← België

Arrest 246279 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.279 Rolnummer: A. 226952/VII-40451 Zaak: Arrest 246279 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-12 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-24 13:01 Fiche Arrest nr 246.279 van 5 december 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.279 van 5 december 2019 in de zaak A. 226.952/VII-40.451 In zake : de NV ASPIRAVI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2600 Berchem Uitbreidingstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : Hilde DESIMPEL Tussenkomende partij : de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE AMBTENAAR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves François kantoor houdend te 8790 Waregem Eertbruggestraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 12 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0268 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 6 november 2018 in de zaak 1617-RvVb-0680-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Een beschikking van 6 februari 2019 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. VII-40.451-1/15 De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 19 maart
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 oktober
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Yves François, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. VII-40.451-2/15 III. Feiten
  6. Met een besluit van 31 maart 2017 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar (hierna: GSA) aan de nv Aspiravi een stedenbouwkundige vergunning “voor het bouwen van een windpark bestaande uit 2 windturbines en 2 middenspanningscabines in de lussen van de verkeerswisselaar E40/E403 te Oostkamp, het rooien van 13 bomen, een gestuurde boring onder de E403 en het inbuizen van twee grachten”.
  7. Het bestreden arrest vernietigt op vordering van Hilde Desimpel de vergunningsbeslissing van de GSA. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de nv Aspiravi
  8. De nv Aspiravi voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet), artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 4.4.7, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, van de VCRO en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester (hierna: besluit van 5 mei 2000) en artikel 14.4.5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit): VII-40.451-3/15 “Doordat, eerste middelonderdeel, in het bestreden arrest wordt geoordeeld dat de inplanting van de twee aangevraagde windturbines niet verenigbaar is met de gewestplanbestemming ‘bufferzone’; En doordat, tweede middelonderdeel, in het bestreden arrest wordt geoordeeld dat in de bij de administratieve feitenrechter ter beoordeling voorgelegde stedenbouwkundige vergunning niet op geldige wijze was afgeweken van het gewestplan op grond van artikel 4.4.7, § 2 VCRO”.
  9. Zij betoogt in het eerste middelonderdeel vooreerst dat het bestreden arrest artikel 14.4.5 van het inrichtingsbesluit “manifest schendt door te oordelen dat de inplanting van windturbines niet verenigbaar zou zijn met de gewestplanbestemming bufferzone” terwijl zij “had aangetoond dat de inplanting van windturbines in geen geval afbreuk doet aan de functie van een bufferzone als overgangsgebied tussen twee verschillende bestemmingsgebieden”, er heeft op “gewezen dat in dergelijke bufferzones vaak ‘technische installaties’ worden ingeplant, zoals elektriciteitscabines, verlichtingspalen, vangrails, verkeersborden, GSM-masten, …, die klaarblijkelijk wél verenigbaar zijn met de bestemming van bufferzone” en “een windturbine eveneens als een vergelijkbare ‘technische installatie’ dient te worden aanzien”. Verder argumenteert zij dat “in het bestreden arrest allerminst wordt gemotiveerd waarom de inplanting van een windturbine niet verenigbaar zou zijn met de gewestplanbestemming bufferzone”, dat daarin “enkel wordt aangehaald dat de niet-uitdrukkelijke uitsluiting van windturbines in artikel 14.4.5 van het Inrichtingsbesluit niet zou betekenen dat deze verenigbaar zijn met de bestemming; dat uit deze overweging evenwel allerminst kan worden begrepen waarom windturbines niet inpasbaar zouden zijn in een gebied dat door het gewestplan wordt bestemd als bufferzone”, en dat “de verwijzing in het bestreden arrest naar de zgn. ‘bevestiging’ van de vergunningverlenende overheid dat toepassing zou dienen te worden gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 4.4.7, § 2 VCRO evenmin kan worden aangemerkt als enige ‘motivering’ bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de voorschriften van artikel 14.4.5 van het Inrichtingsbesluit” omdat “diende te worden geantwoord op de exceptie van [de nv Aspiravi] dat windturbines wél verenigbaar zijn met de gewestplanbestemming bufferzone”. Zij besluit dat de RvVb zich “schuldig maakte aan rechtsweigering, zoals gesanctioneerd door o.m. artikel 5 Ger.W.”. VII-40.451-4/15
  10. In een tweede middelonderdeel argumenteert zij dat “in het bestreden arrest op subtiele wijze een andere draagwijdte wordt gegeven aan de uitzonderingsregeling van artikel 4.4.7, § 2 VCRO io. artikel 3, § 3 van het besluit van 5 mei 2000 door (uitsluitend) te focussen op de omvang van het project zelf en niet op de omvang van de effecten van het project”. Het bestreden arrest geeft immers “verschillende malen aan[…] dat het aangevraagde project geen ‘ruimtelijk beperkt project’ zou uitmaken en dat om deze reden niet zou kunnen worden afgeweken van de gewestplanbestemming op grond van artikel 4.4.7, § 2 VCRO” terwijl zij “in de procedure voor de [RvVb] evenwel had benadrukt dat artikel 4.4.7, § 2 VCRO bepaalt dat in een vergunning voor handelingen van algemeen belang ‘die een ruimtelijk beperkte impact hebben’ kan worden afgeweken van de stedenbouwkundige voorschriften”. In “het bestreden arrest [wordt] allerminst een concrete beoordeling […] gemaakt van de ruimtelijk beperkte effecten van de aangevraagde windturbines” terwijl “overeenkomstig artikel 4.4.7, § 2 VCRO een handeling van algemeen belang een ruimtelijk beperkte impact kan hebben omwille van de aard of de omvang ervan” zodat “wanneer uit de aard van de effecten van een project blijkt dat deze ruimtelijk beperkt zijn, op grond van artikel 4.4.7, § 2 VCRO kan worden afgeweken van de stedenbouwkundige voorschriften”. Zij stelt dat het bestreden arrest de bewijskracht van het aanvraagdossier manifest heeft geschonden doordat er “verkeerdelijk [in] wordt weergegeven dat de aangevraagde windturbines een tiphoogte zouden hebben van 165m”, “dat het arrest tegenstrijdig is gemotiveerd doordat wordt toegegeven dat de windturbines een ‘beperkte visuele impact’ hebben, terwijl tegelijk wordt gesteld dat aan de vereisten van artikel 4.4.7, § 2 VCRO niet zou zijn voldaan”, en dat het bestreden arrest “strijdt met de motiveringsverplichting” omdat het “alleen rekening lijkt te houden met de effecten inzake geluid en slagschaduw, zonder de beperkte effecten van de impact op de omgeving en het onroerend erfgoed mee in de beoordeling te betrekken”. Zij argumenteert nog dat het bestreden arrest een verkeerde lezing geeft aan de beoordeling in het projectverslag van de aard van de effecten inzake geluidshinder en slagschaduw waardoor het “géén -minstens een manifest foutieve en in strijd VII-40.451-5/15 met de bewijskracht van de stukken- beoordeling bevat van beperkt ruimtelijke effecten van de windturbines”. Beoordeling Eerste middelonderdeel
  11. De artikelen 1 en 2 van het inrichtingsbesluit bepalen dat de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de bestemmingsgebieden, waaronder de landelijke gebieden, omschrijven. Artikel 2, 4.0, van hetzelfde inrichtingsbesluit bepaalt dat de landelijke gebieden in de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen in agrarische gebieden (2, 4.1), bosgebieden (2, 4.2), groengebieden (2, 4.3), parkgebieden (2, 4.4) en bufferzones (2, 4.5) kunnen worden onderverdeeld. Artikel 14.4.5 van het inrichtingsbesluit bepaalt dat “bufferzones […] in hun staat [dienen] bewaard te worden of als groene ruimte ingericht te worden, om te dienen als overgangsgebied tussen gebieden waarvan de bestemmingen niet met elkaar te verenigen zijn of die ten behoeve van de goede plaatselijke ordening van elkaar moeten gescheiden worden”. Het middel dat abstractie maakt van het voorschrift in artikel 14.4.5 van het inrichtingsbesluit dat bufferzones in hun staat dienen bewaard te worden of als groene ruimte dienen ingericht te worden, faalt naar recht. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 14.4.5 van het inrichtingsbesluit wordt verworpen.
  12. Artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat er rechtsweigering bestaat wanneer de rechter weigert recht te spreken onder enig voorwendsel, zelfs van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid van de wet. VII-40.451-6/15 Er is geen sprake van rechtsweigering als de rechter alleen maar een exceptie terzijde laat of oordeelt hierop niet te moeten antwoorden. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.
  13. De aan de RvVb grondwettelijk en decretaal opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument tot weerlegging van het aangevoerde middel, maar dat geen afzonderlijke weerlegging of verweer is. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
  14. Het middel gaat terug op de gegrondverklaring door de RvVb van het derde onderdeel van het eerste middel van Hilde Desimpel waartegen de nv Aspiravi onder meer heeft aangevoerd dat er niet valt “in te zien op welke wijze de functie van de bufferzones zou worden aangetast door de inplanting van twee windturbines”, dat windturbines “niet uitdrukkelijk [worden] toegelaten in een bufferzone maar […] evenmin [worden] uitgesloten” en dat bufferzones “bij uitstek geschikt [lijken] te zijn voor de inplanting van windturbines”. Het bestreden arrest besluit na vaststelling dat de percelen waarop de bestreden vergunningsbeslissing betrekking heeft in een bufferzone zijn VII-40.451-7/15 gelegen en na het in herinnering brengen van het bepaalde in artikel 14.4.5 van het inrichtingsbesluit: “Het is niet omdat windturbines niet expliciet worden uitgesloten in artikel 14.4.5, dat zij verenigbaar zijn met de bestemming. In de bestreden beslissing wordt bovendien zelf gesteld dat de aanvraag afwijkt van de voorschriften van het gewestplan. De inplanting van twee windturbines is niet verenigbaar met de bestemming bufferzone. Bovendien bevestigt de verwerende partij in de bestreden beslissing dat de aanvraag niet verenigbaar is met deze gewestplanbestemming, maar dat kan worden teruggevallen op de afwijkingsmogelijkheid, voorzien in artikel 4.4.7, §2 VCRO”. Het bestreden arrest is naar eis van recht gemotiveerd. Tweede middelonderdeel
  15. Artikel 4.4.7, § 2, VCRO luidt in de toepasselijke historische versie: “§
  16. In een vergunning voor handelingen van algemeen belang die een ruimtelijk beperkte impact hebben, mag worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften. Handelingen van algemeen belang kunnen een ruimtelijk beperkte impact hebben vanwege hun aard of omvang, of omdat ze slechts een wijziging of uitbreiding van bestaande of geplande infrastructuren of voorzieningen tot gevolg hebben. De Vlaamse Regering bepaalt welke handelingen van algemeen belang onder het toepassingsgebied van het eerste lid vallen. Ze kan ook de regels bepalen op basis waarvan kan worden beslist dat niet door haar opgesomde handelingen toch onder het toepassingsgebied van het eerste lid vallen. Deze paragraaf verleent nimmer vrijstelling van de toepassing van de bepalingen inzake de milieueffectrapportage over projecten, opgenomen in hoofdstuk III van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”. Artikel 3, § 3, van het besluit van 5 mei 2000 luidt in de toepasselijke historische versie: “§
  17. Op gemotiveerd verzoek van de aanvrager kan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 en 52 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, vaststellen dat een handeling van algemeen belang die VII-40.451-8/15 niet in paragraaf 1 of 2 is vermeld, een ruimtelijk beperkte impact als vermeld in artikel 4.4.7, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening heeft. [...] Die bevoegde overheid, vermeld in het eerste lid, beoordeelt concreet of de handelingen de grenzen van het ruimtelijk functioneren van het gebied en de omliggende gebieden niet overschrijden, aan de hand van de aard en omvang van het project, en het ruimtelijk bereik van de effecten van de handelingen. De bevoegde overheid, vermeld in het eerste lid, oordeelt en beslist daarover nadat een projectvergadering werd gehouden en voor de vergunningsaanvraag werd ingediend. Het document waaruit die beslissing blijkt, wordt bij de vergunningsaanvraag gevoegd”. Luidens deze bepalingen hebben handelingen van algemeen belang een ruimtelijk beperkte impact hetzij wegens hun aard en omvang, hetzij omdat ze slechts een wijziging of uitbreiding van bestaande of geplande infrastructuren of voorzieningen tot gevolg hebben. Het middel dat ervan uitgaat dat om als handeling van algemeen belang met ruimtelijk beperkte impact te worden gekwalificeerd, het volstaat dat enkel de aard ervan wordt beoordeeld, faalt naar recht.
  18. Het bestreden arrest overweegt dat: - het uitgangspunt van de geldende afwijkingsbepaling van artikel 4.4.7, § 2, VCRO “is dat de ruimtelijke en planologische impact van een project […] onderzocht wordt”; - uit de “omstandige motivering” van de bestreden vergunningsbeslissing niet blijkt “dat het om een ruimtelijk beperkte impact gaat in de zin van artikel 4.4.7, § 2 VCRO en artikel 3, § 3” van het besluit van 5 mei 2000; - een bepaald project kan “verenigbaar zijn met de goede ruimtelijke ordening, zonder dat er van een ‘ruimtelijk beperkt’ project in de zin van artikel 4.4.7, § 2 VCRO kan worden gesproken”; - Hilde Desimpel kan “gevolgd worden dat de [GSA] niet in alle redelijkheid kan oordelen dat twee windturbines met een ashoogte van maximum 85 meter en een tiphoogte van maximum 126 meter beschouwd kunnen worden als ‘ruimtelijk beperkt’ waardoor kan afgeweken worden van de gewestplanbestemming ‘buffergebied’”; VII-40.451-9/15 - er moet “gekeken worden naar het ruimtelijk bereik van de effecten van de handelingen doch, louter stellen dat er wordt gebundeld en dat er geen ‘bovenmatige’ hinder zal zijn, sluit niet uit dat er wel degelijk sprake is van hinder die niet als ‘beperkt’ kan worden beschouwd in de zin van artikel 4.4.7, § 2 VCRO”. Het middel dat stelt dat “in het bestreden arrest op subtiele wijze een andere draagwijdte wordt gegeven aan de uitzonderingsregeling van artikel 4.4.7, § 2 VCRO io. artikel 3, § 3 van het besluit van 5 mei 2000 door (uitsluitend) te focussen op de omvang van het project zelf en niet op de omvang van de effecten van het project”, mist feitelijke grondslag.
  19. De Raad van State is bevoegd om een materiële vergissing in het bestreden arrest die blijkt uit de samenhang van de tekst, te verbeteren. Uit de intrinsieke bestanddelen van het bestreden arrest blijkt dat de vermelding in randnummer 4 van de beoordeling door de RvVb van het derde onderdeel van het eerste middel van Hilde Desimpel, van “een tiphoogte tot 165 meter” van de windturbines klaarblijkelijk berust op een materiële vergissing. Deze vergissing bestaat erin dat “een tiphoogte van 126 meter” wordt bedoeld zoals blijkt uit de navolgende overwegingen van de RvVb die uitdrukkelijk van deze laatste tiphoogte zijn uitgegaan. Het middel dat stelt dat “in het bestreden arrest verkeerdelijk wordt weergegeven dat de aangevraagde windturbines een tiphoogte zouden hebben van 165m”, mist feitelijke grondslag.
  20. De bewijskracht van een akte wordt miskend door de rechter die aan die akte een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is. De schending van de bewijskracht van een akte betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de akte maakt zonder miskenning van de draagwijdte ervan. VII-40.451-10/15 Het middel dat stelt dat het bestreden arrest “een verkeerde lezing geeft aan de beoordeling in het projectverslag van de aard van de effecten inzake geluidshinder en slagschaduw”, gaat uit van een andere rechtsopvatting. Het middel faalt naar recht. Het middel dat louter aanvoert dat het bestreden arrest een “in strijd met de bewijskracht van de stukken - beoordeling bevat van beperkt ruimtelijke effecten van de windturbines”, toont niet de miskenning van de bewijskracht van de akte aan.
  21. Het bestreden arrest overweegt: “Dat de windturbines een ‘beperkte visuele impact’ zouden teweegbrengen voor de omliggende woningen die op ruime afstand zijn gelegen doet hieraan geen afbreuk. Niet alleen het zicht vanuit de omliggende woningen op de aangevraagde werken zijn van belang, maar ook de afmetingen, aangezien ‘omvang’ een duidelijk criterium uitmaakt van artikel 4.4.7, §2 VCRO”. Het middel dat stelt “dat het arrest tegenstrijdig is gemotiveerd doordat wordt toegegeven dat de windturbines een ‘beperkte visuele impact’ hebben, terwijl tegelijk wordt gesteld dat aan de vereisten van artikel 4.4.7, § 2 VCRO niet zou zijn voldaan”, mist feitelijke grondslag.
  22. De aan de RvVb grondwettelijk en decretaal opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest “strijdt met de motiveringsverplichting” omdat het “alleen rekening lijkt te houden met de VII-40.451-11/15 effecten inzake geluid en slagschaduw, zonder de beperkte effecten van de impact op de omgeving en het onroerend erfgoed mee in de beoordeling te betrekken”, gaat uit van een andere rechtsopvatting. Het middel faalt naar recht. Besluit
  23. Het middel wordt in zijn beide onderdelen verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de nv Aspiravi
  24. De nv Aspiravi voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32, tweede lid, van het DBRC-decreet, artikel 4.4.7, § 2, VCRO, de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, en artikel 3 van het besluit van 5 mei 2000, het beschikkingsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel: “Doordat, eerste middelonderdeel, in het bestreden arrest werd geoordeeld dat de vergunningverlenende overheid ‘niet in alle redelijkheid kan oordelen dat twee windturbines met een ashoogte van maximum 85 meter en een tiphoogte van maximaal 126 meter beschouwd kunnen worden als ‘ruimtelijk beperkt’ waardoor kan afgeweken worden van de gewestplanbestemming ‘buffergebied’’; Dat de aangehaalde overweging uit het arrest tot gevolg dreigt te hebben dat de vergunningverlenende overheid in het kader van de bevolen heroverweging zonder meer oordeelt dat de aanvraag dient geweigerd te worden (onder voorbehoud van een eventuele wetswijziging in de tussentijd); En doordat, tweede middelonderdeel, in het bestreden arrest wordt geoordeeld dat de aangevraagde windturbines niet zouden kunnen worden aanzien als ‘werken die beperkt zijn’ omdat ‘ze slechts een wijziging of uitbreiding van bestaande of geplande infrastructuren’ zouden uitmaken”.
  25. Zij argumenteert in een eerste middelonderdeel dat het bestreden arrest “oordeelt dat het vergunningverlenend bestuur niet ‘in alle redelijkheid’ toepassing kon maken van de regeling van artikel 4.4.7, § 2 VCRO om windturbines te vergunnen in afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften” en de RvVb “zijn beoordeling of een project al dan niet voldoet aan de vereisten VII-40.451-12/15 van artikel 4.4.7, § 2 VCRO niet in de plaats kon stellen van die van de vergunningverlenende overheid, maar enkel kon nagaan of deze overheid die beoordeling naar behoren heeft uitgeoefend; [...] Dat de beoordeling uit het bestreden arrest strijdt met art. 4.4.7, § 2 VCRO, aangezien nergens blijkt uit deze bepaling dat zij niet zou kunnen toegepast worden ten aanzien van ‘grote’ windturbines; […] Dat het bestreden arrest op verschillende plaatsen andere afmetingen weergeeft, waarbij wordt overwogen dat de windturbines een tiphoogte zouden hebben van 165m, terwijl deze slechts een tiphoogte hebben van 126m; Dat het bestreden arrest derhalve geen éénduidig beeld weergeeft van de betrokken windturbines, zodat niet vaststaat dat de beoordeling zich steunt op een correct beeld van de vergunningsaanvraag; […] Dat het bestreden arrest […] een foutieve toepassing maakt van het redelijkheidsbeginsel” doordat “allerminst wordt gemotiveerd waarom de toepassing van artikel 4.4.7, § 2 VCRO in de vergunningsbeslissing kennelijk onredelijk zou zijn of waarom deze beslissing dermate zou afwijken van het normale beslissingspatroon dat het gewoon niet denkbaar zou zijn dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden ook een vergunning zou hebben afgeleverd […]; Dat tot slot wordt opgemerkt dat in het bestreden arrest klaarblijkelijk enkel wordt geoordeeld dat de toepassing van artikel 4.4.7, § 2 VCRO voor windturbines met een tiphoogte van 165m […] niet ‘redelijk’ zou zijn, terwijl het werkelijke voorwerp van de aanvraag windturbines met een tiphoogte van 126m betreft; Dat het bestreden arrest bij de toetsing van de vergunningsbeslissing aan het redelijkheidsbeginsel aldus een uitlegging geeft aan het aanvraagdossier in strijd met de werkelijke inhoud ervan”.
  26. In een tweede middelonderdeel betoogt zij dat het bestreden arrest door te oordelen “dat het project niet zou voldoen aan de afwijkingsmogelijkheid van artikel 4.4.7, § 2 VCRO omdat twee windturbines geen ‘wijziging of uitbreiding van bestaande of geplande infrastructuren of voorzieningen’ zouden kunnen uitmaken […] op algemene wijze oordeelt dat de aangevraagde windturbines niet zouden kunnen worden vergund op grond van deze afwijkingsregeling; Dat evenwel niet kan worden ingezien op grond van VII-40.451-13/15 welke elementen in het bestreden arrest tot deze zgn. ‘beoordeling’ kon worden gekomen, aangezien de vergunning niet was afgeleverd op grond van deze afwijkingsregeling; Dat elke motivering hieromtrent ontbreekt; […] Dat hierdoor ook het beschikkingsbeginsel […] wordt geschonden, aangezien uitspraak wordt gedaan over een algemeen rechtspunt dat niet het voorwerp uitmaakt van de vergunningsbeslissing en waarover partijen […] geen tegenspraak hebben kunnen voeren”. Beoordeling Eerste middelonderdeel
  27. Het middel dat de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel, mist feitelijke grondslag om de redenen aangegeven in randnummer
  28. Tweede middelonderdeel
  29. Er is de Raad van State geen voor de RvVb geldend “beschikkingsbeginsel” als algemeen rechtsbeginsel bekend. Besluit
  30. Het middel dat in beide middelonderdelen nalaat uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest artikel 149 van de Grondwet, artikel 32, tweede lid, van het DBRC-decreet, artikel 4.4.7, § 2, VCRO, de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 3 van het besluit van 5 mei 2000 schendt, is niet ontvankelijk.
  31. Het middel wordt in zijn beide onderdelen verworpen. VII-40.451-14/15 BESLISSING
  32. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  33. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf december tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.451-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.279 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.