id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20
§ 8
van het Kunstendecreet 2013 de oorzaak is van de onderscheiden invulling van de verhaal- en repliekprocedure, maar wel de interpretatie van artikel 45, §
§ 8van het Kunstendecreet 2013 in het […] Draaiboek”.
De invulling die het Draai- boek aan artikel 45, § 5, Kunstendecreet geeft, schendt de in het middel aange- voerde bepalingen en beginselen. Het bestreden besluit steunt immers op de on- IX-8925-11/45 grondwettige invulling die het Draaiboek aan artikel 45, § 5, Kunstendecreet geeft. Het bestreden besluit steunt immers op de beslissing waarbij het verhaal van Muziekodroom onontvankelijk wordt verklaard. Door deze onontvankelijk- heidsbeslissing wordt aan verzoekster de kans ontnomen om andere dan procedu- rele fouten aan te tonen: “Vooreerst wordt in de onontvankelijkheidsbeslissing vermeld dat Mu- ziekodroom geen fouten in de validiteit van de argumentatie kan aanto- nen. Dit is nochtans niet wat artikel 45, § 5, achtste lid van het Kunsten- decreet vereist. Deze bepaling vereist dat de ontvankelijkheid van het ver- haal wordt beoordeeld op grond van de validiteit van de argumentatie van de aanvrager, van Muziekodroom dus. Indien Muziekodroom valabele ar- gumenten aanreikt waarom het zakelijke en/of het artistieke advies onjuist is, moet het verhaal ontvankelijk worden beschouwd. Alleen al om deze reden schendt het bestreden besluit artikel 45 van het Kunstendecreet
- Daarenboven mocht, aldus de onontvankelijkheidsbeslissing, Muzieko- droom geen verduidelijkingen geven bij elementen die niet duidelijk ge- specificeerd waren in het dossier. Op die wijze wordt Muziekodroom de kans ontnomen om feitelijke aanvullingen te doen. Ten slotte stelt de beslissing om het verhaal van Muziekodroom onont- vankelijk te verklaren ten onrechte dat Muziekodroom alleen nieuwe in- formatie indient. Muziekodroom geeft geen nieuwe informatie in zijn ver- haal. Hij zet wel de foute lezing door de beoordelaars recht. Dit is gebeurd met betrekking tot drie elementen: • het gevraagde subsidiebedrag; • de vaststelling van de administratie dat Muziekodroom extra activiteiten wil ontplooien; • het personeelsbestand. In het tweede middel wordt uiteengezet op welke wijze Muziekodroom met betrekking tot deze drie elementen de foute lezing van het aanvraag- dossier door de beoordelaars [rechtzet].” Ook de afdeling Kunsten is volgens verzoekster van mening dat het verschil in behandeling problematisch is; verzoekster verwijst daartoe naar een telefoongesprek met de administratie en de bevestiging ervan per e-mail. In zoverre dat de Raad van State van oordeel zou zijn dat arti- kel 45 Kunstendecreet inderdaad moet worden geïnterpreteerd zoals is gebeurd in het Draaiboek en is toegepast in het bestreden besluit, vraagt verzoekster dat het IX-8925-12/45 Grondwettelijk Hof wordt ondervraagd over de overeenstemming van dit artikel met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster dat de punten 7.1.1 en 7.1.2 van het Draaiboek, in afwijking van het Kunstendecreet, een onderscheiden behandeling van de procedures invoegen. Bij de verhaalproce- dure moeten de argumenten worden beperkt tot het aantonen van procedurele fouten, terwijl bij een schriftelijke reactie feitelijke aanvullingen op het aan- vraagdossier kunnen worden gedaan en materiële vergissingen of een foute lezing van het aanvraagdossier door de beoordelaars kunnen worden rechtgezet. Het Draaiboek is voor de beoordelaars even bindend als het Kunstendecreet; alleszins hebben zij het toegepast. Verzoekster voegt voorts toe dat de schriftelijke reactie niet door een verhaalcommissie wordt beoordeeld, maar automatisch opnieuw leidt tot een beoordeling van het aanvraagdossier. Het valt dan aan de afdeling Kunsten of de beoordelingscommissie toe om te bepalen of informatie nieuw is, dan wel een feitelijke aanvulling: “Maar minstens was er een nieuwe beoordeling. Bij de verhaalprocedure krijgt de organisatie die kans niet. Indien de [verhaal]commissie oordeelt dat het verhaal onontvankelijk is, omdat – op grond van het Draaiboek – niet louter procedurele fouten werden aangetoond, dan werd de organisa- tie de kans op een nieuwe beoordeling door de afdeling Kunsten en de be- oordelingscommissie ontnomen.” Uit de motivering van de verhaalcommissie blijkt volgens ver- zoekster dat zij niet in de mogelijkheid was om inhoudelijke kritieken te formule- ren. Voorts keert de verwerende partij de bewijslast om. De ver- haalcommissie moet niet beoordelen of een organisatie fouten in de bekritiseerde adviezen kan aantonen, zij moet beoordelen of de argumenten van de organisatie tegen de adviezen valabel, geldig, zijn. Het is geenszins zo dat uit de onontvanke- lijkheidsbeslissing blijkt dat de verhaalcommissie de inhoudelijke kritieken van IX-8925-13/45 verzoekster inhoudelijk heeft beoordeeld en heeft afgewezen. In de beslissing staat slechts dat geen fouten konden worden aangetoond.
- In haar laatste memorie beroept verzoekster zich andermaal op de e-mail van de administratie. Daarin wordt bevestigd dat bij een schriftelijke reactie feitelijke aanvullingen mogen worden bijgebracht en dat verzoekster in haar verhaal alleen op procedurele fouten mocht wijzen. De administratie vergist zich louter in de rechtsnorm waaruit dit verschil voortvloeit. Zij situeert dit in het Kunstendecreet, terwijl het verschil uit het Draaiboek voortvloeit. Maar dat er een verschil was, daarover kan geen twijfel bestaan. Beoordeling
- Artikel 45, §
§ 8
, Kunstendecreet luidt ten tijde van het in geding zijnde besluit en voor zover relevant voor deze zaak: “§
- Een aanvrager van een werkingssubsidie kan verhaal indienen tegen een van de adviezen vervat in het voorlopige voorstel van beslissing, be- doeld in § 4, 1° en 2°, als dit negatief is. Het verhaal behelst het oorspronkelijk ingediende dossier en mag geen nieuwe artistiek-inhoudelijke noch nieuwe zakelijke elementen be- vatten. Het verhaal bevat de nodige argumenten waaruit zou blijken dat het beoordelingsproces niet zorgvuldig is gebeurd. De Vlaamse Regering duidt op 1 oktober van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan een vijfjarige subsidieperiode een commissie aan die het verhaal beoordeelt op zijn ontvankelijkheid. […] De beoordeling van de ontvankelijkheid gebeurt op basis van de volgende elementen: 1° correctheid van de gevolgde procedure bij de beoordeling van het sub- sidiedossier; 2° correctheid van de gevolgde methodiek bij de beoordeling van het sub- sidiedossier; 3° validiteit van de aangevoerde argumenten door de aanvrager van het verhaal. Bij onontvankelijkheid van het verhaal eindigt de verhaalprocedure en blijft het oorspronkelijke voorlopige voorstel van beslissing gelden. De Vlaamse Regering bepaalt nader welke gegevens en documenten een verhaal bevat, en op welke wijze en wanneer een verhaal ingediend wordt. IX-8925-14/45 […] §
- Een aanvrager van een werkingssubsidie kan een schriftelijke reactie indienen op een van de adviezen vervat in het voorlopige voorstel van beslissing, bedoeld in § 4, 1° en 2°, als dit positief is. De schriftelijke reactie behelst het oorspronkelijk ingediende dossier en mag geen nieuwe artistiek-inhoudelijke noch nieuwe zakelijke elemen- ten bevatten. De commissie die het oorspronkelijk ingediende dossier beoordeeld heeft aangevuld met een lid dat niet betrokken was bij het advies vervat in het voorlopig voorstel van beslissing, behandelt de artistiek-inhoudelijke aspecten van de schriftelijke reactie. De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst behandelt de za- kelijke en de beheersmatige aspecten van de schriftelijke reactie. […] De Vlaamse Regering bepaalt nader welke gegevens en documenten een schriftelijke reactie bevat en op welke wijze een schriftelijke reactie ingediend wordt.”
- Artikel 6 MB Kunsten luidt: “Een verhaal tegen een advies als vermeld in artikel 45, § 5, van het Kun- stendecreet van 13 december 2013, bevat de volgende elementen: 1° een aanduiding of alle criteria correct gebruikt zijn in beoordelingspro- ces; 2° een motivering van de reden waarom bepaalde criteria van beoorde- lingsproces in voorkomend geval niet zorgvuldig zijn besproken; 3° een aanduiding of de beoordelingscommissie correct is samengesteld en correct heeft gehandeld; 4° een motivering van de reden waarom de beoordelingscommissie niet correct was samengesteld of niet correct heeft gehandeld.” 10.
- Zowel in het geval van een verhaal als in het geval van een schriftelijke reactie bepaalt de decreetgever dat zulks “het oorspronkelijk inge- diende dossier [behelst]” en “geen nieuwe artistiek-inhoudelijke noch nieuwe zakelijke elementen [mag] bevatten”. Beoogd wordt dat “een aanvrager die van mening is dat [het] voorlopig voorstel de elementen uit de aanvraag onvoldoende of op een verkeer- de wijze in rekening brengt, verhaal [kan] aanvragen”; het “is expliciet niet de bedoeling dat er allerhande bijsturingen of aanpassingen aan het plan worden ingediend, hetzelfde aanvraagdossier wordt behandeld” (toelichting bij het voor- stel van decreet, Parl.St. Vl.Parl. 2012-13, nr. 2157/1, 34). IX-8925-15/45 10.
- Voorts is met betrekking tot het verhaal in artikel 45, § 5, Kun- stendecreet te lezen dat het “de nodige argumenten” bevat “waaruit zou blijken dat het beoordelingsproces niet zorgvuldig is gebeurd” en dat de verhaalcommis- sie onder meer een onderzoek voert naar de “validiteit van de aangevoerde argu- menten door de aanvrager van het verhaal”. In lijn hiermee mag het verhaal over- eenkomstig artikel 6 MB Kunsten een motivering bevatten “van de reden waarom bepaalde criteria van beoordelingsproces in voorkomend geval niet zorgvuldig zijn besproken” en “van de reden waarom de beoordelingscommissie […] niet correct heeft gehandeld”. Dit betekent alvast dat door de aanvrager van het ver- haal méér dan enkel procedurele tekortkomingen aangevoerd mogen worden – in zoverre vergist verzoekster zich door het tegendeel te beweren. Voorts betekent dit dat de verhaalcommissie bij haar onderzoek naar de “ontvankelijkheid” méér doet dan louter vormelijke, procedurele ontvankelijkheidsvereisten nagaan. Tot haar opdracht behoort ook ten gronde te oordelen of de aangevoerde argumenten valide zijn, dit wil zeggen of ze geldig en aannemelijk zijn en de onzorgvuldige beoordeling van het subsidiedossier aantonen. Wat zij enkel niet mag doen, is het aanvraagdossier zelf inhoudelijk opnieuw waarderen. Geheel in lijn hiermee leidt een ontvankelijk verklaard verhaal dadelijk tot een heroverweging van het aan- vraagdossier, wat de artistieke aspecten betreft zelfs door een anders samenge- stelde beoordelingscommissie. De Raad van State is het dan ook in zoverre eens met verzoek- ster – en overigens ziet ook de verwerende partij het niet anders – dat noch uit het Kunstendecreet – noch overigens uit zijn uitvoeringsbesluiten – volgt dat een verhaal enkel op procedurele elementen betrekking zou mogen hebben.
- Artikel 45 Kunstendecreet voert met betrekking tot de toets van verhaal en reactie geen verschil tussen beide in, wat de aard van de mogelijk aan te voeren argumenten of de uitsluiting van nieuwe elementen betreft. Aangezien de Raad van State die interpretatie van verzoekster bijvalt en in artikel 45 Kunstendecreet geen verschil in behandeling leest van de IX-8925-16/45 elementen die een verhaal mag bevatten tegenover wat in een schriftelijke reactie mag staan, is er geen reden om het Grondwettelijk Hof te ondervragen over een eventuele schending van het gelijkheids- of non-discriminatiebeginsel.
- Dat er een procedureel verschil is omdat het onderzoek van een verhaal in twee stappen gebeurt en op dat punt afwijkt van het onderzoek van de schriftelijke reactie, doet niets af van die vaststelling. Mocht verzoekster dit procedurele verschil problematisch vin- den, dan had zij dit desgewenst reeds in het inleidend verzoekschrift kunnen aan- kaarten. Voor zover hetgeen zij daarover in de memorie van wederantwoord schrijft opgevat moet worden als een aanvulling van het middel, is dit laattijdig en niet ontvankelijk. Overigens is dit onderscheid een door de decreetgever ge- maakte keuze, wat niet aan het oordeel van de Raad van State is onderworpen.
- Het Draaiboek van zijn kant bevat geen bindende rechtsnor- men. Het Draaiboek is opgevat als een “gemeenschappelijk werkdocument voor de beoordelaars” en een “afsprakenkader”. Het Draaiboek dient zich aan als een beleidslijn die de administratie wou hanteren bij de beoordeling van concrete aanvragen voor de bedoelde subsidies. Dergelijke beleidslijn kan ertoe bijdragen dat het bestuur in het kader van een zorgvuldige besluitvorming en met oog voor het gelijkheidsbeginsel op eenvormige wijze gebruik maakt van de discretionaire bevoegdheid waarover het beschikt. Conform de eigen aard van beleidslijnen zijn deze voor het bestuur niet absoluut bindend – zag men het wel zo, dan zou men die beleidslijnen verheffen tot wat ze vanwege hun eigen aard niet zijn, dat wil zeggen tot echte rechtsregels. De motivering van de beslissing van de verhaalcommissie geeft ook nergens blijk dat die commissie tot haar beslissing komt omdat, in de woor- den van verzoekster, “dit op grond van het Draaiboek was vereist” en dus als een blinde toepassing van het Draaiboek – dat er zelfs niet in ter sprake komt – IX-8925-17/45 veeleer dan als een toepassing van het Kunstendecreet en zijn uitvoeringsbeslui- ten. Vraag is bijgevolg niet of het Draaiboek ondeugdelijk is, maar wel of de verhaalcommissie haar taak overeenkomstig het Kunstendecreet in con- creto correct heeft uitgevoerd – ongeacht wat in het Draaiboek is te lezen en on- geacht of zij met haar beslissing dat Draaiboek heeft willen toepassen of niet.
- A fortiori kan een telefonisch meegedeelde mening van een personeelslid van de administratie, zelfs indien die naderhand per e-mail zou zijn bevestigd, de onwettigheid van de beslissing van de verhaalcommissie, die onaf- hankelijk opereert van de administratie, niet aantonen.
- De verhaalprocedure belet verzoekster bijgevolg niet om naast procedurele bezwaren ook inhoudelijke bezwaren aan te voeren. Verzoekster beweert overigens niet dat zij ingevolge wat zij las in het Draaiboek of door andere informatie vanwege het bestuur door de verwe- rende partij verschalkt zou zijn bij het opstellen van haar verhaal en dat zij daar- om bepaalde argumenten achterwege zou hebben gelaten. Uit niets blijkt, noch wordt zelfs maar beweerd, dat verzoekster in haar verhaal niet álle argumenten heeft geschreven die zij tegen de voorlopige adviezen heeft willen inbrengen. 16.
- De conclusie van de verhaalcommissie is dat zij “een tweede lezing van het dossier […] niet [kan] verantwoorden” omdat verzoekster “geen fouten in de validiteit van de argumentatie [kan] aantonen en […] geen procedu- rele of methodische fouten [vermeldt]”. 16.
- Dat verzoekster in haar verhaal “geen procedurele of methodi- sche fouten [vermeldt]” weerspreekt zij in het middel niet. IX-8925-18/45 16.
- Wel neemt zij aanstoot aan de beoordeling dat zij “geen fouten in de validiteit van de argumentatie [kan] aantonen”. Volgens verzoekster betekent de eis overeenkomstig artikel 45, § 5, achtste lid, Kunstendecreet dat de ontvankelijkheid van het verhaal onder meer wordt beoordeeld op grond van de “validiteit van de aangevoerde argumen- tatie door de aanvrager van het verhaal”, dat het volstaat dat zij “valabele argu- menten” aanreikt waarom het zakelijke of het artistieke advies onjuist is opdat het verhaal ontvankelijk moet worden beschouwd. Volgens verzoekster draait de verhaalcommissie de bewijslast om. 16.
- Die zienswijze valt de Raad evenwel niet bij. Zoals hiervóór al is opgemerkt, behoort het reeds tot de taak van de verhaalcommissie om de overtuigingskracht van de aangevoerde argu- menten zelf te toetsen. Het ligt op de weg van de aanvrager van het verhaal, aldus artikel 45, § 5, derde lid, Kunstendecreet, om “de nodige argumenten waaruit zou blijken dat het beoordelingsproces niet zorgvuldig is gebeurd” te ontwikkelen. De verhaalcommissie moet de argumenten afwijzen die haar niet ervan kunnen over- tuigen dat de initiële adviesverlener zich bij de beoordeling van het subsidiedos- sier heeft vergist en dat “het beoordelingsproces niet zorgvuldig is gebeurd”. Het verhaal afwijzen omdat de aanvrager niet aantoont dat de motivering van het voorlopige zakelijk of artistiek advies onjuist is, past dan ook geheel binnen de opdracht van de verhaalcommissie zoals de decreetgever die bij artikel 45, § 5, Kunstendecreet omschrijft.
- Hiervóór is reeds vastgesteld dat verzoekster alle argumenten die zij wou doen gelden ook effectief in haar verhaal heeft opgenomen – althans dat zij het tegendeel niet beweert. De dubbele vraag die dan nog te beantwoorden blijft, is of verzoekster in haar verhaal argumenten heeft laten gelden die beant- woorden aan de voorwaarden van artikel 45, § 5, Kunstendecreet – namelijk ar- gumenten die steunen op “het oorspronkelijk ingediende dossier”, die “geen IX-8925-19/45 nieuwe […] elementen bevatten” en die ertoe strekken te doen “blijken dat het beoordelingsproces niet zorgvuldig is gebeurd” – en zo ja, of de verhaalcommis- sie – al dan niet het Draaiboek volgend – die argumenten ten onrechte heeft ver- worpen. Ook de “feitelijke aanvullingen” en de rechtzetting van “mate- riële vergissingen” die verzoekster met het oog op heroverweging wenst voor te leggen, moeten aan die door de decreetgever opgelegde voorwaarden beantwoor- den. Het beantwoorden van die vraag kan evenwel niet gebeuren in abstracto, maar vereist een concreet onderzoek van de in het verhaal aangevoerde argumenten en de erop gegeven antwoorden. Zoals verzoekster het zelf schrijft in haar toelichting bij het middel, betwist zij dat zij enkel nieuwe informatie heeft gegeven maar gaat zij op die vraag concreet in, elders in het verzoekschrift – namelijk in het tweede mid- del.
- Onder voorbehoud dan ook van het onderzoek van inzonder- heid het tweede middel, wordt het eerste middel verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Een tweede middel is afgeleid uit de schending van de algeme- ne beginselen van behoorlijk bestuur, “met name van zorgvuldigheid, redelijk- heid en patere legem quam ipse fecisti, en de materiële motiveringsplicht”. Het middel is gericht tegen het zakelijk advies. IX-8925-20/45
- In een eerste middelonderdeel betoogt verzoekster dat het zake- lijk advies steunt op een foute lezing van de volgende elementen: “
- het gevraagde subsidiebedrag;
- de vaststelling van de administratie dat Muziekodroom extra activitei- ten wil ontplooien;
- het personeelsbestand.” Het gevraagde subsidiebedrag 21.
- Verzoekster verwijst met betrekking tot het gevraagde subsi- diebedrag naar het rekenblad (Excel-file) dat aan het aanvraagdossier wordt toe- gevoegd en waarin onder meer het gevraagde bedrag ingevuld moet worden. Zij heeft dit als volgt ingevuld: Subsidies 791.000,00 Meerjarige werkingssubsidie Kunstendecreet 474.186,23 Projectsubsidie Kunstendecreet Subsidies FOCI Subsidies VGC Overige subsidies Vlaamse overheid 86.813,77 Subsidie provincie Subsidie stad of gemeente 60.000,00 Subsidie buitenlandse overheden Andere subsidies 170.000,00 Dat Muziekodroom het gevraagde subsidiebedrag – 661.000 euro – in die tabel heeft opgesplitst, is volgens haar volledig te verantwoorden. In hoofde van verzoekster was het immers niet meer dan logisch dat zij het bedrag van 86.813,77 euro bij „Overige subsidies Vlaamse overheid‟ invulde. Dit bedrag heeft immers betrekking op de middelen die Muziekodroom vroeger van de pro- vincie Limburg ontving. Door de afslanking van de bevoegdheden van de provin- cies, ontvangt Muziekodroom deze subsidies niet meer van de provincie Lim- burg, maar wel van de Vlaamse overheid. Bij e-mail van 10 december 2015 (ver- sta: 2014) werd gevraagd om deze subsidiebedragen niet in te schrijven op de post „Meerjarige structurele werkingssubsidie Vlaamse Gemeenschap‟, maar wel IX-8925-21/45 op de post „Subsidie Provincie‟ of „Andere subsidies‟. Verzoekster was in de ver- onderstelling dat dit nu ook diende te gebeuren voor de aanvraag van deze wer- kingssubsidie voor de periode 2017-
- Dat het zakelijk advies alleen het bedrag van 474.186,23 euro als het gevraagde subsidiebedrag beschouwt en niet de bedragen van 661.000 euro voor de oneven jaren en van 561.000 euro voor de even jaren, schendt de materiëlemotiveringsplicht, de zorgvuldigheids- en redelijkheids- plicht. De administratie dient volgens verzoekster niet tegen de uitdrukkelijke woorden van het aanvraagdossier in een ander bedrag uit een Excel-file als ge- vraagd subsidiebedrag te beschouwen. Bovendien kon de administratie door een eenvoudige optelsom weten dat het bedrag van 474.186,23 euro vermeerderd met het bedrag onder „Overige subsidies Vlaamse overheid‟ de gevraagde 561.000 euro vormt voor de even jaren en de 661.000 euro voor de oneven jaren. Ten slotte legt verzoekster in haar aanvraagdossier op drie plaatsen uit op welke wijze haar subsidie-inkomsten zijn samengesteld. Dit gebeurt vooreerst bij de vraag “Toon aan hoe u het minimum-percentage eigen inkomsten (5% voor alle werkingssubsidies en 12,5% indien functie productie en/of presentatie) zal reali- seren”, ten tweede bij de vraag “Geef aan waarop de begrote kosten en opbreng- sten gebaseerd zijn. Duid ook het verband tussen de geplande activiteiten en de begrote kosten en opbrengsten en verduidelijk waar mogelijk het verband met de functies uit het profiel van uw aanvraag” en ten derde bij de zelfevaluatie van de voorbije zakelijke werking. De vermelding in de onontvankelijkheidsbeslissing dat de uitleg in het verhaal waarom in de Excel-file de subsidiebedragen zijn op- gesplitst, nieuwe informatie aanbrengt, is dan ook onwettig. 21.
- In de memorie van wederantwoord voegt verzoekster toe dat zij wilde vermijden het verwijt te krijgen dat zij opeens een veel hoger subsidiebe- drag zou vragen dan in de vorige subsidieronde, terwijl de verhoging vooral be- trekking heeft op het recupereren van de voormalige provinciale subsidies. De verwerende partij behoorde de herkomst van de subsidies te kennen. De opsplit- sing van de bedragen was volstrekt logisch en verantwoord. Verzoekster stelt IX-8925-22/45 voorts niet in te zien hoe in het verhaal opnieuw verwarring zou zijn gezaaid. De beschouwing door verzoekster van de middelen voor Limbomania als project- middelen is het gevolg van het door de Vlaamse overheid gecreëerde onduidelij- ke subsidielandschap. De geëigende weg om richtlijnen dienaangaande door de administratie kenbaar te maken is volgens verzoekster tot slot niet een website. Zij wist niet dat een en ander was uitgelegd op de website van de administratie. 21.
- In haar laatste memorie volhardt verzoekster dat het gevraagde subsidiebedrag duidelijk in het aanvraagdossier stond en dat dit bedrag “onder verscheidene – relevante – posten” is opgesplitst in de Excel-file. De extra activiteiten 22.
- De vaststelling in het zakelijk advies dat verzoekster aangeeft extra activiteiten te willen ontplooien, mist volgens verzoekster feitelijke grond- slag. Zij heeft enkel aangegeven haar aanbod te willen verscherpen. Verscherpen is niet hetzelfde als uitbreiden. Het verhaal wijst op deze feitelijke misslag. Door het verhaal onontvankelijk te verklaren, steunt het zakelijk advies nog steeds op deze foute veronderstelling. 22.
- In de memorie van wederantwoord voegt verzoekster toe dat het aantal activiteiten dat zij wil ontplooien duidelijk en overzichtelijk in de Ex- cel-file staat, op het tabblad „activiteiten‟. De optelsom van de activiteiten „pu- blieksvoorstelling‟ bedraagt
- Dit zijn 90 concerten en 11 educatieve/artists- in-residence activiteiten. Het aantal concerten bedraagt aldus 90 en dat is even- veel als in
- De door de verwerende partij als “extra” activiteiten benoemde Zomerbar, festival en zo meer, zijn geen nieuwe activiteiten die bovenop het aan- tal geplande concerten komen maar in de plaats van de concerten in de eigen lo- catie van Muziekodroom. Het zou dus enkel gaan om een verschuiving van de locatie van het concert, maar niet om extra concerten of extra activiteiten. IX-8925-23/45 22.
- In haar laatste memorie stelt verzoekster nogmaals dat de ver- werende partij ten onrechte – en in weerwil van een duidelijk aanvraagdossier – aanneemt dat “verscherpen” het uitbreiden van activiteiten inhoudt. In het aan- vraagdossier was volstrekt duidelijk hoeveel activiteiten zij zou doen. Het personeelsbestand 23.
- In tegenstelling tot wat te lezen is in het zakelijk advies, ver- meldt verzoekster nergens in het aanvraagdossier dat haar personeelssituatie 11,1 VTE bedraagt. In het verhaal zet zij het onderscheid tussen de 11,1 en 10,5 VTE uiteen. Door het verhaal niet ontvankelijk te verklaren, steunt het zakelijk advies nog steeds op de onjuiste vaststelling dat er onduidelijkheid zou bestaan over het personeelsbestand en dat er een onderscheid is tussen de Excel-file en het aan- vraagdossier. 23.
- In de memorie van wederantwoord verwijst verzoekster naar haar jaarverslag voor 2015, ingediend op 31 maart 2016, waaruit zou blijken dat het personeelsbestand uit 10,81 VTE bestaat. De personeelskost vermeld in de subsidieaanvraag, stemt overeen met het geïndexeerde bedrag voor de perso- neelskost van
- 24.
- In een tweede middelonderdeel voert verzoekster aan dat het zakelijk advies op willekeurige wijze vergelijkt en zodoende redelijk verant- woorde begrotingsinschattingen van Muziekodroom als negatieve elementen voorstelt. In het zakelijk advies worden bepaalde bedragen immers met 2014 ver- geleken, hoewel dit niet steeds een pertinent referentiejaar is. De uitleg in het verhaal over de wijze van begroting van de horeca-inkomsten – namelijk gesteund op de afgelopen drie werkjaren – is vol- gens verzoekster een feitelijke aanvulling. Het bedrag voor de geschatte horeca- inkomsten was gekend. Muziekodroom legt louter de methodiek uit om tot dat bedrag te komen. IX-8925-24/45 24.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster dat 2014 geen pertinent referentiejaar is, gelet op het aanzienlijke verschil met de horeca-inkomsten van 2012 en
- Zij voegt eraan toe dat de vermeende daling van inkomsten uit ticketverkoop en samenwerkingen uitgaat van de foute voor- onderstelling dat het aantal activiteiten zou stijgen. 24.
- In haar laatste memorie volhardt verzoekster dat zij geen nieu- we informatie heeft gegeven door de berekeningsmethodiek uit te leggen voor de begroting van de horeca-inkomsten. 25.
- In een derde middelonderdeel betoogt verzoekster dat haar in het zakelijk advies wordt verweten te weinig toelichting bij de begroting te ge- ven. Zij citeert vervolgens het verhaal in zoverre het de begroting van de diverse productiekosten en inkomsten toelicht. In de verhaalprocedure is ten onrechte geen rekening gehouden met deze feitelijke aanvullingen op de be- groting die aan het aanvraagdossier was toegevoegd. Zij ontkent dat het zou gaan om nieuwe informatie. De cijfers komen overeen met de in de Excel-file opgegeven kostenposten. Verzoekster mocht de in de Excel-file opgegeven kostenposten niet wijzigen. Het was volgens haar dan ook onmogelijk om deze kostenposten in de Excel-file verder te verfij- nen. 25.
- In de memorie van wederantwoord verwijst verzoekster nog naar het eerste middelonderdeel en de weigering om de rechtzettingen met be- trekking tot het gevraagde subsidiebedrag, de zogenaamde verhoging van het aanbod van activiteiten en het personeelsbestand als feitelijke aanvullingen en rechtzettingen van materiële vergissingen te aanvaarden. IX-8925-25/45 25.
- In haar laatste memorie stelt verzoekster niet in te zien hoe ern- stig kan worden beweerd dat een nadere toelichting over een begroting geen feite- lijke aanvulling zou kunnen zijn, indien duidelijk is dat alle cijfers reeds in de begroting stonden. 26.
- In het vierde middelonderdeel voert verzoekster aan dat het zakelijk advies haar aanvraagdossier ten onrechte als slordig zou beschouwen. Voor zover het zakelijk advies verwijst naar sommige toe- zichtsverslagen, zou uit de meest recente inspectieverslagen integendeel blijken dat Muziekodroom een goed zakelijk en financieel beheer voert en dat er geen slordigheden of onzorgvuldigheden zijn. Enkel deze meest recente verslagen mochten bij deze beoordelingsvraag in aanmerking worden genomen. Voor zover het zakelijk advies opnieuw zou doelen op het ge- vraagde subsidiebedrag en het personeelsaantal, verwijst verzoekster naar het eerste middelonderdeel. 26.
- In de memorie van wederantwoord voegt verzoekster hieraan toe dat de verwerende partij moet teruggaan naar inspectieverslagen van 2012 en 2013 terwijl Muziekodroom sinds 2014 geen enkele opmerking meer heeft ge- kregen. Het betrof toen bovendien slechts één verkeerde boeking. 26.
- In haar laatste memorie acht verzoekster het relevant om te beoordelen welke inspectieverslagen in rekening mochten worden gebracht. Oude inspectieverslagen mogen geen rol spelen in de beoordeling van een aanvraag- dossier voor een subsidie wanneer er recentere inspectieverslagen zijn die vast- stellen dat er geen gebreken in de werking en het financiële beheer zijn. Het aan- vraagdossier van verzoekster is overigens niet slordig. Het is niet omdat de admi- nistratie het aanvraagdossier verkeerd heeft gelezen, dat het slordig is. IX-8925-26/45 Beoordeling a. eerste middelonderdeel
- Over het gevraagde subsidiebedrag is het volgende te lezen in het zakelijk advies: “Het voor 2017 gevraagde bedrag verschilt naargelang het om een even of oneven jaar gaat, maar ook tussen het dossier en de Excel-bijlage. In het dossier wordt een subsidie gevraagd van 661.000,00 euro in de oneven ja- ren, 561.000,00 in de even jaren. Dit heeft vermoedelijk te maken met het tweejaarlijkse evenement Limbomania. In het dossier wordt gezegd dat daarvoor tweejaarlijks een subsidie van 100.000,00 euro wordt voorzien. Hoewel de organisatie aangeeft dat dit bij „overige subsidies‟ komt en dus niet bij het gevraagde bedrag uit het Kunstendecreet, vermoedt de admi- nistratie dat dit het verschil is tussen de oneven en de even jaren. Hoe dan ook wijkt het in het dossier gevraagde bedrag sterk af van het gevraagde bedrag uit de Excel-bijlage. Daar bedraagt het voor 2017 474.186,23 euro op een totale kost van 1.332.244,29 euro of 35,59%. Omdat de Excel- bijlage een gedetailleerde begroting is, beschouwt de administratie dat be- drag als het gevraagde bedrag. De administratie is van oordeel dat een or- ganisatie als Muziekodroom minder slordig moet zijn in het opstellen van dossiers.”
- Verzoekster erkent dat er een verschil is tussen de subsidiebe- dragen gevraagd in het aanvraagdossier en het bedrag vermeld onder de post „Meerjarige werkingssubsidie Kunstendecreet‟ in het door de verwerende partij ter beschikking gestelde Excel-document. Zij weerspreekt niet de inschatting door de verwerende partij van het belang van deze Excel-file voor de beoordeling van de aanvraag. Zoals de verwerende partij uitvoerig toelicht in haar memorie van antwoord, is het voorts geenszins vanzelfsprekend dat zij de door verzoekster in dit document opgesplitste bedragen moet duiden en optellen om het gevraagde subsidiebedrag te achterhalen. De middelen voor de vroegere provinciale subsi- dies zijn immers overgeheveld naar de Vlaamse Gemeenschap en zijn voortaan gewone middelen uit het Kunstendecreet. Verzoekster stelt zich voor de opsplit- IX-8925-27/45 sing te richten naar een e-mail van de administratie, die evenwel geen betrekking heeft op de voorliggende aanvraagprocedure en die zij bovendien zelfs dan ook niet correct heeft toegepast. De duidelijke uitleg op de website van de verwerende partij verklaart zij dan weer niet gelezen te hebben. Ook de toelichting bij het dossier biedt niet de opheldering die verzoekster beweert. De toelichting refereert op enkele plaatsen aan de vroegere provinciale subsidies en aan andere subsidiebronnen. Verzoekster kan evenwel geen passus citeren waar zij ondubbelzinnig zou hebben gepreciseerd dat zij deze middelen thans vraagt als middelen uit het Kunstendecreet. Dat verzoekster voorts “wou vermijden dat [haar] werd verweten dat [zij] opeens een veel hoger subsidiebedrag zou vragen dan in de vorige subsidieronde” en dat haar “zou […] worden verweten dat [zij] de verhoging van het subsidiebedrag niet kon verant- woorden”, zoals zij schrijft in de memorie van wederantwoord, is een drogreden en onderstreept net de dubbelzinnigheid van de aanvraag. Het lag op haar weg om ondubbelzinnig het correcte bedrag van de gevraagde meerjarige werkingssubsi- die in te vullen zoals het behoorde en de volgens haar daarbij noodzakelijke toe- lichting te geven bij de daartoe gegeven mogelijkheid om extra tabbladen toe te voegen in het Excel-bestand. De verantwoordelijkheid om een gedegen dossier in te dienen ligt bij de aanvrager. De verwerende partij mocht, in het licht van wat haar werd voorgelegd, verzoekster verwijten een slordig dossier te hebben ingediend.
- De toelichting van de cijfers die verzoekster vervolgens geeft in haar verhaal, bevestigt dat het oorspronkelijke dossier slordig was opgesteld. Verzoekster erkent in haar verhaal “de verkeerde plaatsing van de bedragen” en vraagt een “rechtzetting” ervan, die erop neerkomt dat zij de bedoelde tabel in het Excel-document in feite vervangt door een nieuwe tabel. Over de subsidie voor Limbomania laat zij in haar verhaal bovendien nog steeds in het midden of zij deze ziet als deel van de werkingssubsidie of als projectsubsidie, door ze ditmaal te omschrijven als “projectmiddelen […] net als voorheen, los van de structurele IX-8925-28/45 werkingssubsidie” en het bedrag op te nemen bij de „Overige subsidies Vlaamse overheid‟. In het licht hiervan mocht de verhaalcommissie vaststellen: “De door de commissie gesignaleerde slordigheden in het dossier (foute subsidiebedragen in het budget, […]) worden geduid, maar de conclusie van het zakelijk advies wordt hier niet mee weerlegd. Het gaat niet om foute interpretaties van de administratie, maar om foute info in het dossier die in het verhaal rechtgezet wordt.”
- Over de extra activiteiten maakt verzoekster bezwaar tegen de volgende vaststellingen in het zakelijk advies: “Ten opzichte van de vorige periode wil de organisatie het concertaanbod verruimen en verscherpen, de residentiewerking verder ontwikkelen, meer coproducties opzetten en zich sterker profileren als kenniscentrum voor muziek in de regio. […] De toelichting bij de begroting is summier en niet op alle punten voldoen- de verhelderend of gedetailleerd. Hoewel de organisatie aangeeft extra ac- tiviteiten te zullen ontplooien, is de begroting nauwelijks hoger dan in 2014, het laatste jaar waarvan een afrekening beschikbaar is. Dit zou erop kunnen wijzen dat de organisatie op een realistische manier gebudgetteerd heeft, maar dit houdt geen rekening met grotere verschillen binnen som- mige deelrubrieken en evenmin met de uitbreiding van het aantal activitei- ten. […] Aan inkomstenzijde valt toch wel een daling op van sommige eigen in- komsten die gerelateerd zijn aan de optredens, wat vreemd is wanneer het aanbod wordt uitgebreid.”
- In haar verhaal stelt zij hierover: “Voor de duidelijkheid willen wij stellen dat de in het dossier voorgestel- de aantal concerten op jaarbasis
(90)niet hoger liggen dan de door de ad- ministratie in vergelijking genomen aantallen van 2014
(91).”
- De verwerende partij citeert uitvoerig uit het aanvraagdossier om aan te tonen dat verzoekster haar werking wenst uit te breiden en extra activi- teiten zou plannen – minstens dat zij die indruk zou geven in haar aanvraag. Ver- zoekster van haar kant betwist dat het om een stijging van het aantal evenementen zou gaan; volgens haar is er enkel een verschuiving van de locatie. IX-8925-29/45 Verzoekster weerspreekt daarmee niet de essentie van het ad- vies op dit punt, namelijk dat de verwerende partij ook in dat geval kon opmerken dat de inkomsten en uitgaven gerelateerd aan de activiteiten niet overzichtelijk en gedetailleerd zijn geduid. Wat dan weer met zich meebrengt dat de verhaalcommissie terecht mocht concluderen dat de enkele opmerking in het verhaal dat de activi- teiten niet hoger liggen dan de aantallen van 2014, geen afdoende reactie is om deze kritiek geformuleerd in het zakelijk advies te weerleggen.
- Over het personeelsbestand valt niet te ontkennen dat verzoek- ster in haar aanvraagdossier melding maakt van 11,1 VTE in 2014, dat zij stelt “op een absolute minimum bezetting” te zijn beland en dat zij geen meer recente cijfers vermeldt. Uit het dossier blijkt geenszins dat op datum van de subsidie- aanvraag – 1 oktober 2015 – de personeelsbezetting minder dan 11,1 VTE be- droeg en dat de totale loonkost volgens de begroting niet kon worden vergeleken met het referentiejaar
- Het jaarverslag voor 2015 waaruit een personeelsbe- stand van 10,81 VTE in 2015 blijkt, brengt verzoekster pas ter sprake in de me- morie van wederantwoord; deze informatie blijkt als dusdanig niet te zijn begre- pen in de aanvraagprocedure. Tegelijk wordt vastgesteld dat de optelsom van de functies vol- gens het tabblad „personeel en medewerkers‟ een totaal van 10,5 VTE oplevert. Dat het om een voor 2017 geplande “bijkomende afslanking” van het personeels- bestand gaat, verduidelijkt verzoekster pas voor het eerst in haar verhaal. Bijgevolg mocht de verhaalcommissie besluiten: “De door de commissie gesignaleerde slordigheden in het dossier ([…], aantal VTE‟s) worden geduid, maar de conclusie van het zakelijk advies wordt hier niet mee weerlegd. Het gaat niet om foute interpretaties van de administratie, maar om foute info in het dossier die in het verhaal rechtge- zet wordt.” IX-8925-30/45
- Het eerste middelonderdeel is, gelet op wat voorafgaat, onge- grond. b. tweede middelonderdeel
- Met het tweede middelonderdeel neemt verzoekster aanstoot aan de volgende passus in het zakelijk advies: “Aan inkomstenzijde valt toch wel een daling op van sommige eigen in- komsten die gerelateerd zijn aan de optredens, wat vreemd is wanneer het aanbod wordt uitgebreid. Voorbeelden hiervan zijn de, weliswaar beperk- te, daling van de inkomsten uit ticketverkoop (150.000,00 euro tegenover 153.356,23 euro in 2014), en de grotere dalingen van de inkomsten uit samenwerkingen (66.000,00 euro tegenover 89.638,15 euro) en de horeca- inkomsten (232.500,00 euro tegenover 261.271,19 euro).” Blijkens de toelichting bij het middelonderdeel betreft de kri- tiek van verzoekster op deze passus enkel de opmerking over de horeca- inkomsten. Voor zover het citaat refereert aan de gedaalde inkomsten uit ticket- verkoop en samenwerkingen, gaat verzoekster er in haar toelichting niet op in. In haar verhaal geeft verzoekster enkel haar methodiek om de inkomsten uit horeca te begroten: zij gaat uit van de afgelopen drie werkjaren. Die toelichting weerlegt niet de vaststelling van het zakelijk advies dat dit cijfer neerkomt op een daling ten opzichte van het laatste werkjaar en dat dit een grote- re daling is, die opvalt. Niet in de aanvraag en nog steeds niet in het verhaal legt verzoekster uit waarom het laatste jaar
(2014)geen goede referentie is om de inkomsten voor de volgende jaren in te schatten. Zoals de verwerende partij te- recht opmerkt in de memorie van antwoord, viel het aan verzoekster toe “om aan te duiden waarom 2014 dan toch geen goed referentiejaar zou zijn, bijvoorbeeld door te wijzen op bijzonderheden dat jaar die het onderscheiden van andere jaren, maar verzoek[st]er laat na om haar stelling toe te lichten”. IX-8925-31/45 Verzoekster overtuigt dan ook niet waarom de verhaalcommis- sie hierover niet mocht concluderen dat het een tweede lezing van het dossier niet kan verantwoorden. 36. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. c. derde middelonderdeel 37. In het aanvraagdossier heeft verzoekster met betrekking tot haar begroting een opgave gedaan van bedragen, zonder enige toelichting. Ver- zoekster betwist dit niet. In het zakelijk advies wordt verzoekster verweten dat “sommi- ge grote kosten te weinig worden geduid en het niet duidelijk is hoe sommige inkomsten worden berekend”, wat tot gevolg heeft dat “moeilijk [is] in te schat- ten in hoeverre de ingediende begroting spoort met de artistieke plannen”. In haar verhaal herneemt verzoekster dan die cijfers en ver- strekt zij thans wel toelichting erbij. Zo geeft zij, bijvoorbeeld, een opsplitsing van de uitkoopsommen of van de verplaatsings- en verblijfkosten en preciseert zij de oorsprong van de bedrijfsopbrengsten als verhuring van haar infrastructuur. 38. Zoals hiervóór reeds is opgemerkt, is het argument dat verzoek- ster de opgegeven posten in het Excel-document onmogelijk mocht wijzigen of verfijnen een drogreden. Verzoekster mocht immers het afzonderlijke tabblad „toelichting‟ naar goeddunken invullen en er zo veel tabbladen aan toevoegen als zij nodig vond, blijkens de richtlijnen van het Excel-document inzonderheid “over de begroting, afrekening en/of balans” en om te “verduidelijken in een zelf gekozen vorm”. Verzoekster heeft dit tabblad blijkbaar volledig blanco gelaten. IX-8925-32/45 39. Aldus is de vaststelling in het zakelijk advies dat de cijfers niet samengaan met enige duiding, feitelijk correct. Bovendien is de toelichting die verzoekster vervolgens geeft in het verhaal geenszins louter “feitelijk” aanvullend. Die toelichting ontbrak in het aanvraagdossier en ze is essentieel voor een analyse van de opgegeven begro- tingsposten met het oog op het te verlenen zakelijk advies, inzonderheid of de begroting haalbaar is en spoort met de artistieke plannen. De verhaalcommissie mocht die toelichting op dit punt dan ook verwerpen als nieuwe informatie, waarvoor de verhaalprocedure niet bedoeld is. 40. Het derde middelonderdeel is ongegrond. d. vierde middelonderdeel 41. Uit de bespreking van de vorige middelonderdelen is gebleken dat de algemene beoordeling van het aanvraagdossier van verzoekster als “slor- dig” niet voorkomt als onterecht. Bij het antwoord op de vraag welke toezichtsverslagen de ver- werende partij al dan niet vermocht te betrekken in haar beoordeling, heeft ver- zoekster geen belang. Het is immers niet van aard daar anders over te oordelen en verzoekster uitzicht te geven op een gunstiger conclusie van het zakelijk advies. 42. Het vierde middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. IX-8925-33/45 e. besluit bij het tweede middel 43. Bij de aangevoerde schending van sommige algemene beginse- len van behoorlijk bestuur geeft verzoekster geen specifieke toelichting bij het middel die met de voorgaande overwegingen geen antwoord heeft gekregen. 44. Wie op ontvankelijke wijze in een proces voor de Raad van State wil aanvoeren dat de overheid nalaat haar eigen regels na te leven – schen- ding dus van het beginsel patere legem quam ipse fecisti – moet op precieze wijze aangeven over welke rechtsregel het gaat en waarom die regel volgens de opvat- ting van de verzoekende partij miskend is geworden door het bestuur. In de toelichting bij het middel geeft verzoekster bij geen van de vier onderdelen aan welke legem quam ipse fecisti zij bespeurt, die vervolgens door de verwerende partij niet zou zijn nageleefd. In die mate is het middel on- ontvankelijk. 45. Het tweede middel wordt in elk van zijn onderdelen verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 46. Het derde middel is geput uit de schending van artikel 28, § 2, en artikel 45, § 2, Kunstendecreet en van de materiëlemotiveringsplicht, het zorg- vuldigheidsbeginsel en de redelijkheidsplicht. Het middel is gericht tegen het artistiek advies. 47.1. In een eerste middelonderdeel voert verzoekster aan dat het artistiek advies onvoldoende onafhankelijk is opgesteld en voortbouwt op het onjuiste zakelijk advies. Zulks geldt voor de beoordeling in welke mate de artis- IX-8925-34/45 tieke en zakelijke planning met elkaar sporen en voor de beoordeling of de begro- ting haalbaar is. Verzoekster licht toe dat de beoordelingscommissie krachtens artikel 28, § 2, Kunstendecreet een aanvraagdossier moet toetsen aan de in het Kunstendecreet bepaalde criteria en zich daarvoor niet mag laten leiden door de administratie die het zakelijk advies heeft opgesteld. In haar verhaal heeft ver- zoekster de beoordelaars van het artistiek advies opgeroepen om afstand te nemen van de volgens haar foute interpretaties door de beoordelaars van het zakelijk advies. Door dat verhaal niet ontvankelijk te verklaren, steunt het artistiek advies al te sterk op een foute lezing van het aanvraagdossier door de afdeling Kunsten. 47.2. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoekster dat de verwerende partij haar vraagt om te bewijzen wat zij onmogelijk kan bewijzen. Het artistiek advies verwijst niet formeel naar het zakelijk advies, maar zij “weet dat het zakelijke advies in de artistieke beoordeling heeft overheerst en dat de artistieke beoordelingscommissie niet de ruimte heeft gekregen om op onafhan- kelijke wijze tot een beoordeling te komen”. 47.3. In haar laatste memorie verklaart verzoekster te volharden in het eerste middelonderdeel, waarbij zij verwijst naar haar eerdere geschriften. 48.1. In een tweede middelonderdeel klaagt verzoekster aan dat in de artistieke procedure ten onrechte geen rekening zou zijn gehouden met de feite- lijke aanvullingen in het verhaal met betrekking tot de nieuw geplande samen- werkingen. Zij licht toe dat de samenwerkingsprojecten in het aanvraag- dossier waren vermeld en toegelicht binnen het toegelaten aantal tekens en pagi- na‟s van de artistieke planning. De nadere toelichting bij deze samenwerkings- verbanden in het verhaal geldt dan ook als feitelijke aanvulling. IX-8925-35/45 48.2. In de memorie van wederantwoord erkent verzoekster dat be- paalde voorbeelden in haar verhaal nieuw zijn maar benadrukt zij dat die passen in de algemene lijn die zij hanteert in de beschrijving van haar samenwerking met deze partners, en aldus verduidelijkend. Zij pleit voor een open en flexibele sa- menwerking. Het feit dat er geen samenwerkingsovereenkomsten beschikbaar zijn, is te wijten aan de aard van gesprekken en pragmatische aanpak in samen- werking. 48.3. In haar laatste memorie herhaalt verzoekster dat bepaalde voor- beelden in haar verhaal feitelijke aanvullingen zijn en passen binnen de nadere toelichting die is vereist. Beoordeling a. eerste middelonderdeel 49. Artikel 28, § 2, Kunstendecreet, zoals van toepassing, luidt: “Een commissie als vermeld in artikel 44, en de door de Vlaamse Rege- ring aangewezen dienst toetsen een ontvankelijk aanvraagdossier aan de volgende criteria: 1° kwaliteit inhoudelijk concept en concrete uitwerking; 2° kwaliteit zakelijk beheer:
- a)het sporen van de artistieke met de zakelijke planning;
- b)een haalbare en realistische begroting;
- c)de evenwichtige samenstelling van de raad van bestuur, rekening houdend met maatschappelijke en culturele diversiteit;
- d)de wijze waarop de organisatie bestuurd wordt;
- e)een kwaliteitsvol personeelsbeleid voeren met bijzondere aandacht voor de correcte vergoeding van kunstenaars; 3° kwaliteit voorbije werking; 4° positionering en samenwerking; 5° landelijke en/of internationale betekenis; 6° kennisopbouw en kennisdeling; 7° maatschappelijke en culturele diversiteit; 8° ondersteuning van kunstenaars, met specifieke aandacht voor starten- de kunstenaars; 9° indien van toepassing, de nadere bepaling door de Vlaamse Regering van de criteria.” IX-8925-36/45 50. Anders dan verzoekster leest de Raad van State niet dat de commissie die het artistiek advies verleent in haar autonome opdracht op generlei wijze kennis mag nemen van het zakelijk advies. Het tegendeel is eerder waar. Immers bepaalt artikel 44, § 2, Kunstendecreet toentertijd: “De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst bezorgt alle nuttige in- formatie, nodig om tot een kwaliteitsvolle inhoudelijke beoordeling te komen, aan een commissie. Indien er voor het aanvraagdossier een zake- lijk advies vereist is, zorgt de door de Vlaamse Regering aangewezen dienst voor een voorlopige zakelijke en beheersmatige toetsing inclusief de indicatieve waardering van een aanvraagdossier bij de aanvang van de artistiek-inhoudelijke toetsing door een commissie.” Hieruit volgt dat de administratie net al haar expertise ter be- schikking moet stellen van de beoordelingscommissie, om deze laatste toe te la- ten met kennis van zaken tot een oordeel te komen over de vraag of de artistieke en zakelijke planning met elkaar sporen en of de begroting in dat licht haalbaar en realistisch is. Dat de commissie die informatie ter beschikking gesteld krijgt, is een keuze van de decreetgever. 51. Verzoekster is er in het tweede middel niet in geslaagd aan te tonen dat het zakelijk advies onregelmatig is. Voor zover het eerste middelonder- deel van het derde middel voortbouwt op de premisse dat het tweede middel ge- grond is, kan het niet slagen. 52. Het eerste middelonderdeel faalt. IX-8925-37/45 b. tweede middelonderdeel 53. Het tweede middelonderdeel betreft de overweging van de commissie dat sommige nieuwe samenwerkingen wel worden vermeld, maar niet nader toegelicht. 54. Verzoekster weerspreekt die feitelijke vaststelling niet. Die ontbrekende toelichting komt er vervolgens wel, in haar verhaal. 55. Over dat verhaal merkt de verwerende partij in de memorie van antwoord op wat volgt: “Verzoeker vermeldt in zijn aanvraagdossier onder de noemer „samen- werkingsverbanden‟ dat er gesprekken zijn met C-Mine, ModeMuseum en Z33 maar biedt geen bijkomende toelichting over het voorwerp of de doelstellingen van een eventuele samenwerking (stuk 4.a, p. 8). In de Ar- tistieke Plannen die deel uitmaken van het aanvraagdossier (stuk 4.c, p. 2) wordt C-Mine louter vermeld onder de n[o]emer „co-producties op loca- tie‟, ModeMuseum Hasselt wordt in het geheel niet vermeld en Z33 wordt vermeld als partner voor de cultuurbar. In het overzicht van de samenwer- kingsovereenkomsten tot slot (zie stuk 4.e), zit geen enkel document van of over deze entiteiten, wel wordt (enkel) Z33 vermeld in een soort van overzichtsorganogram maar opnieuw zonder duidelijke toelichting. De nieuwe partners worden dus wel vermeld, maar niet of heel erg beperkt verder toegelicht. Verzoeker erkent trouwens zelf dat het oorspronkelijk dossier geen of onvoldoende toelichting bevat, zij maakt in het verhaal gewag van het „verhelderen (van) de niet toegelichte, nieuwe part- nerships‟. Verzoeker probeert dit recht te zetten door in het verhaal de ontbrekende toelichting te geven over de geplande samenwerking. I.t.t. wat verzoeker voorhoudt betreft dit meer dan enkel feitelijke aanvullingen, het gaat over nieuwe informatie, die aldus niet in overweging kan worden genomen. Zo wordt t.a.v. ModeMuseum Hasselt, Z33 en C-Mine nu gesteld dat ze part- ners zijn die elkaar „ondersteunen in communicatie, techniek en persoon‟. Nochtans werd voordien t.a.v. C-Mine verwezen naar een productie op locatie (lees: een productie op locatie van C-Mine) en voor Z33 werd en- kel verwezen naar het concept van de cultuurbar. De toelichting uit het verhaal sluit hier niet op aan. Dit bevestigt eens te meer dat de info nieuw is en het lijkt er ook [op] te wijzen dat verzoeker zelf niet goed weet wel- ke richting ze uit wil met de nieuwe samenwerkingen. Overigens blijft ook de toelichting uit het verhaal erg vaag, want beperkt tot algemeenhe- den over wederzijdse ondersteuning, verdere informatie over de nieuwe samenwerkingen wordt opnieuw niet meegedeeld. IX-8925-38/45 Voorts bevat de toelichting uit het verhaal, die verzoeker herneemt op pa- gina 40-41 van het verzoekschrift, voornamelijk informatie die niets te maken heeft met voormelde nieuwe samenwerkingen. Zo gaat verzoeker uitvoerig in op de verhouding/het conflict met PXL-Music, hetgeen geen nieuwe samenwerking betreft en wat hier dus geenszins ter zake is.” 56. Eerder dan deze argumenten te weerleggen, bevestigt de repliek van verzoekster dat haar verhaal veel méér is dan een feitelijke toelichting of aanvulling van haar dossier, maar integendeel een wezenlijk nieuwe of andere invulling van de opgegeven samenwerkingsverbanden. Verzoekster overtuigt aldus niet dat de verhaalcommissie ten onrechte zou hebben besloten dat de door haar gegeven verduidelijkingen zien op elementen die niet duidelijk gespecificeerd waren of zelfs afwezig waren en dat zij zelfs nieuwe informatie aanlevert die verschilt van de oorspronkelijk inge- diende plannen. 57. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. c. besluit bij het derde middel 58. Bij de aangevoerde schending van sommige algemene beginse- len van behoorlijk bestuur geeft verzoekster geen specifieke toelichting bij het middel die met de voorgaande overwegingen nog geen antwoord heeft gekregen. 59. Het derde middel wordt verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 60. In het vierde middel voert verzoekster de schending aan van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- IX-8925-39/45 handelingen‟, de materiëlemotiveringsplicht, het Draaiboek en het beginsel pate- re legem quam ipse fecisti “omdat de motivering de beslissing niet kan schragen”. 61. In een eerste middelonderdeel betoogt verzoekster dat de alge- mene beoordeling voor het artistiek advies minstens „goed‟ had moeten zijn. Na weglating van de vijf beoordelingsvragen die verband houden met het gevraagde subsidiebedrag en het ontplooien van extra activiteiten en om de redenen uiteen- gezet onder het eerste onderdeel van het tweede middel buiten beschouwing moe- ten worden gelaten, scoort zij op de meerderheid van de punten voldoende of goed. 62. In een tweede middelonderdeel voert verzoekster aan dat in het artistiek en het zakelijk advies minstens drie beoordelingspunten als „goed‟ had- den moeten worden beschouwd, namelijk (
- a)de positie van Muziekodroom in het kunstenveld, (
- b)de maatschappelijke, culturele en genderdiversiteit binnen het personeel en (
- c)de maatschappelijke, culturele en genderdiversiteit binnen het bestuur. Door de toelichting in het verhaal te aanzien als niet toegelaten nieuwe informatie, zou het beoordelingspunt over de positie van verzoekster in het kunstenveld en de meerwaarde van eventuele samenwerkingsverbanden ten onrechte als „voldoende‟ zijn beschouwd. In de memorie van wederantwoord verwijst verzoekster naar de beoordeling van deze samenwerking naar aanleiding van de projectsubsidie. Verzoekster plaatst vervolgens het aanvraagdossier, het voorlo- pige zakelijk advies en het verhaal naast elkaar om te besluiten dat het artistiek advies voor genderdiversiteit bij het personeel minstens de score „goed‟ had moe- ten geven. IX-8925-40/45 Zij maakt een vergelijking met het aanvraagdossier van LOD, dat in het zakelijk advies de eindscore „zeer goed‟ krijgt. Ten slotte gaat verzoekster in op de bijzondere rol van haar zakelijk leider en het engagement waartoe zij zich in haar verhaal verbindt voor een meer diverse raad van bestuur in de toekomst om een oordeel „goed‟ te clai- men op dit laatste besproken beoordelingspunt in het zakelijk en artistiek advies. Opnieuw maakt zij de vergelijking met het aanvraagdossier van de organisatie LOD, dat in het zakelijk advies de eindscore „zeer goed‟ krijgt. In de memorie van wederantwoord zet verzoekster de samen- stelling van de raad van bestuur van de organisatie LOD af tegen die van haar eigen raad van bestuur om het zakelijk advies inzake LOD luidens welk “[b]ij de samenstelling [van de raad van bestuur] rekening [werd] gehouden met compe- tenties, maatschappelijk draagvlak, gender en sinds enkele jaren diversiteit” te hekelen. Verzoekster leidt hieruit de relevantie af van de vergelijking met LOD en ziet hierin het bewijs van de ongelijke behandeling van Muziekodroom ten aanzien van andere kunstenorganisaties. Beoordeling 63. De schending van het beginsel patere legem quam ipse fe- cisti kan enkel worden ingeroepen wanneer het gaat om een niet nageleefde rechtsregel. Zoals hiervóór al is opgemerkt, voldoet het Draaiboek niet aan die voorwaarde. In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht. 64. Wat het Draaiboek wel is, namelijk een beleidslijn, impliceert dat de overheid mag beslissen zich ernaar te gedragen in het kader van een zorg- vuldige besluitvorming en met oog voor het gelijkheidsbeginsel en de rechtsze- kerheid, dus voor zover de specifieke merites van de zaak haar er niet toe nopen ervan af te wijken. IX-8925-41/45 65. Het valt aan verzoekster toe om in voorkomend geval aan te tonen dat zij zich in zo een situatie bevindt, dat van het Draaiboek afgeweken mocht of zelfs moest worden. Dat doet zij niet; integendeel beroept zij zich in het middel zelf op het Draaiboek. Verzoekster toont aldus niet aan dat zij ingevolge de toepas- sing van het Draaiboek ten onrechte op gelijke wijze is behandeld als de andere aanvragers. 66. Vastgesteld moet worden dat verzoekster een artistiek advies heeft gekregen met de score „nipt onvoldoende‟. Verzoekster formuleert geen kritiek op de draagwijdte van die score. Welnu, die score staat voor een beoordeling, aldus het Draai- boek, dat het plan “helemaal niet [beantwoordt] aan één of meerdere artistieke beoordelingscriteria”. Vanzelfsprekend kan zo een plan dan niet meer met de score „voldoende‟, laat staan „goed‟ bedacht worden, zelfs als de “meerderheid van de beoordelingspunten” goed of voldoende zou zijn, zoals verzoekster blijkens het eerste middelonderdeel het zou wensen. Daargelaten nog dat na de verwerping van het tweede en het derde middel van een “weglating” van “beoordelingsvragen” geen sprake is, faalt het eerste middelonderdeel naar recht. 67. De eindbeoordelingen steunen op een toetsing van het dossier aan de criteria die zijn opgesomd in artikel 28 Kunstendecreet. Noch uit het Kun- stendecreet, noch uit de uitvoeringsbesluiten, noch uit het Draaiboek, noch uit het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel volgt dat per beoordelingscriterium zo- IX-8925-42/45 als bepaald in artikel 28, §§ 2 en 3, Kunstendecreet, voor elk van de individuele beoordelingscriteria een afzonderlijke score moet worden gegeven. De adviezen geven een in woorden uitgedrukte appreciatie van de beoordelaars. Uit het advies van de beoordelingscommissie en inzonderheid uit de passus van de eindconclusie dat verzoekster “een ondermaats dossier inge- diend [heeft]”, “zeker op financieel vlak zijn er ernstige tekortkomingen”, “[e]r is nauwelijks toelichting en de begroting is niet transparant”, bovendien “is het niet duidelijk waar sommige bedragen op slaan”, is het duidelijk dat verzoekster vol- gens de beoordelingscommissie “helemaal niet” beantwoordt aan de algemene beoordelingscriteria met betrekking tot de kwaliteit van het zakelijk beheer en het sporen ervan met de artistieke planning. Of verzoekster voor ándere criteria ten onrechte „voldoende‟ kreeg is in dat licht zonder belang voor haar kansen op subsidie. Uit de bespreking van de vorige middelen is immers niet geble- ken dat de inschatting van het artistiek advies van dit ene criterium ondeugdelijk is. Dat maakt echter de score „nipt onvoldoende‟ onafwendbaar. 68. Verzoekster formuleert voorts noch in dit, noch in een ander middel kritiek op de gevolgde werkwijze om de aanvragers te beoordelen en ze te rangschikken zoals beschreven in het feitenrelaas. Uit het bestreden besluit en de nota aan de Vlaamse regering blijkt dat aan organisaties met een score „nipt onvoldoende‟ of slechter voor het artistiek advies geen subsidies worden toegekend, hoe verdienstelijk ook het ver- kregen zakelijk advies luidt. 69. De gegrondheid van het tweede middelonderdeel kan er dus nooit toe leiden dat de verwerende partij, na heroverweging van het bij veronder- IX-8925-43/45 stelling ondeugdelijk advies op dit punt, bij wijze van herstel alsnog subsidies aan verzoekster zal toekennen. De vernietiging op grond van het vierde middel bevat immers geen enkele aansporing om af te wijken van de vooropgestelde bedragen en van de in het bestreden besluit geïmplementeerde beleidskeuzes en leidt niet ertoe dat verzoekster alsnog aanspraak kan maken op een werkingssubsidie. 70. Het tweede middelonderdeel is niet ontvankelijk. 71. Het vierde middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verleent akte van de afstand van de tussenkomst. 2. De Raad van State verwerpt het beroep. 3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsple- gingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. IX-8925-44/45 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig november tweeduizend negentien, door de Raad van State, IXe kamer, samenge- steld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-8925-45/45 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div