← België

Arrest 246203 - Milieuvergunningen - 28/11/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.203 Rolnummer: A. 221484/VII-39918 Zaak: Arrest 246203 - Milieuvergunningen - 28/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-02 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-24 12:35 Fiche Arrest nr 246.203 van 28 november 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.203 van 28 november 2019 in de zaak A. 221.484/VII-39.918 In zake :

  1. Filip VANLERBERGHE
  2. Pia CLYBOUW bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Vandromme kantoor houdend te 8500 Kortrijk Kapucijnenstraat 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA ALMANAAR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart De Becker kantoor houdend te 8500 Kortrijk Loofstraat 39 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 14 februari 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 5 december 2016 waarbij de vraag van de BVBA Almanaar, exploitant van een pluimveeslachterij aan de Bollewerpstraat 108 te Ingelmunster, tot afwijking van de afstandsregel vermeld in artikel 5.45.1.2, § 1, 2°, van het VII-39.918-1/16 besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II), wordt ingewilligd. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 241.781 van 14 juni 2018 heropent de Raad van State het debat en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat belast met een aanvullend onderzoek. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 november
  5. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bram Vandromme, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Michel Van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Bart De Becker, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. VII-39.918-2/16 III. Feiten 3.
  7. De feitelijke gegevens van de zaak zijn weergegeven in het arrest van de Raad van State nr. 236.912 van 22 december 2016, waarbij een beroep van de tussenkomende partij tegen een weigering van een eerdere aanvraag tot afwijking van sectorale milieuvoorwaarden wordt verworpen, en in arrest nr. 241.781 van 14 juni 2018, waarbij het debat in de huidige zaak wordt heropend. 3.
  8. In de bestreden beslissing wordt de door de tussenkomende partij gevraagde afwijking van artikel 5.45.1.2 van Vlarem II, dat een zogenaamde afstandsregel inhoudt, toegestaan. Deze bepaling luidt: “Verbods- en afstandsregels §
  9. Het is verboden een inrichting die overeenkomstig subrubrieken 45.1 a, b, d en e (slachthuizen), 45.2 (vetsmelterijen), 45.4 a (pensziederijen en darmwasserijen) en 45.18 (dierlijke bijproducten, andere dan afvalstoffen als bedoeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) van de indelingslijst is ingedeeld in de eerste klasse te exploiteren: 1° die geheel of gedeeltelijk gelegen is in een waterwingebied of beschermingszone type I, II of III, in een woongebied of in een recreatiegebied; 2° waarvan de opslagplaatsen en/of bedrijfsgebouwen gelegen zijn op minder dan 100 m afstand van een woongebied of van een recreatiegebied. §
  10. De verbodsbepalingen van §1 gelden niet voor bestaande inrichtingen of gedeelten ervan”. 3.
  11. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “Gelet op de volgende motivering van de afwijkingsaanvraag aangehaald door de aanvrager: - het bedrijf beschikt over geldige stedenbouwkundige vergunningen en geldige milieuvergunningen voor het uitbaten van een pluimveeslachterij; de afgelopen jaren zijn er heel wat investeringen gebeurd met betrekking tot de waterzuiveringsinstallatie, nieuwe installaties, het inkapselen van geluidproducerende compressoren, een nieuwe pluimenseparator, enzovoort; er zijn ook heel wat inspanningen gebeurd met betrekking tot de hygiëne zoals het plaatsen van een aangepast waterafvoersysteem, vernieuwen van vloeren en wanden, het verwijderen van categorie 3 slachtafval via een gesloten systeem, het dagelijks afvoeren van slachtafval, het volledig inpandig en afgesloten werken in gekoelde ruimtes VII-39.918-3/16 en een vernieuwde buitenaanleg; de vergunde capaciteit van 4.000 kippen per dag is te laag om economisch haalbaar te zijn; een capaciteit van 22.800 kippen per dag is wel economisch haalbaar; het aantal geslachte dieren wordt bijgehouden in een register en wordt maandelijks doorgegeven aan de afdeling Milieu-inspectie; Gelet op de volgende alternatieve maatregelen aangehaald door de aanvrager: - er is een geluidsstudie in maart 2016 uitgevoerd waaruit blijkt, dat aan de geluidsnormen wordt voldaan; op basis van geluidsstudies uit het verleden werden tal van infrastructurele en organisatorische maatregelen getroffen om de geluidshinder te verminderen; er wordt een overzicht gegeven van de maatregelen die nog moeten worden genomen; na de realisatie zal een nieuwe geluidsstudie uitgevoerd worden; er worden ook maatregelen opgesomd in het kader van de voorziene nieuwbouw; tijdens de bouw moet er een aantal voorwaarden in acht worden genomen; deze voorwaarden zijn mee opgenomen in de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning; er zal ook in de toekomstige situatie aan de geluidsnormen worden voldaan en er zal zelfs nog een verbetering zijn; - naar aanleiding van een geurstudie, opgemaakt door een erkend deskundige in de discipline lucht, werd een aantal organisatorische maatregelen uitgevoerd, zoals een VLAREM-conforme aanvoer- en losruimte voor levende kippen; deze is mee opgenomen in de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning; er wordt verwacht dat er reeds een beslissing is genomen in deze procedure op het moment dat de minister een beslissing moet nemen over deze afwijking; in de geurstudies wordt gesteld dat de geurhinder aanvaardbaar is, gelet op de beperkte geurwaarnemingsafstand, de beperkte geurintensiteiten en de discontinuïteit van het proces; gelet op de voorgestelde maatregelen wordt verwacht dat de geursituatie nog zal verbeteren; - er wordt geen afvalwater geloosd; het nullozerstatuut werd in 2013 hernieuwd; - er werd een open communicatiebeleid uitgewerkt: - een aantal verouderde installaties werd vernieuwd of zal gemoderniseerd worden bij de realisatie van de nieuwbouw, zoals een nieuwe mazouttank, het plaatsen van een stoomketel in een RF-lokaal en het plaatsen van een gaswasser; - er werd een BBT- en BREF-toetsing uitgevoerd; daaruit blijkt dat grotendeels aan de BBT wordt voldaan; de onvolkomenheden zullen worden aangepakt bij de bouw van een nieuwe aanvoer- en losruimte, zoals het inpandig lossen, het optimaliseren van de luchthuishouding en het aanpassen van het emissiepunt; [...] Overwegende dat het slachthuis momenteel vergund is voor het slachten van 4.000 kippen per dag (besluit deputatie van 23 januari 2003); Overwegende dat de productie geleidelijk en gestaag gegroeid is met enkele pieken op bepaalde dagen; dat dit komt door de samenvoeging van het bestaande cliënteel en het nieuwe cliënteel van Almanaar (hallal); dat de milieuvergunning nog niet werd aangepast; dat voor het indienen van VII-39.918-4/16 een milieuvergunningsaan-vraag (waarin de regularisatie zit vervat), eerst onderhavige afwijking wordt aangevraagd; Overwegende dat op een normale productiedag gemiddeld ongeveer 15.200 kippen geslacht worden; dat er maximaal 22.800 kippen per dag worden geslacht; dat hiervoor maximaal 4 leveringen van levende kippen per dag gebeuren (meestal 3); dat er met 2 leveranciers wordt gewerkt; dat 1 levering gebeurt tussen 20u en 3u30; dat het slachten gebeurt tussen 4u en 13u; dat er daarna nog tot 16u activiteit is in de uitsnijderij; Overwegende dat er normaal op maandag, woensdag en vrijdag wordt geslacht; dat normaal gezien op dinsdag en donderdag niet geslacht wordt; dat op woensdag ook particuliere verkoop plaatsvindt; dat op dinsdag en donderdag ophalingen van Rendac en reinigingswerken kunnen gebeuren; dat er soms op dinsdag en donderdag geslacht wordt omwille van bijvoorbeeld een feestdag die op een productiedag valt, onderhoud van een machine of een stijgende vraag; dat er op zaterdag geen productie is, maar dat er wel kleine onderhoudswerken kunnen gebeuren; dat er nooit gewerkt wordt op zon- en feestdagen; Overwegende dat de beperking in maximaal te slachten dieren (22.800 per dag) en in aantal slachtdagen (maximaal 3, niet in het weekend en op feestdagen) wordt opgelegd in de bijzondere voorwaarden; […] Overwegende dat conform artikel 5.45.1.2 van titel II van het VLAREM het verboden is een inrichting overeenkomstig rubriek 45 van de indelingslijst in de eerste klasse te exploiteren waarvan de opslagplaatsen en/of bedrijfsgebouwen gelegen zijn op minder dan 100 m afstand van een woongebied; Overwegende dat een slachthuis een klasse 1 inrichting betreft wanneer er meer dan 1.000 dieren per dag worden geslacht (rubriek 45.1, b), 2°); dat de afwijking wordt gevraagd in het kader van een uitbreiding respectievelijk een regularisatie van de slachtcapaciteit; dat er in de gewenste situatie maximum 22.800 dieren per dag worden geslacht; Overwegende dat het slachthuis gelegen is in agrarisch gebied (volgens het gewestplan) aan de Bollewerpstraat (noord-zuid lopend); dat aan de overzijde van de Bollewerpstraat een woongebied met landelijk karakter is, gelegen (westelijk); dat in deze straat (landbouw)bedrijven en woningen door elkaar zijn gelegen; Overwegende dat aan de overzijde van de straat tegenover het bedrijf een schrijnwerkerij met bedrijfswoning ligt; dat deze woning de dichtste woning is gelegen in het woongebied met landelijk karakter; dat een aantal woningen in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf gelegen is in agrarisch gebied; Overwegende dat de exploitant de volgende geurstudies heeft laten uitvoeren, waarin de volgende elementen worden geconcludeerd: […] dat in de studies wordt gesteld dat op basis van het deskundigenoordeel de geurhinder voor de buurt aanvaardbaar is, gelet op de beperkte geurwaarnemingsafstand en de discontinuïteit van het proces; dat in de nota van 26 februari 2016 en in de studie van 31 mei 2016 wordt gesteld dat VII-39.918-5/16 gelet op het inpandig brengen van alle activiteiten en het behandelen van de ruimtelucht, de geursituatie in de omgeving van het bedrijf nog zal verbeteren; Overwegende dat in de gewenste situatie, in tegenstelling tot de huidige situatie, alle procesonderdelen inpandig zullen gebeuren, zoals het laden en lossen van kippen en het opslaan van pluimen en slachtafval; dat de ruimtelucht van de slachterij en de nieuwe aanvoer- en losruimte zal worden afgezogen en behandeld in een tweetrapsgaswasser; dat er circa 36.000 m³/h zal worden afgezogen; dat dit betekent dat de ruimtelucht 4 keer per uur ververst zal worden; dat daarvoor 4 afzuigpunten zullen worden voorzien; dat de exploitant een onderhoudscontract zal aangaan met de leverancier zodat een goede opvolging en onderhoud verzekerd is; dat de hierboven genoemde maatregelen met betrekking tot beheersing van de geuremissie moeten worden opgelegd in de bijzondere voorwaarden; Overwegende dat de exploitant een geluidsstudie heeft laten uitvoeren […]; dat in de studie de huidige geluidsimmissie werd beoordeeld; dat eveneens een simulatie werd gemaakt naar aanleiding van de gewenste uitbreiding; […] Overwegende dat uit bovenstaande blijkt dat de geluidshinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; dat het aangewezen is om de aannames van de geluidsstudie op te leggen in de bijzondere voorwaarde; dat de concrete uitwerking van het gebouw in overleg moet gebeuren met een erkend milieudeskundige in de discipline geluid; Overwegende dat het slachten begint vanaf circa 4 u tot en met circa 13 u; dat na het slachten de verwerking gebeurt van circa 10 u tot circa 16 u; dat daarna de installaties worden gereinigd; Overwegende dat er circa 30 werknemers zijn; dat er voldoende parkeerplaatsen zullen worden voorzien voor het personeel; dat de exploitant een kleinschalig verkooppunt voorziet waar uitsluitend op woensdag vlees zal worden verkocht; dat er 5 parkeerplaatsen worden voorzien op het eigen terrein; Overwegende dat er vóór de start van de slachtactiviteiten één vrachtwagen met kippen wordt aangevoerd; dat alle andere transporten na 7 u plaatsvinden; dat aangezien het laden en lossen binnen gebeurt, achteraan het bedrijf, één nachtelijk vrachtwagentransport aanvaardbaar is; Overwegende dat er per slachtdag maximaal 5 transporten nodig zijn voor de aanvoer van kippen, waarvan 1 buiten de daguren; dat de andere leveringen (maximaal 2 transporten per dag) nodig zijn voor onder andere verpakkingsmateriaal en reinigingsmiddelen; dat voor het afvoeren van (slachtafval maximaal 3 transporten per slachtdag nodig zijn; dat de afvoer van kippen gebeurt met eigen vrachtwagens; dat maximaal 3 vrachtwagens en 3 bestelwagens per dag nodig zijn voor het afvoeren van producten; dat er ’s nachts 2 koelwagens vertrekken; dat dit bestelwagens zijn; dat bijgevolg de nachtelijke transporten beperkt zijn tot 1 vrachtwagen en 2 bestelwagens; dat er per slachtdag maximaal 13 vrachtwagentransporten nodig zijn, zijnde maximaal 1 per uur, en maximaal 2 vrachtwagentransporten verwacht worden op niet slachtdagen; dat de VII-39.918-6/16 transporten van bestelwagens en personenwagens ook niet van die aard zijn dat ze voor onaanvaardbare hinder zorgen; Overwegende dat de Bollewerpstraat circa 10 m breed is; dat dit voldoende breed is om vrachtwagens te laten kruisen; dat na circa 400 m de Bollewerpstraat aansluiting vindt op de N50, zijnde een tweevaksweg met gescheiden fietspaden; dat deze weg de ontsluiting verzorgt naar het hogere wegennet; dat bijgevolg kan gesteld worden dat de wegen voldoende zijn uitgerust om de aan- en afvoer-transporten van een dergelijke pluimveeslachterij te verwerken; Overwegende dat uit bovenstaande overwegingen blijkt dat de transporthinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat in de huidige situatie aan de zuidelijke zijde van het bedrijf één rij bomen is gepland; dat circa de helft van de bufferzone, deelzone voor milieu-technische doeleinden, is ingenomen door het rietveld horende bij de waterzuiveringsinstallatie van het bedrijf; dat de andere helft een vijver is in eigendom van de voormalige exploitant; dat aan de zuid- en oostzijde van het BPA een bufferzone is voorzien; dat deze slechts gedeeltelijk is aangeplant; dat op de plannen van de bouwvergunningsaanvraag die zijn bijgevoegd bij de afwijkingsaanvraag, wordt aangegeven dat deze bufferzone van minimaal 5 m breed volledig zal aangelegd worden conform de voorschriften van het BPA; dat in de voorschriften van het BPA wordt gesteld dat de bufferzone integraal moet worden beplant met dichte en gesloten beplanting van laag- en hoogstammig streekeigen en functioneel groen; dat 20% van de groenaanleg moet bestaan uit wintergroene struiken en bomen; dat deze zone tot doel heeft de activiteiten af te schermen en in te kleden in de omgeving en een milieutechnische buffer vormt ten opzichte van de omgeving; Overwegende dat de brandweerzone Mid-West op 12 april 2016 in kader van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning een ongunstig brandweeradvies heeft gegeven; dat dit ongunstig advies gebaseerd is op non-conformiteiten met betrekking tot de evacuatieroutes en de afwezigheid van een centrale controle- en bedieningspost; dat de exploitant een overleg heeft gehad met de brandweer; dat de exploitant aan het advies van de brandweer zal voldoen; dat er een branddetectie-installatie met handbediende brandmelders en een rook- en warmteafvoer zal worden voorzien, zoals vereist door de brandweer; dat bijgevolg voldoende maatregelen zijn genomen om brand te detecteren; dat bijgevolg het risico voor de externe veiligheid tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat in kader van het openbaar onderzoek vijf be[z]waren werden ingediend; Overwegende dat wat de lozing, de hygiëne en de stedenbouwkundige aspecten betreft, deze het voorwerp zullen uitmaken van het onderzoek naar de milieuvergunningsaanvraag of de stedenbouwkundige aanvraag; dat wel kan worden opgemerkt dat de exploitant niet vergund is voor het lozen van afvalwater en dat de exploitant een nullozersstatuut heeft; dat kan worden opgemerkt dat conform artikel 4.1.3.1 van titel II van het VLAREM de inrichting proper moet worden gehouden en dat de inrichting VII-39.918-7/16 in goede staat van onderhoud moet verkeren; dat eveneens telkens als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, doeltreffende maatregelen moeten worden genomen tegen ongedierte; Overwegende dat voor wat de aspecten geur, geluid, buffering, transport, mobiliteit en externe veiligheid betreft, kan verwezen worden naar bovenstaande overwegingen waarin besloten wordt dat de hinder en het risico tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat voor wat de controle op de naleving van de vergunningsvoorwaarden door de exploitant en de opvolging van klachten betreft, kan verwezen worden naar de taken van de toezichthouder; dat de Raad van State stelt dat de vergunningverlenende overheid er niet vanuit kan gaan dat in de toekomst de milieuvoorwaarden niet zullen worden gevolgd en bijgevolg de vergunningverlenende overheid dit niet kan aangrijpen om de vergunning te weigeren; dat indien de exploitant de hem opgelegde milieuvoorwaarden niet zou naleven, de overheid beschikt over de geëigende middelen om hem daartoe te dwingen (arrest nr. 100.690 van 8 november 2001); Overwegende dat in bovenstaande overwegingen duidelijk wordt weergegeven dat er in vergelijking met vorige aanvraag bijkomende maatregelen genomen worden; dat er in plaats van een uitbreiding van het BPA en van het bedrijf in noordelijke richting, de uitbreiding in huidige aanvraag in oostelijke richting gepland wordt, weg van de woonzone; dat bijgevolg niet kan gesteld worden dat de huidige afwijkingsaanvraag van eenzelfde aard is als de geweigerde afwijkingsaanvraag van 2014 of de ingetrokken afwijkingsaanvraag van 2015; Overwegende dat de exploitant de huidige afwijking aanvraagt in het kader van een geplande milieuvergunningsaanvraag; dat een milieuvergunning en een overeenkomstige bouwvergunning noodzakelijk zijn om de geplande uitbreiding te realiseren; Overwegende dat de maatregelen die door de exploitant worden voorgesteld gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van mens en milieu als de bepaling waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken; dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de afwijkingsaanvraag in te willigen. […]”. 3.
  12. Aan deze afwijking worden de volgende voorwaarden verbonden: “- de slachtcapaciteit per dag is beperkt tot maximaal 22.800 kippen; het aantal geslachte kippen wordt per slachtdag bijgehouden in een logboek dat steeds ter inzage ligt van de toezichthouder; - het aantal slachtdagen is beperkt tot maximaal drie slachtdagen per week; in het weekend of op feestdagen mag er niet geslacht worden; - de volgende activiteiten gebeuren inpandig: laden en lossen van de dieren, tijdelijk stallen van levende kippen, laden van vlees (met uitzondering van VII-39.918-8/16 de particuliere verkoop op woensdag via de winkel), opslag van slachtafval/pluimen/dierlijke bijproducten, laden van slachtafval en opslag van lege bakken; - de poorten die toegang geven tot de bedrijfsgebouwen, worden maximaal gesloten gehouden; - de lucht van de slachterij en de lucht van de aanvoer- en losruimte worden afgezogen en behandeld in een tweetrapsgaswasser (zure trap en basische trap); de exploitant voert wekelijks een controle uit van de goede werking van de gaswasser; een erkend MER-deskundige in de discipline lucht stelt daartoe, eventueel in samenwerking met de leverancier van de gaswasser, onderhouds- en controlevoorschriften op, die door de exploitant strikt worden opgevolgd en worden bijgehouden in een logboek; de gaswasser wordt minimaal jaarlijks gecontroleerd en onderhouden door de leverancier of een andere deskundige partij; de exploitant zorgt voor een onderhoudscontract met de leverancier of een andere deskundige partij; - de behandelde lucht wordt geëmitteerd via een schouw van minimaal 11 m hoog; - de volgende geluidsreducerende maatregelen worden conform de geluidsstudie van 20 april 2016 en de update van 24 mei 2016 (ref. Rapport 2015_Z0_2220) uitgevoerd: - de noordgevel aan het afdak wordt dichtgezet; - de ruimte onder het afdak aan de zuidgevel wordt ingericht als winkel of wordt dichtgezet; - de twee bestaande condensoren worden op het dak achter een geluidsscherm aan de west- en zuidzijde met een lengte van minimaal 8 m en minimaal 6 m geplaatst; het geluidsscherm is minimaal 1 m hoger dan de bovenzijde van de condensors; de akoestische afscherming voldoet minimaal aan volgende eisen: - geluidsabsorptie (DLα): min. 6 dB; - geluidsisolatie (DLR): min. 25 dB; - de condensors hebben de volgende eigenschappen met betrekking tot de geluidsemissie: - condensor 1: bronvermogen (Lw) max. 85,9 dB(A); - condensor 2: bronvermogen (Lw) max. 82,8 dB(A); - nieuwe geluidsarme condensor: bronvermogen (Lw) van max. 73 dB(A); - de nieuwe geluidsarme condensor wordt aan de noordzijde op het dak geplaatst; - de bakkenwasactiviteiten gebeuren achter gesloten poorten (geluidsisolatie poort: luchtgeluidsisolatie (Rw) min. 30 dB); - de poorten van de in-en uitrit zijn maximaal gesloten (geluidsisolatie poort: luchtgeluidsisolatie (Rw) min. 32 dB); - de geluidsafstraling van de poort met rooster en de westelijke gevel blijven op het huidig niveau; - de geplande gebouwen en verbouwingen worden volgens de voorgestelde afmetingen en met de voorgestelde materialen uitgevoerd; de concrete uitwerking gebeurt in overleg met een erkend milieudeskundige in de discipline geluid; de technische fiches van de poorten, de condensoren en het geluidsscherm met vermelding van de luchtgeluidsisolatiewaarde van VII-39.918-9/16 de poort, het bronvermogen van de condensoren en de geluidsabsorptie en de geluidsisolatie van het geluidsscherm worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder; - alle vrachtwagentransporten gebeuren tussen 7 u en 19 u, met uitzondering van één vrachtwagentransport per slachtdag voor de aanvoer van kippen; - er wordt een groenscherm aangelegd in de bufferzone conform de bepaling van het BPA; het groenscherm wordt aangeplant tijdens het plantseizoen volgend op het beëindigen van de bouwwerken voor de loods; de aanplantingen worden goed onderhouden en afgestorven planten worden opnieuw aangeplant”. 3.
  13. In zijn arrest RvVb-S-1819-0917 van 23 april 2019 oordeelt de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het kader van een vordering tot schorsing van de beslissing van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 11 juli 2018, ingediend door de huidige verzoekende partijen, waarbij aan de huidige tussenkomende partij een omgevingsvergunning gedeeltelijk wordt verleend, dat op het eerste zicht uit de motivering van de in de voorliggende zaak bestreden beslissing “niet concreet blijkt dat de Vlaamse minister zorgvuldig heeft onderzocht of er wordt voldaan [aan] de voorwaarden van artikel 1.2.2.1bis van Vlarem II om te kunnen afwijken van de afstandsregel uit artikel 5.45.1.2, 2° van Vlarem II, in het bijzonder wat betreft de technische redenen die een afwijking kunnen verantwoorden”. De beslissing van de Vlaamse minister van 11 juli 2018, waarbij aan de tussenkomende partij de omgevingsvergunning wordt verleend, wordt geschorst. IV. Onderzoek van het enige middel, eerste onderdeel Standpunten van de partijen
  14. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 1.2.2.1 en 1.2.2.1bis van Vlarem II, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. VII-39.918-10/16 In een eerste onderdeel betogen zij dat de gevraagde afwijking enkel kan worden toegestaan als daar technische redenen voor bestaan, dit zijn redenen die betrekking hebben op het productieproces, de activiteiten en de werkwijze van een inrichting. In de aanvraag zet de exploitant onder de hoofding “technische redenen die de afwijking motiveren” uiteen dat er belangrijke investeringen zijn gedaan omwille van het leefmilieu en om te voldoen aan wettelijke bepalingen inzake veiligheid en hygiëne. De vergunde capaciteit van 4.000 kippen per dag is volgens hen veel te klein om deze investeringen te kunnen dragen. Daarom zal een uitbreiding van de capaciteit tot 22.800 kippen per dag worden gevraagd, en daarvoor zou de gevraagde afwijking noodzakelijk zijn. Volgens de verzoekende partijen waren deze investeringen echter hoe dan ook noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de reeds bij het exploiteren volgens de lopende vergunning geldende milieuvoorwaarden. De bedrijfseconomische rendabiliteit van deze investeringen is geen technische reden die de gevraagde afwijking kan verantwoorden. De studies over geur- en geluidshinder waarnaar wordt verwezen zijn evenmin dergelijke technische redenen, maar betreffen volgens hen de voorwaarde dat er alternatieve maatregelen moeten worden voorgesteld die gelijkwaardige waarborgen bieden. Uit de motivering van de bestreden beslissing zou niet blijken of en hoe de verwerende partij de voorwaarden heeft beoordeeld om de gevraagde afwijking te kunnen toestaan. Er zou enkel uit kunnen worden afgeleid dat zij is meegegaan in de stelling dat de afwijking nodig is om de capaciteit te verhogen tot een “economisch haalbaar” niveau.
  15. De verwerende partij stelt daar tegenover: “[…] dat zowel in de aanvraag als in de bestreden beslissing verschillende technische redenen worden gegeven die de afwijking motiveren. In bijlage 10 bij de aanvraag (BBT- EN BREF-TOETSING) wordt onder meer uiteengezet dat er een trend is tot grootschaligheid en deze onder meer zijn redenen vindt in de technische vereisten op het vlak van voedselveiligheid, energie, milieu, enz... De aanvrager verduidelijkt dat om te kunnen blijven investeren in de technische installaties, de uitbreiding (meer dan 4.000 kippen per dag) noodzakelijk is. Vervolgens worden de technische installaties in tabelvorm toegelicht (bijlage 10, 14 bladzijden). Dit zijn, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden op VII-39.918-11/16 bladzijde 19 van hun verzoekschrift, duidelijk technische redenen die de afwijking motiveren. Aangezien er in de aanvraag technische redenen voorhanden zijn die de afwijking motiveren, moet worden vastgesteld dat het middel op dit punt feitelijke grondslag mist”.
  16. Ook de tussenkomende partij meent dat het eerste onderdeel feitelijke grondslag mist, aangezien het aanvraagdossier tal van technische motieven ter staving van de gevraagde afwijking omvat, waaronder een uitgebreide nota met bijlagen, een grondige project-m.e.r.-screenings-nota/passende beoordeling, een gedetailleerde technische beschrijving van de uitbreiding van de kippenslachterij door een gespecialiseerd ingenieursbureau, een zeer uitgebreide BBT- en BREF-toetsing, drie geurstudies van een erkend deskundige lucht in de deeldiscipline geur en een geluidstudie door een erkend deskundige in de discipline geluid. Zij wijst er voorts op dat in de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen van het departement LNE en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie de technische motieven uit het aanvraagdossier grondig zijn geëvalueerd, en dat de verwerende partij de adviezen tot de hare heeft gemaakt en zelf ook een afdoende gemotiveerde beslissing heeft genomen wat betreft de technische reden die de afwijking motiveren.
  17. De tussenkomende partij voegt in haar laatste memorie toe dat het laten renderen van de investeringen niet de “technische reden is” op basis waarvan de afwijking is aangevraagd en toegekend. De verwijzing in de bestreden beslissing naar de stijging van de productie kadert volgens haar in een “beschrijvende motivering, die zeker geen doorslaggevend motief vormt”.
  18. De verwerende partij voegt in haar laatste memorie met verwijzing naar artikel 3.1.1, § 5, van Vlarem II toe dat de inplantingsregels niet meer van toepassing zijn op een exploitatie voor het slachten van 4.000 kippen per dag, aangezien de tussenkomende partij een vergunning heeft, en haar dus het recht tot exploitatie is verleend. Met toepassing van de voormelde bepaling kan de inplantingsregel volgens haar het recht tot exploitatie niet verhinderen. VII-39.918-12/16 Beoordeling
  19. Artikel 1.2.2.2, §1, van Vlarem II stelt dat de aanvraag tot individuele afwijking onder meer “de technische redenen die de afwijking motiveren” moet omvatten. Artikel 1.2.2.1bis, herneemt de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat de minister een individuele afwijking zou kunnen toestaan: “De afwijking, vermeld in artikel 1.2.2.1, kan alleen worden toegestaan als aan volgende voorwaarden wordt voldaan : 1° er zijn technische redenen die de afwijking motiveren; 2° de exploitant stelt maatregelen voor die gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de voorwaarden waarvan de afwijking wordt toegestaan; 3° de maatregelen, vermeld in punt 2°, beantwoorden aan de beste beschikbare technieken”. Hieruit volgt dat er enkel als dit om technische redenen noodzakelijk is kan worden afgeweken van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden. Voorts moeten door de aanvrager maatregelen worden voorgesteld die gelijkwaardige waarborgen bieden als die voorwaarden. Deze voorwaarden zijn cumulatief. Op de milieuvergunning klasse 2 voor 800 tot 1.000 kippen per dag, waarover de exploitant destijds beschikte, was de verbodsregel van artikel 5.45.1.2 van Vlarem II niet van toepassing. Op de milieuvergunning klasse 1 voor een capaciteit van 4.000 kippen, die op proef op 7 februari 2002 en definitief op 23 januari 2003 werd verleend, is deze regel wel van toepassing. De bestreden beslissing overweegt dienaangaande dat “de productie geleidelijk en gestaag” nog verder “gegroeid” is tot “op een normale productiedag gemiddeld ongeveer 15.200 kippen” en “maximaal 22.800 kippen per dag”, en “dat de milieuvergunning nog niet werd aangepast; dat voor het indienen van een milieuvergunningsaanvraag (waarin de regularisatie zit vervat), eerst onderhavige afwijking wordt aangevraagd”. VII-39.918-13/16 De toepasselijkheid van artikel 5.45.1.2 van Vlarem II is enkel een gevolg van de eigen keuze van de exploitant om de inrichting klasse 2 uit te breiden tot een inrichting klasse 1 en boven de drempel van 100%, waaronder de uitbreiding van zijn bestaande inrichting ter plaatse nog wel mogelijk zou zijn geweest. In de bestreden beslissing zijn er geen technische redenen terug te vinden in de betekenis van die term overeenkomstig artikel 1.2.2.1bis van Vlarem II, die zouden kunnen verantwoorden dat de inrichting van de tussenkomende partij wordt geëxploiteerd in afwijking van de verbodsregel van artikel 5.45.1.2 van Vlarem II. De opmerkingen in de laatste memorie van de tussenkomende partij als zou de afwijking niet zijn toegekend om haar investeringen te laten renderen en als zou de verwijzing in de bestreden beslissing enkel in een “beschrijvende overweging” zijn opgenomen, doen hieraan niets af. De opmerking in de laatste memorie van de verwerende partij dat de inplantingsregels met toepassing van artikel 3.1.1, § 5, van Vlarem II niet meer van toepassing zijn, gaat voorbij aan artikel 3.2.2.2, eerste lid, van Vlarem II, luidens hetwelk de inplantingsregels niet van toepassing zijn op de verandering van een bestaande inrichting die beperkt is tot maximaal 100 % van de exploitatie die op 1 januari 1993 was toegelaten. De vraag om afwijking van artikel 5.45.1.2.2° van Vlarem II heeft onder meer betrekking op een aanpassing van de slachtcapaciteit van 4.000 kippen per dag gedurende vijf dagen per week naar een capaciteit van 22.800 kippen per dag gedurende drie dagen per week. Deze verandering overschrijdt ruimschoots de beperking van wat maximaal was toegelaten op 1 januari 1993, zodat de inplantingsregels wel degelijk van toepassing zijn. Het eerste onderdeel van het enige middel is gegrond. VII-39.918-14/16 BESLISSING
  20. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 5 december 2016 waarbij de vraag van de BVBA Almanaar, exploitant van een pluimveeslachterij aan de Bollewerpstraat 108 te Ingelmunster, tot afwijking van de afstandsregel vermeld in artikel 5.45.1.2, § 1, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, wordt ingewilligd.
  21. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  22. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-39.918-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig november tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.918-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.203 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.781 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.