← België

Arrest 246253 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 03/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.253 Rolnummer: A. 221869/X-16900 Zaak: Arrest 246253 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 03/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-10 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-24 12:51 Fiche Arrest nr 246.253 van 3 december 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 246.253 van 3 december 2019 in de zaak A. 221.869/X-16.900 In zake :

  1. de NV NOVUS
  2. Julbert MAES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
  3. de GEMEENTE SINT-KATELIJNE-WAVER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Lens kantoor houdend te 2800 Mechelen Grote Nieuwedijkstraat 417 bij wie woonplaats wordt gekozen
  4. de PROVINCIE ANTWERPEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 6 april 2017, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Sint- Katelijne-Waver d.d. 19 december 2016 […] houdende een negatief advies inzake de aanvraag tot principieel akkoord door de nv Novus tot aansnijding van het woonuitbreidingsgebied „Maenhoevevelden‟ te Sint-Katelijne-Waver” en van “het besluit van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen d.d. 26 januari 2017 houdende het niet goedkeuren van de aanvraag tot principieel akkoord door de nv Novus voor het aansnijden van bepaalde percelen binnen het woonuitbreidingsgebied „Maenhoevevelden‟ te Sint-Katelijne-Waver”. X-16.900-1/19 II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober
  7. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Karel Veuchelen, die loco advocaat Stijn Verbist verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Sophie De Maeijer, die loco advocaat Kris Lens verschijnt voor de eerste verwerende partij, en Veronique Elsemans, juriste, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten 3.
  9. De Maenhoevevelden liggen ten noordoosten van de kern Pasbrug-Nieuwendijk, die aansluit bij Mechelen. Het gebied is gelegen tussen X-16.900-2/19 twee steenwegen (Mechelsesteenweg en Berlaarbaan) in directe verbinding met het stadscentrum van Mechelen. Het gebied situeert zich in het Dijlebekken binnen het deelbekken van de Vrouwvliet en wordt doorkruist door de Maenhoevebeek, die geklasseerd is als waterloop van de tweede categorie. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan Mechelen ligt het gebied nagenoeg volledig in woonuitbreidingsgebied. In het zuidwesten van het gebied ligt een klein deel in woongebied en in het noorden bevindt zich ook een klein stuk reservatiezone voor de verlenging van de R
  10. Het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen (RSV) selecteert delen van Sint-Katelijne-Waver als onderdeel van het regionaalstedelijk gebied Mechelen. 3.
  11. Op 18 juli 2008 wordt het gewestelijk ruimtelijk uitvoerings- plan (gewestelijk RUP) “Afbakening regionaalstedelijk gebied Mechelen” vastgesteld. Het gebied Maenhoevevelden valt zo goed als samen met deelgebied 9 van dat gewestelijk RUP. Het gebied wordt ingekleurd als stedelijk woongebied en deels in overdruk als reservegebied voor lijninfrastructuur. 3.
  12. Vervolgens neemt de gemeente Sint-Katelijne-Waver het initiatief tot de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (gemeentelijk RUP) tot ontwikkeling van het gebied “Maenhoevevelden”. Het plangebied van dat gemeentelijk RUP is gelegen tussen de Mechelsesteenweg, de Akelei, de Berkelei, de Maenhoeveweg, de Wilgestraat en de Dennestraat. 3.
  13. Op 30 juli 2009 sluit de eerste verwerende partij met de cvba Intercommunale voor ontwikkeling van het Gewest Mechelen en Omgeving X-16.900-3/19 (Igemo) een overeenkomst houdende de ontwikkeling van het woonproject “Maenhoevevelden” te Sint-Katelijne-Wavere. Artikel 2 van die overeenkomst bepaalt onder meer: “De gemeente verleent exclusief aan Igemo de opdracht tot de gefaseerde ontwikkeling van het woonproject”. Artikel 37 voorziet erin dat de eerste verwerende partij een vergoeding verschuldigd is indien “de grondaankoop annex -verkoop of de aanleg van de infrastructuren en nutsvoorzieningen door omstandigheden die buiten de verantwoordelijkheid van Igemo vallen, geheel of gedeeltelijk niet kunnen plaatsvinden en de realisatie van het projectgebied of een ontwikkelingsfase daardoor onmogelijk wordt”. 3.
  14. Op 7 december 2009 stelt de gemeenteraad van de gemeente Sint-Katelijne-Waver het gemeentelijk RUP “Maenhoevevelden” definitief vast. Op 11 februari 2010 keurt de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen dit plan goed. 3.
  15. Met zijn arrest nr. 217.097 van 3 januari 2012 vernietigt de Raad van State de onder het vorige randnummer vermelde besluiten. 3.
  16. Op 23 september 2016 trekt de Vlaamse regering het deelgebied 8 en het deelgebied 9 (waartoe het gebied Maenhoevevelden behoort) van het gewestelijk RUP “Afbakening regionaalstedelijk gebied Mechelen” in. Ingevolge die intrekking geldt voor het gebied “Maenhoevevelden” de gewestplanbestemming woonuitbreidingsgebied. 3.
  17. Een tegen het voormelde intrekkingsbesluit ingediend annulatieberoep wordt met ‟s Raads arrest nr. 244.938 van 25 juni 2019 verworpen. 3.
  18. De eerste verzoekende partij is een projectontwikkelaar die voor de ontwikkeling van het woonuitbreidingsgebied “Maenhoevevelden” een X-16.900-4/19 principieel akkoord heeft aangevraagd. Die aanvraag betreft meer bepaald de kadastrale percelen gekend als afdeling 2, sectie C, nrs. 230s, 224z, 224n2, 221s, 221p, 223p, 222k, 223c, 223b , 223g, 223h, 222w, 222s, 222t, 222v, 222r, 222e, 217m3, 217r2, 217n3, 217x3, 246e, 245f, 244, 255d, 253e, 252b, 252c, 251t, 251r, 251v, 243r11, 254h, 255, 249r, 268c, 268k, 256e, 267h2, 367k2, 267w2, 269h, 270m2, 266x3, 266v3, 266y3, 269f, 267v en 267g
  19. 3.
  20. Tweede verzoeker stelt eigenaar te zijn van het voormelde perceel nr. 223b. 3.
  21. Op 19 december 2016 verleent de eerste verwerende partij een negatief advies over de onder randnummer 3.9 vermelde aanvraag. Dit is het eerste bestreden besluit. 3.
  22. Op 26 januari 2017 weigert de tweede verwerende partij de voormelde aanvraag op grond van het voormelde bindend negatief advies van de eerste verwerende partij. Het perceel van tweede verzoeker bevindt zich binnen de projectzone waarvoor het principieel akkoord geweigerd is. Dit is het tweede bestreden besluit. 3.
  23. Ook Igemo dient een aanvraag tot principieel akkoord voor de ontwikkeling van een aantal percelen binnen het gebied “Maenhoevevelden” in. Deze aanvraag heeft betrekking op de percelen nrs. 254h, 243r11, 255 en 256e. 3.
  24. Op 19 december 2016 verleent de eerste verwerende partij een positief advies over de voormelde aanvraag van Igemo. Op 26 januari 2017 keurt de tweede verwerende partij deze aanvraag van Igemo goed. X-16.900-5/19 3.
  25. De verzoekende partijen hebben bij de Raad van State een annulatieberoep tegen de onder het vorige randnummer vermelde beslissingen ingediend (zaak A. 221.824/X-16.893). IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Ratione temporis Standpunt van de partijen 4.
  26. De verzoekende partijen doen in hun verzoekschrift gelden dat het tweede bestreden besluit aan de eerste verzoekende partij ter kennis werd gebracht bij aangetekende brief van 1 februari
  27. Het verzoekschrift werd ingediend “binnen zestig dagen na deze kennisgeving, waarvan de eerste dag de derde werkdag is die volgt op de verzending van de brief”. Zij stellen verder dat de eerste bestreden beslissing hen niet rechtstreeks ter kennis is gebracht. Deze beslissing werd op 6 februari 2017 op de website van de gemeente gepubliceerd, zodat hun op 6 april 2017 ertegen ingestelde beroep tijdig is. 4.
  28. De eerste verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord de tijdigheid van het beroep. Zij werpt op dat de deputatie ten aanzien van de verzoekende partijen geen “kennisgevingsplicht” heeft, zodat “de feitelijke kennisname als ijkpunt ter beoordeling van de tijdigheid van het verzoekschrift tot vernietiging” geldt. De mogelijke tijdigheid van het beroep tegen de eerste bestreden beslissing “biedt geen soelaas”, omdat het beroep tegen deze beslissing “staat of valt” met de ontvankelijkheid van het beroep tegen de tweede bestreden beslissing. “In ondergeschikte orde” merkt de eerste verwerende partij op “dat de brief per aangetekende post werd verstuurd op woensdag 1 februari [2017] waardoor het voor haar bijzonder sterk lijkt dat deze brief pas op X-16.900-6/19 6 februari 2017 […] de [v]erzoekende partijen zou hebben bereikt”. Zij wijst erop dat zijzelf de kennisgevingsbrief van de tweede verwerende partij op 2 februari 2017 heeft ontvangen. Ten aanzien van tweede verzoeker moet volgens de eerste verwerende partij “worden aangenomen dat hij kennis heeft gekregen” van de tweede bestreden beslissing “nadat” de eerste verzoekende partij van deze beslissing kennis kreeg. 4.
  29. De tweede verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord tegen dat eerste verzoekende partij van de tweede bestreden beslissing in kennis werd gesteld “bij aangetekende brief met ontvangstmelding d.d. 1 februari 2017”. Uit een mailbericht van 2 februari 2017 “van eerste verzoekende partij zelf”, blijkt volgens haar dat het aangetekend schrijven op 2 februari 2017 aan laatstgenoemde partij werd aangeboden. “Ook uit de ontvangstmeldingen” van de eerste verwerende partij en Ruimte Vlaanderen blijkt dat zij het aangetekend schrijven op 2 februari 2017 hebben ontvangen. De beroepstermijn begon voor de eerste verzoekende partij te lopen vanaf 2 februari 2017 om te verstrijken op maandag 3 april
  30. Het op 6 april 2017 ingediende beroep is laattijdig. Ten aanzien van tweede verzoeker betoogt de tweede verwerende partij dat hij de tweede bestreden beslissing met een mailbericht van 2 februari 2017 heeft opgevraagd, en deze beslissing op 3 februari 2017 heeft ontvangen. Ook voor hem verstreek de beroepstermijn op maandag 3 april 2017 en is het op 6 april 2017 ingediende beroep laattijdig. Wat de eerste bestreden beslissing betreft, werd het beroep ertegen volgens de tweede verwerende partij door de beide verzoekende partijen laattijdig ingediend. Het tweede bestreden besluit verwijst immers naar de inhoud ervan. X-16.900-7/19 4.
  31. De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord dat de tweede bestreden beslissing de rechtspositie van de eerste verzoekende partij wijzigt, zodat de beroepsmogelijkheden ertegen met toepassing van artikel 19, tweede lid, RvS-Wet expliciet dienden vermeld te worden. Dit is niet gebeurd, zodat de beroepstermijn geen aanvang nam “voor juni 2017”. Voorts wijzen zij erop dat de tweede bestreden beslissing op woensdag 1 februari 2017 bij gewone aangetekende brief werd betekend, zodat de eerste dag voor de termijnberekening met toepassing van artikel 4, § 2, derde lid, van het algemeen procedurereglement, de derde werkdag volgend op de verzending is, te dezen 6 februari
  32. Het op 6 april 2017 tegen de tweede bestreden beslissing ingediende beroep is dan ook tijdig. Wat de eerste bestreden beslissing betreft, menen zij dat een verwijzing naar de inhoud ervan in het tweede bestreden besluit “niet dienstig [is]”, nu de motivering van de eerste bestreden beslissing “maar liefst 8 pagina‟s [behelst]”. De samenvatting van de eerste bestreden beslissing in het tweede bestreden besluit “over een lengte van slechts enkele regels” stelde hen niet in staat om de motivering ervan afdoende te vatten. 4.
  33. In hun laatste memorie doen de verzoekende partijen gelden dat artikel 19, tweede lid, RvS-Wet “geen voorwaarde [bevat] die stelt dat [de] beroepsmogelijkheden op de bestemmeling van toepassing moeten zijn”. De niet vermelding van deze beroepsmogelijkheden heeft derhalve ook ten aanzien van tweede verzoeker gevolgen. 4.
  34. De eerste verwerende partij doet in haar laatste memorie nog gelden dat een beslissing omtrent een principieel akkoord een reglementair karakter heeft, en dat “[v]oor zover de bestreden beslissing een individuele strekking heeft, […] deze individuele strekking uiteraard enkel tegenstelbaar [kan] zijn aan de bestemmeling van de bestreden beslissing” en dus niet aan tweede verzoeker. X-16.900-8/19 Beoordeling 5.
  35. Het toentertijd geldende artikel 5.6.6, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), bepaalt: “Buiten de gevallen, vermeld in § 1, en onverminderd de gevallen, toegelaten bij artikel 5.1.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, kan een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van woningen of een verkavelingsvergunning in woonuitbreidings- gebied eerst worden afgeleverd, indien de aanvrager beschikt over een principieel akkoord van de deputatie. In een principieel akkoord bevestigt de deputatie dat de vooropgestelde ontwikkeling ingepast kan worden in het lokaal woonbeleid, zoals vormgegeven in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en desgevallend in andere openbare beleidsdocumenten. De deputatie wint daaromtrent het voorafgaand advies van de gemeenteraad in. Dat advies is bindend in zoverre het negatief is. Indien de gemeenteraad geen advies aflevert binnen een termijn van negentig dagen, ingaande de dag na deze van de betekening van de adviesvraag, kan aan deze adviesverplichting worden voorbijgegaan. Een principieel akkoord verplicht de gemeente ertoe om binnen het jaar een voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg op te maken. De Vlaamse Regering kan nadere materiële en procedurele regelen bepalen voor de toepassing van deze paragraaf.” 5.
  36. Artikel 4 van het algemeen procedurereglement luidt: “§
  37. […] De beroepen bedoeld in artikel 14, §§ 1 en 3 van de gecoördineerde wetten verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. […] §
  38. Wanneer de in paragraaf 1 genoemde kennisgeving geschiedt bij aangetekende brief met ontvangstmelding, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift die welke volgt op de ontvangst van de brief en is hij inbegrepen in de termijn. Indien de geadresseerde de brief weigert, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift die welke volgt op de dag van weigering van de brief en is hij inbegrepen in de termijn. Wanneer de in paragraaf 1 genoemde kennisgeving geschiedt bij gewone aangetekende brief, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift de derde werkdag die volgt op de verzending van de X-16.900-9/19 brief, behoudens bewijs van het tegendeel door de geadresseerde, en is die dag inbegrepen in de termijn. Het postmerk geldt als bewijs, zowel voor de verzending als voor de ontvangst of de weigering.” Artikel 19, tweede lid, RvS-Wet bepaalt: “De verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, nemen alleen een aanvang op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt. Indien aan die verplichting niet wordt voldaan dan nemen de verjaringstermijnen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de akte of de beslissing met individuele strekking ter kennis werd gebracht.” 5.
  39. De tweede bestreden beslissing weigert de aanvraag tot principieel akkoord van de eerste verzoekende partij. Zij houdt een administratieve rechtshandeling met individuele strekking in, die aan deze partij betekend dient te worden. 5.
  40. De betekening van de tweede bestreden beslissing aan de eerste verzoekende partij blijkt bij gewone aangetekende brief van woensdag 1 februari 2017 te zijn geschied. Met toepassing van artikel 4, § 2, derde lid, van het algemeen procedurereglement, is de eerste dag van de beroepstermijn derhalve de derde werkdag na de verzending ervan, dit is te dezen op maandag 6 februari
  41. Overeenkomstig artikel 4, § 2, derde lid, van het algemeen procedure- reglement wordt op dit principe enkel een uitzondering gemaakt indien de geadresseerde het tegendeel aantoont, wat te dezen niet het geval is. Bovendien is bij de kennisgeving van de tweede bestreden beslissing aan de eerste verzoekende partij geen melding gemaakt van de beroepsmogelijkheden, zoals vereist door artikel 19, tweede lid, RvS-Wet. Overeenkomstig die bepaling nam de beroepstermijn ten aanzien van de eerste verzoekende partij slechts een aanvang 4 maanden nadat de tweede bestreden beslissing hem ter kennis werd gebracht. X-16.900-10/19 Het beroep dat de eerste verzoekende partij op 6 april 2017 tegen de tweede bestreden beslissing heeft ingesteld, is gezien het voormelde hoe dan ook tijdig. 5.
  42. De eerste bestreden beslissing betreft een negatief bindend advies. Zij heeft voor de eerste verzoekende partij als rechtstreeks gevolg dat het gevraagde principieel akkoord haar moet geweigerd worden. Die beslissing is de eerste verzoekende partij niet betekend geworden. Het blijkt niet dat zij er meer dan zestig dagen voor het instellen van het beroep kennis van had. 5.
  43. Tweede verzoeker is niet de aanvrager van het principieel akkoord. De bestreden beslissingen dienden hem niet betekend te worden. Gelet op artikel 4 van het algemeen procedurereglement doet de feitelijke kennisname van de bestreden beslissingen de beroepstermijn ten aanzien van hem ingaan. 5.
  44. Uit de stukken van het dossier blijkt dat tweede verzoeker de tweede bestreden beslissing met een mailbericht van 3 februari 2017 heeft ontvangen. De beroepstermijn tegen deze beslissing nam voor tweede verzoeker dan ook een aanvang op 3 februari 2017 om te eindigen op 4 april
  45. Zijn op 6 april 2017 ingediend beroep is derhalve laattijdig ten aanzien van de tweede bestreden beslissing. Anders dan de eerste verwerende partij dit ziet, kan tweede verzoeker zich niet op de door artikel 19, tweede lid, RvS-Wet voorgeschreven vermelding van de beroepsmogelijkheden beroepen, nu de tweede bestreden beslissing hem niet betekend moest worden. 5.
  46. Bij ontstentenis van een tijdig beroep tegen deze eindbeslissing is hij hoe dan ook zonder belang bij een beroep tegen de eerste bestreden beslissing, zijnde slechts een voorbereidende beslissing. 5.
  47. Het beroep is niet ontvankelijk in zoverre het door tweede verzoeker is ingesteld. X-16.900-11/19 Onder “de verzoekende partij” wordt hierna enkel de eerste verzoekende partij begrepen. B. Ratione personae Standpunt van de partijen 6.
  48. De eerste verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord tegen dat het “niet duidelijk” is welke rechtspersoon de aanvraag tot het verkrijgen van een principieel akkoord heeft ingediend. De eerste bestreden beslissing maakt melding van Novus Projects, maar er is “geen rechtspersoon bekend met deze naam”. 6.
  49. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord dat de aanvraag door D. voor de nv Novus werd ingediend, wat in het tweede bestreden besluit overigens expliciet wordt bevestigd. Beoordeling 7.
  50. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de verzoekende partij de aanvraag tot principieel akkoord heeft ingediend. Dit wordt in het tweede bestreden besluit ook uitdrukkelijk vermeld. De verzoekende partij heeft dan ook de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang bij het indienen van huidig beroep. Dat in de eerste bestreden beslissing “Novus Projects” wordt vermeld, doet niet anders besluiten. 7.
  51. De exceptie is ongegrond. X-16.900-12/19 V. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen 8.
  52. De verzoekende partij roept in een tweede middel de schending in van onder meer het onpartijdigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Zij betoogt dat de eerste verwerende partij haar advies niet in volle onafhankelijkheid heeft kunnen geven en partijdig was, nu zij “t.a.v. de betreffende gronden een overeenkomst [had] ondertekend met Igemo waarin was bepaald dat de betreffende gronden exclusief door Igemo konden en kunnen worden ontwikkeld”. Het spreekt volgens de verzoekende partij “voor zich dat een gemeente, die tevens contractspartij is bij een overeenkomst waarin wordt bepaald dat bepaalde (private) eigendommen slechts door de intercommunale Igemo kunnen worden ontwikkeld, niet op onafhankelijke en onpartijdige wijze een advies kan verlenen t.a.v. een principieel akkoord dat impliceert dat de betreffende gronden door […] de eigenaars zelf (en hun contractant, in casu de nv Novus) zullen worden ontwikkeld. Deze intentie staat immers haaks op de verbintenis die de gemeente heeft aangegaan jegens Igemo in het kader van een overeenkomst op grond waarvan zeer zware financiële sancties de gemeente kunnen treffen”. 8.
  53. De eerste verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat de verzoekende partij het vereiste belang ontbeert bij het middel omdat “wordt verwezen naar samenwerkingsovereenkomsten tussen de private eigenaars en de nv BGR en Danneels”, maar nergens de naam van de verzoekende partij ter sprake komt. Ten gronde betoogt zij dat de toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel er niet mag toe leiden dat het nemen van een regelmatige beslissing onmogelijk wordt. Het standpunt van de verzoekende partij komt er volgens haar op neer dat de gemeente “geen enkele decretaal X-16.900-13/19 toegewezen opdracht meer kan uitoefenen wegens een gebrek aan onpartijdigheid”. Zij wijst in dit verband naar haar bevoegdheid om over een aanvraag tot omgevingsvergunning te beslissen en om te beslissen over de zaak van de wegen. Alleszins geeft de verzoekende partij volgens haar “een verkeerde lezing aan de overeenkomst”. De eerste verwerende partij wijst erop dat zij “steeds de intentie [heeft] gehad om […] de ontwikkeling van het woonuitbreidingsgebied Maenhoevevelden structureel en kwalitatief te laten verlopen”, dat zij daarom “aan Igemo [heeft] gevraagd om de regie van de ontwikkeling van het woonproject in handen te nemen”, en dat zij zich er uiteraard “ter dege bewust [van is] dat Igemo nog een aantal grondverwervingen moet verwezenlijken”. Een en ander “komt [haar] ook logisch voor aangezien het artikel 2.4.
  54. §2 VCRO toelaat aan intergemeentelijke verenigingen om op te treden als onteigenende instanties”. Zij besluit: “Daarentegen houdt dit niet ipso facto in dat de huidige bestreden beslissing[en] werden genomen met miskenning van het onpartijdigheids- en onafhankelijkheidsbeginsel aangezien de huidige bestreden beslissing[en] worden geënt op een andere rechtsfiguur, namelijk het principieel akkoord, én een andere premisse, namelijk de ontwikkeling van een woonuitbreidingsgebied en niet een ruimtelijk uitvoeringsplan.” 8.
  55. De tweede verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat de kwestieuze samenwerkingsovereenkomst niets bepaalt “m.b.t. de aanvraag van een principieel akkoord door Igemo en hoe met deze aanvraag moet omgegaan worden”. Daarnaast benadrukt zij dat “een principieel akkoord slechts een stap in de administratieve procedure is om een stedenbouwkundige vergunning […] of om een verkavelingsvergunning te bekomen”. Het principieel akkoord houdt geenszins in dat zulke vergunningen zullen verleend worden. Verder stelt de tweede verwerende partij dat het principieel akkoord “een zakelijk karakter [heeft]”, dat “uitsluitend [dient] nagegaan te worden of een vooropgestelde ontwikkeling ingepast kan worden in het lokaal woonbeleid” en dat de eerste bestreden beslissing van “redelijk verantwoorde motieven” uitgaat en met de vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid werd verleend. Van “een verstoring van de normale werking van de gemeenteraad” van de eerste X-16.900-14/19 verwerende partij is volgens haar geen sprake, “noch wordt dit door verzoekende partij aannemelijk gemaakt”. 8.
  56. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord dat Igemo geenszins over de bevoegdheid beschikt om te kunnen onteigenen. Zij wijst erop dat gemeenteraadslid D.K. op de gemeenteraad van de eerste verwerende partij van 19 december 2016 heeft gesteld dat “het heel gevaarlijk [is] om als de ene een vraag stelt „ja‟ te zeggen en als de andere een vraag stelt „nee‟ te zeggen”, dat dit “zal tot juridische problemen leiden” en dat hij vindt dat “dit helemaal niet correct [is]”. 8.
  57. De verzoekende partij betoogt in haar laatste memorie dat de samenwerkingsovereenkomst tussen de eerste verwerende partij en Igemo wordt verdergezet ondanks ‟s Raads vernietigingsarrest nr. 217.097 van 3 januari 2012 en dat er de eerste verwerende partij “een aanzienlijke schadevordering boven het hoofd [hangt]” indien de samenwerkingsovereenkomst niet kan uitgevoerd worden. Volgens een persartikel, zoals bevestigd in de notulen van de gemeenteraad van de eerste verwerende partij, “bedroegen de gemaakte kosten door Igemo in uitvoering van deze samenwerkingsovereenkomst in 2016 reeds zes à acht miljoen euro”. 8.
  58. De eerste verwerende partij doet in haar laatste memorie gelden dat in “de these van de verzoekende partij[…] het optreden van de gemeenteraad overeenkomstig artikel 5.6.
  59. §2 VCRO volstrekt onmogelijk [wordt], terwijl dit net een essentiële stap uitmaakt in het kader van een procedure tot aanvraag van een principieel akkoord”, alsook dat de verzoekende partij “eigenlijk een onvolledige aanvraag heeft ingediend doordat niet werd aangegeven in welke mate de voorgestelde ontwikkeling zou kunnen conformeren aan het GRS en andere openbare beleidsdocumenten met de veruitwendiging van het woonbeleid”. X-16.900-15/19 Beoordeling 9.
  60. Vastgesteld wordt dat tussen de verzoekende partij en meerdere grondeigenaren een overeenkomst bestaat met het oog op de ontwikkeling van het gebied “Maenhoevevelden”. In artikel 1 van die overeenkomst verklaart de verzoekende partij “in te brengen in de samenwerkingsovereenkomst ter realisatie van de verkaveling: haar juridische, technische kennis en administratieve know- how teneinde een definitieve, onherroepelijke en uitvoerbare verkavelings- vergunning en stedenbouwkundige vergunning voor [de] aanleg van wegenis/riolering en nutsleidingen te verkrijgen – die in rechte niet meer aanvechtbaar is, alsmede alle kosten te dragen zoals hierna vermeld [...]”. Gezien het voormelde bezit de verzoekende partij wel degelijk een voldoende belang bij het middel dat de onpartijdige beoordeling van haar aanvraag tot principieel akkoord voor de ontwikkeling van het gebied “Maenhoevevelden” betwist. De desbetreffende ontvankelijkheidsexceptie van de eerste verwerende partij is ongegrond. 9.
  61. De eerste verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat zij “steeds de intentie [heeft] gehad om […] de ontwikkeling van het woonuitbreidingsgebied Maenhoevevelden structureel en kwalitatief te laten verlopen” en dat zij daarom “aan Igemo [heeft] gevraagd om de regie van de ontwikkeling van het woonproject in handen te nemen”. Blijkens de stukken van het dossier heeft zij daartoe op 30 juli 2009 met Igemo een overeenkomst voor de ontwikkeling van het gebied “Maenhoevevelden” afgesloten. Luidens artikel 2 van die overeenkomst verleent de eerste verwerende partij aan Igemo exclusief de opdracht tot de gefaseerde ontwikkeling van het woonproject op het gebied “Maenhoevevelden”. Het blijkt niet dat de eerste verwerende partij na de vernietiging bij ‟s Raads arrest nr. 217.097 van 3 januari 2012 van het gemeentelijk RUP “Maenhoevevelden” van de voormelde overeenkomst heeft afgezien. Integendeel heeft de eerste kamer van het hof van beroep te Antwerpen in zijn arrest van X-16.900-16/19 8 mei 2017 geoordeeld dat de instandhouding van de kwestieuze overeenkomst na ‟s Raads voormelde arrest onzorgvuldig is. 9.
  62. Er valt niet in te zien hoe de eerste verwerende partij, gezien de door haar exclusief aan Igemo verleende opdracht tot de gefaseerde ontwikkeling van het woonproject op het gebied “Maenhoevevelden”, in alle objectiviteit, zonder vooringenomenheid en zonder gebonden te zijn door deze overeenkomst, over verzoeksters aanvraag tot principieel akkoord met betrekking tot de ontwikkeling van het gebied “Maenhoevevelden” heeft kunnen adviseren. Dit geldt nog meer, gelet op het in artikel 37 van de kwestieuze overeenkomst voorziene verregaande beding dat de eerste verwerende partij een schadevergoeding verschuldigd is als het project niet kan doorgaan “buiten de verantwoordelijkheid van Igemo” (zie randnummer 3.4). 9.
  63. De verwerende partijen stellen terecht dat het onpartijdigheidsbeginsel geen toepassing kan vinden op een orgaan van actief bestuur indien die toepassing onverenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de eigen structuur van dat bestuur, en de toepassing van dit beginsel het optreden van dit orgaan onmogelijk zou maken. Dit laatste blijkt in casu echter niet op te gaan. Vooreerst dient opgemerkt dat, gelet op artikel 5.6.6, § 2, tweede lid, VCRO, de gemeente er zich van onthouden kon hebben advies uit te brengen, zonder dat dit de afhandeling van de aanvraag van verzoekster in de weg zou hebben gestaan. De eerste verwerende partij was er voorts geenszins toe gehouden om de kwestieuze overeenkomst met Igemo te sluiten, noch toont zij aan of maakt zij aannemelijk dat zij niet eerst nog kon terugkomen op de in die overeenkomst aangegane verbintenissen alvorens over de aanvraag tot principieel akkoord van de eerste verzoekende partij een advies te verlenen. Derhalve kan het betoog van de eerste verwerende partij dat in “de these van de verzoekende partij[…] het optreden van de gemeenteraad overeenkomstig artikel 5.6.
  64. §2 VCRO volstrekt onmogelijk [wordt]” en dat de X-16.900-17/19 uitoefening van haar bevoegdheid om over een aanvraag tot omgevingsvergunning te beslissen en om te beslissen over de zaak van de wegen onmogelijk wordt gemaakt, geen bijval vinden. 9.
  65. Uit het voorgaande blijkt een schending van het ingeroepen onpartijdigheidsbeginsel. De door de verwerende partijen aangehaalde omstandigheden dat het principieel akkoord geenszins inhoudt dat al een vergunning wordt verleend, dat de eerste bestreden beslissing van “redelijk verantwoorde motieven” uitgaat, en dat de verzoekende partij in haar aanvraag tot principieel akkoord niet heeft aangegeven “in welke mate de voorgestelde ontwikkeling zou kunnen conformeren aan het GRS en andere openbare beleidsdocumenten met de veruitwendiging van het woonbeleid”, doen niet anders besluiten. 9.
  66. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  67. De Raad van State verwerpt het beroep ten aanzien van Julbert Maes.
  68. De Raad van State vernietigt 1° besluit van de gemeenteraad van de gemeente Sint-Katelijne-Waver van 19 december 2016 houdende een negatief advies inzake de aanvraag tot principieel akkoord van de nv Novus tot aansnijding van het woonuitbreidingsgebied “Maenhoevevelden” te Sint- Katelijne-Waver en 2° het besluit van de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen van 26 januari 2017 houdende het niet goedkeuren van de aanvraag tot principieel akkoord van de nv Novus voor het aansnijden van het woonuitbreidingsgebied “Maenhoevevelden” te Sint- Katelijne-Waver.
  69. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het tweede vernietigde besluit. X-16.900-18/19
  70. Julbert Maes wordt verwezen in de kosten van zijn beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
  71. De verwerende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de overige kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de eerste verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie december tweeduizend negentien, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-16.900-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.253 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.