id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.264 Rolnummer: A. 224567/IX-9246 Zaak: Arrest 246264 - Varia (justitie) - 03/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-05 Raadplegingen: 238 - laatst gezien 2026-06-29 06:53 Fiche Arrest nr 246.264 van 3 december 2019 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 246.264 van 3 december 2019 in de zaak A. 224.567/IX-9246 In zake : de UNIVERSITAIRE ZIEKENHUIZEN LEUVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten An Vijverman en Filip Van Der Mauten kantoor houdend te 3000 Leuven Mechelsestraat 107-109 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 februari 2018, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de FOD Justitie van 21 december 2017 waarbij de FOD Justitie beslist om de ziekenhuiskosten van [M.E.M.] niet ten laste te nemen”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9246-1/8 Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 september
- Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sander Briké, die loco advocaat An Vijverman verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- M.E.M. verblijft sinds 28 november 2006 in de gevangenis van Berkendael. Op 5 maart 2010 keert M.E.M. niet terug naar de gevangenis na een uitgaansvergunning. Zij is vanaf dan voortvluchtig. 3.
- Op 1 augustus 2017 wordt M.E.M. opgenomen in het UZ Leuven. Er worden verschillende medische prestaties verleend ter verzorging van M.E.M. en op 22 november 2017 wordt zij terug ontslagen uit het ziekenhuis. IX-9246-2/8 3.
- Op diezelfde 22 november 2017 biedt M.E.M. zich aan bij de gevangenis van Sint-Gillis. 3.
- Op 15 december 2017 stuurt het UZ Leuven een brief aan de federale overheidsdienst Justitie (hierna: de FOD Justitie) met het verzoek tot terugbetaling van de bijgevoegde facturen voor de medische zorgen verstrekt aan M.E.M. van 1 augustus 2017 tot 22 november
- 3.
- Met een e-mail van 21 december 2017 deelt de dienst Coördinatie Medische Zorg van het directoraat-generaal EPI van de FOD Justitie aan het UZ Leuven mee: “Onze dienst heeft uw vraag bekeken. Betrokkene was gedurende de ziekenhuisopname dd. 01/08/2017 – 22/11/2017 voortvluchtig en bijgevolg niet in detentie. Gelet op dit gegeven, zal het Ministerie van Justitie de ziekenhuiskosten niet ten laste nemen.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Toepassing kortedebattenprocedure – rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij argumenteert dat het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het geschil het recht op de ontvangst van de betaling van ziekenhuisfacturen betreft, en aldus betrekking heeft op de vaststelling van een subjectief recht. De bestreden beslissing heeft een louter declaratief karakter waar deze vaststelt dat de betrokkene geen gedetineerde was zodat de verwerende partij de ziekenhuiskosten niet ten laste dient te nemen.
- De verzoekende partij repliceert dat het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het geschil geen subjectief recht betreft, maar dat het IX-9246-3/8 gaat over de interpretatie van de toepasselijke wetsartikelen en de toepassing die ervan wordt gemaakt door de verwerende partij in de bestreden beslissing. Met de bestreden beslissing wordt wel degelijk een administratieve rechtshandeling gesteld. Er wordt immers belet dat in hoofde van de verzoekende partij een rechtsgevolg tot stand komt, namelijk dat de door haar verstrekte geneeskundige prestaties worden terugbetaald overeenkomstig de regeling voor gedetineerden. Deze terugbetaling moet worden gekwalificeerd als een recht dat gedragen wordt door de verzoekende partij. Het is pas wanneer de verwerende partij beslist dat M.E.M. als gedetineerde moet worden beschouwd dat de verzoekende partij rechten verkrijgt die voortvloeien uit die beslissing. Beoordeling 6.
- Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een – in dit geval niet bestaande – toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Het bestaan van een subjectief recht veronderstelt dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft. Een partij kan zich ten aanzien van de administratieve overheid enkel op een dergelijk recht beroepen, als de bevoegdheid van die overheid volledig gebonden is (Cass. 9 december 2016, C.16.0057.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161209.2). 6.
- Krachtens artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring IX-9246-4/8 wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. Die bevoegdheid wordt bepaald door het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass. 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en C.11.0457.F).
- Het voorliggende beroep heeft betrekking op de terugvordering door de verzoekende partij van medische kosten verbonden aan een ziekenhuisopname van een patiënt. Met de bestreden beslissing weigert de verwerende partij om die ziekenhuiskosten ten laste te nemen.
- In beginsel worden de kosten van een ziekenhuisopname deels ten laste genomen door de betrokken patiënt en deels door een ziekenfonds in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige zorg, overeenkomstig hetgeen is geregeld in de wet „betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen‟, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna: de gecoördineerde wet van 14 juli 1994). Voornoemd beginsel geldt niet voor, onder meer, personen die in de gevangenis zijn opgesloten. Artikel 5 van de verordening van 28 juli 2003 „tot uitvoering van artikel 22, 11°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994‟, zoals van toepassing op het ogenblik van het verstrekken van de medische zorgen aan M.E.M. en het nemen van de thans bestreden beslissing, bepaalt immers: “De in de wet bepaalde geneeskundige verstrekkingen worden geweigerd zolang de rechthebbende in een gevangenis is opgesloten, of in een gesticht voor sociale bescherming is geïnterneerd. Deze weigering geldt niet voor geneeskundige verstrekkingen tijdens de periode gedurende dewelke de rechthebbende zich ten gevolge van een beslissing van de bevoegde overheid, buiten de gevangenis of het gesticht voor sociale bescherming bevindt, onder toepassing van de maatregel van penitentiair verlof of elektronisch toezicht zoals respectievelijk bedoeld in de IX-9246-5/8 artikelen 6 en 22 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.” Voor gedetineerden neemt de FOD Justitie de kosten ten laste van de geneeskundige verzorging. Daarvoor ontvangt de FOD Justitie in bepaalde gevallen een financiële tussenkomst vanwege het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (hierna: RIZIV). Zo bepaalt artikel 56, §3bis, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994: “ De Koning bepaalt, op voorstel van de Minister, de voorwaarden onder dewelke het Instituut een financiële tussenkomst toekent aan de FOD Justitie om de prestaties te dekken die zijn bedoeld in artikel 34 van deze wet, verleend naar aanleiding van een opname in een verpleeginrichting zoals bedoeld in artikel 34, eerste lid, 6°, of van een daghospitalisatie zoals bedoeld in de nationale overeenkomst tussen de verzekeringsinstellingen en de verpleeginrichtingen, afgeleverd op vraag van gevangenisarts aan de gedetineerden die zich in de penitentiaire inrichting bevinden. De Koning bepaalt op voorstel van de Minister de voorwaarden onder dewelke het Instituut een financiële tussenkomst toekent aan de FOD Justitie om de kosten te dekken die gepaard gaan met de aflevering van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen die zijn aangekocht door de algemene directie van de gevangenissen aan gedetineerden die zich in penitentiaire inrichtingen bevinden. […]” Voormeld artikel betreft aldus de regeling voor het toekennen van een financiële tussenkomst door het RIZIV aan de FOD Justitie voor onder meer het dekken van de prestaties die in een ziekenhuis worden verstrekt aan een gedetineerde op vraag van een gevangenisarts.
- In de bestreden beslissing is de verwerende partij van oordeel dat M.E.M. op het moment van de door de verzoekende partij verstrekte zorgen niet als een gedetineerde kan worden beschouwd en om die reden neemt de verwerende partij aan dat zij de kosten niet ten laste dient te nemen.
- De verzoekende partij betwist dat en beroept zich op voornoemd artikel 56, §3bis, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, waaruit zij een IX-9246-6/8 verplichting afleidt in hoofde van de verwerende partij tot betaling van medische kosten verstrekt aan een voortvluchtige. De verzoekende partij stelt uitdrukkelijk in haar memorie van wederantwoord dat de terugbetaling aan haar een recht is dat door haar wordt gedragen. Zij meent voorts ook dat het geschil betrekking heeft op de interpretatie van de toepasselijke wetsartikelen en de toepassing die ervan wordt gemaakt door de verwerende partij in de bestreden beslissing, namelijk de interpretatie of de persoon die medische verzorging genoot en waarop de medische kosten die worden teruggevorderd betrekking hebben, dient te worden beschouwd als een „gedetineerde‟ in de zin van artikel 2, 4°, van de basiswet van 12 januari 2005 „betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden‟ (hierna: de basiswet van 12 januari 2005) en van artikel 56, §3bis, van de gecoördineerde wet van 14 juli
- Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan de verwerende partij oplegt en bij de nakoming waarvan zij belang heeft. De bevoegdheid van de verwerende partij is daarbij volledig gebonden. Aldus betreft het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep, namelijk de vaststelling van een verplichting in hoofde van de FOD Justitie dan wel in hoofde van de verplichte ziekteverzekering tot het ten laste nemen van de geneeskundige verstrekkingen verleend aan M.E.M, een geschil over een subjectief recht, waarvoor uitsluitend de hoven en rechtbanken bevoegd zijn. De omstandigheid dat de oplossing van dat geschil een interpretatie vergt van wat dient te worden beschouwd als een „gedetineerde‟ in de zin van artikel 2, 4°, van de basiswet van 12 januari 2005 en van artikel 56, § 3bis, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, verandert niets daaraan.
- Gelet op het voorgaande is de Raad van State zonder rechtsmacht om van het voorliggende beroep kennis te nemen.
- De exceptie is gegrond. IX-9246-7/8
- In het auditoraatsverslag wordt terecht ervan uitgegaan dat over het voorliggende beroep tot nietigverklaring uitspraak kan worden gedaan met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie december tweeduizend negentien, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-9246-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.264 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161209.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div