id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.213 Rolnummer: A. 225660/XII-8585 Zaak: Arrest 246213 - Wegverkeer van goederen - 28/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-05 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-24 12:39 Fiche Arrest nr 246.213 van 28 november 2019 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 246.213 van 28 november 2019 in de zaak A. 225.660/XII-8585 In zake: SRO DELCA SPEDICIA SLOVAKIA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Weegmann kantoor houdend te 8300 Brugge Baron Ruzettelaan 292 bus 0101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST woonplaats kiezend bij het agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20 bus 4 1000 Brussel -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 juli 2018, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 3 mei 2018 waarbij aan de sro Delca Spedicia Slovakia een administratieve geldboete van 2.000 euro wordt opgelegd wegens inbreuk op het verbod om het wegdek te beschadigen door overlading van een voertuig. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. XII-8585-1/15 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 oktober
- Staatsraad Johan Bovin heeft de stand van de zaak uiteengezet. Advocaat Saar De Gelas, die loco advocaat Patrick Weegmann verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 10 april 2017 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Alexandru Pahontiu, werknemer van de verzoekende partij, door de Vlaamse Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E313 te Tessenderlo. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat de trekker overladen is op de tweede as met 1.818 kg. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, eerste en tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport). 3.
- Op 5 mei 2017 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de procureur des Konings te Hasselt met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee XII-8585-2/15 te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 9 mei 2017 beslist de procureur des Konings om geen vervolging in te stellen. 3.
- Op 26 mei 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen. 3.
- Op 8 juni 2017 tekent de verzoekende partij bezwaar aan tegen die beslissing en doet daarbij woonplaatskeuze bij haar advocaat. Op 25 oktober 2017 heeft een hoorzitting plaats. Op 20 november 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen. 3.
- Op 15 december 2017 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse regering. Op 20 februari 2018 heeft een hoorzitting in beroep plaats. Op 3 mei 2018 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen. Die beslissing wordt met een aangetekende brief van 7 mei 2018 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. Dit is de bestreden beslissing. XII-8585-3/15 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 19, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport. Zij wijst erop dat deze bepaling een vervaltermijn van vier maanden na ontvangst van het beroep oplegt waarbinnen de administrateur- generaal zijn beslissing ter kennis moet brengen. Het beroep werd ingesteld op 15 december 2017, zodat de beslissing uiterlijk op 15 april 2018 ter kennis moest worden gebracht. Dit gebeurde echter pas op 9 mei
- Dat is buiten de termijn. De mogelijkheid tot het opleggen van een administratieve geldboete is dan ook vervallen. De verwerende partij kan zich niet beroepen op de termijn- verlenging tot vijf maanden in artikel 19, § 3, “Lid 5”, van het decreet bijzonder wegtransport die geldt als de overtreder of de onderneming geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, aangezien de verzoekende partij op 7 juni 2017 woonplaatskeuze deed op het kantooradres van haar advocaat.
- In haar memorie van wederantwoord beklemtoont de verzoe- kende partij dat zij door de woonplaatskeuze bij haar advocaat wel degelijk over een woonplaats in België beschikt.
- In de laatste memorie voegt de verzoekende partij nog toe dat “door het (verplicht) kiezen van een woonplaats bij een lasthebber in België, […] de betekening en de kennisgeving van de beslissing aan die woonplaats [dient] te geschieden”. Volgens de verzoekende partij zou er anders over oordelen ertoe leiden dat “voor éénzelfde beslissing die wordt betekend op een woonplaats in België op nota bene identieke wijze, toch een verschillende termijn van toe- XII-8585-4/15 passing [zou] zijn louter omwille van het feit dat de zetel van de onderneming zich in het buitenland bevindt”. Beoordeling
- Artikel 19, § 3, zesde lid, van het decreet bijzonder wegtransport, bepaalt: “De beslissing van de Vlaamse Regering of van de ambtenaar die aangewezen is overeenkomstig paragraaf 4, moet binnen een termijn van vier maanden nadat de Vlaamse Regering of de ambtenaar die aangewezen is overeenkomstig paragraaf 4, het beroep ontvangen heeft, ter kennis worden gebracht van de overtreder en, in voorkomend geval, van de onderneming. Zo niet vervalt de administratieve geldboete stilzwijgend en wordt de geconsigneerde administratieve geldboete, in voorkomend geval, teruggestort. Als de overtreder of de onderneming geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, wordt die termijn verlengd tot vijf maanden.” Artikel 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 2013 ‘betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 20 december 2013) regelt nader de procedure tot het opleggen van een administratieve geldboete wegens een overladingsinbreuk. Artikel 9, § 4, van dit besluit bepaalt: “Als de overtreder of de onderneming geen woonplaats of vaste verblijf- plaats in België heeft, kiest hij voor de toepassing van artikel 19, § 2 en § 3, van het decreet van 3 mei 2013 een woonplaats in België. Bij gebrek aan woonplaatskeuze is het bezwaar of het beroep onontvankelijk.”
- Aldus blijkt de decreet- en regelgeving een onderscheid te maken tussen enerzijds de woonplaats of vaste verblijfplaats van de overtreder of de onderneming en anderzijds de verplichte woonplaatskeuze in België in het kader van het bestuurlijk beroep. XII-8585-5/15 Dat de verzoekende partij in het kader van de bestuurlijke beroepsprocedure woonplaats heeft gekozen op het kantooradres in België van haar advocaat, doet bijgevolg geen afbreuk aan de vaststelling dat de maatschappelijke zetel van de verzoekende partij blijkens haar statuten is gelegen op een adres in Bratislava, Slowakije, en dat het dat adres is dat bepalend is wat de toepasselijke termijnen betreft, en niet de verplichte woonplaatskeuze in België overeenkomstig artikel 9, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december
- Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), en “machtsoverschrijding ingevolge juridisch onaanvaardbare vaststellingen, als inbreuk op het vermoeden van onschuld”. De verzoekende partij zet uiteen dat bij het aanvankelijk proces-verbaal geen ijkingscertificaat werd gevoegd van de weegbrug waarmee de overlading werd vastgesteld, zodat onmogelijk op een redelijke of objectieve wijze kan worden afgeleid dat de overlading als materieel element van de inbreuk bewezen is. Het proces-verbaal maakt ook melding van een verslag van metrologische controle, maar dit verslag werd niet bij het proces-verbaal gevoegd, zodat de verzoekende partij de inhoud ervan niet kan nagaan. Het is volgens haar niet uitgesloten dat dit verslag melding maakt van het niet correct meten van de asweger. De verzoekende partij beweert niet dat de weegresultaten vals zijn, maar dat, als zij dit al zou doen, zij gerechtigd is dit te doen in elke stand van de procedure. Volgens haar is het wettelijk kader voor de vaststelling van de overlading door weging dan ook onvoldoende uitgewerkt. XII-8585-6/15 Voorts betoogt de verzoekende partij dat noch uit het admini- stratief dossier, noch uit de bestreden beslissing blijkt dat de vormvoorschriften correct zijn nageleefd, en dat niet met absolute zekerheid kan worden vastgesteld dat de gevoegde weegbon daadwerkelijk een “PC-outprint” is van de weging met de “vermoedelijk geijkte weegbrug”. De verzoekende partij besluit hieruit dat het materieel element van de inbreuk – de overlading – niet is vastgesteld.
- In haar memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat het middel het vermoeden van onschuld betreft en dus de openbare orde raakt zodat om ontvankelijk te zijn niet is vereist dat het middel reeds in de voorafgaande bestuurlijke procedure werd aangevoerd. Daarnaast benadrukt zij dat niet wordt aangetoond dat de weegbon werd gerealiseerd door de weegbrug waarvan sprake in het proces-verbaal.
- In de laatste memorie verwijst de verzoekende partij nog naar het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 ‘betreffende de goedkeuring, de ijking en de installatie van de meettoestellen gebruikt om toezicht te houden op de naleving van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en haar uitvoeringsbesluiten’. Uit dit koninklijk besluit leiden zij af dat meettoestellen zoals een asweger onderworpen moeten worden aan een eerste ijk, een jaarlijkse ijk en een tweejaarlijkse herijk, en een technische controle. Beoordeling
- In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van artikel 6.2 EVRM, wordt vastgesteld dat de verzoekende partij niet concreet uiteenzet waarom de aangeklaagde gebreken met betrekking tot de vaststelling van de overlading tot gevolg zouden hebben gehad dat het vermoeden van onschuld tijdens de bestuurlijke sanctieprocedure niet meer zou hebben gegolden. XII-8585-7/15 Het middel is in die mate niet ontvankelijk.
- Krachtens artikel 16, derde lid, van het decreet bijzonder wegtransport hebben de processen-verbaal opgemaakt door de wegeninspecteurs “bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel”.
- De verzoekende partij blijkt noch in het kader van haar bezwaar tegen de initiële beslissing van de wegeninspecteur-controleur, noch in het kader van haar beroep tegen de beslissing na bezwaar, het materieel element van de inbreuk te hebben betwist door aan te voeren dat het ijkingscertificaat niet bij het proces-verbaal was gevoegd. Hoe dan ook blijkt niet dat daartoe een verplichting bestaat. De verzoekende partij laat voorts na enige rechtsregel aan te duiden waaruit blijkt dat de aswegers moeten worden geijkt volgens een bepaalde procedure. Het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 ‘betreffende de goed- keuring, de ijking en de installatie van de meettoestellen gebruikt om toezicht te houden op de naleving van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en haar uitvoeringsbesluiten’ waarnaar de verzoekende partij in haar laatste memorie verwijst, is te dezen niet van toepassing nu de aswegers niet worden gebruikt om toezicht te houden op de naleving van de wet op de politie over het wegverkeer en haar uitvoeringsbesluiten, maar om inbreuken op het decreet bijzonder wegtransport vast te stellen. In het proces-verbaal wordt met betrekking tot de gebruikte weegbrug melding gemaakt van een “Verslag Metrologische Controle met refertenummer GDR.14.J001F afgeleverd door Het Agentschap Wegen en Verkeer op basis van metingen op 19-09-2016”, dit is minder dan zeven maanden voor de betrokken vaststelling van overlading. Er valt niet in te zien waarom een controle op vrijwillige basis door de Metrologische Dienst van het agentschap Wegen en Verkeer minder zekerheid zou verschaffen omtrent de correctheid van een uitgevoerde weging dan in geval van een wettelijk bepaalde ijking. Die genoemde ijking op grond van het voormelde koninklijk besluit van 12 oktober 2010 vindt eveneens plaats onder toezicht van dezelfde Metrologische Dienst. XII-8585-8/15 Evenmin heeft de verzoekende partij enige opmerking gemaakt in verband met de weegbon die als bijlage bij het proces-verbaal is gevoegd. De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overigens overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-verbaal vermelde asweger werden vastgesteld. De bijlage met de weegbon maakt deel uit van het proces-verbaal, dat, zoals hiervoor reeds vermeld, bewijswaarde heeft “tot bewijs van het tegendeel”.
- De verzoekende partij toont geenszins aan dat het “juridisch onaanvaardba[ar]” zou zijn de overlading van het voertuig als bewezen te beschouwen.
- Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van “het procedureel gewaarborgde recht van onafhankelijkheid (artikel 6 §1 EVRM) van de beslissende en rechtsprekende overheid en het beginsel van behoorlijk bestuur”. De verzoekende partij doet gelden dat de procedure niet de noodzakelijke garanties biedt op “een eerlijke en onafhankelijke administratieve rechtsbedeling”, doordat deze volledig wordt afgewerkt door en voor het agentschap Wegen en Verkeer, “zonder enige tussenkomst van een derde onafhankelijke instantie, waardoor er geen strikte scheiding van machten plaatsvindt”. Zij wijst erop dat de administratieve geldboete een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM en dat bijgevolg een onpartijdige en onafhankelijke beoordeling gewaarborgd moet zijn. Het vermoeden van afhanke- lijkheid wordt nog versterkt door de centralisatie van diverse diensten in XII-8585-9/15 hetzelfde gebouw en de uitwisseling van het administratief personeel. Evenmin kan worden gesteld dat het feit dat het agentschap Wegen en Verkeer, waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, een gegeven is dat eigen is aan de structuur van het bestuur en dat dienvolgens niet dienstig kan worden aangevoerd om de onpartijdigheid van het bestuur te betwisten. Zij verwijst naar de regeling die van toepassing is in het Waalse Gewest en die volgens haar wel voldoet aan de vereisten van artikel 6 EVRM.
- In haar memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat het middel de openbare orde raakt zodat, om ontvankelijk te zijn, niet is vereist dat het middel reeds in de voorafgaande bestuurlijke procedure werd aangevoerd. De verzoekende partij benadrukt dat volgens haar “alle waarborgen van het EVRM” ook reeds in de bestuurlijke procedure dienen te gelden. Stellen dat die waarborgen van toepassing zijn in de procedure voor de Raad van State is een cirkelredenering die een oneerlijke administratieve rechtsbedeling in stand houdt. In het Waalse Gewest wordt de zaak behandeld door de correctionele rechtbank, wat wel correct is.
- In de laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat het gaat om het opleggen van een strafechtelijke sanctie in de zin van artikel 6 EVRM, en dat er geen rechtspraak van het EHRM bestaat waaruit blijkt dat de waarborgen van artikel 6 niet van toepassing dienen te zijn op een bestuurlijke procedure. Beoordeling
- De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport op, niet als jurisdictionele organen, maar wel als organen van het actief bestuur. Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheidsplicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en zij XII-8585-10/15 moet verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van het bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de bestuurlijke procedure door de decreetgever wordt geregeld. De omstandigheid dat het agentschap Wegen en Verkeer, waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken bestuursorganen te betwisten. Uit het administratief dossier blijkt bovendien dat zowel na bezwaar, als in beroep een tegensprekelijk debat plaatsvond, met neerlegging van conclusies. Daarop heeft het bestuur, zowel na bezwaar als in beroep, uitgebreid geantwoord, nadat de advocaat van de verzoekende partij werd uitgenodigd op een hoorzitting, waarop deze de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren ter verdediging van zijn cliënte. Van het verloop van deze zitting werd door een ambtenaar voor de administratieve beroepsinstantie een schriftelijk relaas genotuleerd. Aldus blijken op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging te zijn geëerbiedigd en is niet aangetoond dat het bestuur niet met de vereiste onafhankelijkheid en/of op zorgvuldige wijze zou hebben gehandeld.
- Waar de verzoekende partij zich beroept op de schending van de door artikel 6.1 EVRM voorziene waarborgen inzake een eerlijk proces, wordt herhaald – zoals de Raad van State reeds in talloze arresten heeft geoordeeld – dat artikel 6 EVRM niet vereist dat de bestuurlijke instanties die de boete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het bezwaar of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6.1 EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met “volle rechtsmacht”, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) dat begrip verstaat (zie recent XII-8585-11/15 EHRM 6 november 2018, nrs. 55391/13, 57728/13 en 74041/13, Ramos Nunes de Carvalho e Sá). Tegen de eindbeslissing van de bestuurlijke sanctieprocedure kan de verzoekende partij overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6.1 EVRM werd reeds in talloze arresten van het Grond- wettelijk Hof en het Hof van Cassatie bevestigd (zie o.m.: GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2; Cass. 15 oktober 2009, Arr.Cass. 2009, 584). De verzoekende partij heeft bijgevolg de garantie op een volwaardige jurisdictionele toetsing van de bestreden beslissing overeenkomstig de vereisten bepaald in artikel 6 EVRM.
- De opmerking dat de Waalse gewestelijke decreetgever ervoor heeft gekozen om beroepen tegen administratieve geldboetes die door dat gewest worden opgelegd omwille van een overladingsinbreuk te laten behandelen door de correctionele rechtbank en niet heeft voorzien in een alternatieve, bestuurlijke beroepsprocedure zoals die in het Vlaamse Gewest, is een kritiek op inhoud van gewestelijke decreten die bijgevolg niet ontvankelijk voor de Raad van State kan worden aangevoerd.
- Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van “het beginsel van de gelijke armslag van de partijen zoals vervat in artikel 6 EVRM”. XII-8585-12/15 De verzoekende partij betoogt dat zij dezelfde kans moet krijgen als de verwerende partij om bewijsmateriaal aan te brengen, gegevens te betwisten en rechtsmiddelen aan te wenden. Ingevolge een wettelijk vermoeden zou het oorzakelijk verband tussen schade aan het wegdek en de overlading vaststaan. De verzoekende partij dient aldus dit vermoeden te weerleggen en aan te tonen dat er zich geen schade aan het wegdek heeft voorgedaan. Dit wettelijk vermoeden steunt op studies van het Opzoekingscentrum van de Wegenbouw. De verzoekende partij heeft gevraagd om deze studies voor te leggen. Door niet aan die vraag tegemoet te komen heeft de verzoekende partij zich niet met gelijke wapens kunnen verdedigen, en wordt artikel 6 EVRM geschonden.
- In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat zij niet de legitimiteit van het wettelijk vermoeden zelf in vraag stelt. Wel wil zij kennis kunnen nemen van de inhoud van de studies waarop dat wettelijk vermoeden is gestoeld. Zolang dat niet is gebeurd, is het beginsel van de gelijkheid der wapens geschonden.
- In de laatste memorie wijst de verzoekende partij er nogmaals op dat het niet zo is dat zij meent dat de decreetgever ongelijk had om een wettelijk vermoeden van wegdekbeschadiging in te stellen. Het middel betreft geenszins een beleidskritiek. Zij wenst wel aan te geven dat te dezen sprake is van ongelijke wapens nu zij geen kennis kan nemen van de inhoud van de studies, waarop het wettelijk vermoeden is gesteund. Beoordeling
- Artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport, bepaalt: “Het is verboden het wegdek te beschadigen door zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder een van de assen het toegestane maximum, met meer dan 5 procent overschrijdt.” XII-8585-13/15 Deze bepaling stelt aldus een wettelijk vermoeden in dat het wegdek wordt beschadigd door overlading van de assen van het voertuig. Het betreft een weerlegbaar vermoeden, waarvan de overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.2 EVRM en met artikel 14.2 IVBPR en het in die bepalingen vervatte vermoeden van onschuld, al meermaals door het Grondwettelijk Hof werd bevestigd (GwH, 27 mei 2010, nr. 61/2010, B.7; GwH 13 december 2006, nr. 198/2006, B.5.8 en GwH 11 juni 2003, nr. 81/2003, B.7 en B.8). Recent werd ook door het EHRM uitdrukkelijk geoordeeld dat dit vermoeden artikel 6.2 EVRM niet miskent (EHRM 19 december 2017, nr. 37216/17, sa Transports Iwan Wertz).
- De weerlegbaarheid van het wettelijk vermoeden van wegdek- beschadiging heeft, anders dan de verzoekende partij veronderstelt, evenwel geen betrekking op het vermoeden zelf. Het komt dus niet aan de verzoekende partij toe om aan te tonen dat de decreetgever ongelijk had door een wettelijk vermoeden van wegdekbeschadiging in te stellen, hetgeen zij overigens niet betwist. De weerlegbaarheid van het wettelijk vermoeden houdt wel in dat het aan de verzoekende partij toekomt om aan te tonen dat er zich, in haar concrete geval, gelet op de specifieke omstandigheden van haar zaak, geen beschadiging van het wegdek zou hebben voorgedaan. Het is met andere woorden niet de praesumptio zelf die zij dient te bestrijden, wel de veronderstelling dat deze op haar geval van toepassing zou zijn.
- Ten slotte blijkt niet dat de verzoekende partij te dezen in haar recht op procedurele wapengelijkheid voor de Raad van State wordt beknot. Het staat haar immers vrij, met alle middelen die het recht haar ter beschikking stelt, om voor de Raad van State aannemelijk te maken dat er zich te dezen, gelet op de concrete en specifieke omstandigheden van haar zaak, geen beschadiging van het wegdek heeft voorgedaan of nog, dat de verwerende partij te dezen ten onrechte tot het besluit is gekomen dat het wettelijk vermoeden op haar van toepassing is. XII-8585-14/15 De verzoekende partij laat echter geheel na om dat aan te voeren, laat staan aan te tonen. Kennelijk wil zij een kritiek kunnen voeren op de feitelijke motieven achter die beleidskeuze. Die insteek van het middel is niet dienstig.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig november tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8585-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.213 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.