← België

Arrest 246286 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.286 Rolnummer: A. 227094/VII-40466 Zaak: Arrest 246286 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-12 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-24 13:04 Fiche Arrest nr 246.286 van 5 december 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.286 van 5 december 2019 in de zaak A. 227.094/VII-40.466 In zake : 1. de NV DE FAUW & ZONEN 2. Caroline VANHEUVERSWYN 3. Philippe DE FAUW bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Van Assche kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : de BVBA DE GOAVERSE STATIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 28 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0307 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 20 november 2018 in de zaak 1718-RvVb-0211-A. VII-40.466-1/17 II. Verloop van de rechtspleging 2. Een beschikking van 6 februari 2019 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 2 april 2019. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 november 2019. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sander Kaïret, die loco advocaat Pieter Van Assche verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Isabelle Verhelle, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.466-2/17 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Met een besluit van 5 oktober 2017 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de bvba De Goaverse Statie een stedenbouwkundige vergunning “voor het behoud en de verbouwing van een silotoren en toebehoren tot 20 woningen en een handelspand”. 4. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partijen tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 5. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting ingediend waarin een repliek wordt gegeven op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de verzoekende partijen. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover het daarnaast de neerslag vormt van de uiteenzetting van de verzoekende partijen ter terechtzitting, wordt het niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. VII-40.466-3/17 V. Onderzoek van de ontvankelijkheid Standpunt van de partijen 6. De tussenkomende partij betwist het belang van de tweede en derde verzoekende partij omdat zij niet argumenteren “in welke zin [zij] over het vereiste belang menen te beschikken gezien de RvVb hen precies het vereiste belang niet heeft toegekend”. 7. De verzoekende partijen repliceren dat “zij een evident procedureel belang [hebben] nu hun verzoek bij de [RvVb] als niet-ontvankelijk werd afgewezen”. Beoordeling 8. Het bestreden arrest concludeert “dat het beroep enkel als ontvankelijk kan worden beschouwd in de mate dat het is ingesteld door de eerste verzoekende partij” en beperkt vervolgens “het onderzoek van de middelen […] tot het beroep van de eerste verzoekende partij”. 9. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de tweede en derde verzoekende partij hangt aldus samen met de beoordeling van het tweede middel van de verzoekende partijen die de in randnummer 8 vermelde beoordeling van de RvVb betwisten. VII-40.466-4/17 VI. Onderzoek van de middelen Tweede middel Standpunt van de tweede en derde verzoekende partij 10. De tweede en derde verzoekende partij voeren de schending aan van artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en de miskenning van de bewijskracht der akten. In een eerste middelonderdeel betogen zij dat het bestreden arrest “oordeelt dat in het verzoekschrift niet wordt aangeduid en/of aannemelijk gemaakt welke en hoe de eigendommen van tweede en derde verzoekende partijen hinder door inkijk dreigen te ondervinden en waarom er, in het licht van het vergunde project, sprake zou kunnen zijn van verkeershinder”, terwijl zij in het verzoekschrift hun belang hebben uiteengezet, zij “wel degelijk aannemelijk maakten in hun verzoekschrift bij de RvVb dat zij rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen zullen ondervinden door de bestreden beslissing”, er “in het verzoekschrift wordt aangegeven waarom er in het licht van het vergunde project sprake zou kunnen zijn van verkeershinder”, “de inplanting van 20 woningen en een handelspand nabij de woningen van verzoekende partijen zonder meer toenemende verkeershinder met zich mee zal brengen”, “door verzoekende partijen terecht werd verwezen naar de eerdere arresten van de RvVb waarin het belang van verzoekende partijen werd erkend voor gelijkaardige projecten op dezelfde site, en tevens het belang van verzoekende partijen nog werd erkend bij arrest […] gewezen op dezelfde dag als het bestreden arrest”. Zij argumenteren in een tweede middelonderdeel dat “het bestreden arrest de bewijskracht der akten miskent in zoverre het oordeelt dat de exceptie van de tussenkomende partij […] ‘in het geheel niet weerlegd [wordt] in de wederantwoordnota’” terwijl een weerlegging “wel degelijk in de wederantwoordnota is terug te vinden”. VII-40.466-5/17 Beoordeling 11. Het middel dat de schending aanvoert van de historisch toepasselijke versie van artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO omdat “verzoekende partijen voldeden aan artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3° VCRO en zij allen als natuurlijke persoon […], die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge de bestreden vergunningsbeslissing, een beroep konden instellen bij de RvVb”, noopt de Raad van State tot de beoordeling van de zaak zelf. Als cassatierechter is de Raad van State hiervoor niet bevoegd. Het middel is niet ontvankelijk. 12. De bewijskracht van een akte wordt miskend door de rechter die aan die akte een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is. 13. Het bestreden arrest geeft geen uitlegging van de argumentatie in het verzoekschrift, maar beoordeelt enkel de bewijswaarde ervan. Het kan aldus de bewijskracht ervan niet miskennen. Het middel dat de schending aanvoert van de bewijskracht van een akte mist feitelijke grondslag. 14. Het middel en bijgevolg het cassatieberoep van de tweede en derde verzoekende partij worden verworpen. Eerste middel Standpunt van de eerste verzoekende partij 15. De eerste verzoekende partij voert de schending aan van artikel 4.1.1, 15° en 4.4.23 VCRO, de bewijskracht der akten, artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en VII-40.466-6/17 rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet) en artikel 66 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: RvVb-Procedurebesluit). Zij betoogt in een eerste middelonderdeel dat het bestreden arrest de artikelen 4.1.1, 15° en 4.4.23 VCRO schendt “in zoverre het enerzijds steunt op de (impliciete) stelling dat een aanvrager niet dient aan te tonen aan de hand van pertinente stukken dat het gebouw of gebouwencomplex niet verkrot is, en anderzijds stelt dat een verwijzing naar een foto volstaat teneinde het niet-verkrot karakter te bewijzen, en niet gemotiveerd dient te worden hoe een foto het niet-verkrot karakter kan bewijzen” omdat “de bewijslast rust op de aanvrager om aan te tonen dat een gebouw niet verkrot is”, “het verkrot karakter enkel en alleen kan worden getoetst aan de stabiliteit van het gebouw, criterium dat […] dient gestaafd te worden aan de hand van een stabiliteitsstudie”, “het bestreden arrest steunt op de onjuiste rechtsopvatting dat op basis van een verwijzing naar een foto het niet-verkrot karakter van een gebouw of gebouwencomplex kan worden gesteund en beoordeeld door een vergunningverlenende overheid”, “verzoekende partijen […] aanvoerden dat van het gebrek aan verkrotting geen bewijs wordt voorgelegd, en er geen stabiliteitstudie over de draagkracht en stabiliteit van de silotoren werd gevoegd” en “nergens uit blijkt hoe een foto het al dan niet verkrot karakter van de draagstructuur kan bewijzen, noch enige concrete info werd gevoegd waaruit kan blijken dat de voorwaarde inzake verkrotting van artikel 4.4.23 VCRO is voldaan”. In een tweede middelonderdeel argumenteert zij dat het bestreden arrest door te overwegen dat de eerste verzoekende partij geen “gegronde kritiek op de beoordeling die in de bestreden beslissing wordt gemaakt” geeft terwijl zij “wel degelijk uiteenzette in het verzoekschrift dat de beoordeling van de toepassing van artikel 4.4.23 VCRO ondeugdelijk is […] nu er geen bewijs is van niet-verkrotting”, de bewijskracht van haar verzoekschrift miskent. VII-40.466-7/17 Zij voert in een derde middelonderdeel aan dat het bestreden arrest “geen motieven bevat omtrent het niet voldaan zijn aan de voorwaarde van artikel 4.4.23, 1°,

  1. b)VCRO zoals uiteengezet in het eerste middelonderdeel van het eerste middel in de procedure bij de RvVb, inzonderheid het gebrek aan bewijs van niet-verkrotting” terwijl zij heeft uiteengezet “dat van het gebrek aan verkrotting geen bewijs wordt voorgelegd” en “terwijl het bestreden arrest ten onrechte stelt dat het bewijs van niet-verkrot karakter, alsook de motivering hoe een foto het niet-verkrot karakter kan bewijzen, (uitsluitend) zou kaderen in de formele motiveringsplicht, waarbij geen verplichting bestaat tot het motiveren van motieven”. Beoordeling Eerste middelonderdeel 16. Artikel 4.4.23 VCRO bepaalt in de historisch toepasselijke versie dat het vergunningsorgaan bij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning die betrekking heeft op een vergunningsplichtige functiewijziging van een gebouw(encomplex), kan afwijken van de bestemmingsvoorschriften, voor zover voldaan is aan onder meer de voorwaarde dat het gebouw(encomplex) niet verkrot is. Artikel 4.1.1, 15° definieert verkrot als “niet voldoend aan de elementaire eisen van stabiliteit”. Luidens de parlementaire voorbereiding is verkrot “een situatie waarbij de stabiliteit van een gebouw fundamenteel in het gedrang is gebracht”. Het gaat om “ingestorte, reeds lang verwoeste, met de grondvesten gelijkgemaakte of instabiele gebouwen” (Parl.St. Vl.Parl. 2008-09, nr. 2011/1, 91). 17. Het middelonderdeel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het eerste onderdeel van het eerste middel van de eerste verzoekende partij VII-40.466-8/17 waarin zij heeft betwist “dat het aangevraagde aan de voorwaarde ‘het gebouw of het gebouwencomplex is niet verkrot’ voldoet”. Het bestreden arrest verwerpt dat middelonderdeel omdat in de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie wordt overwogen “dat de silotoren ‘nog voldoende intact en stabiel is om niet als verkrot, in de zin van de definitie in de VCRO, beschouwd te worden’” en “Uit die overweging blijkt dat de verwerende partij in elk geval aandacht heeft besteed aan de vraag of de silotoren kan beschouwd worden als niet-verkrot. Bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening overweegt de verwerende partij bovendien dat het gemeentebestuur ‘reeds uitgebreid (
  2. is)ingegaan op de ingediende bezwaren’ en dat ‘deze weerlegging (…) integraal (wordt) bijgetreden en overgenomen.’ Uit die overweging, die weliswaar vermeld staat bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, blijkt dat de verwerende partij de weerlegging van de bezwaren door het college van burgemeester en schepenen tot de hare heeft gemaakt. De verwerende partij heeft die weerlegging ook integraal geciteerd in de bestreden beslissing. In zijn vergunningsbeslissing van 19 juni 2017 weerlegt het college van burgemeester en schepenen het bezwaar van de verzoekende partij aangaande het al dan niet verkrot karakter van de silotoren als volgt: ‘Bij de aanvraag werden foto’s gevoegd waaruit blijkt dat het om een bestaand en niet verkrot gebouw gaat. De massieve betonstructuur van de silotoren is intact gebleven en laat - zoals elke silotoren - een groter gewicht toe dan nodig voor een woonfunctie. Daarnaast bevindt het gebouw zich niet op de inventarislijst van verkrotte gebouwen. Een zonevreemde functiewijziging ingevolge artikel 4.4.23 VCRO kan dus wel worden toegepast.’ Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, blijkt uit de bovenstaande overwegingen op duidelijke en afdoende wijze om welke redenen de verwerende partij van oordeel is dat het aangevraagde voldoet aan de voorwaarde ‘het gebouw of het gebouwencomplex is niet verkrot’. De laatste overwegingen betreffen overigens precies het bezwaar van de verzoekende partij dat ze herhaalt in het eerste onderdeel van het eerste middel. De verzoekende partij laat na om aan te tonen dat de beoordeling ondeugdelijk zou zijn. Het betoog dat er sprake zou zijn van betonrot blijft bij een niet in het minst gestaafde bewering. De verzoekende partij gaat er bovendien verkeerdelijk van uit dat de formele motiveringsverplichting zou vereisen dat gemotiveerd moet worden hoe een foto het niet-verkrot karakter kan bewijzen. Er bestaat geen verplichting tot het motiveren van de motieven. Het komt de Raad niet toe in de plaats van de verwerende partij te oordelen. Bij gebrek aan gegronde kritiek op de beoordeling die in de bestreden beslissing wordt gemaakt kan niet anders dan vastgesteld worden dat de verzoekende partij niet aantoont dat de beoordeling van de verwerende partij ondeugdelijk is. VII-40.466-9/17 Tenslotte is de verwijzing door de verzoekende partij naar de eerdere vernietigingsarresten van de Raad niet terecht, die immers niet steunen op vernietigingsmotieven die verband houden met artikel 4.4.23 VCRO”. 18. Door aldus te beslissen schendt het bestreden arrest geen van de in het middelonderdeel aangevoerde bepalingen. Tweede middelonderdeel 19. Het bestreden arrest geeft geen uitlegging van de argumentatie in het verzoekschrift van de eerste verzoekende partij, maar beoordeelt enkel de bewijswaarde ervan. Het kan aldus de bewijskracht (randnummer 12) ervan niet miskennen. Het middelonderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middelonderdeel 20. Artikel 66 RvVb-Procedurebesluit heeft betrekking op het met redenen omkleden van het arrest waarbij uitspraak wordt gedaan over de vordering tot schorsing bij hoogdringendheid of over de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. 21. De aan de RvVb grondwettelijk en decretaal opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. VII-40.466-10/17 Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. 22. Het eerste onderdeel van het eerste middel van de eerste verzoekende partij wordt met de redenen aangehaald in randnummer 17 verworpen. Het arrest is naar eis van recht gemotiveerd. Conclusie 23. Het eerste middel wordt verworpen Derde middel Standpunt van de eerste verzoekende partij 24. De eerste verzoekende partij voert de schending aan van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 november 2003 tot vaststelling van de lijst van toelaatbare zonevreemde functiewijzigingen (hierna: besluit zonevreemde functiewijzigingen), de bewijskracht der akten, artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 DBRC-decreet en artikel 66 RvVb-Procedurebesluit. Zij betoogt in het eerste middelonderdeel dat het bestreden arrest “geen motieven bevat omtrent de door verzoekende partijen bij de RvVb aangevoerde schending van artikel 10, 3° van het besluit […] zonevreemde functiewijzigingen” en dat “de motieven waarom de [deputatie] besluit dat de ‘bakenwaarde’ van een gebouw wordt behouden, en een aanvraag ‘aanvaardbaar’ acht in het licht van artikel 10, 3° van het besluit zonevreemde functiewijzigingen geen antwoord bieden op de vraag of voldaan is aan de noodzakelijke voorwaarde dat de nieuwe functie de erfgoedwaarde ongeschonden laat of ze verhoogt”. VII-40.466-11/17 In een tweede middelonderdeel argumenteert zij dat het bestreden arrest door te overwegen dat de eerste verzoekende partij “niets meer [stelt] dan een eigen visie over wat het meest kenmerkende zou zijn voor de site” de bewijskracht van haar verzoekschrift en wederantwoordnota miskent waarin zij “verwijst naar het advies van Onroerend Erfgoed van 27 augustus 2013”, “duidelijk aangeeft welke (essentiële) erfgoedwaarde beschreven door Onroerend Erfgoed van de bestaande silotoren geschonden zal worden” en ook aangeeft “dat onmogelijk te rijmen valt met artikel 10, 3° van het besluit zonevreemde functiewijzigingen dat een gesloten silotoren als ‘historisch baken van het bedrijfsleven’ wordt opengegooid door deze om te vormen tot een wooncomplex met ramen voor bewoning”. Zij voert in een derde middelonderdeel aan dat het bestreden arrest artikel 10 van het besluit zonevreemde functiewijzigingen schendt “door te overwegen dat het volstaat dat [de deputatie] het aangevraagde ‘aanvaardbaar’ acht in het licht van” deze bepaling. De RvVb kan niet zonder schending van deze bepaling “oordelen dat het volstaat dat [de deputatie] motiveert dat de ‘bakenwaarde’ wordt behouden en de aanvraag getuigt van ‘afdoende respect’ voor het cultuurhistorische lokale erfgoed”. Het bestreden arrest beoordeelt niet of aan de voorwaarde van “het ongeschonden laten of verhogen van de erfgoedwaarde” is voldaan. Beoordeling Eerste middelonderdeel 25. Het middelonderdeel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van het tweede onderdeel van het eerste middel waarin de eerste verzoekende partij heeft aangevoerd dat in de bestreden vergunningsbeslissing geen “beoordeling [wordt] gemaakt van het gesloten karakter van de silotoren, dat het meest kenmerkende zou zijn van dit gebouw en door de aanvraag wordt doorkruist”. VII-40.466-12/17 De RvVb verwerpt dat middelonderdeel op volgende gronden: “[…] Artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 november 2003 tot vaststelling van de lijst van toelaatbare zonevreemde functiewijzigingen, zoals gewijzigd door artikel 30 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 december 2016 houdende wijziging van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 en van diverse besluiten van de Vlaamse Regering met het oog op het uitvoeren van het kerntakenplan van het agentschap Onroerend Erfgoed en andere financiële en technische aanpassingen, luidt als volgt: ‘Met toepassing van artikel 4.4.23 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kan een vergunning worden verleend voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van het gebruik van een gebouw of gebouwencomplex, voorzover aan al de volgende voorwaarden voldaan is: 1° het gebouw of gebouwencomplex is opgenomen in de vastgestelde inventaris van het bouwkundige erfgoed, vermeld in artikel 4.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013; 2° de voortzetting van de vroegere functie blijkt niet haalbaar of garandeert de duurzame leefbaarheid van het gebouw of het gebouwencomplex niet; 3° de nieuwe functie laat de erfgoedwaarde ongeschonden of verhoogt ze.’ […] De verwerende partij overweegt in de bestreden beslissing dat het voormalige veevoederbedrijf reeds geruime tijd is stopgezet, dat de site reeds jarenlang leeg staat en dat er geen aanwijzingen zijn dat er enige interesse zou zijn om een nieuw veevoederbedrijf op deze site op te starten. De verwerende partij verantwoordt daarmee op duidelijke en afdoende wijze dat het aangevraagde voldoet aan artikel 10, 2° van het hiervoor voormeld uitvoeringsbesluit. De verzoekende partij toont ook niet aan dat deze verantwoording onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn. De kritiek van de verzoekende partij op de aanvrager die een andere doelstelling voor ogen heeft dan het verder zetten van de vroegere functie van de gebouwen, kan de ondeugdelijkheid van de beoordeling in de bestreden beslissing niet aantonen. De verwijzing naar veevoederbedrijven in de omgeving betreft een herhaling van een bezwaar dat door het college van burgemeester en schepenen werd beantwoord in eerste administratieve aanleg, en wel als volgt: ‘… Het tweede en derde lid van bovenstaand artikel wordt door de bezwaarindiener betwist. Evenwel blijkt de vroegere functie van het veevoederbedrijf niet haalbaar te zijn zoals de aanvrager terecht heeft gesteld in de aanvraag en waarbij het college zich aansluit. Immers, de vroegere ambachtelijke activiteit (veevoederbedrijf) is al geruime tijd verdwenen. Er werden geen opvolgers gevonden waardoor de site al jarenlang leegstaat. Daarnaast is het risico op stofexplosie bij veevoederbedrijven groot, wat niet aan te raden valt bij een (voornamelijk) woon- en stationsomgeving. VII-40.466-13/17 In beide bestemmingsgebieden (woonzone en zone voor ambachtelijke bedrijven) is de bestaanbaarheid van een industrieel bedrijf zoals een veevoederbedrijf, moeilijk,. De aanduiding ‘ambachtelijke bedrijven’ houdt een beperking in van de toegelaten bedrijven en van de hinder die deze bedrijven mogen veroorzaken. De voormalige functie blijkt aldus op vandaag op die plaats en in die condities economisch niet meer haalbaar. De vergelijking met veevoederbedrijven Franson, Quartes en de Molens gaat niet op, doordat deze allen direct gelegen zijn aan een grote waterloop wat in casu niet het geval is. De bestemmingsgebieden van deze veevoederbedrijven worden door de bezwaarindiener evenmin verduidelijkt. ...’ Zoals reeds vastgesteld bij de bespreking van het eerste onderdeel van het eerste middel heeft de verwerende partij zich in de bestreden beslissing uitdrukkelijk aangesloten bij deze beoordeling. […] Uit de overwegingen in de bestreden beslissing blijkt tevens dat de verwerende partij aandacht heeft geschonken aan de erfgoedwaarde van de site. Ze stelt, met verwijzing naar de beschrijving in de Inventaris van het bouwkundig erfgoed, dat de erfgoedwaarde van de site voornamelijk bepaald wordt door de silo en het behoud ervan als typevoorbeeld en als baken ter herinnering naar de bedrijvigheid uit het verleden. Ze overweegt verder dat door het behoud en de herbenutting van de silo met aanhorigheden, deze een referentie kan blijven vormen naar de historische achtergrond van de site en de bedrijfsactiviteit die kenmerkend was voor dit dorpscentrum, wat de leesbaarheid van de site en haar omgeving bevordert, dat door de afbraak van de rond de silo aanwezige minder waardevolle en meer recente aanbouwen de toren meer tot uiting zal kunnen komen en nadrukkelijker aanwezig zijn in het straatbeeld, dat de aanpassingen aan de gevels op dermate wijze gebeuren dat de bestaande verhoudingen behouden en zelfs geaccentueerd worden en dat het materiaalgebruik, met gevels in crepi, en afwerking met aluminium en cortenstaal is aangepast aan het industrieel karakter van de bouw. De verwerende partij komt op grond van die beoordeling tot de conclusie dat de bakenwaarde van de silobouw wordt behouden en dat het aangevraagde getuigt van afdoende respect voor het cultuurhistorische lokale erfgoed. Deze overwegingen zijn voor de verwerende partij de redenen om het aangevraagde aanvaardbaar te achten in het licht van artikel 10, 3° van het besluit van de Vlaamse regering van 28 november 2003 tot vaststelling van de lijst van toelaatbare zonevreemde functiewijzigingen. Tegenover deze uitvoerige en duidelijke motieven stelt de verzoekende partij niets meer dan een eigen visie over wat het meest kenmerkende zou zijn voor de site, die niet kan overtuigen om de bestreden beslissing onwettig te bevinden”. 26. Het bestreden arrest is aldus naar eis van recht (randnummer 21) gemotiveerd. VII-40.466-14/17 Tweede middelonderdeel 27. Het bestreden arrest geeft geen uitlegging van de argumentatie in het verzoekschrift en de wederantwoordnota van de eerste verzoekende partij, maar beoordeelt enkel de bewijswaarde ervan. Het kan aldus de bewijskracht (randnummer 12) ervan niet miskennen. Het middelonderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middelonderdeel 28. Luidens artikel 10, 2° van het besluit zonevreemde functiewijzigingen kan met toepassing van artikel 4.4.23 VCRO een vergunning worden verleend voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen van het gebruik van een gebouw(encomplex) voor zover aan al de volgende voorwaarde voldaan is “1° het gebouw of gebouwencomplex is opgenomen in de vastgestelde inventaris van het bouwkundige erfgoed, vermeld in artikel 4.1.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013; 2° de voortzetting van de vroegere functie blijkt niet haalbaar of garandeert de duurzame leefbaarheid van het gebouw of het gebouwencomplex niet; 3° de nieuwe functie laat de erfgoedwaarde ongeschonden of verhoogt ze”. In het verslag aan de regering wordt aan deze bepaling de volgende toelichting gegeven: “Voor gebouwen die voorkomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed is het soms onmogelijk om een functie te vinden die overeenstemt met de bestemming van het terrein en tegelijkertijd economisch haalbaar is. Dit leidde soms tot het verdwijnen van dergelijke gebouwen. Dit moet betreurd worden, ook al zijn het geen beschermde gebouwen. Daarom wordt hier de nieuwe functie vrij gelaten, maar worden wel een aantal grendels ingebouwd, waaronder een gunstig advies van monumenten en landschappen”. 29. In zoverre het middelonderdeel de Raad van State als cassatierechter noopt tot een beoordeling van de zaak zelf, is het wegens de VII-40.466-15/17 onbevoegdheid van de Raad van State die volgt uit artikel 14, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, onontvankelijk. 30. Het bestreden arrest dat om de in het randnummer 25 aangehaalde redenen concludeert dat de eerste verzoekende partij tegenover de motieven in de bestreden vergunningsbeslissing die verband houden met de voorwaarde in artikel 10, 3° van het besluit zonevreemde functiewijzigingen, “niets meer [stelt] dan een eigen visie over wat het meest kenmerkende zou zijn voor de site, die niet kan overtuigen om de bestreden beslissing onwettig te bevinden”, schendt artikel 10 van het besluit zonevreemde functiewijzigingen niet. 31. Het middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 600 euro en een bijdrage van 60 euro, elk voor een derde. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.466-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf december tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.466-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.286 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.