← België

Arrest 246288 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.288 Rolnummer: A. 228181/VII-40552 Zaak: Arrest 246288 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-12 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-24 13:04 Fiche Arrest nr 246.288 van 5 december 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.288 van 5 december 2019 in de zaak A. 228.181/VII-40.552 In zake : de NV UTEXBEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 21 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-S-1819-0842 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 9 april 2019 in de zaak 1819-RvVb-0357-SA. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Een beschikking van 6 juni 2019 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.552-1/7 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 november
  3. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Glenn Declercq, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Met een besluit van 9 november 2018 verleent de Vlaamse regering aan de verzoekende partij een omgevingsvergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een garenververij en weigert de omgevingsvergunning voor de tijdelijke verdere lozing van bedrijfsafvalwater op de Molenbeek.
  6. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partij tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunningsbeslissing. VII-40.552-2/7 Beoordeling van het enige middel Standpunt van de verzoekende partij
  7. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 40, § 1, 1° en 2° van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet). Zij licht toe dat het bestreden arrest “omtrent de separate schorsingsvoorwaarde van de hoogdringendheid […] een interpretatie [heeft] gegeven aan die voorwaarde die echter geen steun vindt in artikel 40, § 1, 1° DBRC-decreet, hierbij rekening houdend met de rechtsopvatting van de Raad van State inzake de schorsingsmogelijkheid van een negatieve beslissing (= vergunningsweigering) en derhalve bij uitbreiding van een verkapte negatieve beslissing (= omgevingsvergunning met voorwaarden die neerkomen op een weigering […]), die naar analogie moet toegepast worden op een jurisdictionele schorsingsprocedure bij de [RvVb]. […] Doordat de [RvVb] in het bestreden arrest echter in strijd met voormelde rechtsopvatting van [de Raad van State] en op foutieve wijze de mening is toegedaan dat zulk een schorsing van een in deze verkapte weigeringsbeslissing aan verzoekende partij geen enkel voordeel zou kunnen opleveren en dergelijke schorsing geenszins de vergunningverlenende overheid zou nopen, laat staan verplichten tot het heroverwegen van haar beslissing, wordt aan verzoekende partij de mogelijkheid ontzegd op heroverweging door de vergunningverlenende overheid. De schorsing van een weigeringsbeslissing kan de overheid er immers toe aanzetten een nieuwe beslissing te nemen, met inachtname van de redenen waarom de beslissing werd geschorst, waardoor aan verzoekende partij wel degelijk een voordeel […] zou toekomen […]. […] In deze bestaat het nadeel uit de omstandigheid dat aan de voor de [RvVb] bestreden omgevingsvergunning een kennelijk disproportionele, onuitvoerbare vergunningsvoorwaarde wordt gekoppeld […]. […] Het bestreden arrest weigert bijgevolg de gevorderde schorsing, niet op grond van een feitelijke VII-40.552-3/7 beoordeling van de ingeroepen hoogdringendheid, maar louter en alleen op grond van de […] verkeerde veronderstelling dat de gevorderde schorsing de vergunningverlenende overheid er toch niet zal toe aanzetten om tot heroverweging over te gaan, zodat het niet zou baten een verder onderzoek te doen van de zaak”. Beoordeling
  8. Artikel 40, § 1, van het DBRC-decreet bepaalt: “§
  9. Met behoud van de toepassing van artikel 14, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen op elk ogenblik de schorsing bevelen van de bestreden beslissing op voorwaarde dat wordt aangetoond dat: 1° de zaak hoogdringend is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot vernietiging; 2° en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt”. Het begrip hoogdringendheid is “evolutief doordat het in verband wordt gebracht met de gebruikelijke termijn nodig voor de behandeling van een beroep tot nietigverklaring” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2383/1, p. 43). De verzoekende partij moet “aantonen dat de zaak hoogdringend is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot nietigverklaring” (Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 777/1, p. 12). “Hoogdringendheid wordt niet enkel bepaald op basis van de duur van de (eerdere) procedure. Er zijn ook andere criteria die meespelen zoals onder meer de stand/aanvang van de werken enzovoort” (Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 777/6, p. 12).
  10. De beoordeling van de hoogdringendheid in de zin van artikel 40, § 1, 1°, van het DBRC-decreet is een feitenkwestie. Het middel dat de Raad van State als cassatierechter ertoe noopt om in tweede instantie deze feitelijke beoordeling door de RvVb over te doen, is onontvankelijk. VII-40.552-4/7
  11. Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partij tot schorsing van de bestreden vergunningsbeslissing omdat niet is “voldaan aan de in artikel 40, § 1, 1° DBRC-decreet gestelde voorwaarde dat een bestreden vergunningsbeslissing alleen geschorst kan worden wanneer er hoogdringendheid wordt aangetoond”. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 40, § 1, 2°, van het DBRC-decreet zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepaling met betrekking tot de tweede cumulatieve voorwaarde van minstens één ernstig middel dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt, is niet ontvankelijk.
  12. Het bestreden arrest besluit dat de verzoekende partij niet aantoont dat aan de in artikel 40, § 1, 1°, van het DBRC-decreet gestelde voorwaarde is voldaan op grond van volgende overwegingen: - op de verzoekende partij rust de bewijslast om met voldoende concrete, precieze en aannemelijke gegevens aan te tonen dat de afhandeling van de vernietigingsprocedure te laat zal komen om de verwezenlijking van de aangevoerde nadelige gevolgen, die voor haar persoonlijk voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, te voorkomen; zij moet bovendien een oorzakelijk verband aantonen tussen de aangevoerde nadelige gevolgen en de bestreden beslissing, zodat deze kunnen worden voorkomen door een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; - de RvVb stelt vast dat de verzoekende partij de hoogdringendheid van haar vordering in essentie steunt op het feit dat de bestreden beslissing onuitvoerbaar zou zijn en het gegeven dat haar geen toelating wordt verleend om minstens tijdelijk haar bedrijfsafvalwater te (blijven) lozen in de Molenbeek waardoor zij zich naar eigen zeggen in een patstelling geplaatst weet met financiële en economische nadelen; - de gebeurlijke schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunningsbeslissing kan de verzoekende partij geen onmiddellijk dan wel rechtstreeks voordeel opleveren omdat zo’n schorsing “elke vorm van exploitatie VII-40.552-5/7 onmogelijk maakt en de verzoekende partij zonder meer in de illegaliteit dreigt te duwen” en dus niets verandert aan de feitelijke en juridische toestand waarin de verzoekende partij zich bevindt; nog daargelaten dat de mogelijke schorsing de verwerende partij op geen enkele manier noopt, laat staan verplicht, tot het heroverwegen van haar beslissing, miskent de verzoekende partij de finaliteit van de procedure tot schorsing wanneer zij de RvVb erop aanstuurt de verwerende partij ertoe aan te zetten de bestreden beslissing te heroverwegen; in die zin lijkt de verzoekende partij de ingeroepen hoogdringendheid te steunen op de beweerde onwettigheid van de bestreden vergunningsbeslissing wat evenwel op zich geen element vormt waaruit de hoogdringendheid van de vordering kan worden afgeleid; de schorsing van de voorgehouden nadelige gevolgen, zo al kan worden aangenomen dat ze rechtstreeks uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voortvloeien, kunnen niet voorkomen worden en strekt de verzoekende partij niet tot voordeel.
  13. Het middel dat er vanuit gaat dat de beoordeling door de RvVb niet steunt op “een feitelijke beoordeling van de ingeroepen hoogdringendheid”, mist feitelijke grondslag.
  14. Het enige middel wordt verworpen. BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  16. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. VII-40.552-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf december tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.552-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.288 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.