id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.231 Rolnummer: A. 228493/X-17538 Zaak: Arrest 246231 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 29/11/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-11-29 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-24 12:44 Fiche Arrest nr 246.231 van 29 november 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Inwilliging tussenkomst afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 246.231 van 29 november 2019 in de zaak A. 228.493/X-17.538 In zake :
- Hilde HAELTERMAN
- Renald WAUTERS
- Lydia STEPPE
- Mathieu GUILLOCHIN
- Elisa BEELLAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE ROOSDAAL Tussenkomende partij : de BVBA WEYNE PROJECTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Matthias Strubbe kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 juli 2019, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van 29 november 2018 van de gemeenteraad van de gemeente Roosdaal, houdende goedkeuring van de gewijzigde rooilijn en wegeniswerken voor een binnengebied „Korenbloem‟ gelegen te afd. 1, sectie C”. X-17.538-1/6 II. Verloop van de rechtspleging
- Op 30 augustus 2019 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partijen de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: het algemeen procedurereglement). De eerste, de tweede en de derde verzoekende partij hebben gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor de eerste, de tweede en de derde verzoekende partij, en advocaat Karlien Vernieuwe, die loco advocaten Pieter-Jan Defoort en Matthias Strubbe verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur An Van den Broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Tussenkomst
- Met een op 24 september 2019 verstuurd aangetekend verzoekschrift vraagt de bvba Weyne Projects om al te mogen tussenkomen, “nu X-17.538-2/6 zij aanvrager/houder is van de verkavelingsvergunning, waarop de wegenis – die het voorwerp uitmaakt van de bestreden beslissing – betrekking heeft”. Er is grond om het verzoek in te willigen. IV. Beoordeling
- Artikel 71, eerste, tweede en vierde lid, van het algemeen procedurereglement luiden: “De rechten bedoeld in artikel 70 en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, worden gekweten door middel van een overschrijving of een storting op rekening IBAN nr. BE09-6792-0030-1057, geopend bij de dienst die binnen de Federale Overheidsdienst van Financiën is aangewezen als bevoegd om de rechten en de bijdrage die betaald moeten worden in het kader van een voor de Raad van State ingediende procedure te innen. Zodra een recht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, verschuldigd zijn, zendt de hoofdgriffier aan de schuldenaar een overschrijvingsformulier dat een gestructureerde mededeling bevat die het mogelijk maakt om de te verrichten betaling in verband te brengen met de proceshandeling waarop ze betrekking heeft. […] Indien de in het eerste lid bedoelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, deelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de betrokken partij mee dat de kamer naargelang van het geval de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht zal beschouwen of van de rol zal schrappen, tenzij de betrokken partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord.”
- Met een brief van 3 juli 2019, die verzoekers op 4 juli 2019 ontvangen op het adres waarop zij woonplaatskeuze deden, deelt de hoofdgriffier mee dat zij voor het inschrijven op de rol van het verzoekschrift in totaal 1100 euro dienen te betalen op rekening nr. BE09 6792 0030 1057, “op naam van „Bruss 9 Verzoek. raadvst-req. consétat‟”, “BIC: PCHQBEBB met de gestructureerde mededeling 101/0228/49371”. X-17.538-3/6 Toegevoegd wordt onder meer: “Indien de hierboven vermelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, overeenkomstig artikel 71 vierde lid van voornoemd besluit [van de Regent], deelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de betrokken partij mee dat de kamer naargelang van het geval de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht zal beschouwen of van de rol zal schrappen, tenzij de betrokken partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord.” Op de ommezijde van de brief wordt onder andere artikel 71 van het algemeen procedurereglement weergegeven.
- Met een 6 augustus 2019 gedateerd stuk delen verzoekers mee dat Mathieu Guillochin en Elisa Beellaert afstand van het beroep doen en wordt gevraagd de procedure voor de overige verzoekers verder te zetten. Wat die overige verzoekers betreft, is evenwel evenmin een betaling van het rolrecht ontvangen.
- Om te voorkomen dat het beroep van de rol wordt geschrapt, argumenteren zij dat de termijn voor het betalen van het rolrecht zelfs “nog niet eens” is beginnen te lopen, minstens is er sprake van onoverwinnelijke dwaling. Uit de brief van 3 juli 2019 van de hoofdgriffier kan immers “op geen enkele wijze” worden afgeleid dat hij geldt als het overschrijvingsformulier bedoeld in artikel 71, tweede lid, van het algemeen procedurereglement: - de brief heeft niet “de geëigende vorm van een „overschrijvingsformulier‟” en draagt niet de vermelding “overschrijvingsformulier”; - ook was bij de brief geen overschrijvingsformulier gevoegd, zoals veelal het geval bij facturen en betalingsuitnodigingen; - in de brief van 3 juli 2019 is er slechts sprake van een verplichting van creditering binnen dertig dagen na ontvangst van “het” – niet “dit” – overschrijvingsformulier, “waaruit enkel kan worden afgeleid dat de brief dd. 3 juli 2019 niet geldt als overschrijvingsformulier, doch dat er in tegendeel na X-17.538-4/6 de brief nog een overschrijvingsformulier te verwachten is waarvan de ontvangst de betalingstermijn doet lopen”.
- Uit artikel 71 van het algemeen procedurereglement kan en moet worden begrepen dat het erin bedoelde overschrijvingsformulier een formulier of biljet is dat, van zodra een rolrecht en de bijdrage verschuldigd zijn, door de hoofdgriffier aan de schuldenaar wordt toegezonden met het oog op het overmaken van het vereiste bedrag en dat daartoe een gestructureerde mededeling bevat die het mogelijk maakt om de betaling in verband te brengen met de betrokken proceshandeling. De brief die de hoofdgriffier verzoekers, in aansluiting op de inschrijving van hun verzoekschrift op de rol, op 4 juli 2019 deed toekomen, voldoet daaraan. Dat de brief niet het uitzicht heeft van een klassieke (eertijds oranje, thans rode) “overschrijvingsopdracht” aan een bank, doet aan de geldigheid van het toegezonden formulier geen afbreuk.
- Voorts laat niets in de brief uitschijnen dat niet dit schrijven het uitgangspunt is van de termijn van dertig dagen waarbinnen verzoekers het bedrag van 1100 euro voor de inschrijving op de rol dienen te betalen, maar dat er, vooraleer de rekening moet worden gecrediteerd die in de brief wordt vermeld, eerst nog een ander, later, bericht mag worden afgewacht – een bericht dus dat, in strijd met artikel 71, tweede lid, van het algemeen procedurereglement, niet werd toegezonden “[z]odra [het rol]recht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, verschuldigd zijn”.
- Samenvattend doet de brief van de hoofdgriffier die verzoekers op 4 juli 2019 ontvingen wel degelijk de termijn van dertig dagen voor het betalen van het rolrecht en de bijdrage ingaan, en is het niet redelijkerwijs aannemelijk dat verzoekers daaromtrent in een toestand van onoverwinnelijke dwaling verkeerden. X-17.538-5/6 Aangezien de betaling is uitgebleven, dient het beroep van de rol te worden geschrapt. BESLISSING
- De Raad van State laat de bvba Weyne Projects toe in het debat tussen te komen.
- Het beroep wordt van de rol geschrapt.
- De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig november tweeduizend negentien, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.538-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.231 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div