← België

Arrest 246281 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.281 Rolnummer: A. 228105/VII-40545 Zaak: Arrest 246281 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-12 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-24 13:02 Fiche Arrest nr 246.281 van 5 december 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.281 van 5 december 2019 in de zaak A. 228.105/VII-40.545 In zake : Jan MOYSON bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Yves Sacreas kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 10 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0818 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 2 april 2019 in de zaak 1718-RvVb-0051-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Een beschikking van 6 juni 2019 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State. VII-40.545-1/5 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 november
  3. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Sacreas, die verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Met een besluit van 13 juli 2017 weigert de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige vergunning te verlenen aan verzoeker “voor het regulariseren van een stal”.
  6. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van verzoeker tot de vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Onderzoek van het middel Standpunt van verzoeker
  7. Verzoeker voert de schending aan van artikel 4.3.1, § 1, 1°, a), van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen VII-40.545-2/5 (hierna: inrichtingsbesluit), het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Dendermonde, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Hij werpt op dat de RvVb aanneemt “dat indien het kweken van dieren een loutere vrijetijdsbesteding of recreatieve bezigheid is, het niet als landbouw in de ruime zin kan worden beschouwd” in de zin van artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit en dat de RvVb “daaraan toevoegt dat de motivering dat de stal voor hobbydoeleinden aangewend wordt en daardoor niet toelaatbaar is in agrarisch gebied […] geen voorwaarde toevoegt” aan deze laatste bepaling. Hij stelt dat “het onderhouden en fokken van vee beschouwd wordt als veeteelt en dat deze activiteit dus tevens beschouwd dient te worden als landbouw in de ruime zin in de zin van artikel 11.4.1 van het Inrichtingsbesluit”. Verder betoogt hij dat het bestreden arrest “door te stellen dat wanneer het fokken van dieren een loutere vrijetijdsbesteding is of een recreatieve bezigheid het niet beschouwd kan worden als landbouw in de ruime zin in de zin van artikel 11.4.1 van het Inrichtingsbesluit de [RvVb] […] een voorwaarde toevoegt aan” deze laatste bepaling en de draagwijdte ervan miskent. Hij stelt dat “de agrarische gebieden bestemd zijn voor landbouw in de ruime zin” en dat het bestreden arrest bijgevolg ook de overige aangehaalde bepalingen en beginselen schendt. Beoordeling
  8. Artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit bepaalt het volgende: “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van VII-40.545-3/5 uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden”.
  9. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het enige middel van verzoeker waarin hij heeft aangevoerd “dat het houden en kweken van vee als veeteelt en dus als een agrarische activiteit beschouwd moet worden” en dat de deputatie door te stellen dat “stallen voor het hobbymatig houden van dieren niet in agrarisch gebied vergund kunnen worden, zelfs wanneer er een kweekactiviteit plaatsvindt, en dat er geen bewijs van een professionele activiteit bestaat, [...] zij [...] een voorwaarde toe[voegt] aan het Inrichtingsbesluit”. Het bestreden arrest overweegt: “
  10. Luidens artikel 11.4.1 van het Inrichtingsbesluit zijn de agrarische gebieden ‘bestemd voor de landbouw in de ruime zin’. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid, voor zover die een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Voor de toepassing van artikel 11.4.1 van het Inrichtingsbesluit moet het vergunningverlenend bestuur nagaan of het uit stedenbouwkundig oogpunt wel om een werkelijk landbouwbedrijf gaat, met andere woorden of er in redelijkheid aangenomen kan worden dat de betrokken bouwwerken wel degelijk een landbouwbestemming hebben. Aan de hand van de voorgelegde stukken moet het bestuur zich ervan vergewissen of de aanvraag geen voorwendsel is om gebouwen op te trekken of activiteiten te verrichten die niet in agrarisch gebied thuishoren. Op de eerste plaats kwalificeert de aanvrager de constructie waarvoor hij de vergunning aanvraagt. Het komt nadien het vergunningverlenend bestuur toe om uit te maken wat het werkelijke gebruik is waarvoor de bouwwerken bestemd zijn en, mede daarop gesteund, de bouwaanvraag zowel in feite als in rechte op haar toelaatbaarheid uit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt te toetsen.
  11. De verzoekende partij ontkent niet, maar bevestigt integendeel dat het kweken en houden van schapen een hobbyactiviteit is. In de vergunningsprocedure heeft zij niets anders voorgehouden. In haar betoog steunt de kwalificatie als agrarische activiteit doorslaggevend op de fokkerij van schapen. VII-40.545-4/5 Wanneer het kweken van dieren een loutere vrijetijdsbesteding of recreatieve bezigheid is, kan het niet als ‘landbouw in de ruime zin’ worden beschouwd. De motivering dat de stal voor hobbydoeleinden aangewend wordt, niet in functie staat van een landbouwbedrijf en daarom niet in agrarisch gebied vergund kan worden, voegt, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, geen voorwaarde toe aan artikel 11.4.1 van het Inrichtingsbesluit en verantwoordt de bestreden weigeringsbeslissing afdoende”.
  12. Door aldus te beslissen voegt het bestreden arrest geen voorwaarde toe aan het bepaalde in artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit en schendt het bestreden arrest bijgevolg geen van de in het middel aangehaalde bepalingen.
  13. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  15. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf december tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.545-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.281 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.