id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.136 Rolnummer: A. 212741/XIV-36172 Zaak: Arrest 246136 - Tucht (openbaar ambt) - 21/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-02 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-21 21:20 Fiche Arrest nr 246.136 van 21 november 2019 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.136 van 21 november 2019 in de zaak A. 212.741/XIV-36.172 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Clonen en Annelies Troost kantoor houdend te 2600 Berchem Fruithoflaan 124/14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD MECHELEN, thans de POLITIEZONE 5906 MECHELEN-WILLEBROEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 juni 2014, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de burgemeester van de stad Mechelen van 16 april 2014 waarbij de beslissing van 20 december 2013 tot voorlopige schorsing van verzoeker wordt verlengd voor een duur van vier maanden zonder inhouding van wedde. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-36.172-1/8 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie en een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 september
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas De Burchgraeve, die loco advocaten Koen Clonen en Annelies Troost verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is commissaris van politie bij de lokale politiezone Mechelen, thans politiezone Mechelen-Willebroek (PZ 5906). 3.
- Op 20 december 2013 beslist de burgemeester van de stad Mechelen verzoeker voorlopig te schorsen voor een duur van vier maanden zonder inhouding van wedde. XIV-36.172-2/8 3.
- Op 16 april 2014 beslist de burgemeester van de stad Mechelen de voormelde beslissing van 20 december 2013 een eerste maal te verlengen voor een duur van vier maanden. Dit is de thans bestreden beslissing. 3.
- Op 18 augustus 2014 beslist de burgemeester van de stad Mechelen een tweede maal tot verlenging van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel voor een duur van vier maanden. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van een beroep tot nietigverklaring (G/A. 213.938/XIV-36.100). De vordering tot schorsing ertegen werd verworpen bij arrest nr. 229.736 van 7 januari
- Heden wordt bij arrest nr. 246.137 uitspraak gedaan over het beroep tot nietigverklaring. 3.
- Op 15 december 2014 beslist de burgemeester van de stad Mechelen een derde maal tot verlenging van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel voor een duur van vier maanden. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van een beroep tot nietigverklaring (G/A. 214.954/XIV-36.222) waarin heden bij arrest nr. 246.138 uitspraak wordt gedaan. 3.
- Op 21 april 2015 beslist de burgemeester van de stad Mechelen een vierde maal tot verlenging van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel voor een duur van vier maanden. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van een beroep tot nietigverklaring (G/A. 215.691/XIV-36.393). De vordering tot schorsing ertegen werd verworpen bij arrest nr. 232.639 van 20 oktober
- Heden wordt bij arrest nr. 246.139 uitspraak gedaan over het beroep tot nietigverklaring. 3.
- Op 17 augustus 2015 beslist het politiecollege van de politiezone Mechelen-Willebroek een vijfde maal tot verlenging van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel voor een duur van vier maanden. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van een beroep tot nietigverklaring (G/A. 217.279/XIV-36.718) waarin heden bij arrest nr. 246.140 uitspraak wordt gedaan. XIV-36.172-3/8 3.
- Op 9 juni 2016 beslist het politiecollege van de politiezone Mechelen-Willebroek tot het opleggen aan verzoeker van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege. Het beroep tot nietigverklaring van deze beslissing is verworpen bij arrest nr. 246.135 van heden. IV. Ontvankelijkheid - exceptie van belang Ambtshalve exceptie
- Ter terechtzitting werden de partijen door de verslaggever gewezen op het feit dat het auditoraat, bijgevallen door de verwerende partij, in de zaken supra, punten 3.5., 3.
- en 3.7., tot de bevinding kwam dat verzoeker niet langer over een actueel belang beschikte bij de beroepen tot nietigverklaring van de in sub 3.5., 3.
- en 3.
- eveneens betwiste verlengingen van de voorlopige schorsing van 20 december 2013 (zie supra, punt 3.2.). Aan de partijen werd daarop in de voorliggende zaak ter terechtzitting ambtshalve dezelfde exceptie voorgelegd als die gekend door de partijen in de zaken sub 3.5., 3.
- en 3.
- en werd hen gevraagd ter terechtzitting hun standpunt te doen kennen ter zake. Beoordeling
- Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring XIV-36.172-4/8 van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven.
- Verzoeker betwist ter terechtzitting niet dat de bestreden beslissing, die niet gepaard ging met een inhouding van wedde, hem geen materieel nadeel heeft berokkend. De bestreden beslissing betreft een verlenging van de eerder uitgesproken voorlopige schorsing bij ordemaatregel van verzoeker in de zin van artikel 61 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’. Om een voorlopige schorsing op te leggen, moet er luidens artikel 59 van dezelfde wet tegen het personeelslid een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek lopen of een strafvervolging zijn ingesteld en moet de aanwezigheid van het betrokken personeelslid onverenigbaar zijn met het belang van de dienst. Het betreft derhalve een preventieve maatregel, waarbij de overheid vooralsnog geen uitspraak doet over de schuldvraag of over de XIV-36.172-5/8 toewijsbaarheid van de ten laste gelegde tuchtfeiten die aan de grondslag liggen van de ordemaatregel. Ingevolge het arrest nr. 246.135 van heden, is de aan verzoeker opgelegde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege definitief en dus ook de morele schade toegebracht door deze zware tuchtstraf. Niet wordt betwist dat verzoeker initieel werd geschorst voor feiten die later het voorwerp hebben uitgemaakt van de beslissing tot het opleggen van de voormelde zware tuchtstraf noch dat de feiten waarvoor hij tuchtrechtelijk werd gesanctioneerd, van vergelijkbare aard zijn als die waarvoor hij ingevolge de bestreden beslissing in het belang van de dienst geschorst is gebleven. Verzoeker doet niet gelden noch maakt aannemelijk dat de morele schade die hij zou leiden door de bestreden beslissing, zich onderscheidt van die welke voortvloeit uit de definitief geworden tuchtstraf, te meer dat de bestreden beslissing, in tegenstelling tot de definitief geworden tuchtstraf, de schuldvraag openlaat. Uit wat voorafgaat volgt dat in de gegeven omstandigheden het morele belang dat verzoeker bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing kon laten gelden is teloorgegaan door de omstandigheid dat de beslissing waarbij verzoeker het ontslag van ambtswege werd opgelegd definitief is geworden. Verzoeker getuigt niet van het vereiste actueel belang. Het argument van verzoeker dat hij wel degelijk nog een voldoende belang heeft gelet op zijn volgehouden verzoek tot nietigverklaring van de tuchtsanctie, leidt niet tot een ander besluit nu blijkt dat die tuchtsanctie definitief is geworden. Een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing kan verzoeker aldus niet meer behoeden voor het morele nadeel dat hij lijdt door het ontslag van ambtswege.
- De ambtshalve exceptie is gegrond. XIV-36.172-6/8 V. Anonimisering
- Verzoeker vraagt de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan.
- Luidens artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ kan bij de publicatie van de beschikking of van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten. De vraag wordt ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. XIV-36.172-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig november tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-36.172-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.136 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div