← België

Arrest 246285 - Natuurbehoud - Vergunningen - 05/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.285 Rolnummer: A. 229097/VII-40635 Zaak: Arrest 246285 - Natuurbehoud - Vergunningen - 05/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-12 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-24 13:03 Fiche Arrest nr 246.285 van 5 december 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 246.285 van 5 december 2019 in de zaak A. 229.097/VII-40.635 In zake : Danny DE SMEDT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Colin De Beir kantoor houdend te 9500 Geraardsbergen Pastorijstraat 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 12 september 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 10 juli 2019 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 27 maart 2019, houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen met betrekking tot percelen gelegen aan de Brusselsesteenweg 141 te Herent (Winksele), ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-40.635-1/8 Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 november
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Maarten Vansteenhuyse, die loco advocaat Colin De Beir verschijnt voor verzoeker, en advocaat Stijn Brusselmans, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is eigenaar van een woning met grond, gelegen aan de Brusselsesteenweg 141 te Herent (Winksele). Overeenkomstig artikel 8 van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Open ruimte” zijn deze percelen bestemd tot “bos - samenhangende structuur bos”. 3.
  6. Op 6 december 2018 stelt de toezichthoudende ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos het volgende vast: “In noordwestelijke hoek van de percelen kadastraal gekend onder: Herent, 4e afdeling (Winksele), sectie D, nummers 38f/f en 65/c is een hoop aangevoerde grond aanwezig. Deze hoop aangevoerde grond is aan noordwestelijke zijde begroeid met grassen en andere kruidachtige vegetatie. VII-40.635-2/8 Ten oosten van de parking waarop wij ons bevinden is schaarhout aanwezig waarvan de onderkant van de stammen bedolven werd door de aangevoerde grond. Een deel van de hoop werd aan zuidoostelijke zijde recentelijk afgegraven. Tussen de hoop en het nog aanwezige bosbestand op perceel 65/c is een zone die recent werd aangehoogd en genivelleerd. Op deze zone is momenteel geen vegetatie aanwezig. Aan westelijke zijde is parallel met de straatkant een lager gelegen strook met een niveauverschil dat ongeveer 1m bedraagt vergraven. Van dit lagere gelegen deel lopen er rijsporen van een machine in de noordwestelijke hoek van het perceel omhoog langs de afgegraven grondhoop. Van daar loopt een strook naakte en aangehoogde grond omhoog, langs de noordelijke zijde van het perceel 65/c. Vervolgens loopt deze piste in een bocht omhoog langs de oostelijke zijde van het zelfde perceel, langs de woning gelegen op de percelen 39/d en 39/e, tot de percelen 65/b en 39/h ten zuiden van de woning. Er werd op de aanwezige natuurlijke helling een piste vlak gemaakt die breed genoeg is om een graafmachine over te doen rijden. Hiertoe werd de westelijke zijde van de piste aangehoogd waarbij volumes grond van de helling in het bosbestand gestort werden. Op de aangelegde piste merken we aan de kant van de woning naast de rijsporen een uitgespoelde holte waar grijsblauw (afval)water in staat. Ten zuiden van de woning werd aangevoerde grond uitgespreid over het perceel 65/b en de zuidwestelijke zijde van perceel 39/h. Ook hier werd de natuurlijke helling aangehoogd en genivelleerd waarbij er aan oostelijke zijde volumes grond van de helling in het bosbestand gelegen op perceel 65/c werden gestort. Onderaan de gestorte grond ligt een ontwortelde stronk. Aan zuidelijke zijde van de percelen 65/b en 39/h is de rand van de aangehoogde grond zichtbaar. Op het meest westelijk gelegen gedeelte is een niveauverschil van gemiddeld een halve meter met de bodem van het aanpalende perceel waarneembaar. De dikte van de laag opgehoogde grond neemt geleidelijk af in oostelijke richting. Aan de zuidoostelijke rand van de zone met aangehoogde grond op het perceel 39/h zijn stronken aanwezig van bomen die daar werden geveld. Tussen de nog aanwezige bomen zijn ook stronken zichtbaar van gevelde bomen, evenals in het bosbestand bestaande uit hoofdzakelijk acacia’s gesitueerd op perceel 65/a. Aan de meest zuidelijk gelegen hoek van de woning ligt een hoop ontwortelde struiken. De noordwestelijke hoek van het perceel 39/d, waarop zich de woning situeert grenst aan het beboste perceel 65/c. Op dit punt is zichtbaar dat het reliëf van perceel 65/c gewijzigd werd: aan oostelijke kant werd een deel van de helling weggegraven en aan westelijke kant werd een deel van de helling aangehoogd”. VII-40.635-3/8 3.
  7. De toezichthoudende ambtenaar legt op 27 maart 2019 aan verzoeker de volgende bestuurlijke maatregel op: “Art.
  8. […] Herstellen van de percelen kadastraal gekend onder Herent, 4e afdeling, sectie D, nummers 38/f, 39/h, 65/b en 65/c naar de oorspronkelijke toestand door: - herstel van het oorspronkelijke reliëf door het verwijderen van alle aangebrachte gronden op de percelen 38/f, 39/h, 65/b en 65/c. - herbebossing met inheems loofhout (plantgoed min. 120cm in plantverband van max. 2m x 2,5m) van de percelen 38/f, 65/c, 65/b en een strook met een breedte van minimaal 19 meter parallel met de zuidoostelijke grens van perceel 39/h. Art.
  9. Uitvoeringstermijn: - herstel van het reliëf in de oorspronkelijke toestand tegen uiterlijk 31/08/2019 - herbebossing van de percelen 38/f, 65/c, 65/b en het hierboven bepaalde deel van perceel 39/h tegen uiterlijk 28/02/2020”. 3.
  10. Tegen deze beslissing stelt verzoeker op 11 april 2019 bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.
  11. De afdeling Handhaving van het departement Omgeving adviseert op 27 mei 2019 om het beroep ongegrond te verklaren en de bestuurlijke maatregel te bevestigen. 3.
  12. Met het thans bestreden besluit van 10 juli 2019 wijst de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het beroep van verzoeker als ongegrond af en bevestigt hij de opgelegde bestuurlijke maatregel. IV. Onderzoek van de vordering
  13. Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden. VII-40.635-4/8 Spoedeisendheid Uiteenzetting van verzoeker
  14. Aangaande de spoedeisendheid van de vordering zet verzoeker het volgende uiteen: “Gelet op enerzijds de in het bestreden besluit opgelegde deadlines (31 augustus 2019 resp. 28 februari 2020), en anderzijds het verregaand, ingrijpend én (vooral) onomkeerbaar karakter van de opgelegde maatregelen (‘herstel van het oorspronkelijke reliëf door het verwijderen van alle aangebrachte gronden op de percelen 38/f, 39/h, 65/b en 65/c’ resp. ‘herbebossing met inheems loofhout (plantgoed min. 120cm in plantverband van max 2m x 2,5m) van de percelen 38/f, 65/c en 65/b en een strook met een breedte van minimaal 19 meter parallel met de zuidoostelijke grens van perceel 39/h’), toont meteen concreet aan waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor de verzoekende partij persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht”. Beoordeling
  15. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een -voortdurende- tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met VII-40.635-5/8 onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, p. 13). Het volstaat niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht, zonder nadere concretisering of het aanbrengen van concrete, precieze en pertinente gegevens die aantonen dat verzoeker thans of minstens op zeer korte termijn, ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, zich in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen bevindt of zal bevinden.
  16. In zoverre verzoeker verwijst naar de datum waarop de bestreden bestuurlijke maatregel uiterlijk dient te worden uitgevoerd, geldt dat de spoedeisendheid niet kan voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen vóór de in de bestreden handeling vermelde uitvoeringstermijn. De timing die door de bestreden beslissing wordt vooropgesteld staat niet gelijk met een toestand met “onherroepelijke schadelijke gevolgen” en zegt op zich niets over de gevolgen die verzoeker ondervindt bij een voorlopige tenuitvoerlegging in afwachting van een uitspraak ten gronde.
  17. In de mate hij wijst op het verregaand, ingrijpend en onomkeerbaar karakter van de opgelegde maatregel dient vooreerst te worden vastgesteld dat de uitvoeringstermijn voor het herstel van het reliëf in de oorspronkelijke toestand reeds verstreken is op 31 augustus 2019, zijnde op een datum vóór het instellen van het schorsingsverzoek. Voorts kan een bevel tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve rechtshandeling enkel voor de toekomst uitwerking hebben. Met het instellen van een vordering tot schorsing streeft verzoeker na zich te behoeden voor schadelijke gevolgen van een bepaalde omvang, waarvoor een later VII-40.635-6/8 arrest ten gronde niet nuttig meer kan tussenkomen. Vereist is dan ook, dat op het ogenblik van de uit te spreken schorsing het onherroepelijke schadelijke gevolg, nog zinvol kan worden geweerd. Met de algemene verwijzing naar het “verregaand”, “ingrijpend” en “onomkeerbaar” karakter van de herbebossing met inheems loofhout, toont verzoeker in dit geval dan ook geen onherroepelijk schadelijk gevolg van de herbebossing aan. De spoedeisendheid van de vordering wordt niet aangetoond.
  18. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. V. Kosten
  19. De bijdrage in de betaling van de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, wordt bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. VII-40.635-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf december tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-40.635-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.285 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.812 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.