← België

Arrest 246218 - Overheidsopdrachten - 28/11/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.218 Rolnummer: A. 229449/XII-8822 Zaak: Arrest 246218 - Overheidsopdrachten - 28/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-29 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-15 09:44 Fiche Arrest nr 246.218 van 28 november 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 246.218 van 28 november 2019 in de zaak A. 229.449/XII-8822 In zake: de CVBA LEGAL RECOVERY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Barteld Schutyser en Tom Villé kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD LEUVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. de NV MODERO GERECHTSDEURWAARDERS ANTWERPEN 2. de CVBA MODERO GERECHTSDEURWAARDERS LEUVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 30 oktober 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de financieel directeur van de Stad Leuven van 14 oktober 2019, waarin wordt besloten de overheidsopdracht voor diensten met als voorwerp XII-8822-1/29 „Raamovereenkomst voor het aanstellen van een gerechtsdeurwaarder voor het verlenen van juridische diensten voor debiteurenbeheer en het uitvoeren van ad hoc opdrachten‟ aan de naamloze vennootschap MODERO te gunnen”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 8 november 2019 hebben de nv Modero Gerechtsdeurwaarders Antwerpen en de cvba Modero Gerechts- deurwaarders Leuven gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 november 2019, om 11.00 uur. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom Villé, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Hans-Kristof Carême, die loco advocaat Bert Beelen verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Stijn Butenaerts, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor diensten met als voorwerp “Raamovereenkomst voor het aanstellen van een XII-8822-2/29 gerechtsdeurwaarder voor het verlenen van juridische diensten voor debiteurenbeheer en het uitvoeren van ad hoc opdrachten”. De opdracht omvat diensten ten behoeve van de stad Leuven en het OCMW Leuven. 3.2. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 9 juli 2019, met rectificatiebericht op 29 juli 2019. De verwerende partij raamt de opdracht op een bedrag van 731.419,64 euro. 3.3. De opdracht valt onder de categorie van de sociale en andere specifieke diensten, opgesomd in bijlage III van de wet van 17 juni 2016 „inzake overheidsopdrachten‟ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016) 3.4. De opdracht wordt gegund bij wijze van de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking. 3.5. Op de opdracht is het bestek met referentie AD-2019/060 van toepassing. Onder punt “I.5 Uitsluitingsgronden en kwalitatieve selectie” bepaalt het bestek: “Het offerteformulier moet vergezeld zijn van de volgende stukken: Juridische situatie van de inschrijver (uitsluitingsgronden) [...] Economische en financiële draagkracht van de inschrijver (selectiecriteria) Nr. Selectiecriteria 1 Louter door het indienen van een offerte verklaart de inschrijver de nodige financiële draagkracht te bezitten voor het kunnen uitvoeren van deze overheidsopdracht. Technische en beroepsbekwaamheid van de inschrijver (selectiecriteria) XII-8822-3/29 De inschrijver kan aantonen dat hij over een gekwalificeerde pool van gerechtsdeurwaarders beschikt om de continuïteit van de opdracht behoorlijk te kunnen waarborgen. Concreet houdt dit in dat het kantoor van de inschrijver minimaal 2 gerechtsdeurwaarders kan inzetten voor de uitvoering van de opdracht, waarvan minimaal 1 gerechtsdeurwaarder (titularis) en bijkomend 1 kandidaat-deurwaarder of gerechtsdeurwaarder (titularis). De gerechtsdeurwaarder(

  1. s)(titularis) en/of kandidaat-deurwaarder kunnen aantonen dat zij gedurende minimaal 3 jaar ingeschreven zijn bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, te rekenen vanaf de uiterste indieningsdatum van de offertes. Deze bewijsmiddelen worden toegevoegd bij het indienen van de offerte.” In punt I.10 van het bestek worden de volgende gunningscriteria bepaald: “ Nr. Beschrijving Gewicht 1 Algemene aanpak en methodologie van de 30 opdracht Ongeacht de wettelijk vastgelegde tarieven dient u als inschrijver het bewijs te leveren van het toepassen van een efficiënte, doordachte kostenbesparende werkwijze teneinde de effectieve inning van de dossiers te realiseren met een minimum aan niet-recupereerbare kosten. Voor de beoordeling van dit criterium wordt onder andere met volgende punten rekening gehouden: • maximale toepassing van de invorderingsmogelijkheden, rekening houdend met: - verhouding tussen het bedrag van de vordering versus de kost deurwaarder. Er dient te worden gestreefd naar een minimale kost voor de opdrachtgevers (bijvoorbeeld door het gebruik van minder kostelijke drukkingsmiddelen, dossiers bundelen,…) tegenover een maximale recuperatie van de vordering; - al dan niet te verwachten recuperatie van de vordering; - resultaten uit vorige dossiers (onder meer solvabiliteitsdatabase); - minder of niet-solvabele debiteuren; - debiteuren die (tijdelijk) spoorloos of onvindbaar zijn; - beoordeling van woonadres of adres maatschappelijke zetel. • aanleveren van relevante informatie waarmee mogelijks via toepassing van andere procedures een invordering mogelijk wordt (bijvoorbeeld eigendomsinformatie, XII-8822-4/29 informatie rond inkomsten voor een vereenvoudigd derdenbeslag, en andere); • dossiervorming: aanleveren van geschreven/digitale basisdocumenten die een onderliggend bewijs vormen voor verdere juridische besluitvorming bij de opdrachtgever. 2 Plan van aanpak voor vorderingen kleiner dan 20 100 euro Enerzijds tracht de stad Leuven haar decentrale cash ontvangsten (bibliotheken, sporthallen, zwembaden, containerparken, …) maximaal te reduceren via bijvoorbeeld bancontact, online-verkoop en na-facturatie. Anderzijds worden we geconfronteerd met kleine bedragen voor onder meer parkeerretributies, administratieve geldboetes, basistarief voor GAS-boetes op stilstaan en parkeren, kleine OCMW-vorderingen, ... Bij beide categorieën stellen we vaak kleine vorderingsbedragen vast, kleiner dan € 100,00. De wettelijke tarieven die een gerechtsdeurwaarder kan aanrekenen vanaf het betekenen van een dwangbevel (en verdere uitvoeringsstappen) staan hier niet meer in verhouding tot de „grootte‟ van de vordering. De debiteuren ervaren deze bijkomende kosten als buitenproportioneel, en bij niet-recuperatie vallen deze ten laste van de opdrachtgever. Vaak kiezen opdrachtgevers dan ook voor het niet doorgeven van deze dossiers. Welke oplossing kan u aanbieden om toch deze kleine vorderingen/dossiers aan uw kantoor over te maken voor verdere invordering ? Welke kostenbesparende invorderingsactiviteiten kan u hierbij toepassen ? Hoe vermijdt/garandeert u maximaal niet-recupereerbare kosten voor de stad Leuven en het OCMW? Geef hiervoor een plan van aanpak en licht de werkwijze toe op maximaal 20 A4-pagina‟s. 3 Maatgerichtheid 20 • Omschrijving van de ICT-omgeving: geef een beschrijving van de ICT-omgeving waarover u beschikt voor de uitvoering van de gevraagde diensten, alsook van het online dossieropvolgingssysteem waarover u beschikt en de mogelijkheid tot consultatie door de opdrachtgever. Er wordt minimaal verwacht dat: - een beveiligde omgeving is voorzien van paswoorden; - een chronologisch opvolgsysteem is met ondernomen acties (volledig up-to-date); - voorzien is van signaalfuncties (alerts); - de inschrijver de garantie biedt dat de basissoftware reeds één jaar actief is en nog minimaal één jaar XII-8822-5/29 hetzelfde blijft Bij de beoordeling wordt o.a. rekening gehouden met de volgende elementen, die omschreven dienen te worden bij het indienen van de offerte (maximaal 20 A4-pagina‟s): - grote gebruiksvriendelijkheid; - mogelijkheid tot samenvoegen van dossiers; o nieuwe vorderingen met een dossier dat reeds in behandeling is; o samenvoegen van verschillende schulden van eenzelfde debiteur (bijvoorbeeld schulden uit niet-verworpen nalatenschap en persoonlijke schulden, schulden van zaak op naam en privé-schulden, …); o ouder en minderjarig kind o enz. - informatie kunnen doorgeven in dossier met data- en commentaarvelden; - opvolging van dossiers die aan een confrater werden overgemaakt (woonplaats debiteur); - de mogelijkheid om dwangschriften en dwangbevelen onder xml-formaat te kunnen ontvangen en inlezen in het bestaande softwaresysteem (niettemin moet de inschrijver dwangschriften en dwangbevelen ook nog steeds op papier kunnen ontvangen en op korte termijn verwerken); - verwerking van ontvangsten: bij deurwaarder of na melding bij opdrachtgever; - dossiers die teruggevraagd worden door opdrachtgever; - dossiers die tijdelijk on hold worden gezet door de opdrachtgever; - de mogelijkheden naar automatisering en gegevensuitwisseling tussen de softwaresystemen van de dienstverlener en die van de stad Leuven/het OCMW Leuven. 4 Resultaatgerichtheid 10 Een plan van aanpak (maximaal 10 A4 pagina‟
  2. s)voor debiteuren die geen adres meer hebben (debiteur met voorstel ambtshalve afvoering, ambtshalve afgevoerde debiteur, adres bij stad/OCMW, adres in instelling, onbereikbare debiteur, …) én voor debiteuren met een buitenlands adres. Hierin dienen de volgende punten aan bod te komen: • werkt uw kantoor samen met andere partners ? • welke ervaringen heeft u met buitenlandse invorderingspartners en wat zijn de daarbij geboekte resultaten? 5 Samenwerking en informatie-uitwisseling 10 Voor de beoordeling van dit criterium dient u een plan van aanpak in te dienen (maximaal 20 A4 pagina‟s), waarbij o.a. XII-8822-6/29 met de volgende punten rekening wordt gehouden: • maximale informatieverstrekking aan de opdrachtgever; • wijze waarop ten aanzien van de opdrachtgever de permanente bereikbaarheid wordt georganiseerd tijdens de kantooruren, zowel via mail als via telefoon; • aanduiden van een vaste contactpersoon als eindverantwoordelijke; • opsomming van informatiegaring en acties die kosteloos zijn; • wijze van opzoekingen en tijdstip van nazicht dossiers; • gemotiveerd eindverslag bij niet-inning kosten en/of hoofdsommen; • snelle verwerking van vragen aan en antwoorden van de opdrachtgever; • opvolging van de wetgeving en proactief voorstellen formuleren naar de opdrachtgever van nieuwe werkwijzen die de inning kunnen bevorderen en/of de kosten kunnen verminderen; • verslaggeving op periodieke evaluatie- en overlegmomenten; • rapportering. 6 Relevante ervaring en attesten van goede 10 uitvoering Bij de beoordeling van dit criterium wordt rekening gehouden met de relevante prestaties van de inschrijver in vergelijkbare opdrachten. Als bewijsmiddel voor dit criterium voegt de inschrijver ondertekende attesten van goede uitvoering in steden en/of gemeenten met meer dan 50.000 inwoners bij zijn offerte. Hiervoor gebruikt hij het sjabloon als bijlage (zie bijlage B). Punten worden toegekend volgens de volgende parameters: • aanlevering van 0 attesten: 0 punten • aanlevering van 1 attest: 2,5 punten • aanlevering van 2 attesten: 5 punten • aanlevering van 3 attesten: 7,5 punten • aanlevering van 4 attesten: 10 punten Aan attesten met opmerkingen worden minpunten toegekend. Totaal gewicht gunningscriteria 100 .” 3.6. Voorafgaand aan de indiening van de offertes vindt een vraag-en-antwoordronde plaats. 3.7. Negen inschrijvers dienen een offerte in, waaronder de verzoekende partij en de tussenkomende partijen. XII-8822-7/29 3.8. Op 14 oktober 2019 wordt een verslag van nazicht opgesteld. Alle inschrijvers worden geselecteerd. Drie offertes worden onregelmatig verklaard. Onder een punt 5 “Vergelijking van de offertes en voorstel tot gunning” wordt vermeld: “Voor de beoordeling van de offertes werd een jury samengesteld, bestaande uit 1 lid van OCMW Leuven, 4 leden van stad Leuven en 1 externe expert van stad Antwerpen. Voor de globale beoordeling werd gebruikgemaakt van de volgende parameters: • onvoldoende: 0% van de punten; • ondermaats: 20% van de punten; • matig: 40% van de punten; • goed: 60% van de punten; • zeer goed: 80% van de punten; • uitstekend: 100% van de punten.” De vergelijking van de offertes volgens de in het bestek vermelde gunningscriteria mondt uit in een finale rangschikking: 5. nv MODERO 88 %, 2. cvba LEGAL RECOVERY 69,5 %, 6. bvba A.G.A. 68,5 %, 4. Johan Stroobants 58,5 %, 3. nv G.L.D. 46 %, 1. bvba VD&J 36 %. De verzoekende partij wordt dus finaal als tweede gerangschikt, na de nv Modero. 3.9. Op 14 oktober 2019 beslist de financieel directeur van de stad Leuven om de opdracht aan de nv Modero te gunnen. Dit is de bestreden beslissing. XII-8822-8/29 3.10. Op 15 oktober 2019 wordt de verzoekende partij met een e-mailbericht en aangetekende brief ervan in kennis gesteld dat de opdracht is gegund aan een andere inschrijver. Het verslag van nazicht is gevoegd in bijlage. IV. Tussenkomst 4. De nv Modero Gerechtsdeurwaarders Antwerpen en de cvba Modero Gerechtsbeurwaarders Leuven blijken voordeel te halen uit de bestreden beslissing en hebben er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet hun verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Schorsingsvoorwaarden 5.1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 5.2. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. XII-8822-9/29 Overeenkomstig artikel 31 gelden deze bepalingen ook voor opdrachten die de drempelbedragen voor Europese bekendmaking niet bereiken. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 89, § 2, eerste lid, en 71 van de wet overheidsopdrachten 2016, van de artikelen 4, § 2, eerste lid, 1°, en 65, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 „plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren‟ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017), van het beginsel van de gelijke behandeling van de ondernemers, van het transparantiebeginsel en van de formele- en materiëlemotiveringsplicht. In dit middel klaagt zij aan dat de verwerende partij aan het in het bestek opgenomen selectiecriterium inzake de economische en financiële draagkracht van de inschrijver, geen gepast niveau heeft verbonden, terwijl dit nochtans is vereist overeenkomstig artikel 65, tweede lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017. Bovendien, zo vervolgt zij, blijkt uit het verslag van nazicht van de offertes niet dat, wat dit selectiecriterium betreft, enigerlei inhoudelijke toetsing heeft plaatsgevonden. Het verslag vermeldt enkel dat alle inschrijvers “OK” zijn op dit vlak. XII-8822-10/29 Beoordeling 7. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij en de tussenkomende partijen opgeworpen ontvankelijkheids- exceptie bij het belang van het middel uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie lijken alleen nodig te zijn indien het middel een ernstig karakter vertoont, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. 8. Overeenkomstig artikel 65, tweede lid, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 is “[d]e aanbestedende overheid […] verplicht om elk kwalitatief selectiecriterium van economische, financiële en/of technische aard, te verbinden aan een gepast niveau, behalve wanneer één van de gebruikte criteria zich daar niet toe leent”. De verplichting elk kwalitatief selectiecriterium te verbinden aan een gepast niveau, vooronderstelt dat in het bestek een kwalitatief selectiecriterium is vastgesteld. Het bestek bepaalt te dezen dat “[l]outer door het indienen van een offerte […] de inschrijver [verklaart] de nodige financiële draagkracht te bezitten voor het kunnen uitvoeren van deze overheidsopdracht”. Deze bepaling lijkt op het eerste gezicht geen nadere of specifieke selectie-eis met betrekking tot de economische en financiële draagkracht van de inschrijvers te bevatten, waaraan de “nodige” financiële draagkracht diende te worden afgetoetst. Het middel dat vertrekt vanuit het verkeerd uitgangspunt dat in het bestek een kwalitatief selectiecriterium aangaande die nodige financiële draagkracht is opgenomen, is bijgevolg niet ernstig. In dezelfde lijn valt de nietszeggende vermelding “OK” in het verslag van nazicht te begrijpen. Deze vermelding vormt op het eerste gezicht de neerslag van de beoordeling van een onbestaande selectie-eis. 9. Het eerste middel is niet ernstig. XII-8822-11/29 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 10. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 67, § 1, vijfde lid, en 73, § 1, eerste lid, juncto artikel 89, § 1, eerste lid, juncto artikel 89, § 2, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016, van artikel 7, §§ 1, 3 en 10, eerste lid, artikel 11, eerste lid, 4°, en artikel 18, § 1, eerste lid, 1°, juncto de artikelen 13 en 38, § 1, eerste lid, juncto artikel 4, § 2, 1°, van het koninklijk besluit plaatsing 2017, van het beginsel van de gelijke behandeling van de inschrijvers en van de materiëlemotiveringsplicht. De verzoekende partij klaagt in dit middel aan dat er geen Europese publicatie is gebeurd, omdat de verwerende partij ten onrechte ervan is uitgegaan dat de opdracht een louter Belgische opdracht betreft. De miskenning van dit bekendmakingsvoorschrift brengt de nietigheid van de hele procedure mee. De stad Leuven heeft dienvolgens ook ten onrechte nagelaten om van de inschrijvers te eisen dat zij een Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) zouden overleggen. Evenmin heeft zij de uitsluitingsgronden in hoofde van de bestuurders en leidinggevenden gecontroleerd, terwijl die controle voor opdrachten boven de Europese drempelbedragen verplicht is. De verzoekende partij betoogt inzonderheid dat de opdracht wél het Europese drempelbedrag overschrijdt en de raming aldus werd onderschat. In haar raming dient de aanbestedende overheid álle inkomsten die de opdrachtnemer in het kader van de opdracht zal ontvangen, in rekening te brengen. Volgens de verzoekende partij valt in werkelijkheid een groter aantal invorderingen dan vermeld in het bestek te verwachten, is het gemiddelde van de in te vorderen hoofdsom redelijk laag ingeschat en is de te verwachten recuperatie van de vordering al na één aanmaning en zelfs na de betekening van een exploot door de gerechtsdeurwaarder, sterk overschat. Uitgaande van het in het bestek aangegeven aantal invorderingen – 13.146 dossiers voor de jaren 2015-2018, wat volgens haar te laag werd ingeschat omdat er in de jaren 2015 en 2016 nog geen GAS-dossiers waren – en uitgaande van de percentages waarvan de verwerende partij uitgaat – in 95 % van de dossiers volgt na één aanmaning al een betaling en in 5 % volgt pas XII-8822-12/29 betaling nadat ook een exploot werd betekend – komt de verzoekende partij tot een inschatting van een totale vergoeding aan 736.892,46 euro (excl. btw). Hieruit trekt zij de conclusie dat rekening houdend met

(1)een lager aantal dossiers dan in werkelijkheid te verwachten,
(2)een lage invorderingssom en
(3)een scenario waarin quasi alle dossiers na één aanmaning ingevorderd worden, prima facie kan worden vastgesteld dat de raming net onder de Europese drempel van 750.000 euro ligt, en dus in alle redelijkheid mag worden verwacht dat er een zeer reële kans bestaat dat die grens overschreden wordt. Beoordeling 11. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij en de tussenkomende partijen opgeworpen ontvankelijkheids- exceptie bij het belang van het middel uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie lijkt alleen nodig te zijn indien het middel een ernstig karakter vertoont, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. 12. De verzoekende partij toont op het eerste gezicht niet afdoende de realiteit van de “kans” aan dat de grens van 750.000 euro in de praktijk zal worden overschreden. De verwerende partij maakt daarentegen, in de huidige stand van de procedure, aannemelijk dat kan worden verwacht dat het aantal GAS-dossiers niet meer zal stijgen, dat de kosten voor de prestaties zoals aangerekend door de deurwaarder correct zijn ingeschat op grond van de in het verleden aangerekende kosten – waarbij onder meer geen kosten kunnen worden aangerekend voor inlichtingen in het rijksregister waartoe de verwerende partij zelf toegang heeft –, dat ook de parkeerretributies en de overige retributies als dossierpost voor vorderingsbedragen kleiner dan 100 euro worden vermeld, en dat in de raming geen rekening wordt gehouden met de samenvoeging van vorderingen over één persoon, zodat zelfs een “reële kans” bestaat dat de werkelijke kost lager zal liggen dan de geraamde kost. De verzoekende partij maakt bijgevolg niet aannemelijk dat de geraamde waarde van de opdracht, zoals gevoegd bij de opdrachtdocumenten, onjuist zou zijn, zodat de verwerende partij terecht van mening mocht zijn dat het Europese drempelbedrag voor diensten die op sociale en andere specifieke XII-8822-13/29 diensten betrekking hebben, niet was bereikt. Voor zover in dit middel, in twee onderdelen, dienvolgens wordt aangevoerd dat de verwerende partij haar verplichtingen die uit een Europese opdracht voortvloeien, niet is nagekomen, behoeft het geen nadere beoordeling. 13. Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 14. In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 89, §§ 1 en 2, juncto de artikelen 4 en 81, §§ 1 en 2, van de wet overheidsopdrachten 2016, van “(artikel 29 juncto) de artikelen 4, eerste lid, 8° en 5, 9°” van de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟, van het beginsel van de gelijke behandeling van de inschrijvers, van het transparantiebeginsel en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. In essentie betoogt de verzoekende partij dat de verwerende partij bij de evaluatie van de eerste vijf gunningscriteria een beoordelingsmethode heeft toegepast, namelijk het gebruik van een ordinale schaal, waarvan de verwerende partij niet aantoont dat deze werd vastgesteld voorafgaandelijk aan de opening van de offertes noch dat deze om aantoonbare redenen niet voorafgaandelijk aan de opening van de offertes kon worden vastgesteld. Zij verwijst daarbij naar het arrest van 14 juli 2016 inzake de nv TNS Dimarso (HvJ 14 juli 2016, nr. C-6/15, ECLI:EU:C:2016:555, nv TNS Dimarso/Vlaams Gewest), waarin het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat een beoordelingsmethode in beginsel niet na de opening van de offertes mag worden vastgesteld, en dat een latere vaststelling enkel door “aantoonbare redenen” mag zijn ingegeven. Zij verwijst voorts naar het arrest van XII-8822-14/29 de Raad van State nr. 242.362 van 18 september 2018 inzake de bvba G. De Wilde, waarin de Raad zich bij deze rechtspraak heeft aangesloten. De verzoekende partij licht toe dat blijkens het verslag van nazicht bij de beoordeling van de gunningscriteria 1 tot 5 werd gebruikgemaakt van de volgende parameters: “onvoldoende: 0% van de punten”, “ondermaats: 20% van de punten”, “matig: 40% van de punten”, “goed: 60% van de punten”, “zeer goed: 80% van de punten” en “uitstekend: 100% van de punten”, die samengenomen een ordinale schaal vormen. Beoordeling 15. Overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016, behandelt de aanbestedende overheid de ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en handelt zij op een transparante en proportionele wijze. Krachtens artikel 81, § 1, van dezelfde wet, dat op grond van artikel 89, § 2, te dezen ook van toepassing is, gunt de aanbestedende overheid de overheidsopdracht aan de economisch meest voordelige offerte. Overeenkomstig het te dezen eveneens toepasselijk artikel 81, § 2, eerste lid, 3°, van deze wet, wordt de economisch meest voordelige offerte uit het oogpunt van de aanbestedende overheid vastgesteld, rekening houdend met de beste prijs-kwaliteitverhouding die bepaald wordt op grond van de prijs of de kosten alsook criteria waaronder kwalitatieve, milieu- en/of sociale aspecten, die verband houden met het voorwerp van de betrokken opdracht. 16. De voormelde artikelen leggen echter niet de verplichting op tot het bekendmaken in de opdrachtdocumenten van de beoordelingsmethode, dit is de manier waarop de aanbestedende overheid bij de evaluatie van de offertes de beoordelingselementen vervat in de gunningscriteria nagaat en waardeert in het licht van de toe te kennen scores. Ten aanzien van de beoordelingsmethode verduidelijkte het Hof van Justitie in het voormelde arrest van 14 juli 2016, nv TNS Dimarso/Vlaams Gewest (zaak nr. C-6/15), dat zij niet moet worden XII-8822-15/29 bekendgemaakt in de opdrachtdocumenten, maar in beginsel niet mag worden vastgesteld na het openen van de offertes, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze methode om aantoonbare redenen niet vóór de opening van de offertes kon worden vastgesteld. Zo niet is er sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel en het daaruit voortvloeiende transparantiebeginsel. 17. Te dezen lijkt de beoordeling van de offertes aan de hand van de gunningscriteria 1 tot 5 in het verslag van nazicht te zijn gebeurd aan de hand van een behoorlijk uitvoerige beschrijvende evaluatie in woorden en vergelijking van de meer- en minderwaarden van de diverse voorstellen voor elk van de betrokken gunningscriteria in functie van de beoordelingselementen vermeld in het bestek. Het lijkt daarbij niet te gaan om een strikt mathematische koppeling tussen een bepaald aantal meer- of minderwaarden en een omschreven prestatieniveau, maar integendeel om een concrete evaluatie en vergelijking van de diverse sterke en zwakke punten van de ingediende voorstellen. Uit de omstandigheid dat de verwerende partij vervolgens per inschrijver en per gunningscriterium tot een globale waardering komt van “onvoldoende” over “ondermaats”, “matig”, “goed”, “zeer goed” tot “uitstekend” met een overeenstemmend percentage van de punten, lijkt niet te kunnen worden afgeleid dat er te dezen zou zijn gebruikgemaakt van een pas na de opening van de offertes vastgestelde rigide ordinale evaluatiemethode. De wijze waarop de offertes werden geëvalueerd lijkt op het eerste gezicht niet onverenigbaar met wat omtrent de gunningscriteria 1 tot en met 5 in het bestek werd bepaald, noch met de inhoud van de opdracht zoals nader toegelicht en omschreven in het bestek. De evaluatie lijkt veeleer op een voor de hand liggende manier te zijn gebeurd, rekening houdend met de in het bestek opgesomde beoordelingselementen. Bovendien lijkt een normaal zorgvuldig inschrijver zich op het eerste gezicht te hebben kunnen verwachten aan een evaluatie die de neerslag is van de mate waarin de diverse voorstellen naar het oordeel van de jury minder of meer een antwoord bieden op de beoordelingselementen en –vragen die in het bestek uitdrukking geven aan de betrokken gunningscriteria. Op het eerste gezicht lijken de inschrijvers dan ook niet verschalkt te zijn geweest door de evaluatie zoals die in concreto heeft plaatsgevonden. XII-8822-16/29 18. Het derde middel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 19. In het vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 89, §§ 1 en 2, juncto de artikelen 4 en 81, § 1, van de wet overheidsopdrachten 2016, van de artikelen 519, § 3, eerste lid, 1389bis/4 en 1391, §§ 1 en 4, van het Gerechtelijk Wetboek, van artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 november 1976 „tot vaststelling van het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van het tarief van sommige toelagen‟ (hierna: het koninklijk besluit tarief), van het beginsel van de gelijke behandeling van de inschrijvers en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderdheid het patere-legem-quam-ipse-fecistibeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en de formelemotiveringsplicht “die tevens in (artikel 29 juncto) de artikelen 4, eerste lid, 8° en 5, 9° van de Rechtsbeschermingswet besloten ligt”. De verzoekende partij betoogt dat de motieven op grond waarvan tot de scores in het verslag werd gekomen “op tal van vlakken gebrekkig, onwettig en/of ondeugdelijk” zijn: “De Stad Leuven heeft, met name, bij de beoordeling van de offertes op basis van de in het Bestek omschreven gunningscriteria: - tal van elementen die zowel in de offerte van MODERO als in de offerte van LR werden aangeboden, uitsluitend voor MODERO als een meerwaarde in aanmerking genomen. De offerte van LR werd, voor al deze elementen, dus onterecht minder gunstig beoordeeld. - elementen die in de offerte van MODERO werden aangeboden en die onmiskenbaar met de wet en/of met de deontologie van de gerechtsdeurwaarders in strijd zijn, voor MODERO toch als een meerwaarde in aanmerking genomen. De offerte van MODERO werd, voor al deze elementen, dus onterecht gunstig beoordeeld. - elementen die niet in de offerte van LR werden aangeboden, en die op geen enkele andere manier steun in die offerte vinden, voor LR toch als een minderwaarde in aanmerking genomen, op basis van een onjuiste en geheel eigen interpretatie van die offerte. De offerte van LR werd, voor al deze elementen, dus onterecht minder gunstig beoordeeld.” XII-8822-17/29 Eerste onderdeel 20. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij een kritiek aan op de beoordeling van het eerste gunningscriterium “Algemene aanpak en methodologie van de opdracht”. De verzoekende partij lijst een achttal aspecten uit haar offerte op waarmee volgens haar in het verslag van nazicht ten onrechte geen rekening zou zijn gehouden of die foutief zouden zijn geëvalueerd. Voorts zou, wat de offerte van de tussenkomende partij betreft, de besluitvorming aangaande die aspecten, geen nadere toelichting bevatten. Concreet gaat zij in op het kantorennetwerk, de aanvulling van solvalibiteitsgegevens, de samenvoeging van dossiers, de solvabiliteitsbepaling en inschatting van de inningskansen, de flow charts van de invorderingsprocessen, de acties voor minder of niet-solvabele debiteuren, de kwijtingskosten en de aangeboden betalingsmogelijkheden. Zij betoogt hieromtrent meer bepaald, samengevat, het volgende:
  1. a)het kantorennetwerk van de verzoekende partij en haar internationaal netwerk zijn minstens gelijkwaardig aan dat van de tussenkomende partij, terwijl deze laatste gunstiger wordt beoordeeld;
  2. b)er wordt onjuist vermeld dat de solvabiliteitsgegevens door de verzoekende partij op nationaal niveau worden aangevuld terwijl in haar offerte duidelijk wordt aangegeven dat zij ook de gegevens van de debiteuren beheert op een centrale database, het Virteo-platform, dat zelfs volgens haar performanter werkt en meer zekerheid biedt dan dat van de gekozen inschrijver;
  3. c)in weerwil van duidelijke vermeldingen in haar offerte, wordt het samenvoegen van dossiers niet vermeld;
  4. d)inzake solvabiliteitsbepaling en de inschatting van de inningskansen, wordt in haar offerte een omstandige beschrijving van het door haar toegepaste afwegingsalgoritme gegeven en ook de informatiebronnen die zij raadpleegt worden uitgebreid toegelicht; de initiatieven die de verzoekende partij onderneemt om de solvabiliteitsbepaling tijdens het invorderingsproces continu te actualiseren en te verfijnen – via info uit plaatsbezoek, contacten met de debiteur en via de “signaalfunctie” worden niet vermeld; voorts wordt niet uiteengezet waarom de XII-8822-18/29 methode die zij hanteert, minder adequaat zou zijn dan de Solid score die de tussenkomende partij voorstelt, noch wordt uitgelegd waaruit die bestaat, zodat zij niet in de mogelijkheid is te begrijpen waarom haar offerte voor dit aspect een mindere waardering krijgt; het motief dat de werkwijze van de verzoekende partij “de verantwoordelijkheid over het veroorzaken van nodeloze kosten (lijkt) te verschuiven naar de opdrachtgever” is onjuist en miskent de verwijzing naar “verdere juridische besluitvorming bij de opdrachtgever” in het bestek evenals de wettelijke informatieplicht van de gerechtsdeurwaarder zoals vervat in artikel 519, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; bovendien is de motivering in het verslag van nazicht op dit punt intern tegenstrijdig;
  5. e)het verslag van nazicht bevat voor de tussenkomende partij wél en voor haar geen positieve vermeldingen met betrekking tot flow charts van de invorderingsprocessen, terwijl zij die nochtans ook in haar offerte heeft opgenomen;
  6. f)er wordt onterecht geen rekening gehouden met de extra acties voor minder of niet-solvabele debiteurs die de verzoekende partij in haar offerte voorstelt – het toekennen van afbetalingsplannen aan de debiteur, nadat deze laatste zijn schuld heeft erkend, begeleiding van de debiteur bij het bepalen van de aanzuiveringsmogelijkheid die zijn rechten en die van de opdrachtgever het best vrijwaart, begeleiden en bijsturen (via sms en/of email) eerder dan gedwongen uitvoering – terwijl zij voor de tussenkomende partij wél de “extra acties” en het “apart bemiddelingstraject” positief waardeert, te meer omdat geenszins gepreciseerd wordt welke die zijn en waaruit dat bemiddelingstraject juist bestaat. De verzoekende partij vindt het bovendien merkwaardig dat de omstandigheid dat de tussenkomende partij voor OCMW-dossiers een grondige solvabiliteitsanalyse uitvoert voor het opstellen van een dwangbevel, in het verslag van nazicht als een pluspunt wordt vermeld, terwijl zij voor al haar dossiers een grondige solvabiliteitsanalyse uitvoert;
  7. g)het voorstel van de tussenkomende partij om de kwijtingskosten zo laag mogelijk te houden, worden als een meerwaarde aangestipt, terwijl een gerechtsdeurwaarder verplicht is de tarieven aan te rekenen die bij het koninklijk besluit tarief zijn bepaald;
  8. h)het verslag van nazicht bevat geen vermeldingen met betrekking tot de door de verzoekende partij aangeboden betalingsmogelijkheden, terwijl zij van verschillende betalingsmogelijkheden melding maakt; naast de betaling aan het XII-8822-19/29 loket of via overschrijving, stelt zij ook elektronische betaalmogelijkheden voor. Het is onduidelijk waarom deze betalingsmogelijkheden voor haar niet en voor de tussenkomende partij wél als een meerwaarde zijn beschouwd, welke bovendien niet nader worden gepreciseerd. Beoordeling 21. Uit de lezing van het verslag van nazicht, op grond waarvan de bestreden beslissing is genomen, blijkt dat is geopteerd voor een werkwijze waarbij in essentie de vastgestelde verschillen tussen de offertes een neerslag hebben gevonden in het gemotiveerd verslag van nazicht. 22. De motivering, wat het eerste gunningscriterium betreft, luidt: “Inschrijver Modero heeft een zeer uitgebreid kantorennetwerk (100% nationale dekking + uitgebreid internationaal netwerk), die allen volgens dezelfde principes werken. De solvabiliteitsgegevens worden globaal aangevuld op een centrale database, waarop de gegevens van een gigantisch aantal dossiers worden bewaard. Samenvoegen en behandelen van dossiers gebeurt over het netwerk heen en betekent een meerwaarde voor de beperking van het inningsrecht, de beperking van het lopend beslag op roerend vermogen, ... De slaagkansen van een dossier kunnen vooraf degelijk ingeschat worden a.d.h.v. de Solid score. Er zijn gestructureerde flow charts voor de invordering van dossiers in de minnelijke en gerechtelijke fase, waarbij telkens rekening wordt gehouden met de Solid score. Extra acties worden ingelast voor burgers met een lage Solid score om tot betaling over te gaan (apart bemiddelingstraject). Voor OCMW-dossiers wordt een grondige solvabiliteitsanalyse uitgevoerd voor het opstellen van een dwangbevel. De inschrijver stelt verscheidene interne diensten ter beschikking voor ondersteuning: intern kostenvalidatieteam die a.d.h.v. een kostenratio controle uitvoert op de gemaakte kosten (met grote transparantie naar opdrachtgever), interne bemiddelingsdienst en interne ombudsdienst voor de burger, juridische helpdesk. Daarnaast zijn nauwe samenwerkingsverbanden uitgewerkt met het Centrum voor Budgetadvies en OCMW/CAW-diensten. Bijkomend worden de volgende meerwaardes voorzien tijdens het invorderingstraject: - onderbouwd onderscheid in invorderingstrajecten gerelateerd aan de aard van de vordering; - bij ontvangst van een dossier wordt een kosteloze uitnodiging tot betaling gestuurd, gevolgd door een gratis rappelbrief bij niet-betaling; - kwijtingskosten worden zo laag mogelijk gehouden; XII-8822-20/29 - nudging-principes worden toegepast op briefwisseling; - uitgebreid proces van schuldbemiddeling; - betaling wordt aangemoedigd door ontzettend veel betalings- mogelijkheden aan te bieden; - contactname wordt gefaciliteerd dooreen gratis 0800-nummer te voorzien, een eventueel terugbel moment aan te vragen via de website, een chatbox voor de burger; - op de website bestaat de mogelijkheid tot simuleren en aanvragen van een afbetalingsplan; - bij afbetaling wordt advies gegeven omtrent het af te betalen bedrag in functie van een zo laag mogelijk kwijtingsrecht; - sms-herinnering (en bedanking) wordt verstuurd in geval van een afbetalingsplan; - een specifieke website kan gemaakt worden in samenwerking met opdrachtgever zelf; - de medewerkers hebben een zeer uitgebreide talenkennis (Arabisch, Pools, Chinees, ... ), wat bemiddeling met anderstaligen vergemakkelijkt; - een veilingplatform kan aangeboden worden; - een bemiddelingsplatform is in ontwikkeling waarop de burger en de opdrachtgever kosteloos betalingsproblemen kunnen melden; - bij insolvabiliteit kan een bericht van verzet ingediend worden; - e-betekening is mogelijk; - bij onbekwaamheden wordt contact gelegd met erfgenamen, bewindvoerders, ...; - samenwerking met Helder Recht vzw voor gebruik van aangepaste communicatie; - onderzoek BIS-register wordt uitgevoerd indien het rijksregisternummer onbekend is; - betwistingen worden in eerste instantie door de inschrijver beoordeeld. Enkel bezwaren die niet beantwoord kunnen worden, worden doorgestuurd naar de opdrachtgever. Modelantwoorden voor veel voorkomende betwistingen worden aangeleverd. Alle afspraken worden vastgelegd in een draaiboek, waarbij kritische prestatie indicatoren (KPI‟
  9. s)worden gebundeld in een service level agreement (SLA). Dit kan tijdens de uitvoering van de overeenkomst nog bijgestuurd worden. In geval van beëindiging of stopzetting van de opdracht is er een exit plan uitgewerkt. Modero biedt een brede visie met lokale verankering en een allesomvattende aanpak, gekenmerkt door een groot sociaal engagement en gericht op het oplossen én voorkomen van betalingsconflicten. Hierbij tracht Modero de opdrachtgever zoveel mogelijk te ontlasten. Er kan evenwel meer rekening gehouden worden met kostenbesparende acties die door de opdrachtgever zelf uitgevoerd kunnen worden. XII-8822-21/29 Dit wordt beoordeeld als „uitstekend‟ en hierdoor behaalt de inschrijver Modero 100% op het gunningscriterium „algemene aanpak en methodologie van de opdracht‟. [...] Inschrijver Legal Recovery groepeert 20 gerechtsdeurwaarderskantoren met een centrale aansturing en eenzelfde visie. De solvabiliteitsgegevens worden op nationaal niveau aangevuld. Bijkomend worden de volgende meerwaardes voorzien tijdens het invorderingstraject: - er wordt steeds een eerste aanmaning verstuurd die uitnodigt tot betalen of minstens tot contactname (toevoeging van antwoordformulier en login gegevens om eigen dossier te raadplegen); - duidelijk vastgelegde proces flow en planning vanaf ontvangst dossier tot betekening dwangbevel; - wachttijd na aanmaning is 1 maand, daarna kosteloos plaatsbezoek; - procedure van verzet in CBB bij insolvabiliteit - er worden toch mogelijkheden voorgesteld bij kennelijke insolvabiliteit; - verwittiging per sms of mail voor nakende afbetaling; - specifieke opzoekingen gekoppeld aan debiteur: erfgenamen, bewindvoerder, ... - extra bronnen voor solvabiliteitsonderzoek: RSZ, DIV, KBO, kadaster; - aanvraag van een afbetalingsplan kan via brief, sms, mail of aan het loket. Anderzijds lijken de aangehaalde aspecten, dat de opdrachtgever enkel blootgesteld wordt aan kosten waarover vooraf met kennis van zaken een standpunt werd ingenomen en dat tal van uitvoeringsmaatregelen toegepast kunnen worden in functie van noodwendigheden, de verantwoordelijkheid over het veroorzaken van nodeloze kosten te verschuiven naar de opdrachtgever. Legal Recovery beperkt de invorderingspogingen tot zekere en eventueel dubieuze solvabiliteit, de rest gebeurt in samenspraak met de opdrachtgever. Ondanks de grootte van het netwerk, worden de solvabiliteitsbepaling en de inschatting van de inningskansen toch eerder beperkt opgevat. Zelfs in de minnelijke fase kan tot beslag gegaan worden met doorrekening van de kost bij toestemming van de opdrachtgever.” Uit die motivering kan op het eerste gezicht worden afgeleid dat de verzoekende partij niet is afgerekend op al de elementen waarvan zij nu meent dat ze ten onrechte niet als meerwaarde bij haar offerte werden gewaardeerd, zoals de beweerde niet gelijkwaardigheid van haar kantorennetwerk, het bundelen van dossiers en het aanvullen van solvabiliteitsgegevens, niet alleen nationaal maar ook op haar Virteo-platform. XII-8822-22/29 Wel blijkt uit die motivering dat de verwerende partij de solvabiliteitsbepaling en inschatting van de inningskansen door de verzoekende partij, in vergelijking met die van de tussenkomende partij en die van de voor dit criterium tweede gerangschikte inschrijver, als eerder beperkt heeft beoordeeld, en meent dat daardoor de verantwoordelijkheid over het veroorzaken van nodeloze kosten meer wordt afgewenteld op de opdrachtgever. Het uitgangspunt van de verzoekende partij dat haar offerte voor tal van elementen minder gunstig werd beoordeeld, om de loutere reden dat die bij de gekozen inschrijver uitdrukkelijk wél als een meerwaarde werden vermeld, lijkt dan ook niet te kunnen worden bijgevallen. Het kan een aanbestedende overheid die een opdracht als de voorliggende gunt, niet worden verweten de voorkeur te geven aan die dienstverlener die de inningskansen naar haar mening op de meest optimale wijze inschat en zo het risico van uitvoering maximaal reduceert. Uit de motivering blijkt dat de verwerende partij oordeelt dat de gekozen inschrijver de beste methode en de meeste uitgebreide middelen en initiatieven aanbiedt om de slaagkansen van een dossier vooraf in te schatten en aldus beter het bewijs levert “van het toepassen van een efficiënte, doordachte kostenbesparende werkwijze”. De verzoekende partij toont in de huidige stand van de procedure het tegendeel niet aan door te verwijzen naar de finale beslissingsbevoegdheid van de verwerende partij die uit het bestek blijkt, noch naar de omstandigheid dat artikel 519, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek op algemene wijze verplicht dat de gerechtsdeurwaarder bij dreigende insolvabiliteit van de schuldenaar de opdrachtgevende schuldeiser hiervan moet inlichten. Voor zover de verzoekende partij nog argumenteert dat bepaalde aspecten in de offerte van de gekozen inschrijver in strijd zouden zijn met de wettelijke of deontologische bepalingen, lijkt deze grief zonder voorwerp nu inzake het drukken van de kwijtingskosten uit het dossier niet blijkt dat de tussenkomende partij het voornemen heeft om bij de uitvoering van de opdracht tarieven toe te passen die lager zijn dan de wettelijk bepaalde tarieven. Het eerste onderdeel is niet ernstig. XII-8822-23/29 Tweede onderdeel 23. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij een kritiek aan op de beoordeling van het derde gunningscriterium “Maatgerichtheid”. Concreet gaat de verzoekende partij hier in op de volgende aspecten: het aangeboden ICT-pakket, de mogelijkheid van elektronische facturatie, de real-timebeschikbaarheid van informatie en de mogelijkheid tot geautomatiseerd nazicht van het Centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest (CBB) door de opdrachtgever. Wat de eerste twee elementen betreft, betoogt de verzoekende partij dat het Virteo-platform dat zij gebruikt, dezelfde functionaliteiten heeft als het ICT-pakket dat de gekozen inschrijver aanbiedt. Niettemin zou het verslag van nazicht niets van dit alles in haar voordeel vermelden. Zij beweert voorts dat zij via haar Virteo-platform real-timebeschikbaarheid van informatie aanbiedt, terwijl de omstandigheid dat in het geval van de gekozen inschrijver informatie gesynchroniseerd dient te worden, precies zou beletten dat informatie real time wordt verwerkt. Wat het laatste element betreft, voert de verzoekende partij nog aan dat de verwerende partij ten onrechte de mogelijkheid tot geautomatiseerd nazicht van het CBB door de opdrachtgever in aanmerking zou nemen om het voorstel van de tussenkomende partij gunstig te beoordelen, terwijl er een wettelijk toegangsverbod zou bestaan voor de personeelsleden van de stad Leuven belast met het toezicht op de uitvoering van de opdracht. Aldus zouden volgens de verzoekende partij de beide laatstgenoemde motieven ondeugdelijk zijn. Beoordeling 24. De motivering, wat het derde gunningscriterium betreft, luidt: “Modero biedt het meest volledige ICT-pakket aan: XII-8822-24/29 - softwareplatform in eigen beheer: web services, web portaal voor de opdrachtgever, web portaal voor de debiteurs, specifieke website met (juridische) info die relevant is voor overgedragen dossiers naar de deurwaarder; - opleiding van personeel over webapplicatie wordt voorzien; - de inschrijver is bereid om zelf te investeren voor data-integratie; - de opdrachtgever kan dossiers vlaggen als bijzondere aandachtsdossiers; - info van confraters wordt real time verwerkt en gesynchroniseerd op hetzelfde platform; - autostate manager volgt wijzigingen in dossiers op; - zeer dynamische rapporteringsmodule is aanwezig; - elektronische facturatie is mogelijk; - digitaal archief is beschikbaar voor de klant; - SLA wordt continu gemonitord aan de hand van controlemechanismen; - onderlinge communicatie gebeurt via web berichten; - validatiemodule om dossierstatus te controleren; - rechtstreekse betalingen kunnen gestructureerd gemeld worden; - mogelijkheid tot geautomatiseerd nazicht van CBB door de opdrachtgever; - alle mogelijke samenvoegingen van dossiers zijn mogelijk, binnen de wettelijke grenzen; - bijkomende ICT-dienstverlening is gratis indien nuttig voor dossieraanlevering en –opvolging; - interne en externe ICT-helpdesk voor opdrachtgever; - op Europees niveau is de inschrijver aangesloten bij het Just-Ine platform. Dit wordt beoordeeld als „uitstekend‟ en hierdoor behaalt de inschrijver Modero 100% op het gunningscriterium „maatgerichtheid‟ [...] Legal Recovery biedt een uitgebreid ICT-pakket aan: - geïntegreerd IT-netwerk voor 20 gerechtsdeurwaarderskantoren; - support afdeling van ICT-platform staat ter beschikking van de opdrachtgever; - automatisch samenvoegen van dossiers tegen dezelfde debiteur; - het systeem werkt volgens Microsoft standaarden, wat een herkenbare en makkelijke werkwijze is voor gebruikers; - een praktische demo over het systeem kan ingelast worden voor de gebruikers; - uitgebreide toegang voor debiteuren; - direct pay mogelijkheden; - exit plan voor overdracht data; - terugkoppelingen van gewijzigde gegevens, betalingsinformatie. afsluitgegevens, ...; - datasets kunnen aangeleverd worden waardoor de opdrachtgever draaitabellen kan genereren; - zeer uitgebreide rapporteringsmogelijkheden en dashboard overzichten; - doorgave van informatie en betalingen buiten studie; XII-8822-25/29 - minimaal 2x per jaar overleg over de werking van het platform, aanpassingen, enz. Anderzijds wordt er slechts beperkt gecommuniceerd over de aard van het samenvoegen van dossiers. Dit wordt beoordeeld als „zeer goed‟ en hierdoor behaalt de inschrijver Legal Recovery 80% op het gunningscriterium „maatgerichtheid‟.” In de voornoemde optiek waarbij de vastgestelde verschillen tussen de offertes een neerslag hebben gevonden in het gemotiveerd verslag van nazicht, lijkt op het eerste gezicht niet te worden ingezien welk voordeel de verzoekende partij bijkomend vermag te puren uit de vermelding van die functionaliteiten die dezelfde zouden zijn als in het voorstel van de tussenkomende partij. De voorstellen van de gekozen inschrijver en van de verzoekende partij lijken zich blijkens het verslag van nazicht in essentie te onderscheiden in de mogelijkheid tot het samenvoegen van dossiers. Waar het verslag van nazicht met betrekking tot het voorstel van de tussenkomende partij vermeldt dat “alle mogelijke samenvoegingen van dossiers [...] mogelijk [zijn], binnen de wettelijke grenzen”, wordt met betrekking tot het voorstel van de verzoekende partij genoteerd dat “[a]nderzijds [...] er slechts beperkt [wordt] gecommuniceerd over de aard van het samenvoegen van dossiers”. Het woord “anderzijds” lijkt niet anders te kunnen worden begrepen dan als minpunt in de waardering. De verzoekende partij formuleert geen kritiek op dit motief, en toont a fortiori de onjuistheid ervan niet aan. Voor zover de verzoekende partij de deugdelijkheid van de in het voordeel van de tussenkomende partij opgegeven motieven betwist, blijkt de bewering van de verzoekende partij dat het voorstel van de tussenkomende partij geen real-timebeschikbaarheid van informatie zou aanbieden, geen steun te vinden in het dossier. Artikel 1391, § 1, d), van het Gerechtelijk Wetboek lijkt wel degelijk toe te laten dat de gemeenteontvangers die belast zijn met een invorderingsprocedure ten gronde of bij wijze van beslag tegen een bepaalde persoon betreffende de berichten die op diens naam zijn opgemaakt, kennis nemen van de in de artikelen 1390 tot 1390quater bedoelde berichten. Het bestek moet uiteraard worden gelezen binnen die wettelijke grenzen. XII-8822-26/29 Het tweede onderdeel is niet ernstig. Derde, vierde en vijfde onderdeel 25. In het derde onderdeel voert de verzoekende partij een kritiek aan op de beoordeling van het vierde gunningscriterium “Resultaatgerichtheid”. Ze klaagt aan dat de acties die zij blijkens haar plan van aanpak zal ondernemen voor debiteuren die geen adres meer hebben en debiteuren met een buitenlands adres, anders dan voor de tussenkomende partij, geen weerklank hebben gevonden in de gedane beoordeling. Bovendien zou uit haar offerte blijken dat zij naar alle mogelijke vormen van vermogen van de debiteur zal informeren, waaronder dus ook eventuele eigendommen. Op dit laatste punt zou de bestreden beslissing aldus steunen op een foutief motief. In het vierde onderdeel betwist de verzoekende partij, wat het vijfde gunningscriterium “Samenwerking en informatie-uitwisseling” betreft, dat de lijst met kosteloze acties, opgenomen in haar offerte, beperkt zou zijn tot de drie door de verwerende partij aangehaalde elementen. Concreet verwijst zij, onder meer, naar de terbeschikkingstelling van het IT-platform, het voorbereiden van periodiek overleg, de aanpassing van de procesflows aan het periodiek overleg en de advisering van de stad Leuven ingeval van gewijzigde regelgeving. Voorts, wijst zij erop dat de stelling ingenomen in het verslag van nazicht dat enkel rekening wordt gehouden met het retributiereglement van de stad Leuven als aard van vordering, geen steun vindt in de offerte van de verzoekende partij en zou berusten op een geheel eigen interpretatie van de verwerende partij. In het vijfde onderdeel levert de verzoekende partij ten slotte kritiek op de beoordeling van het zesde gunningscriterium “Relevante ervaring en attesten van goede uitvoering”. Het verslag van nazicht vermeldt volgens de verzoekende partij ten onrechte dat zij maar “3 geldige attesten” heeft aangeleverd. De verzoekende partij verklaart evenwel nog een vierde attest, uitgereikt door de stad Geel, bij haar offerte te hebben gevoegd. Zij vervolgt dat de stad Geel, hoewel zij minder dan 50.000 inwoners telt, bij de aankoopcentrale “Geel & Hulpverleningszone Brandweer KempenGeel” is aangesloten en dat de opdracht waarop het vierde attest betrekking heeft door die aankoopcentrale werd gegund. XII-8822-27/29 De verzoekende partij besluit dat zij de maximumscore van 10/10 had moeten behalen. Bovendien zou het de bestreden beslissing aan de redenen ontbreken waarom dit vierde attest niet in rekening is gebracht. Beoordeling 26. Uit het verslag van nazicht blijkt dat de offerte van de verzoekende partij voor het vierde en vijfde gunningscriterium als tweede is gerangschikt en een waardering “zeer goed” heeft gekregen (8/10) na de gekozen inschrijver die een waardering “uitstekend” heeft gekregen (10/10), en voor het zesde gunningscriterium eveneens als tweede is gerangschikt en 7,5/10 punten heeft gekregen na de gekozen inschrijver die 10/10 punten heeft gekregen. Wat deze onderdelen betreft, volstaat vast te stellen dat deze kritieken, zelfs samengenomen, en gelet op het niet ernstig bevinden van de vorige onderdelen, er niet toe kunnen leiden dat het verschil in score tussen beide inschrijvers kan worden overbrugd. Gelet op het bestaande verschil van 18,5 punten met de eerst gerangschikte, heeft de verzoekende partij geen belang bij die onderdelen, zelfs indien ze worden samengenomen, aangezien haar dan ten hoogste 6,5 punten op 100 ten onrechte in mindering werden gebracht, en er ook aan het puntenaantal van de gekozen inschrijver niets wordt gewijzigd. 27. Het vierde middel kan in zijn geheel niet worden aangenomen. VII. Kosten 28. Zoals bepaald in artikel 30/1, § 2, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan aan de tussenkomende partij, die een dergelijke vergoeding vraagt, geen rechtsplegingsvergoeding worden toegekend. XII-8822-28/29 BESLISSING 1. De verzoeken van de nv Modero Gerechtsdeurwaarders Antwerpen en de cvba Modero Gerechtsdeurwaarders Leuven tot tussenkomst worden ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. 3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op een rolrecht van 300 euro, ieder voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig november tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Patricia De Somere XII-8822-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.218 Gerelateerde publicatie(
  10. s)citeert: ECLI:EU:C:2016:555 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.