id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.266 Rolnummer: A. 217638/IX-8766 Zaak: Arrest 246266 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 03/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-05 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-24 12:56 Fiche Arrest nr 246.266 van 3 december 2019 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 246.266 van 3 december 2019 in de zaak A. 217.638/IX-8766 In zake: Sigurd D’HONDT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2600 Antwerpen Uitbreidingstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 november 2015, strekt tot de nie- tigverklaring van de beslissing van de raad van bestuur van de Universiteit Gent van 11 september 2015 waarbij Inge Brinkman wordt aangesteld tot voltijds do- cent tenure track voor een duur van vijf jaar. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 234.832 van 24 mei 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. IX-8766-1/19 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Emile Plas, die loco advocaat Gregory Verhelst ver- schijnt voor de verzoekende partij en advocaat Matthias Castelein, die tevens loco advocaat Sofie Logie verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 18 februari 2005 wordt tussen verzoeker en de raad van bestuur van de Universiteit Gent een arbeidsovereenkomst voor bedienden geslo- ten. Daarin wordt overeengekomen dat verzoeker met ingang van 1 maart 2005 tot 30 september 2005 deeltijds gastprofessor in de faculteit Letteren en Wijsbe- geerte wordt, belast in de vakgroep Afrikaanse Talen en Culturen met een deel- IX-8766-2/19 tijdse opdracht van 25% academisch onderwijs in het vakgebied Afrikaanse Taal- kunde. Op 7 oktober 2005 wordt verzoeker met ingang van 10 oktober 2005 tot 30 september 2007 aangesteld als gastprofessor en belast met een vol- tijdse opdracht academisch onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in het vak- gebied Afrikaanse Taalkunde. Naderhand krijgt verzoeker achtereenvolgende verlengingen van deze aanstelling tot 30 september
- 3.
- Uit het verslag van de faculteitsraad Letteren en Wijsbegeerte van 17 december 2014 blijkt dat de faculteit voorstelt een voltijds ambt van tenu- re track docent in het vakgebied Afrikastudies open te verklaren en de beoorde- lingscommissie daarvoor aanstelt. Via meerdere kanalen wordt de vacature bekendgemaakt voor een voltijds ambt van docent (tenure track stelsel) in de faculteit Letteren en Wijsbegeerte in het vakgebied Afrikastudies vanaf 1 oktober
- Er melden zich 42 kandidaten, onder wie verzoeker en Inge Brinkman. 3.
- Wegens de onverwacht grote belangstelling wordt, nog vóór de beoordelingscommissie vergadert, een “verkenronde” gehouden op een vergade- ring van vakspecialisten. Een eerste selectie levert negen kandidaten op, onder wie verzoeker, die een sterk academisch dossier voorleggen en een aan de oplei- ding aangepast wetenschappelijk profiel vertonen dat minstens gedeeltelijk be- antwoordt aan de in de vacature vooropgestelde criteria. De expertenvergadering besluit vervolgens dat Inge Brinkman en B.I. het meest lijken te voldoen aan het uitgeschreven profiel en de noden van de opleiding en de vakgroep. IX-8766-3/19 De beoordelingscommissie beslist in haar vergadering van 8 mei 2015 om Inge Brinkman samen met B.I. en nog twee andere kandidaten, onder wie A.J., te selecteren voor de shortlist. Verzoeker wordt aldus niet uitge- nodigd voor het geven van een proefles en een interview. Op 15 juni 2015 besluit de beoordelingscommissie, na de proeflessen en de interviews, om Inge Brinkman als eerste kandidaat te rang- schikken en A.J. als tweede kandidaat. 3.
- De faculteitsraad Letteren en Wijsbegeerte beslist op 1 juli 2015 om Inge Brinkman voor te dragen aan de raad van bestuur en A.J. als twee- de kandidaat. 3.
- De raad van bestuur van de Universiteit Gent beslist op 11 sep- tember 2015 om Inge Brinkman ten vroegste vanaf 1 oktober 2015 aan te stellen tot voltijds docent (tenure track) in het vakgebied Afrikastudies binnen de vak- groep Talen en Culturen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- In haar laatste memorie schrijft de verwerende partij wat volgt: “
- Verwerende partij wierp in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid op ingevolge het feit dat niet vaststaat dat verzoe- kende partij tijdig [haar] verzoek tot voortzetting indiende. Verwerende partij heeft immers geen kennis van het tijdstip van beteke- ning van het niet-schorsingsarrest aan verzoekende partij, zodat zij ook niet weet wanneer de termijn van 30 kalenderdagen inging.
- Vastgesteld moet worden dat verzoekende partij zich in zijn memorie van wederantwoord beperkt tot de opmerking dat ‘Uit het dossier van de rechtspleging zal blijken dat de kennisgevingsbrief van Uw Raad dateert van donderdag 2 juni 2016, en dat die kennisgeving tegen ontvangstbe- wijs werd afgegeven op de (toenmalige) gekozen woonplaats op 6 juni
- Het verzoek tot voortzetting werd dus ruimschoots tijdig inge- diend.’ Verzoekende partij laat na om ten behoeve van verwerende partij enig bewijs van kennisgeving over te maken. IX-8766-4/19 De Auditeur gaat in het auditoraatsverslag niet expliciet op de door ver- werende partij opgeworpen exceptie in, maar bij de beschrijving van het procedureverloop staat wel te lezen: ‘Verzoeker heeft binnen de voorgeschreven termijn een verzoek tot voort- zetting van de procedure ingeleid.’ Op basis van deze vermelding vertrouwt verwerende partij erop dat het verzoek tot voortzetting effectief tijdig werd ingediend. Verwerende partij verzoekt Uw Raad om dit ook als dusdanig in het arrest te willen bevesti- gen. In voorkomend geval doet verwerende partij afstand van de excep- tie.”
- Anders dan de verwerende partij verzoekt, heeft de Raad niets “als dusdanig” in het arrest te bevestigen. Wie een middel van onontvankelijkheid opwerpt, draagt daartoe de bewijslast en dit des te meer indien zij met die excep- tie de uitdrukkelijke bevindingen van het met het onderzoek daarvan belast lid van het auditoraat in twijfel wenst te trekken. Indien de verwerende partij twijfel- de aan de tijdigheid van het verzoek tot voortzetting, dan had zij het dossier van de rechtspleging op de griffie kunnen consulteren. Die inspanning heeft zij blijk- baar niet willen doen. De exceptie is niet ontvankelijk, de verwerende partij mag zich dus de moeite besparen ervan afstand te doen.
- De Raad ziet voorts geen reden om de ontvankelijkheid van het beroep ambtshalve in vraag te stellen. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
- Het enige middel is genomen uit de schending van artikel V.27 van de Codex Hoger Onderwijs (hierna: VCHO), van de artikelen 6bis en 8 van het reglement van de Universiteit Gent van 12 september 2003 ‘betreffende de benoeming of aanstelling, de bevordering, de evaluatie en het beroep van de le- den van het Zelfstandig Academisch Personeel’ (hierna: het ZAP-reglement), van “de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het gelijkheids- en non-discriminatie- beginsel, inzonderheid de gelijke toegang tot het openbaar ambt”, van de artike- len 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering IX-8766-5/19 van de bestuurshandelingen’ en van de algemene beginselen van behoorlijk be- stuur, in het bijzonder de materiëlemotiveringsplicht, het “transparantiebeginsel”, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en “uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”. Verzoeker voert aan dat zijn kandidatuur is geweerd op grond van selectiecriteria die niet terug te vinden zijn in de profielvereisten, zoals be- kend bij de publicatie van de vacature. Het bestuur beschikt weliswaar over een beoordelingsbevoegdheid en de criteria moeten niet noodzakelijk op voorhand bekendgemaakt worden, maar om een gelijke behandeling te waarborgen moeten de gehanteerde criteria wel aan de vacature gekoppeld zijn, dit wil zeggen tot uiting komen in de gestelde profielvereisten. Uit de profielvereisten voor de vacante betrekking blijkt dat de kandidaat onder meer moet beschikken over de nodige “didactische, communica- tieve en organisatorische vaardigheden […] om academisch onderwijs te verzor- gen op het snijpunt van taal, cultuur en samenleving in Sub-Saharaans Afrika, met inbegrip van de literaturen en het etnografisch veldwerk in deze regio”. Dit criteriumvereiste blijkt ook uit het verslag van de vergadering van vakspecialis- ten, die een eerste selectie van kandidaten hebben voorgesteld. Verzoeker heeft in zijn sollicitatiedossier aangetoond dat hij hieraan voldoet. Gaandeweg de procedure wordt evenwel beslist dat met het oog op een zo sterk mogelijke complementariteit inzake wetenschappelijke expertise “het daarom minder aangewezen [zou zijn] een nieuw ZAP-lid aan te werven met een linguïstisch of sociolinguïstisch profiel”. Verzoeker wordt uitgesloten uit de selectieprocedure, “ondanks het sterke dossier”, en twee kandidaten worden naar voren geschoven, waarbij de uiteindelijk benoemde kandidaat “een sterk interdis- ciplinair wetenschappelijk profiel [heeft] waarbij het snijpunt tussen taal, cultuur en samenleving centraal staat” en inzake de tweede kandidaat “[i]n zijn dossier […] het snijpunt tussen taal, cultuur en samenleving niet echt centraal [staat]”, IX-8766-6/19 maar zijn onderzoek en onderwijs onmiskenbaar vertrekken vanuit de lokale con- text gevormd door taal, cultuur en samenleving. De benoemingsprocedure ondergaat een ontoelaatbare ver- schuiving, waarbij de ervaring van verzoeker als taalkundig antropoloog plots als bezwarend element wordt aangezien en wordt aangewend om hem uit te sluiten. De beoordelingscommissie heeft zich ten onrechte aangesloten bij de beslissing van de vakspecialisten. Ook de beoordelingscommissie verwijst niet meer naar het profiel maar naar “specifieke noden die zich actueel binnen de opleiding en afdeling Afrikaanse Talen en Culturen stellen”. Ook de faculteits- raad en ten slotte de raad van bestuur hebben zich bij dit motief ten onrechte aan- gesloten. Het hanteren van een selectiecriterium dat geenszins werd opgenomen in het gepubliceerde profiel, noch hieruit afgeleid kon worden, kan niet worden aanvaard tijdens een beoordelingsprocedure. Er valt niet te begrijpen waarom aan verzoeker iedere kans op benoeming of aanstelling moet worden ontnomen, om de enkele reden dat hij té taalkundig zou zijn en dat om beleidsredenen geen sociolinguïst of taalkundig antropoloog zal worden aangeworven.
- De verwerende partij antwoordt dat zij met betrekking tot de beoordeling van kandidaten over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. Het vacaturebericht omvat een profielomschrijving zoals be- paald overeenkomstig het ZAP-reglement en de beoordeling is op grond hiervan geschied. Zelfs indien voldaan is aan de profielbeschrijving, is er geen verplichting om alle kandidaten uit te nodigen voor een proefles en een interview. IX-8766-7/19 Het is ook niet de “verkenronde” van de vakspecialisten die telt, zoals deze eerste vergadering ook uitdrukkelijk in het verslag benoemd wordt, maar het uiteindelijke standpunt van de beoordelingscommissie. Boven- dien is dit slechts een advies aan de faculteitsraad, die op zijn beurt adviseert aan de raad van bestuur. De eigenlijke beslissing wordt enkel genomen door de raad van bestuur, die alle vrijheid behoudt om er een ander standpunt op na te houden. Het is duidelijk dat verzoeker niet op de shortlist is opgenomen, omdat zijn kandidaatstelling niet of in elk geval in mindere mate voldeed aan de profielomschrijving, dit in vergelijking met de andere ontvangen kandidaatstel- lingen. In het verslag van de faculteitsraad van 1 juli 2015 wordt naast het hernemen van voormelde motivering van de beoordelingscommissie, ook melding gemaakt van “beleidsmatige redenen”. Deze beleidsmatige overwegin- gen werden dus gemaakt op het niveau van de faculteit en later overgenomen door de raad van bestuur. In artikel 5bis van het ZAP-reglement wordt uitdrukke- lijk gesteld dat tijdens de selectieprocedure rekening kan worden gehouden met “specifieke behoeften”. Wat in het ZAP-reglement staat behoeft geenszins herha- ling in elk vacaturebericht. Er kan bijgevolg rekening worden gehouden met “be- leidsmatige redenen”. Binnen het “snijpunt van taal, cultuur en samenleving” beschikt de verwerende partij over een beoordelingsvrijheid om meer de nadruk te leggen op taal, cultuur dan wel samenleving. Dit “snijpunt” impliceert dat de verwerende partij op zoek was naar een kandidaat met een multidisciplinaire achtergrond die het beste uit taal, cultuur en samenleving in het onderwijs en onderzoek weet sa- men te brengen. Dit is echter geen vast gegeven, er zijn altijd elementen die meer doorwegen. Geen enkele kandidaat is 33,33% taal, 33,33% cultuur en 33,33% samenleving. Laat staan dat er onderzoek, onderwijs of dienstverlening bestaat waarin alle drie de componenten even sterk aanwezig zijn. IX-8766-8/19 Verzoeker verliest uit het oog dat de eerste reden van niet- opname op de shortlist voortvloeit uit een letterlijke toetsing van zijn kandidaat- stelling aan de profielvoorwaarden van het vacaturebericht. Ook de beleidsmatige redenen vormen een objectief criterium, waarvan verzoeker niet het tegendeel bewijst. Het criterium ‘snijpunt van taal, cultuur en samenleving’ werd voor alle kandidaten op dezelfde wijze toegepast. Verzoeker beweert op geen enkel mo- ment het tegendeel. Binnen het “snijpunt” van voormelde drie elementen besliste de verwerende partij, op gemotiveerde wijze, bovendien ook in alle redelijkheid en binnen haar discretionaire bevoegdheid, dat de meest geschikte kandidaat voor de vacante positie iemand is waarbij de componenten cultuur en samenleving meer doorwegen – hoewel de kandidaat zich nog steeds op het snijpunt dient te bevin- den van taal, cultuur en samenleving. Dit is geen afwijking van het vooropgestel- de profiel noch werd “plots” een nieuw criterium ingevoerd. Er wordt louter ge- zocht naar de meest geschikte kandidaat op het snijpunt van taal, cultuur en sa- menleving zoals vooropgesteld door de vacature. Er is geenszins sprake van een nieuw criterium. In het profiel stond dat het bestuur iemand zocht op het snijpunt van taal, cultuur en samenleving. Het bestuur heeft deze zoektocht doorheen heel de procedure aangehouden. Doch er zijn meerdere posities in dit snijpunt. Na beoordeling van de ingediende dossiers en in het licht van de vacante posities, werd overwogen dat bij de meest geschikte kandidaat de elementen cultuur en samenleving iets meer doorwogen binnen het snijpunt.
- In haar laatste memorie wijst de verwerende partij erop dat in de bestreden beslissing erkend wordt dat verzoeker voldoet aan het element ‘taal’, maar dat zijn publicaties niet allemaal Afrikanistisch zijn, “waardoor hij zich dus ook niet helemaal op het snijpunt bevindt in de zin van dat taal, samenleving en cultuur in Afrika precies op dezelfde wijze en in gelijke mate door hem ingevuld zijn”. Voorts stipt zij nogmaals aan dat nergens in de aankondiging bij de be- schrijving van de selectieprocedure staat dat iedereen op het snijpunt wordt opge- IX-8766-9/19 nomen op de shortlist, en bijgevolg uitgenodigd voor een proefles en een inter- view. Uit de bestreden beslissing blijkt dat strikt genomen geen enke- le kandidaat ten volle voldoet, ook niet verzoeker. De verwerende partij heeft binnen de beoordelingsvrijheid die de opmaak van de shortlist biedt, de kandida- ten gekozen die het meest aansluiten bij het gevraagde. Zij is niet verplicht om vooraf in detail aan te stippen in het vacaturebericht welke verhouding tussen de drie aspecten taal, cultuur en samenleving het meest gewenst zou zijn bij de be- oordeling van gelijkwaardige – of minstens de selectie van de meest geschikte – kandidaturen. Het is daarbij niet correct om te stellen dat zij van ‘taal’ een uitslui- tingscriterium heeft gemaakt, laat staan dat daartoe plotseling lopende de proce- dure zou zijn beslist. Hoogstens hebben “beleidsmatige redenen”, omdat niemand zich ten volle op het snijpunt van taal, cultuur en samenleving in Sub-Saharaans Afrika bevindt, ertoe genoopt om het snijpunt tussen taal, cultuur en samenleving eerder vanuit de invalshoek van cultuur en samenleving te benaderen dan vanuit de invalshoek van taal. Voor zover deze “beleidsmatige redenen” een nieuw criterium zouden betreffen – “quod non” – stelt verzoeker ten onrechte dat dit een criterium is waarmee geen rekening gehouden zou mogen worden. Het is nogal evident dat de verwerende partij bij het uitschrijven van een vacaturebericht rekening mag en eigenlijk zelfs moet houden met de concrete behoeften van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Beoordeling
- De aanstelling tot lid van het academisch personeel van de verwerende partij is een aanstelling – benoeming in een overheidsbetrekking in ruime zin – naar keuze, waarbij het bestuur krachtens de artikelen 10 en 11 van de Grondwet – meer bepaald het daarin begrepen recht van de burgers op een gelijke toegang tot de betrekkingen in overheidsdienst – daadwerkelijk de titels IX-8766-10/19 en de verdiensten van de kandidaten moet onderzoeken en vergelijken op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria die betrokken kunnen worden op de te begeven benoeming. Geen algemene regel verplicht een benoemende overheid ertoe om de vergelijking van de kandidaturen te beperken tot uitdrukkelijk vooraf op- gesomde profielvereisten of beoordelingscriteria, zolang maar de gehanteerde criteria kenbaar zijn doordat ze worden vermeld of minstens duidelijk blijken uit de concrete gegevens van het administratief dossier, ze objectief en pertinent zijn ten aanzien van de te begeven functie en ze op een gelijke wijze op alle kandida- ten worden toegepast. In de voorliggende zaak evenwel is de verwerende partij wel overeenkomstig artikel V.23 VCHO ertoe verplicht de voorwaarden waaraan vol- daan moet zijn om tot docent benoemd te worden, bij reglement vast te leggen. Het staat haar voorts vrij om binnen haar discretionaire be- voegdheid ter zake haar werkwijze te hanteren en aan bepaalde criteria een groter belang te hechten, zolang zij dit bij de beoordeling van de kandidaten binnen een- zelfde benoemingsprocedure op dezelfde wijze toepast.
- Luidens artikel 5 van het ZAP-reglement moet het vacaturebe- richt op gebied van profielbeschrijving “voldoende open” zijn. In de voorliggende zaak zijn vooraf beoordelingscriteria mee- gedeeld. Deze zijn immers ontleend aan het profiel dat is bekendgemaakt ter ge- legenheid van de bekendmaking van de vacature en de oproep aan kandidaten. Het profiel voor de vacante functie luidt: “- houder zijn van een diploma van doctor op proefschrift in het betrokken vakgebied, of van een gelijkwaardig erkend diploma; - over minstens twee jaar postdoctorale ervaring beschikken op 1 oktober 2015; IX-8766-11/19 - hoogstaand wetenschappelijk onderzoek hebben verricht in het opgege- ven vakgebied, gestaafd door bijdragen op nationale en internationale conferenties en door recente publicaties in nationale en internationale we- tenschappelijke tijdschriften en boeken die een ruime verspreiding kennen en die een beroep doen op deskundigen voor de beoordeling van de inge- zonden manuscripten; - over de nodige didactische, communicatieve en organisatorische vaar- digheden beschikken om academisch [onderwijs] te verzorgen op het snijpunt van taal, cultuur en samenleving in SubSaharaans Afrika, met in- begrip van de literaturen en het etnografisch veldwerk in deze regio; - over didactische vaardigheden beschikken om academische competen- ties te realiseren bij universiteitsstudenten; - internationale mobiliteit o.m. door onderzoeksverblijven in onderzoeks- instellingen extern aan de instelling waaraan de hoogste academische graad werd behaald strekt tot aanbeveling; - positief geëvalueerde ervaring met verstrekt en/of georganiseerd onder- wijs op academisch niveau hebben strekt tot aanbeveling; - onderwijsprofessionalisering strekt tot aanbeveling.”
- De selectie voor de betrekking gebeurt in twee fasen. In een eerste stap wordt op basis van curriculum vitae, publicatiedossier en ingediende visietekst een shortlist samengesteld en alle kandidaten op de shortlist worden uitgenodigd voor een proefles en een interview. Verzoeker is niet op de shortlist opgenomen. Ook al heeft de raad van bestuur als benoemende overheid de eindbeslissingsbevoegdheid en kan hij, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, in theorie nog alle kanten uit om de beste kandidaat te kiezen, dan nog blijkt uit de voorliggende documenten dat de raad van bestuur zich heeft aangesloten bij de beslissing om verzoeker te we- ren van de shortlist en dat deze voorbereidende beslissing voor verzoeker dan ook de eindhalte is van de selectieprocedure. Het is immers illusoir dat de raad van bestuur verzoeker benoemd zou hebben, zonder van hem een interview en een proefles te eisen. Desgevraagd moet de Raad van State beoordelen of verzoeker op regelmatige wijze van de shortlist is geweerd. IX-8766-12/19
- Uit het verslag van de vergadering van de vakspecialisten be- last met het onderzoek van de kandidaturen van 24 april 2015, blijkt dat er geen enkele kandidaat terug te vinden is in alle preferentielijstjes die de verschillende experts initieel opgesteld hadden. Van negen kandidaten, onder wie verzoeker en de benoemde kandidaat, is er overeenstemming bij het panel van experts dat zij een sterk aca- demisch dossier en een aan de opleiding aangepast wetenschappelijk profiel heb- ben dat minstens gedeeltelijk beantwoordt aan de in de vacature voorgestelde criteria. Met betrekking tot de kandidatuur van verzoeker wordt het volgende gesteld: “Sigurd D’hondt, […], is een sociolinguïst en linguïstisch antropoloog. Zijn publicaties behandelen het snijpunt van taal, samenleving en cultuur […]. Qua onderwijservaring sluit zijn profiel nauw aan bij een aantal van de te doceren opleidingsonderdelen. Hij heeft een sterk uitgewerkte on- derzoeksvisie, maar de meeste van zijn publicaties zijn niet sterk Afrika- nistisch te noemen.” Zoals hierna zal blijken, zullen de beoordelingscommissie, de faculteitsraad en de raad van bestuur naderhand deze appreciatie over verzoeker niet afvallen.
- De finale evaluatie van het panel van experts leidt tot de selec- tie van twee kandidaten, Inge Brinkman en B.I., waarvan wordt gevonden dat zij op basis van hun publicatiedossier en hun onderwijservaring het best lijken te voldoen aan de uitgeschreven vacature en de noden van de opleiding en de afde- ling.
- Tijdens de vergadering van 8 mei 2015 komt de beoordelings- commissie tot het besluit dat zij zich kan vinden in de motivering van het panel van vakspecialisten om Inge Brinkman en B.I. te selecteren voor de volgende selectieronde. IX-8766-13/19 Tevens buigt de beoordelingscommissie zich over vier kandida- turen, waaronder die van verzoeker, die bij vele leden in het oog springen als sterk en (gedeeltelijk) beantwoordend aan het gezochte profiel. Er wordt besloten nog twee kandidaten uit te nodigen voor het geven van een proefles en een interview. Verzoeker wordt “niet geselecteerd voor de volgende ronde om beleidsmatige redenen”: “[…] De kandidaturen van Sigurd D’Hondt en [K.J.] worden niet geselec- teerd voor de volgende ronde om beleidsmatige redenen. De huidige ZAP-bezetting binnen ATC is immers reeds sterk taalkundig en de oplei- ding beschikt ook reeds over de nodige expertise op het vlak van sociolin- guïstiek en linguïstische antropologie in de persoon van Prof. [M.M.] die deze disciplines uitoefent naast zijn grammaticaal en lexicaal beschrijvend taalkundig onderzoek. Met het oog op een zo sterk mogelijke complemen- tariteit inzake wetenschappelijke expertise binnen ATC is het aangewezen dat, zoals reeds boven aangegeven, bij het nieuw aan te stellen ZAP-lid cultuur en samenleving meer doorwegen in het gezochte snijpunt tussen taal, cultuur en samenleving. Daarom is de beoordelingscommissie van oordeel dat het niet aangewezen is een nieuw ZAP-lid aan te werven voor ATC met een te sterk sociolinguïstisch of linguïstisch antropologisch pro- fiel zoals Sigurd D’Hondt en [K.J.]. De commissie betreurt wel dat Sigurd D’Hondt hierdoor niet langer zal kunnen mee vorm geven aan de uitbouw van ATC, zoals hij het laatste decennium met veel inzet deed en waarvoor ze hem uitdrukkelijk wenst te danken.” Na de proeflessen en de interviews beslist de beoordelings- commissie op 15 juni 2015 als eerste kandidaat Inge Brinkman en als tweede kandidaat A.J. voor te dragen voor de functie. De overige kandidaten worden niet geklasseerd.
- Op 1 juli 2015 beslist de faculteitsraad om Inge Brinkman voor te stellen voor de begeerde functie. IX-8766-14/19 Met betrekking tot verzoeker wordt gesteld: “De heer D’Hondt is een sociolinguïst en linguïstisch antropoloog. Zijn publicaties behandelen het snijpunt van taal, samenleving en cultuur in Afrika en vinden gedeeltelijk aansluiting bij het regionale zwaartepunt van de opleiding. Hij kan bogen op een sterk publicatiedossier. Qua on- derwijservaring sluit zijn profiel nauw aan bij een aantal van de te doceren opleidingsonderdelen. Qua onderzoek zijn evenwel verschillende van zijn publicaties niet Afrikanistisch. De heer D’Hondt wordt niet gerangschikt om beleidsmatige reden[en]. Met het oog op een zo sterk mogelijke com- plementariteit inzake wetenschappelijke expertise binnen [ACT] is het aangewezen dat, bij het nieuw aan te stellen ZAP-lid, cultuur en samenle- ving meer doorwegen in het gezochte snijpunt tussen taal, cultuur en sa- menleving.”
- Op 11 september 2015 beslist de raad van bestuur om Inge Brinkman te benoemen in de functie. Met betrekking tot verzoeker wordt de zo-even aangehaalde motivering van de faculteitsraad overgenomen.
- Wat voorafgaat brengt de Raad van State alvast tot de vaststel- ling dat met verzoeker kan worden ingestemd waar hij betoogt dat uit de selectie- procedure mag worden afgeleid dat hij minstens in voldoende mate beantwoordt aan het profiel, inzonderheid de eis zich te bevinden op “het snijpunt van taal, cultuur en samenleving in SubSaharaans Afrika”. Dat “de meeste van zijn publicaties […] niet sterk Afrikanis- tisch te noemen” zijn doet niet anders besluiten, des te minder nu het fameuze “snijpunt” in het profiel vermeld wordt bij de profieleis in verband met acade- misch onderwijs, niet bij de profieleis inzake het wetenschappelijk onderzoek.
- Uit de bestreden beslissing, ondersteund door de voorbereiden- de beslissingen, blijkt dat de motieven waarom verzoeker niet opgenomen wordt op de shortlist en niet gerangschikt wordt enkel de zogenaamde “beleidsmatige redenen” zijn. IX-8766-15/19 Hiermee wordt gerefereerd aan de overweging dat de opleiding reeds over de nodige expertise beschikt op het vlak van sociolinguïstiek en lin- guïstische antropologie en dat het met het oog op een zo sterk mogelijke com- plementariteit inzake wetenschappelijke expertise in de afdeling niet aangewezen is om een nieuw ZAP-lid aan te werven met een te sterk sociolinguïstisch of lin- guïstisch antropologisch profiel zoals verzoeker. 20.
- De selectievoorwaarden, zoals opgenomen in het aangehaalde profiel, vereisen dat de kandidaat beantwoordt aan de profieleis omtrent “het snijpunt van taal, cultuur en samenleving in SubSaharaans Afrika, met inbegrip van de literaturen en het etnografisch veldwerk in deze regio”. 20.
- Zoals hiervóór is vastgesteld, stippen de experts aan dat ver- zoekers publicaties “het snijpunt van taal, samenleving en cultuur” behandelen en dat zijn profiel qua onderwijservaring nauw aansluit bij een aantal van de te doce- ren opleidingsonderdelen. Voorts beantwoordt verzoeker volgens de beoorde- lingscommissie niet volledig, maar toch “sterk” aan het profiel, in zoverre dat hij samen met drie andere kandidaten in aanmerking komt om opgevist te worden voor de shortlist, naast de twee kandidaten die door de vakspecialisten zijn voor- gesteld. Niettemin blijkt dat de verwerende partij van het in de profiel- eis opgenomen element ‘taal’ een uitsluitingsgrond maakt. De beoordelingscom- missie heeft twee van de vier kandidaten die niet zijn gesuggereerd door de vak- specialisten maar waarvan zij zelf aangeeft dat ze toch als sterke kandidaten in het oog springen, uitsluitend om die reden niet opgenomen op de shortlist. Eén van de andere twee wel opgeviste kandidaten is overigens daarna doorgestoten tot de uiteindelijke voordracht. De verwerende partij heeft verzoeker met andere woorden verschillend behandeld in vergelijking met twee andere kandidaten om de enkele reden dat hij sociolinguïst en linguïstisch antropoloog is. IX-8766-16/19
- Het valt niet uit te sluiten dat er wegens de bijzondere behoef- ten van de afdeling goede grond is om in de vergelijking tussen de kandidaten een verschillend gewicht toe te kennen aan de beoordelingscriteria – bijvoorbeeld, met de woorden van de verwerende partij, “om iets meer de nadruk te leggen op taal, cultuur dan wel samenleving”. Daarover gaat de rechtsvraag in het voorlig- gende geschil echter niet, zodat de Raad zich er niet over moet uitspreken. Wat de Raad wel moet vaststellen, is dat de benoemende over- heid een stap te ver gaat door van een eis die in het profiel is terug te vinden plots een uitsluitingscriterium te maken, om reden dat de kandidaat eraan voldoet. Door verzoeker om die reden weg te laten van de shortlist, be- handelt de verwerende partij de kandidaten in het licht van het vooraf meegedeel- de profiel op ongelijke wijze, zonder dat dit verschil in behandeling berust op een criterium dat redelijk verantwoord is.
- Het argument van de verwerende partij, dat artikel 5bis van het ZAP-reglement haar toelaat om rekening te houden met specifieke behoeften, laat niet toe anders te oordelen. Wat dit artikel immers leert, “teneinde bij de selectie rekening te kunnen houden met specifieke behoeften” is net dat de “functie- inhoud van de vacatures […] niet al te algemeen [mag] gesteld worden”. Naar het oordeel van de Raad houdt dit net een vingerwijzing in om met een “beleidsmatig motief” zoals in deze zaak is gehanteerd, reeds afdoende rekening te houden bij het uitschrijven van het profiel, namelijk door de functie-inhoud “niet al te alge- meen” op te stellen maar wel toegeschreven op de specifieke behoeften, in casu de complementariteit inzake wetenschappelijke expertise van de afdeling. Dat echter, is nu net wat de verwerende partij naliet te doen.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het middel, voor zover het de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel, toegepast op de gelijke toegang tot de openbare dienst, gegrond is. IX-8766-17/19 De overige in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen hoeven niet te worden onderzocht; ze kunnen immers niet tot een ruimere nietig- verklaring leiden. VI. Kosten
- Verzoeker, die de maximale rechtsplegingsvergoeding vraagt, geeft hiervoor geen enkele reden zodat niet wordt ingegaan op zijn verzoek. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de raad van bestuur van de Universiteit Gent van 11 september 2015 waarbij Inge Brinkman wordt aan- gesteld tot voltijds docent tenure track voor een duur van vijf jaar.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. IX-8766-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie december tweeduizend negentien, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-8766-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.266 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.234.832 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.