geen afbreuk aan de beoordeling in het arrest dat de hem ten laste gelegde uiteindelijke niet-staving door een authentiek document niet vervat zit in het moreel of materieel bestanddeel van de valsheid in geschrifte en het gebruik van valse stukken waarover de correctionele rechtbank heeft beslist en dat daaruit volgt dat de vrijspraak door de correctionele rechtbank het opleggen van de tuchtstraf niet belet. Verzoekers verdere stellingname inzake het eerste tuchtfeit dat niet duidelijk is wiens taak het uiteindelijk was om de bevelen tot medebrenging te betekenen, doet geen afbreuk aan de concrete tenlastelegging, namelijk dat verzoeker op de bevelen vermeldde dat hij ze betekend had en een afschrift aan de betrokkenen overhandigde en dit ook zo in het proces-verbaal ter zake bevestigde. Met andere woorden, aan verzoeker wordt verweten feiten in een proces-verbaal te hebben geacteerd die niet overeenstemmen met de werkelijkheid (meer bepaald vermeldde hij op de bevelen tot medebrenging dat hij deze betekende en een afschrift aan de betrokkenen overhandigde en bevestigde hij dit ook zo in het proces-verbaal ter zake). De vraag - volgens verzoeker de onduidelijkheid over - wie uiteindelijk verantwoordelijk was voor de effectieve betekening van de bevelen tot medebrenging doet dan ook niet ter zake. Met betrekking tot het tweede tuchtfeit meent verzoeker dat het merkwaardig is dat de tuchtoverheid voor de tuchtraad eerst meende over alle relevante gegevens te XIV-37.119-32/53 beschikken om vervolgens voor de tuchtraad alsnog in te stemmen met een uitstel van de behandeling van de zaak om de uitspraak in de gerechtelijke procedure af te wachten. Verzoeker poneert niet dat die vraag om uitstel van de tuchtoverheid zou uitgaan. De omstandigheid dat zij instemt met een uitstel van de behandeling van de zaak betekent geenszins dat zij zou toegeven ten onrechte geoordeeld te hebben over voldoende gegevens te beschikken. Verzoeker meent voorts dat uit zijn uiteenzetting in het kader van de strafrechtelijke procedure precies blijkt dat de algemene praktijk inzake het staven of registreren van syndicaal verlof op basis van niet-authentieke attesten zijn gedrag verklaart. Dit gegeven doet geen afbreuk aan de vaststelling in het hierboven aangehaalde arrest dat het bestaan van een ingeburgerde praktijk één zaak is, maar dat aan verzoeker wordt ten laste gelegd dat hij voor geen enkel met zelfgemaakte, niet-authentieke attesten aangevraagd syndicaal verlof een authentiek attest voorlegt of binnenlevert en verzoeker niet aantoont dat er een ‘ingeburgerde praktijk’ zou bestaan die zulks tolereert. Voormeld gegeven doet evenmin afbreuk aan het feit dat hij voor elk syndicaal verlof aangevraagd door middel van een zelfgemaakt attest, een authentiek attest moet kunnen voorleggen of binnenleveren en dat niet blijkt dat zulks is gebeurd, terwijl van een commissaris van politie, die tevens syndicaal afgevaardigde is, redelijkerwijze mag worden verwacht dat hij de regels inzake het aanvragen van syndicaal verlof beheerst en er strikt mee omgaat. De argumentatie van verzoeker dat onduidelijkheid bestond omtrent het staven of registreren van syndicaal verlof wordt overigens door de tuchtraad niet bijgetreden, integendeel, de tuchtraad is eveneens van oordeel ‘dat de bewezen feiten aan de verzoeker toerekenbaar zijn en dat de desbetreffende motieven van de tuchtoverheid deugdelijk en afdoende zijn’, meer bepaald dat de procedure om syndicaal verlof aan te vragen en te bewijzen eenduidig is en in de politiezone volledig in overeenstemming met de wettelijke bepalingen, zoals opgenomen in het koninklijk besluit van 8 februari 2001 tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het persoon van de politiediensten, geregeld wordt. Verzoeker voert, wat het tweede tuchtfeit betreft, ten slotte nog aan dat de tuchtoverheid het niet kan nalaten om in de eindbeslissing de feiten aan te halen zoals oorspronkelijk door haar weerhouden. Zo is de stelling dat er nog steeds tien dagen syndicaal verlof niet gedekt zijn door een authentiek attest volgens verzoeker manifest onjuist en wijkt ze af van de omschrijving van de tuchtfeiten die door de tuchtraad werden weerhouden, meer bepaald werden alle niet-authentieke attesten gedekt door een authentiek attest en bestaat slechts over het binnenleveren van de authentieke attesten onduidelijkheid. In tegenstelling tot hetgeen verzoeker poneert, stelt de tuchtraad in zijn advies dat verzoeker in zijn pleitnota ter zitting van de tuchtraad van 26 april 2016 voorhield dat voor 6 van de 16 resterende dagen wel degelijk een authentiek attest werd voorgelegd, en stelt de tuchtraad vast dat - zelfs indien dit gegeven juist zou zijn - nog steeds tien dagen overblijven waarvoor hij syndicaal verlof niet dekte door een authentiek attest en dat ‘[d]it deel van de feiten sub 2.2 onderdeel 2 (…) bewezen (is)’. De tuchtoverheid sluit zich met andere woorden, wat dit gegeven betreft, louter aan bij het advies van de tuchtraad. Wat het tweede middelonderdeel betreft, stelt verzoeker inzake de voorgehouden verjaring van het eerste tuchtfeit dat de tuchtoverheid in het inleidend verslag ‘het geweer van schouder verandert’ omdat zij de onregelmatige toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet had voorzien. Met deze algemene kritiek gaat verzoeker volledig voorbij aan hetgeen de Raad van State in het hierboven geciteerde arrest hieromtrent heeft geoordeeld. Inzake de voorgehouden verjaring van het tweede tuchtfeit stelt verzoeker voorts dat hij in zijn initieel verzoekschrift wel degelijk het standpunt van de tuchtraad XIV-37.119-33/53 bekritiseerd heeft. De Raad van State heeft, wat de uiteenzetting van dit middel- onderdeel, in zijn arrest geoordeeld dat verzoeker weliswaar stelt ‘dat de redenering van de Tuchtraad niet kan worden gevolgd, maar bij het formuleren van zijn eigen standpunt omtrent de kennis die de tuchtoverheid had moeten hebben of kunnen hebben door de kennisneming van het verslag van het voorafgaand onderzoek van 2 april 2013, betrekt of bekritiseert hij geenszins de voorgaande beoordelingen. De Raad van State stelt bijgevolg in het raam van het voorliggende kort geding vast ‘dat verzoeker op het eerste gezicht niet aannemelijk maakt dat de hogere tuchtoverheid, door, om de redenen uiteengezet in het voorstel van zware tuchtstraf en in het advies van de Tuchtraad, verzoekers standpunt niet bij te treden omtrent de draagwijdte van dat voorafgaand onderzoek, de perken van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan […]’. In de mate dat verzoeker thans, wat het beweerde stilzitten van de tuchtoverheid betreft, voor het eerst ‘een aantal suggesties’ formuleert van mogelijke, voor de hand liggende onderzoeksdaden die de tuchtoverheid had kunnen stellen om op tuchtrechtelijk vlak meer duidelijkheid in de zaak te krijgen betreffende de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn zonder daarbij het strafonderzoek te hinderen en die zouden toelaten dat de tuchtoverheid op grond daarvan over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen, betreft het argumenten die verzoeker reeds eerder in zijn initieel verzoekschrift had kunnen formuleren en die thans niet in aanmerking kunnen worden genomen. In zoverre dat de Raad van State in zijn arrest oordeelt dat uit het dossier blijkt dat de tuchtoverheid op regelmatige tijdstippen bij de gerechtelijke overheden heeft geïnformeerd naar de stand van zaken zodat er op dat punt geen sprake lijkt te zijn van een passieve houding in hoofde van de tuchtoverheid, is verzoeker in zijn memorie van wederantwoord een andere mening toegedaan (meer bepaald dat de vier brieven die aan de minister werden gericht onmogelijk tegemoet komen aan de zorgvuldigheidsplicht), zonder dat evenwel blijkt of dat hij aantoont dat zijn mening dient te primeren op het oordeel van de Raad. Met zijn opmerking dat de evolutie in het handelen van de tuchtoverheid des te merkwaardiger is nu blijkt dat de tuchtoverheid het alsnog nodig achtte om op 6 oktober 2015 de procureur des Konings aan te schrijven om vervolgens het bekomen voor eensluidend verklaard afschrift van het strafdossier op generlei wijze te betrekken in haar oordeel omtrent de eindbeslissing, toont verzoeker niet aan dat de tuchtoverheid ten onrechte geoordeeld heeft over voldoende elementen te beschikken om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen. Inzake het derde middelonderdeel stelt verzoeker dat de tuchtraad de feiten heeft geherformuleerd en hem thans slechts wordt verweten geen authentieke attesten te hebben binnengeleverd. Verzoeker wijst erop dat dit in het kader van de eerdere tuchtprocedure reeds een vaststaand feit was en dat uit één en ander slechts kan worden begrepen dat de personeelsdienst op dat ogenblik slechts beschikte over een merendeel aan niet-authentieke attesten. Hij stelt vast dat de tuchtoverheid het naar aanleiding van deze vaststelling niet nodig heeft geacht om een andere tuchtstraf dan de blaam op te leggen. Met de beslissing van 10 juni 2013 werd aan verzoeker de tuchtstraf van de blaam opgelegd omdat hij op maandag 15 oktober 2012 niet aanwezig was op de dienst en geen telefonische melding deed omtrent zijn afwezigheid en het personeelssecretariaat die dag op laattijdige wijze, met name zonder voorafgaande voorlegging zoals bepaald in het syndicaal statuut, een attest ontving voor syndicaal verlof op 15 oktober 2012. De thans bestreden tuchtstraf wordt opgelegd voor feiten die betrekking hebben op het uitvoeren van opdrachten van gerechtelijke politie en feiten die betrekking hebben op het opnemen van syndicaal verlof, meer bepaald voor het opnemen van syndicaal verlof dat niet XIV-37.119-34/53 gedekt is door authentieke attesten. Zoals de Raad van State reeds in het hierboven geciteerde arrest oordeelde, blijkt uit de vergelijking van de feiten die aan de grondslag liggen van de op 10 juni 2013 opgelegde tuchtstraf van de blaam met de feiten waarvoor de thans bestreden ontslagbeslissing wordt opgelegd, dat die identiek noch in hoofdzaak dezelfde zijn. Verzoeker beperkt zich voorts tot de vage vraag of ‘het niet binnenbrengen van authentieke attesten’, gelet op het onderzoek en de tuchtprocedure die eerder werd gevoerd, effectief tuchtfeiten uitmaken en kunnen worden gesanctioneerd. Een dergelijke vage bedenking kan evenwel niet leiden tot een andere beoordeling.” Verzoeker is niet meer ingegaan op het auditoraatsverslag opgesteld in het raam van het annulatieberoep. Hij beperkt zich in de laatste memorie tot het volharden “in de door hem geformuleerde middelen en bezwaren”. Aldus heeft verzoeker niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. 14. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, het standpunt van het auditoraat bij te vallen, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het eerste tot en met het derde onderdeel van het tweede middel thans ongegrond te bevinden. Vierde onderdeel van het middel Ontvankelijkheid van het middelonderdeel 15. De verwerende partij werpt vooreerst de niet-ontvankelijkheid van het middelonderdeel op omdat verzoeker zich niet voor de eerste maal voor de Raad van State kan beroepen op de schending van artikel 7 van de tuchtwet en dit omdat het om een “zichtbaar gebrek” gaat en hij verschillende gelegenheden heeft gehad om dat op te werpen. Deze exceptie beperkt de toegang tot de rechter omdat ze aan verzoeker het recht ontzegt om de aangevoerde onregelmatigheden als annulatiemiddel aan de rechter voor te leggen. Op de verwerende partij berust derhalve de bewijslast van deze zware sanctie van het verval van het recht. XIV-37.119-35/53 De verwerende partij levert het vereiste bewijs niet. Vooreerst mag een tuchtrechtelijk vervolgde persoon bij het stellen van procedure- handelingen tijdens de tuchtprocedure, uitgaan van het vermoeden dat het overheidsoptreden in overeenstemming is met het recht. Hij mag aldus aannemen dat het samen behandelen van beide tuchtvergrijpen gebeurt overeenkomstig de ter zake geldende regelgevende bepalingen en dat de verwerende partij zelf waakt over het wettig stellen ervan. De enkele vaststelling door de verwerende partij dat verzoeker geen enkele opmerking maakte voor de Tuchtraad noch in zijn verweerschrift omtrent de toepassing van artikel 7 van de tuchtwet, volstaat derhalve op zich niet om de exceptie gegrond te bevinden. Uit wat voorafgaat volgt dat het niet wijzen door verzoeker op mogelijke onwettigheden of onregelmatigheden inzake de toepassing van artikel 7 van de tuchtwet, verzoeker niet het recht ontzegt om de schending van het artikel 7 van de tuchtwet in een latere procedure voor de Raad van State voor te leggen. De exceptie is in die mate ongegrond. 16. De verwerende partij doet ook gelden dat, door aan te klagen dat het samen behandelen van beide tuchtvergrijpen, de tuchtprocedure langer heeft geduurd dan wanneer de twee tuchtprocedures afzonderlijk zouden zijn gevoerd, hij geen belang heeft bij het middelonderdeel. Hij heeft er volgens de verwerende partij geen belang bij dat hij sneller tuchtrechtelijk werd ontslagen. Overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geven de onregelmatigheden die onder een in het eerste lid vermelde nietigheidsgrond ressorteren “slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden”. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad van State brengt, doet blijken van een XIV-37.119-36/53 belang bij het aangevoerde middelonderdeel. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. Het middelonderdeel strekt er toe te onderzoeken of de bestreden beslissing tot stand is gekomen in strijd met artikel 7 van de tuchtwet. De toepassing van dit artikel is in beginsel beperkt tot de gevallen waarin de tuchtoverheid een personeelslid meerdere tuchtfeiten daadwerkelijk kan toerekenen. Het biedt aldus de waarborg dat een nieuw tuchtvergrijp enkel bij samenhang tijdens een lopende procedure mag worden behandeld in de lopende procedure. In het licht van de verplichting opgelegd door die bepaling, moet aldus worden onderzocht of de hogere tuchtoverheid de aan verzoeker tenlastegelegde feiten niet aan de orde had moeten stellen naar aanleiding van een eerder opgestarte tuchtprocedure, in welk geval verzoeker het voordeel zou genieten van de verplichting opgelegd door voormeld artikel 7. Een verzoeker is aldus gebaat bij de regelmatige toepassing van de wettelijke regels inzake samenloop en samenhang. Zulks volstaat opdat verzoeker getuigt van een belang bij het middelonderdeel, zodat een verzoeker hiertoe niet aannemelijk moet maken dat, mochten twee tuchtprocedures afzonderlijk zijn gevoerd, de procedures sneller zouden zijn afgehandeld nu zulks niet is begrepen in de geschonden geachte bepaling. De exceptie is in die mate ongegrond. 17. Verzoeker heeft belang bij het middelonderdeel. De exceptie is ongegrond. De gegrondheid van het vierde middelonderdeel 18. Artikel 7 van de tuchtwet luidt: “Wanneer aan een personeelslid meer dan één tuchtvergrijp wordt toegerekend, kan tegen dat personeelslid slechts één tuchtprocedure worden aangespannen die slechts aanleiding kan geven tot één enkele tuchtstraf. Wanneer aan het personeelslid in de loop van een tuchtprocedure een nieuw tuchtvergrijp wordt toegerekend, wordt wegens dat tuchtvergrijp een nieuwe tuchtprocedure aangespannen, zonder dat de lopende procedure daardoor gestuit XIV-37.119-37/53 wordt. In geval van samenhang wordt het nieuwe tuchtvergrijp evenwel behandeld tijdens de lopende procedure.” Die bepaling regelt de samenloop van tuchtvergrijpen. Er is sprake van samenloop van tuchtvergrijpen wanneer een personeelslid verschillende tuchtvergrijpen heeft gepleegd, terzelfdertijd of op verschillende tijdstippen, zonder dat hiervoor reeds een tuchtstraf werd uitgesproken. Beoogd wordt aldus het geval waarin verschillende tuchtvergrijpen, die elk afzonderlijk een tuchtvervolging kunnen genereren, aan een personeelslid ten laste worden gelegd. Het eerste en tweede lid van artikel 7 van de tuchtwet bepalen wanneer bij samenloop al dan niet een nieuwe tuchtprocedure moet worden ingeleid. De algemene regel (eerste lid) is dat, wanneer aan een personeelslid meer dan één tuchtvergrijp wordt toegerekend, slechts één tuchtprocedure kan worden aangespannen en slechts een enkele tuchtstraf kan worden opgelegd. Uitzondering vormt het geval waarin reeds een procedure is opgestart voor een tuchtvergrijp: behoudens in het geval van samenhang (derde lid), wordt in dat geval voor het nieuwe tuchtvergrijp een afzonderlijke, nieuwe tuchtprocedure aangespannen die de lopende procedure niet stuit (tweede lid). Voor alle tuchtvergrijpen die volgens de tuchtoverheid op een bepaald ogenblik aan een personeelslid worden toegerekend, moet bijgevolg één procedure worden gevoerd. In logica betekent dit dat, wanneer een tuchtoverheid een tuchtvordering aanvangt door de kennisgeving van een inleidend verslag, daarin alle tenlasteleggingen moeten worden opgenomen waarvan de tuchtoverheid voldoende kennis heeft. Met andere woorden, artikel 7 verzet er zich tegen dat de feiten die konden worden opgenomen in het inleidend verslag maar het niet zijn, nog het voorwerp kunnen uitmaken van een afzonderlijke tuchtprocedure. XIV-37.119-38/53 Wezenlijk voor de toepassing van artikel 7 van de tuchtwet is bijgevolg het tijdstip van de toerekening van het tuchtvergrijp aan het personeelslid: dit is het ogenblik waarop de tuchtoverheid een voldoende klare kijk heeft op het bestaan van de feiten en op de mogelijke aanrekening ervan aan het personeelslid zodat zij in staat is om door het opstellen van een inleidend verslag de aanzet te geven voor het opstarten van een tuchtvordering. Het gebruik van de term “toerekening” in het eerste lid van artikel 7 van de tuchtwet verwijst aldus naar de daadwerkelijke tenlastelegging, hetgeen gebeurt in het inleidend verslag. 19. De tuchtprocedure is te dezen opgestart met het inleidend verslag van 28 mei 2015 waarvan verzoeker kennisnam op 30 mei 2015. Uit dit verslag blijkt dat beide feiten die aan verzoeker in de bestreden beslissing ten laste worden gelegd, ook reeds in het inleidend verslag zijn opgenomen. Aldus heeft de hogere tuchtoverheid op dat ogenblik beide tuchtvergrijpen aan verzoeker ten laste gelegd, dit wil zeggen hem tuchtrechtelijk daarvoor verantwoordelijk geacht. Hieruit volgt dat voor beide feiten de daadwerkelijke tenlastelegging en dus de toerekening ervan is gebeurd in het inleidend verslag. 20. Verzoeker wijst erop dat de feiten die betrekking hebben op het opnemen van syndicaal verlof als syndicaal afgevaardigde - het tweede feit -, samenhangend zijn met de feiten die het voorwerp uitmaken van een eerste procedure, zodat ze overeenkomstig artikel 7 van de tuchtwet samen hadden dienen te worden behandeld in het kader van een eerste procedure. Er moet derhalve worden onderzocht of de hogere tuchtoverheid deze feiten niet aan de orde had moeten stellen naar aanleiding van een eerder opgestarte tuchtprocedure, en zo ja, of er samenhang is in de zin van artikel 7 - in welk geval verzoeker het voordeel zou genieten van de verplichting opgelegd door voormeld artikel. De eerste tuchtprocedure waarop verzoeker doelt is die waarbij hem op 10 juni 2013 de tuchtstraf van de blaam werd opgelegd (zie het tussenarrest nr. 237.377 van 14 februari 2017, punt 3.2.) en zulks op grond van een inleidend verslag van 25 april 2013. Het betrof, samengevat, feiten van onwettige XIV-37.119-39/53 afwezigheid. Bij de behandeling van het derde onderdeel van het voorliggende middel is vastgesteld dat uit de vergelijking van de feiten die aan de grondslag liggen van de aan verzoeker op 10 juni 2013 opgelegde tuchtstraf van de blaam met het (tweede) feit waarvoor de thans bestreden tuchtstraf wordt opgelegd (zie het tussenarrest nr. 237.377 van 14 februari 2017, punt 3.10) blijkt dat die identiek noch in hoofdzaak dezelfde zijn. Inzake het argument van verzoeker dat er lopende de eerste tuchtprocedure die leidde tot de tuchtstraf van 10 juni 2013, nieuwe feiten zijn bekendgemaakt die het voorwerp uitmaken van de thans bestreden beslissing, is voor de toepassing van artikel 7 van de tuchtwet niet de vraag ter zake of te dezen de korpschef, wanneer hij een tuchtvordering voor een bepaald tuchtvergrijp heeft ingesteld door middel van een inleidend verslag, kennis zou hebben gekregen van andere feiten die ook een tuchtstraf zouden kunnen verantwoorden, maar wel of hij die andere feiten op dat ogenblik ook aan het personeelslid kan toerekenen in de zin als hiervoor nader is bepaald en, in bevestigend geval, of er in dat geval ook sprake is van samenhang met het tuchtvergrijp waarvoor de tuchtprocedure loopt, zodat toepassing zou moeten worden gemaakt van het derde lid van artikel 7 van de tuchtwet. Bij de behandeling van het tweede onderdeel van het voorliggende middel werd het standpunt van de verwerende partij wettig bevonden, namelijk dat de hogere tuchtoverheid pas met de kennisneming van het informatieverslag van 6 december 2013 voor het eerst kennis kreeg van de feiten met betrekking tot het opnemen van het syndicaal verlof (tweede feit) zoals dat werd beperkt in de bestreden beslissing tot het “voor geen enkel met zelf gemaakte niet authentieke attesten aangevraagd syndicaal verlof authentieke attesten binnengeleverd te hebben”. Verzoeker beperkt zich ter adstructie van zijn grief tot de enkele bewering dat er lopende de eerste tuchtprocedure ingevolge het voorafgaand onderzoek van de tuchtoverheid nieuwe feiten zijn bekendgemaakt die thans het voorwerp uitmaken van de tuchtprocedure. Uit geen gegeven blijkt evenwel dat de toerekening, in de zin als hiervoor is vastgesteld, van het nieuw XIV-37.119-40/53 tuchtvergrijp kon gebeuren tijdens de loop van de aanhangige (eerste) tuchtprocedure. Zonder dat moet worden onderzocht of er samenhang zou zijn met de feiten vervolgd in de eerste procedure, is aldus niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 7, tweede lid, van de tuchtwet. 21. Het vierde onderdeel van het middel is ongegrond. Conclusie 22. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 23. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de redelijke termijn. Hij zet uiteen dat het feit dat de tuchtoverheid mag wachten op de uitspraak van de strafrechter, niet wegn