id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.142 Rolnummer: A. 221997/VII-39961 Zaak: Arrest 246142 - Milieuvergunningen - 21/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-28 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-24 12:17 Fiche Arrest nr 246.142 van 21 november 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.142 van 21 november 2019 in de zaak A. 221.997/VII-39.961 In zake : 1. Jörg HEUVELS 2. Philip MAES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Reiner Tijs kantoor houdend te 2000 Antwerpen Nassaustraat 37-41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen : 1. de BVBA HENS RECYCLING 2. de NV REVABO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ria Hens kantoor houdend te 2000 Antwerpen Verlatstraat 23-25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 april 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 8 februari 2017 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 9 januari 2014, houdende het verlenen aan de nv Revabo, Maria Hens-Van Dijck en de bvba Hens Recycling van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van VII-39.961-1/15 een inrichting voor de verwerking van bouw- en sloopafval, zandwinning en tussentijdse opslag van uitgegraven bodem, gelegen aan de Brechtsebaan te Brasschaat, gegrond wordt verklaard en de gevraagde vergunning gedeeltelijk wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 6 juni 2017. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekers hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 september 2019. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joram Maes, die loco advocaat Reiner Tijs verschijnt voor de verzoekers, advocaat Isabelle Verhelle, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Hilde Vermeiren, die loco advocaat Ria Hens verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-39.961-2/15 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 20 september 2013 dienen de bvba Hens Recycling en de nv Revabo een milieuvergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van een inrichting voor de verwerking van bouw- en sloopafval en zandwinning, gelegen aan de Brechtsebaan te Brasschaat. Tot het voorwerp van de aanvraag behoort in concreto: - de opslag en mechanische behandeling van inerte afvalstoffen, toegerust met een zeef- en breekinstallatie, inclusief een leem- en ontwateringszeef en een kegelbreker, met opslag van 10.000 m³ puin, 10.000 m³ beton, 3.500 m³ brekerszand, 3.500 m³ gebroken beton 0/40, 3.500 m³ gebroken puin 0/40, 350 m³ gebroken beton 40/60, 350 m³ gebroken puin 40/60 en 7.150 m³ niet-uitgezeefde uitgegraven bodem; - de opslag en zeven van niet-gevaarlijke afvalstoffen, met een opslag van 3.500 m³ asfalt, 1.400 m³ gebroken asfalt, 1.200 m³ te verkleinen hout en 1.200 m³ verhakseld hout; - elektriciteitsproductie met een geïnstalleerd totaal elektrisch vermogen van 1.070 kW; - het stallen van 4 voertuigen, andere dan personenwagens; - een opslagsilo voor 60 ton cement en een opslagsilo voor 60 ton kalk; - de opslag van 18.000 liter dieselolie in een bovengrondse tank; - de opslag van 600 liter smeerolie in verplaatsbare recipiënten van 5, 10, 60 en 200 liter; - één verdeelslang horende bij de opslagtank van 18.000 liter dieselolie; - een zandontginning; - twee labo’s voor analyse van de bouwmaterialen; VII-39.961-3/15 - inrichtingen voor het mechanisch behandelen van minerale producten met een geïnstalleerde drijfkracht van 581 kW, omvattende een breekinstallatie met een vermogen van 257 kW en een kegelbreker met een vermogen van 75 kW, alsmede een betoncentrale met een vermogen van 249 kW; - inrichtingen voor de opslag van minerale producten, bestaande uit zanddepots, teelaarde en grondstoffen voor de betoncentrale; - motoren met een totaal nominaal vermogen van 1.868 kW; - geheel of gedeeltelijk opvullen met niet-verontreinigde uitgegraven bodem van zandontginningsputten, met een capaciteit van 343.361,77 m³; - een tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem met een capaciteit van 25.000 m³. Tevens wordt gevraagd om te mogen afwijken van de milieuvoorwaarden van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II) met betrekking tot de afscheidingsberm richting bewoonde zones (artikel 5.2.1.5, § 5, van Vlarem II) en de opslag van kalk en cement in de ontginningszone (artikel 5.17.1.2, § 1, van Vlarem II). 3.2. Volgens het toepasselijke gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, is de site gelegen in een zone voor ontginningsgebied, met nabestemming agrarisch gebied. 3.3. Tijdens het openbaar onderzoek dienen 18 buurtbewoners een bezwaarschrift in. 3.4. Bij besluit van 9 januari 2014 verleent de deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) de gevraagde milieuvergunning. 3.5. Tegen voormelde beslissing stellen 18 omwonenden, waaronder de verzoekers, bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. VII-39.961-4/15 3.6. Met een besluit van 23 juli 2014 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur worden de ingediende beroepen gedeeltelijk gegrond verklaard en wordt de in eerste aanleg genomen beslissing van de deputatie bevestigd, mits het opleggen van een aantal bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarden. 3.7. Bij arrest nr. 235.825 van 22 september 2016 vernietigt de Raad van State het vergunningsbesluit van 23 juli 2014. Aan dit arrest liggen de volgende vernietigingsmotieven ten grondslag: “[…] Er wordt niet betwist dat de met het bestreden besluit vergunde inrichting volgens de bestemmingsvoorschriften van het geldende gewestplan gelegen is in ontginningsgebied. Artikel 17.6.3 van het inrichtingsbesluit bepaalt met betrekking tot de ontginningsgebieden: ‘In deze gebieden dient rondom een afzonderingsgordel te worden aangelegd, waarvan de breedte vastgesteld wordt door de bijzondere voorschriften. Na de stopzetting van de ontginningen dient de oorspronkelijke of toekomstige bestemming, die door de grondkleur op het plan is aangegeven, te worden geëerbiedigd. Voorwaarden voor de sanering van de plaats moeten worden opgelegd opdat de aangegeven bestemming kan worden gerealiseerd’. […] Blijkens de motivering van het bestreden besluit acht de verwerende partij de breekinstallatie en de betoncentrale verenigbaar met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening omdat deze activiteiten ‘tijdelijk’ zijn, ze ‘de toekomstige bestemming van het gewestplan, zijnde ‘agrarisch gebied’, niet in het gedrang brengen’, ze ‘verband houden met de ontginning, gezien de granulaten en het zand afkomstig van de breekinstallatie worden vermengd in de mengcentrale met het ontgonnen zand’ en ze ‘tegemoet komen aan de vraag tot duurzame ontginning in het oppervlaktedelfstoffendecreet’. […] De in een ontginningsgebied toegelaten activiteiten moeten in principe gericht zijn op ontginning. Het begrip ontginning wordt in artikel 2, 5°, van het oppervlaktedelfstoffendecreet omschreven als de ‘activiteit waarbij oppervlaktedelfstoffen worden onttrokken aan de bodem door middel van een bovengrondse exploitatie’. Daarnaast zijn in een ontginningsgebied ook activiteiten of handelingen toegelaten die in functie staan van de realisatie van de oorspronkelijke of toekomstige bestemming van het plan. De vergunde breekinstallatie en betoncentrale hebben geen uitstaans met het onttrekken van een oppervlaktedelfstof aan de bodem. Die installaties dienen evenmin tot de realisatie van de toekomstige bestemming van agrarisch VII-39.961-5/15 gebied. De omstandigheid dat ze, zoals gesteld in de bestreden beslissing, ‘verband houden’ met de ontginning omdat ‘de granulaten en het zand afkomstig van de breekinstallatie worden vermengd in de mengcentrale met het ontgonnen zand’, maakt niet dat ze gericht zijn op de ontginning. Uit het ongunstig advies van de afdeling Gebieden en Projecten van het departement Ruimte Vlaanderen blijkt bovendien dat er feitelijk nauwelijks sprake is van zandontginning en de ontginning ‘duidelijk ondergeschikt [is] aan de verwerking van sloopafval’. Deze feitelijke vaststelling wordt in de bestreden beslissing niet weerlegd. Bijgevolg schendt de bestreden milieuvergunning de dwingende voorschriften van het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979”. 3.8. Ingevolge het vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure tegen de beslissing van de deputatie van 9 januari 2014 hernomen. In het kader van deze herneming worden de volgende adviezen uitgebracht:
- a)de dienst Natuurlijke Rijkdommen adviseert op 24 oktober 2016 ongunstig voor de productie van granulaten en van beton;
- b)de dienst Mer brengt op 25 oktober 2016 een gunstig advies uit;
- c)het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Operationeel Waterbeheer, van 27 oktober 2016 is gunstig;
- d)op 28 oktober 2016 verleent het Agentschap voor Natuur en Bos een gunstig advies;
- e)de afdeling Ecologisch Toezicht van de Vlaamse Milieumaatschappij verleent op 9 november 2016 eveneens een gunstig advies;
- f)het advies van de afdeling Milieuvergunningen van 16 november 2016 is voorwaardelijk gunstig;
- g)de afdeling Gebieden en Projecten verleent op 18 november 2016 een ongunstig advies; dezelfde afdeling brengt op 22 november 2016 evenwel een gunstig advies uit;
- h)op 22 november 2016 stelt de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie voor om de gevraagde vergunning te verlenen mits toevoeging van een aantal bijkomende bijzondere voorwaarden. VII-39.961-6/15 3.9. Op 8 februari 2017 neemt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de bestreden beslissing: de vergunning wordt verleend voor de zandwinning maar geweigerd voor de verwerking van bouw- en sloopafval. IV. Onderzoek van de middelen Vierde middel Standpunt van de partijen 4. In een vierde middel voeren de verzoekers de schending aan van artikel 36ter, §§ 3 tot 5, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, artikel 30 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het voorzorgsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, onder meer doordat de betrokken percelen volgens het richtinggevend gedeelte van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (hierna: GRS) in het gewenst integraal verwevings- en ondersteunend netwerk (IVON) zullen worden opgenomen, dat in kaart 32 bij het GRS wordt aangegeven dat er “landschappelijke hinder is m.b.t. de ontginningsactiviteiten”, die zich op een kruispunt bevinden van een “natuurlijke verbinding” en een “grensoverschrijdend open ruimtegebied”, dat de nabijheid van een vogel- en habitatrichtlijngebied tot gevolg heeft dat een vergunningsplichtige activiteit die een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, slechts kan worden toegestaan of goedgekeurd onder strikte voorwaarden, dat in de bestreden beslissing enkel wordt beweerd dat de vergunningsaanvraag geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone veroorzaakt, dat echter het effect van de nachtverlichting op de beschermde vleermuizenpopulatie niet VII-39.961-7/15 werd onderzocht terwijl een verderop gelegen fietspad precies werd uitgerust met een aangepaste verlichting om de beschermde vleermuizenpopulatie niet te verstoren, dat de inrichting gedurende de volledige nacht verlicht is, dat de motivering van de bestreden beslissing onomstotelijk laat uitschijnen dat de vergunde inrichting betekenisvolle negatieve effecten heeft of minstens kan hebben op het nabijgelegen habitat- en vogelrichtlijngebied en dat deze negatieve effecten blijkbaar enkel tegengegaan kunnen worden door het opleggen van bijkomende vergunningsvoorwaarden. 5. De verwerende partij werpt op dat het middel niet ontvankelijk is omdat het reeds werd aangevoerd in het verzoekschrift dat heeft geleid tot het vernietigingsarrest nr. 235.825 van 22 september 2016 en dat de Raad van State destijds heeft geoordeeld dat dit middel niet tot een ruimere vernietiging van de vergunning voor de inrichting kon leiden. Ten gronde antwoordt zij dat het middel feitelijke grondslag mist aangezien het aanvraagdossier een passende beoordeling bevat, het Agentschap voor Natuur en Bos over deze passende beoordeling een voorwaardelijk gunstig advies heeft uitgebracht, de in het advies voorgestelde maatregelen als exploitatievoorwaarden werden opgelegd in de bestreden beslissing, de mogelijke effecten op de speciale beschermingszone per deelaspect werden getoetst, onder meer op het vlak van geluid, waterhuishouding en licht (vleermuizen) en dat mits naleving van de opgelegde maatregelen er geen significante negatieve impact zal zijn. 6. De tussenkomende partijen vallen de argumenten van de verwerende partij bij en wijzen tegelijk op de omstandige motivering van de bestreden vergunningsbeslissing. 7. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekers dat de passende beoordeling inhoudelijk niet voldoet en dat dit gebrek niet goedgemaakt kan worden door achteraf bijkomende studies uit te voeren. VII-39.961-8/15 8. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat in het verslag van de auditeur een nieuwe draagwijdte aan het middel wordt gegeven door te concluderen tot een onzorgvuldigheid wegens het niet uitdrukkelijk hernemen van de bijzondere milieuvoorwaarden inzake licht in het beschikkend gedeelte van de bestreden vergunning. Volgens haar wordt in het middel enkel aangevoerd dat de vergunning “reeds op het ogenblik van indiening van de initiële vergunningsaanvraag geweigerd diende te worden wegens een onvolledige vergunningsaanvraag (geen passende beoordeling)”. Bovendien, zo werpt de verwerende partij op, hebben de verzoekers ook geen belang bij het “anders geconcipieerd middel”. De door het Agentschap voor Natuur en Bos voorgestelde bijzondere milieuvoorwaarden hebben tot doel om lichtverstoring te beperken ten aanzien van vleermuizen en dus niet ten aanzien van de verzoekers. De verwerende partij zet voorts uiteen dat het opleggen van de gepaste bijzondere voorwaarden gebeurt op grond van de uitoefening van discretionaire bevoegdheid en dat de keuze voor het hanteren van de algemene lichtnormen van Vlarem II in plaats van de door het Agentschap voor Natuur en Bos voorgestelde voorwaarden louter een kwestie van opportuniteit is. Tot slot wijst zij erop dat de algemene milieuvoorwaarden feitelijk overeenstemmen met de door het Agentschap voorgestelde voorwaarden. 9. De tussenkomende partijen zijn eveneens van mening dat in het verslag van de auditeur een andere grondslag wordt gegeven aan het middel. Zij poneren dat de door het Agentschap voor Natuur en Bos voorgestelde maatregelen in de praktijk worden nageleefd en het in rechte vereiste belang bij het middel bijgevolg ontbreekt. 10. In hun laatste memorie voegen de verzoekers nog toe dat er wel degelijk sprake is van een tegenstrijdige motivering en dat in de passende beoordeling weliswaar gewag wordt gemaakt van een aantal compenserende VII-39.961-9/15 maatregelen om lichtpollutie in de onmiddellijke omgeving tegen te gaan, maar deze maatregelen uiteindelijk geen weerslag vinden in het beschikkend gedeelte van de bestreden vergunningsbeslissing. Met betrekking tot de draagwijdte van het middel benadrukken zij dat onder meer de schending van de formele motiveringswet werd aangevoerd “gelet op een volstrekt tekortschietende motivering aangaande de uit de passende beoordeling voorgestelde compenserende maatregelen”. Beoordeling Strekking van het middel 11. In het middel wordt onder meer aangevoerd dat de bevoegde vergunningverlenende overheid door het opleggen van voorwaarden er zorg voor moet dragen dat er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan, de beslissing over de vergunningsaanvraag rekening moet houden met “de passende beoordeling en het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud” en in de (formele) motivering van die beslissing in het bijzonder moet worden ingegaan op de “in de passende beoordeling of de in het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud voorgestelde compenserende maatregelen en actieve instandhoudingsmaatregelen”. Aldus geformuleerd houdt het middel ook in dat de vergunningsbeslissing niet mag steunen op een tegenstrijdige motivering. Ontvankelijkheid van het middel 12. De enkele vaststelling dat in arrest nr. 235.825 van 22 september 2016 geen uitspraak is gedaan over een gelijkaardig middel, impliceert niet dat de verzoekers geen belang hebben bij de nietigverklaring van de thans bestreden beslissing op grond van dat middel. Het bestreden besluit werd immers genomen na een volledig heronderzoek van de vergunningsaanvraag in graad van beroep. VII-39.961-10/15 13. De verzoekers hebben belang bij een middel dat strekt tot de instandhouding van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone die onderdeel is van hun leefomgeving. Gegrondheid van het middel 14. Het Agentschap voor Natuur en Bos heeft in het kader van de herneming van de beroepsprocedure verwezen naar het voorwaardelijk gunstig advies van 10 april 2014. In dat advies beveelt het Agentschap maatregelen aan “om te vermijden dat er lichtverstoring ontstaat op vleermuizen afkomstig uit de H-SBZ” en verwacht het “geen significant negatieve impact op fauna-elementen” indien “de in de conclusie beschreven verlichtingsvoorwaarden zijn gerespecteerd”. Bedoelde voorwaarden luiden als volgt: “- de verlichting op de site wordt tot een minimum beperkt en straalt uitsluitend het doelgebied (percelen 4p5 en 4n5) aan; - bij het voorzien van verlichting wordt rekening gehouden met de best beschikbare technieken; - opwaarts licht is uitgesloten; - de hoeveelheid weerkaatst licht wordt tot een minimum beperkt; - waar mogelijk wordt een bewegingssensor op de verlichting voorzien (zodat de geplaatste verlichting enkel aanspringt wanneer noodzakelijk en niet gedurende de hele nacht brandt)”. 15. In de motivering van het bestreden besluit wordt overwogen dat “het belang van de omgeving voor vleermuizen niet kan uitgesloten worden”, dat “het dan ook de voorkeur geniet de lichtvervuiling op de site tot een minimum te beperken, zodanig dat deze alleen het doelgebied aanstraalt (de ontginningssite)”, dat “het licht naar beneden moet stralen en weg van het kasteelpark, de SBZ en de natuurwaarden”, dat “bij het voorzien van verlichting […] rekening gehouden [moet] worden met de BBT”, dat “de hoeveelheid weerkaatst licht tot een minimum moet beperkt worden”, dat “waar mogelijk, op de verlichting bewegingssensoren moeten worden voorzien, zodanig dat de verlichting uitsluitend aanstraalt wanneer noodzakelijk” en dat “mits de hierboven vermelde VII-39.961-11/15 maatregelen worden nageleefd, er geen significant negatieve impact zal zijn op de natuur en de groenstructuur”. Hoewel met bovenstaande motieven onmiskenbaar het opleggen van geïndividualiseerde (bijzondere) maatregelen of voorwaarden met het oog op de bescherming van de nabijgelegen speciale beschermingszone wordt aangekondigd, bevat het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing (artikel 2.2) enkel een verwijzing naar de algemene voorschriften van Vlarem II inzake beheersing van hinder door licht. Bijgevolg is de motivering van de beslissing tegenstrijdig met het beschikkend gedeelte ervan. 16. Het middel is gegrond. V. Handhaving van de gevolgen - toepassing van artikel 14ter Standpunt van de partijen 17. De tussenkomende partijen vragen in hun laatste memorie, als de Raad van State de bestreden beslissing zou vernietigen op grond van een “tegenstrijdige motivering”, de gevolgen van “de vernietigde vergunning voorlopig te handhaven totdat opnieuw een uitspraak wordt gedaan door de Vlaamse minister”. Zij stellen dat een vernietiging op grond van een “louter motiveringsgebrek dan wel een materiële vergissing in hoofde van de verwerende partij” onredelijke nadelen “op economisch, sociaal en financieel vlak” zal meebrengen. 18. In hun laatste memorie betogen de verzoekers dat het verzoek tot handhaving van de gevolgen neerkomt op “het integraal uithollen van de gevolgen van de vernietigingsprocedure”, het inwilligen van het verzoek ertoe zou leiden dat de vernietiging in de praktijk geen enkel effect heeft omdat alle activiteiten onverstoord kunnen worden voortgezet, de beweerde economisch-financiële gevolgen bovendien niet worden geconcretiseerd en/of aangetoond en de VII-39.961-12/15 tussenkomende partijen evenmin aantonen dat zij tijdens de exploitatie de “strengere lichtgerelateerde voorwaarden” daadwerkelijk in acht nemen. Tot slot wijzen de verzoekers op de “cynische inslag” van het geformuleerde verzoek: na het vernietigingsarrest nr. 235.825 van 22 september 2016 werden alle activiteiten -ook deze waarvan werd geoordeeld dat ze onverenigbaar waren met de gewestplanbestemming- immers verder geëxploiteerd totdat de uitspraak over een milieustakingsvordering daaraan een einde heeft gesteld. Het verzoek om de gevolgen te handhaven achten de verzoekers “misplaatst” omdat de tussenkomende partijen door het onvergunde exploiteren van de inrichting “de nodige illegale vermogensvoordelen hebben kunnen halen”. Beoordeling 19. Artikel 14, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State biedt aan een procespartij de mogelijkheid om de vordering tot behoud van de gevolgen van de bestreden akte uiterlijk in de laatste memorie te formuleren. Artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt: “Op verzoek van een verwerende of tussenkomende partij, en als de afdeling bestuursrechtspraak het nodig oordeelt, wijst ze die gevolgen van de vernietigde individuele akten of, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde reglementen aan, die als definitief moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die ze vaststelt. De in het eerste lid bedoelde maatregel kan enkel worden bevolen om uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing en na een tegensprekelijk debat. Deze beslissing kan rekening houden met de belangen van derden”. De partij die de toepassing vraagt van deze bepaling moet omstandigheden aanvoeren en aannemelijk maken dat de nadelige gevolgen van de nietigverklaring op een kennelijk onredelijke wijze zwaarder wegen dan het VII-39.961-13/15 rechtsherstel dat het gevolg is van de nietigverklaring van een onwettige vergunning. Er moet bewezen worden dat de vernietiging, specifiek vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid, onaanvaardbare gevolgen zal hebben en dat, om uitzonderlijke redenen, weliswaar een tempering kan worden gerechtvaardigd van een onvoorwaardelijke nietigverklaring door de uitwerking ervan in de tijd te moduleren. Het kan niet worden aanvaard dat, via het voormelde artikel 14ter, de gevolgen van de nietigverklaring volledig teniet worden gedaan en het arrest dat de nietigverklaring uitspreekt, wordt uitgehold. 20. In dit geval maken de tussenkomende partijen slechts in algemene bewoordingen gewag van onredelijke nadelen op economisch, sociaal en financieel vlak. De precieze omvang van die nadelen wordt echter niet behoorlijk gestaafd noch toegelicht. Daarom bestaat er geen dwingende reden om aan te nemen dat de gevolgen van de vernietiging van de bestreden beslissing zo uitzonderlijk zijn dat ze moeten worden getemperd met toepassing van artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 21. Het verzoek om de gevolgen van de vernietigde beslissing te handhaven wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 8 februari 2017 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 9 januari 2014, houdende het verlenen aan de nv Revabo, Maria Hens-Van Dijck en de bvba Hens Recycling van de milieuvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een inrichting voor de verwerking van bouw- en sloopafval, zandwinning en tussentijdse opslag van VII-39.961-14/15 uitgegraven bodem, gelegen aan de Brechtsebaan te Brasschaat, gegrond wordt verklaard en de gevraagde vergunning gedeeltelijk wordt verleend. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekers. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig november tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.961-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.142 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div