id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.144 Rolnummer: A. 226451/VII-40408 Zaak: Arrest 246144 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-28 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-21 21:12 Fiche Arrest nr 246.144 van 21 november 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.144 van 21 november 2019 in de zaak A. 226.451/VII-40.408 In zake :
- Caroline VANROBAEYS
- André GELDHOF
- Yolanda VERSTRAETE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Van den Bunder kantoor houdend te 8580 Avelgem Kasteelstraat 15 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Gheysens kantoor houdend te 8560 Wevelgem Lode De Boningestraat 39 tegen : de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE AMBTENAAR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV ASPIRAVI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris De Pauw kantoor houdend te 2800 Mechelen Schaliënhoevedreef 20T bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 oktober 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1819/0043 van de Raad voor VII-40.408-1/8 Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 11 september 2018 in de zaak 1617/RvVb/0576/SA. II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 16 november 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 22 januari
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 oktober
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Elias Gits, die loco advocaat Bram Van den Bunder verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Clive Rommelaere, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Joris De Pauw, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-40.408-2/8 Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Met een besluit van 17 februari 2017 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar (hierna: GSA) een stedenbouwkundige vergunning aan de nv Aspiravi “voor het bouwen van een windpark bestaande uit drie windturbines, één middenspanningscabine en de bijhorende ondergrondse elektriciteitskabels”.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partijen tot de vernietiging van de vergunningsbeslissing van de GSA. IV. Onderzoek van het middel Standpunt van de verzoekende partijen
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet), artikel 13 en 149 van de Grondwet, artikel 15, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: procedurebesluit RvVb) “iuncto” artikel 9, derde lid, van het Verdrag van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: Verdrag van Aarhus), artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: VII-40.408-3/8 EVRM) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest grondrechten EU). Zij argumenteren in een eerste middelonderdeel dat in het bestreden arrest een “onderdeel van de kritiek van verzoekende partijen” niet wordt beantwoord, meer bepaald hun kritiek in het verzoekschrift dat zij “hun rechten geschonden achten, nu zij niet in kennis werden gesteld / niet werden gehoord in het kader van de nieuwe behandeling van de aanvraag”, “naast een kritiek inzake rechtsmisbruik” en “ook daargelaten de vraag of er ter zake sprake is van een schending van de rechten van verdediging”. Het bestreden arrest is voorbijgegaan aan de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof “dat na een gebeurlijke vernietiging [van een vergunningsbeslissing door de RvVb] de derde-beroepsindieners ook dienen te worden geraadpleegd” ook al is “dit debat […] in niet zoveel woorden […] naar voren gebracht in het inleidend verzoekschrift”. Er is sprake van “gemis aan motivering” door “hier gewoon niet over te statueren in het bestreden arrest”. In een tweede onderdeel betogen zij dat het bestreden arrest waarin de RvVb “oordeelt dat een loutere verwijzing naar de argumentatie opgenomen in een eerder verzoekschrift tegen een andere stedenbouwkundige vergunning geen ontvankelijk middel uitmaakt […] van een te verregaande formalisme en een te enge lezing van artikel 15, 4° Procedurebesluit [RvVb getuigt] om te veronderstellen dat niet kan verwezen worden naar een aangehecht stuk waar de kritiek van verzoekende partijen uit blijkt”. In dat “eerder verzoekschrift” als “aangehecht stuk” kunnen “6 middelen ontwaard” worden. Door “het „aanhechten‟ van een middel [wordt] het tegensprekelijk karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de [GSA] niet met de voeten […] getreden, zoals nochtans ten onrechte wordt voorgehouden in het bestreden arrest”. VII-40.408-4/8 Beoordeling
- Het middel gaat in zijn beide onderdelen terug op de beoordeling door de RvVb van de excepties van de GSA en de nv Aspiravi, gesteund op artikel 15, 4°, van het procedurebesluit RvVb, dat de vordering onontvankelijk is bij gebreke van ontvankelijke middelen in het verzoekschrift en van het verweer daartegen van de verzoekende partijen.
- Het bestreden arrest verklaart de exceptie van de GSA en de nv Aspiravi gegrond als volgt: “
- Artikel 15, 4° Procedurebesluit bepaalt dat het verzoekschrift de ingeroepen middelen bevat. Een middel is een voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte regelgeving, stedenbouwkundige voorschriften of beginselen van behoorlijk bestuur en van de wijze waarop deze rechtsregels naar het oordeel van de verzoekende partij worden geschonden door de verwerende partij in de bestreden beslissing. Daaruit volgt dat het aan de verzoekende partijen toekomt om, in hun verzoekschrift, middelen te ontwikkelen die de onregelmatigheid van de bestreden vergunningsbeslissing aantonen. De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig te formuleren, strekt ertoe om het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de andere bij het geding betrokken partijen te waarborgen, en moet de Raad toelaten om de gegrondheid van de aangevoerde onregelmatigheden te onderzoeken. Het inhoudelijk bekritiseren van een vergunningsbeslissing zonder een „onregelmatigheid‟ aan te voeren, kan niet als een ontvankelijk middel worden beschouwd. Er kan alleen rekening worden gehouden met wat de verzoekende partijen in het inleidend verzoekschrift als wettigheidskritiek aanvoeren. Het ontbreken van een ontvankelijk middel in het verzoekschrift kan niet in een wederantwoordnota worden goedgemaakt. Een verzoekschrift dat geen enkel ontvankelijk middel aanvoert, is zelf onontvankelijk.
- De verwerende en de tussenkomende partij worden gevolgd waar zij opwerpen dat de argumentatie van de verzoekende partijen in het verzoekschrift geen ontvankelijke wettigheidskritiek op de bestreden beslissing bevat. Nergens in het verzoekschrift duiden de verzoekende partijen op een voldoende duidelijke manier aan welke rechtsregels, stedenbouwkundige voorschriften of algemene beginselen van behoorlijk bestuur zij geschonden achten. VII-40.408-5/8 In een voorafgaande titel aangeduid als „A‟ bekritiseren de verzoekende partijen de handelswijze van de tussenkomende partij en de verwerende partij die zij kwalificeren als „rechtsmisbruik‟ en „procesmisbruik‟. Zij achten het onbegrijpelijk dat de verwerende partij opnieuw een stedenbouwkundige vergunning aflevert en daarmee „burgers onnodig op kosten jaagt‟. De verzoekende partijen doen dit alles in een weinig gestructureerde uiteenzetting waarbij feitelijke gegevens, verwijzing naar rechtspraak en kritiek elkaar afwisselen. Er wordt afwisselend verwezen naar de vergunningsprocedure van de beslissing van 16 juli 2014 dan wel naar de huidige bestreden beslissing. Het is daarbij niet steeds duidelijk welke kritiek zich richt tegen de bestreden beslissing. Samen met de verwerende partij stelt de Raad vast dat het evenmin duidelijk is wat de verzoekende partijen bedoelen wanneer zij stellen dat „de verleende bouwvergunning onontvankelijk en ongegrond‟ zou zijn. Het is niet de taak van de Raad om op basis van het verzoekschrift zelf middelen te ontwikkelen en op zoek te gaan naar antwoorden in de bestreden beslissing.
- In een tweede titel aangeduid als „B‟ verwijzen de verzoekende partijen naar hun verzoekschrift van 2 september 2014 waarvan de tekst „wordt geacht integraal hernomen te zijn (stuk 5)‟ Zij duiden echter in het huidige verzoekschrift zelf geen enkele rechtsregel of rechtsbeginsel aan die zij geschonden achten en al evenmin zetten zij uiteen waarom die regel of dat beginsel dan geschonden zou zijn. Een loutere verwijzing naar de argumentatie opgenomen in een eerder verzoekschrift tegen een andere stedenbouwkundige vergunning is geen ontvankelijk middel. Dat de Raad die stedenbouwkundige vergunning vernietigd heeft doet niet anders besluiten. Artikel 15, 4° van het Procedurebesluit bepaalt dat het verzoekschrift zelf de ingeroepen middelen bevat. De verzoekende partijen kunnen niet gevolgd worden waar zij aanvoeren dat een dergelijk oordeel zou getuigen van een overbodig formalisme. De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig in het inleidend verzoekschrift te formuleren strekt ertoe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij te waarborgen. Het moet de andere procespartijen en de Raad voldoende duidelijk zijn waarom en met welke wettigheidskritiek de verzoekende partijen de bestreden beslissing bestrijden. Dit omdat het de andere procespartijen mogelijk moet zijn om zich daartegen te kunnen verweren en opdat de Raad een onderzoek ten gronde zou kunnen voeren. Dat het verzoekschrift waar de verzoekende partijen naar verwijzen als bijlage werd gevoegd doet geen afbreuk aan het voorgaande. In toepassing van artikel 19 van het Procedurebesluit betekent de griffier van de Raad aan de verwerende partij, de begunstigde van de vergunning, het college van burgemeester en schepenen waar het goed gelegen is en de belanghebbenden een afschrift van het verzoekschrift. Dat geldt niet voor de bijlagen die daarbij zijn gevoegd. VII-40.408-6/8 Om tegemoet te komen aan de exceptie van de verwerende partij en de tussenkomende partij hernemen de verzoekende partijen in de wederantwoordnota integraal de argumentatie die zij hebben ontwikkeld in het verzoekschrift van 2 september
- Het ontbreken van een ontvankelijk middel in het verzoekschrift kan niet in een wederantwoordnota worden rechtgezet”.
- De aan de RvVb grondwettelijk en decretaal opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. Alleen een gemis aan motivering maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.
- De gegrondverklaring van de exceptie van de GSA en de nv Aspiravi en het verwerpen van het verweer van de verzoekende partijen is naar eis van recht gemotiveerd.
- Door aldus in het aangehaalde randnummer 2 van het bestreden arrest te beslissen schendt het arrest niet artikel 15, 4°, van het procedurebesluit RvVb dat bepaalt dat het verzoekschrift de middelen bevat.
- Het middel dat de schending aanvoert van artikel 13 van de Grondwet, en van artikel 9, derde lid, van het Verdrag van Aarhus, artikel 6.1 EVRM en artikel 47 van het Handvest grondrechten EU, telkens in samenhang gelezen met artikel 15, 4°, van het procedurebesluit RvVb, zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze grondwettelijke, internationaalrechtelijke en europeesrechtelijke bepalingen worden geschonden, is niet ontvankelijk.
- Het middel wordt verworpen. VII-40.408-7/8 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 60 euro, elk voor een derde, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig november tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.408-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.144 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div