← België

Arrest 246290 - Milieuvergunningen - 05/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.290 Rolnummer: A. 228826/VII-40609 Zaak: Arrest 246290 - Milieuvergunningen - 05/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-12 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-24 13:05 Fiche Arrest nr 246.290 van 5 december 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 246.290 van 5 december 2019 in de zaak A. 228.826/VII-40.609 In zake : Anna WEERTS-SMITSHUYSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN LIMBURG Tussenkomende partij : Philippe L‟HOMME bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen, Wouter Moonen en Nick Parthoens kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 14 augustus 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 18 juli 2019, waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Voeren van 28 februari 2018, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Philippe L‟Homme voor het exploiteren van een opslag- en verkoopplaats voor graanproducten, kunstmest, strooizout en dergelijke aan Molen 10 te Voeren, gedeeltelijk wordt ingewilligd en waarbij de beroepen beslissing met wijzigingen wordt bevestigd. VII-40.609-1/17 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 november 2019. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Gebruers, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor verzoekster, bestuurssecretaris Tom Loose, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Wouter Moonen, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Tussenkomst 3. Met een op 16 september 2019 op het elektronisch platform ingediend verzoekschrift vraagt Philippe L‟Homme om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen. VII-40.609-2/17 IV. Feiten 4.1. De tussenkomende partij dient op 20 december 2017 bij de deputatie van de provincieraad van Limburg (hierna : deputatie) een aanvraag in tot het verkrijgen van een milieuvergunning klasse II voor het veranderen en uitbreiden van een opslag- en verkoopplaats voor graanproducten, kunstmest, strooizout en dergelijke te Voeren, Molen 10, kadastraal gekend afdeling 6, sectie A, nrs. 511E, 500B, 500C, 499H, 499G, 498K. De percelen liggen, volgens het gewestplan Sint-Truiden/Tongeren, grotendeels in woongebied met landelijk karakter (eerste 50 meter) en gedeeltelijk in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Verzoekster is de aanpalende buur. Haar woning (perceel kadastraal gekend als 499F) wordt aan (minstens) drie zijden omringd door de exploitatie van de tussenkomende partij. De exploitant vermeldt in zijn aanvraag onder andere het volgende (bijlage D3: “algemene beschrijving van de productieprocessen”): “De aanvraag betreft een milieuvergunning voor de op- en overslag van enkele producten (kunstmest, granen, veevoeders, strooizout, …). De aanvraag betreft enkel een opslag- en overslag van producten en de beperkte thuisverkoop ervan. De granen worden aangekocht en opgeslagen op het bedrijf. Regelmatig worden deze afgevoerd naar veevoeder- fabrikanten, waar men deze verwerkt tot kwalitatieve veevoeders. Bij transporten van granen naar deze fabrikanten, transporteert men afgewerkte veevoeders naar klanten in een straal van 30 km rond de exploitatie. Opgeslagen kunstmest wordt verkocht aan landbouwers in de nabije omgeving. Het bedrijf betrof vroeger een kleine maalderij dewelke door de jaren heen is uitgegroeid tot een opslag- en verkoopplaats van bepaalde landbouwproducten. De oude molen is nog steeds behouden en is beschermd, maar wordt binnen de exploitatie niet meer gebruikt. De exploitatie is gelegen in agrarisch gebied en gedeeltelijk in woongebied met landelijk karakter volgens het gewestplan (voor 1962). In de jaren 70 was de exploitatie vrij gelegen in de omgeving, door de jaren heen werden er woningen gebouwd rondom de exploitatie. VII-40.609-3/17 De loods voor de opslag van granen, kunstmest en strooizout is grotendeels gelegen in woongebied met landelijk karakter. Het overige gedeelte van de exploitatie is grotendeels gelegen in agrarisch gebied. De bestaande gebouwen dateren van voor inwerkingtreding van het gewestplan en worden vergund geacht. De gebouwen zijn zone-eigen. De bouwvergunning voor de nieuwe loods werd reeds goedgekeurd op 14 september 2017 door het College van Burgemeester en Schepenen. De opslag van producten vindt plaats in afgesloten loodsen. Het laden en lossen van de producten vindt eveneens plaats in deze loodsen. […].” 4.2. Tijdens het openbaar onderzoek van 29 december 2017 tot en met 28 januari 2017 dient verzoekster een bezwaarschrift in. 4.3. Op 28 februari 2018 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Voeren de vergunning. 4.4. Hiertegen dient verzoekster een bestuurlijk beroep in bij de deputatie van de provincie Limburg. 4.5. Volgende adviesinstanties werden geraadpleegd: - de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) verleende een voorwaardelijk gunstig advies; - de afdeling Milieuvergunningen (AMV) verleende een voorwaardelijk gunstig advies; - de provinciaal stedenbouwkundig ambtenaar (PSA) verleende een voorwaardelijk gunstig advies; 4.6. De Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC), die zowel exploitant als beroepsindienster, hoorde, adviseert het beroep deels in te willigen en het bestreden besluit te wijzigen (onder andere door het opleggen van bijzondere voorwaarden); VII-40.609-4/17 4.7. Op 5 juli 2018 willigt de deputatie het beroep gedeeltelijk in en zij verleent de vergunning onder voorwaarden, om een inrichting te exploiteren met volgend voorwerp: “- rubriek 6.5.2°: 2 brandstofverdeelsinstallaties met elk één verdeelslang - nieuwe rubriek - klasse 2 - rubriek 15.1.1°: stallen van 11 bedrijfsvoertuigen en/of aanhangwagens - nieuwe rubriek - klasse 2 - rubriek 17.3.2.1.1.1.1.°b): opslag van 10 000 l of 8,4 mazout (BG, D) + opslag van 4.500 l of 3,78 T Diesel (BG + DW) - nieuwe rubriek - klasse 3 - Rubriek 17.4: de opslag van 1.000 liter gevaarlijke vloeistoffen in kleine verpakkingen - nieuwe rubriek - klasse 3 - Rubriek 28.1.f)2°: opslag van 3.500 ton kunstmest - nieuwe rubriek - klasse 2 - Rubriek 45.14.1°b): opslag van 4.860 m³, 1.700 m³ gerst, 475 m³ droge pulp, 120 m³ verpakte veevoeders- nieuwe rubriek - klasse 2 - rubriek 45.14.3° : opslag van 4.860 m³, 1.700 m³ gerst, 475 m³ droge pulp, 120 m³ verpakte veevoeders- nieuwe rubriek - klasse 2 - Rubriek 50: opslagplaatsen van strooizout van meer dan 20T - opslag van 50 T zout - nieuwe rubriek - klasse 2” 4.8. Hiertegen stelt verzoekster een vordering tot schorsing en nietigverklaring in bij de Raad van State. De Raad van State schorst de beslissing bij arrest nr. 243.070 van 29 november 2018. Bij arrest nr. 244.001 van 21 maart 2019 werd de beslissing vernietigd. 4.9. De deputatie herneemt de beroepsprocedure met het inwinnen van de adviezen : - de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -Projecten (GOP) adviseert op 21 mei 2019 om de vergunning voor een periode van vier jaar te verlenen onder bijzondere voorwaarden, namelijk : • Om stofhinder bij het aan- en afrijden van vrachtwagens te voorkomen dient de exploitant de verharde terreinen en de Molenstraat tussen de loodsen bij droog weer wekelijks te vegen met de borstelwagen. • Om stofhinder te voorkomen, dient het droog reinigen van de vrachtwagens binnen in de loods te gebeuren. • Om eventuele geluidshinder naar de omwonenden te vermijden dienen de poorten tijdens hinderlijke activiteiten in de loods gesloten te worden. VII-40.609-5/17 • Seizoensgebonden transporten mogen plaats vinden tussen 07u00 en 22u00. Specifiek omtrent de verenigbaarheid van de activiteiten met de bestemmingen van het gebied volgens het gewestplan en de verenigbaarheid met de omgeving, verwijst de GOP naar het advies van de PSA. - de PSA treedt het standpunt van de GOP bij inzake de duur van de vergunning en de seizoensgebonden transporten. Omtrent de stedenbouwkundige aspecten stelt hij dat het voorwaardelijk gunstig advies van de PSA van 15 juni 2018 integraal gehandhaafd blijft. "Als conclusie werd toen gesteld dat, mits uitsluiting van de inrichting en bedrijfsactiviteiten op de kadastrale percelen A496D en A496E, het overige aangevraagde wel verenigbaar is met de geldende bestemmings- voorschriften en een goede ordening van de plaats. - de VMM verleent op 6 juni 2019 (een laattijdig) voorwaardelijk gunstig advies. De PMVC besluit op 5 juni 2019 unaniem het advies van GOP te volgen mits een kleine aanpassing aan de laatst opgelegde bijzondere voorwaarde. 4.10. Op 18 juli 2019 verleent de deputatie de vergunning voor een termijn van vier jaar. Daarbij legt ze de vier bijzondere voorwaarden op, voorgesteld door de PMVC: • Om stofhinder bij het aan- en afrijden van vrachtwagens te voorkomen dient de exploitant de verharde terreinen en de Molenstraat tussen de loodsen bij droog weer wekelijks te vegen met de borstelwagen. • Om stofhinder te voorkomen, dient het droog reinigen van de vrachtwagens binnen in de loods te gebeuren. • Om eventuele geluidshinder naar de omwonenden te vermijden dienen de poorten tijdens hinderlijke activiteiten in de loods gesloten te worden. • Seizoensgebonden aan- en afvoer van landbouwproducten mag plaatsvinden tussen 07u00 en 22u00. Omtrent de stedenbouwkundige aspecten bevat de bestreden beslissing volgende motivering: VII-40.609-6/17 “Gelet op de ligging van de inrichting voor het grootste gedeelte in een woongebied met landelijk karakter en in waardevol agrarisch gebied volgens het Gewestplan St-Truiden-Tongeren; Gelet op het gegeven dat de inrichting niet gelegen is binnen een goedgekeurd RUP, BPA of een vergunde niet vervallen verkaveling; Dat het college van burgemeester en schepenen van Voeren op 14 september 2017 een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor het bouwen van een loods in uitbreiding bij het bedrijf; dat het beroep ingesteld tegen deze stedenbouwkundige vergunning onontvankelijk werd verklaard bij besluit d.d. 20 december 2017 van ons college en dat huidige beroeper de onontvankelijkheid van deze beslissing betwist heeft voor de Raad van Vergunningsbetwistingen; dat de Raad bij arrest van 11 juni 2019 de vordering tot vernietiging van de beslissing van 20 december 2017 heeft afgewezen; Dat gelet op bovenvermelde uitspraak van de Raad de stedenbouwkundige vergunning derhalve definitief is; Overwegende dat uit het advies van de provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar (PSA) d.d. 15 juni 2018 blijkt dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten, gesteld kan worden dat de uit te voeren activiteiten, die het voorwerp zijn van de vergunningsaanvraag verenigbaar en niet strijdig zijn met de voorschriften die gelden voor bovenvermeld(

  1. e)gebied(en); Dat een gedeelte van de aanvraag in landschappelijk waardevol agrarisch gebied gelegen is; Dat deze gedeeltelijke situering van het bedrijf in een landschappelijk waardevol gebied slechts minimaal van omvang is (percelen 511E, 500B, 499G, en kleine delen van 499H en 500C) en kwestieus gebied spievormig gesitueerd is tussen een bebouwde omgeving binnen het landelijk woongebied aan Vitschen en Dr. Goffinstraat. Dat deze constructies voornamelijk de oudste gebouwen betreffen en dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de exploitatie hiervan bestaat van vóór de inwerkingtreding van de gewestplannen; Dat uit het advies van de PSA gebleken is dat voor het ontwerp van de nieuw te bouwen loods voldoende aandacht werd besteed om de exploitatie hiervan verenigbaar te houden met het landschappelijk waardevol karakter door voldoende ruimte in de loods te voorzien voor opslag en manoeuvreerruimte [van] vrachtwagens, zodat de exploitatie in open omgeving geminimaliseerd wordt; Dat zowel de vorm van de nieuwbouwloods als het materiaalgebruik volledig afgestemd zijn op de woningen in de nabijheid; Dat de PSA besluit dat de inrichting als verenigbaar met het landschappelijk waardevol gebied wordt beoordeeld en de inrichting niet strijdig is met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan en ons college dit standpunt volledig bijtreedt; Dat de exploitatie in casu niet om pure handel gaat zoals beroeper aangeeft doch wel een para-agrarische bedrijvigheid betreft; Dat de functie para-agrarische bedrijvigheid in de ruimtelijke context ter plaatse een aanvaardbare functie is, die samen met de woonfunctie kan bestaan zonder dat er sprake is van overmatige hinder; VII-40.609-7/17 Overwegende dat in het agrarisch gebied volgens het bestemmingsvoorschrift van artikel 11.4.1 van het KB van 28 december 1972 ook „para-agrarische‟ activiteiten mogelijk zijn; Dat in de ministeriële omzendbrief van 8 juli 1997 hieromtrent uitdrukkelijk gesteld wordt dat dergelijke activiteiten een commercieel, ambachtelijk of zelfs industrieel karakter kunnen hebben, op voorwaarde dat zij bij de landbouw aansluiten of daarop afgestemd zijn. Dat het grondgebonden karakter van de activiteiten, de nauwe relatie met het landbouwproductieproces en de strikte relatie met de voortgebrachte landbouwproducten indicatoren kunnen zijn om het para-agrarische karakter van een inrichting te aanvaarden; Dat de rechtspraak aanvaardt dat de detailverkoop van landbouwproducten als para-agrarische activiteit in het agrarische gebied is toegestaan, voor zover die commerciële functie marginaal blijft en aansluit bij de ter plaatse uitgeoefende landbouwbedrijvigheid (RvS 19 april 2010, nr. 203.070, Culot en Dufranne). Dat het hier in hoofdzaak een ontvangstpunt voor granen en toelevering van meststoffen en diervoeders aan de landbouwers in de omgeving betreft. Dat gelet op deze dienstverlening aan de lokale landbouwers en de binding met het geproduceerde landbouwgewas, de aanvraag in overeenstemming is met de agrarische bestemming”. Dit is de bestreden beslissing. 4.11. De stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een loods op perceel nr. 499H, 499G, 498K en 499K werd verleend op 14 september 2017. Verzoekster stelde hiertegen een bestuurlijk beroep in bij de deputatie maar haar beroep werd op 20 december 2017 onontvankelijk verklaard wegens laattijdigheid. Het beroep ingesteld door verzoekster bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb), werd bij arrest nr. RvVb-A-1819-1084 van 11 juni 2019 ongegrond verklaard. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 5. Luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een procedure tot nietigverklaring én VII-40.609-8/17 dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden. VI. Ernst van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 6. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren zoals goedgekeurd bij koninklijk besluit van 5 april 1977, de artikelen 11.4.1, 11.4.6.1 en 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit), artikel 21, §2, 2° van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, het zorgvuldigheidsbeginsel en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat: - de aanvraag strijdig is met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan (landschappelijk waardevol agrarisch gebied), verwerende partij zich hiervoor deels heeft gebaseerd op een onjuist advies van de PSA en verwerende partij de kritieken van verzoekster niet met afdoende motieven heeft weerlegd. - verwerende partij ten onrechte heeft geoordeeld dat de exploitatie kan worden aangemerkt als een para-agrarische activiteit in de zin van artikel 11 van het inrichtingsbesluit en verwerende partij de betreffende kritieken van verzoekster niet met afdoende motieven heeft weerlegd. - de aanvraag niet verenigbaar is met de omgeving en de verwerende partij de betreffende kritieken van verzoekster niet met afdoende motieven heeft weerlegd. Volgens verzoekster is de aanvraag onder meer onverenigbaar met de omgeving omdat op amper 0,55 cm van de perceelsgrens binnen een enorm bouwvolume een hinderverwekkende inrichting wordt geëxploiteerd. De gekozen VII-40.609-9/17 schaal past niet binnen de omgeving en de exploitatie overschrijdt de draagkracht ervan. De motivering terzake schiet tekort. 7. De verwerende partij verwijst in haar nota naar het in de bestreden beslissing geciteerde en bijgetreden advies van de PSA en naar de door haar in concreto uitgevoerde esthetische toets. Zij verwijst ook naar rechtspraak van de Raad van State en de RvVb inzake para-agrarische activiteiten en naar het advies van het departement Landbouw en Visserij in het kader van de stedenbouwkundige aanvraag voor het bouwen van een loods. Zij wijst eveneens op de overweging dat de nieuwbouwloods qua vorm en materiaalgebruik aansluit bij de woningen in de omgeving en op de bespreking van de hinderaspecten ten aanzien van de woning van verzoekster. 8. De tussenkomende partij zet uiteen dat de inrichting een para-agrarisch bedrijf is als ontvangstpunt voor granen en toelevering van meststoffen en diervoeders aan de landbouwers in de omgeving, gecombineerd met de activiteiten inzake strooizout. De functie van de inrichting is dienstverlening aan de lokale landbouwers, waarbij de binding met het geproduceerde landbouwgewas essentieel is. De rechtspraak aanvaardt ook dat de detailverkoop van landbouwproducten als para-agrarische activiteit in het agrarische gebied is toegestaan (RvS 19 april 2010, nr. 203.070). Het strooizout wordt bovendien niet in agrarisch gebied opgeslagen. De inrichting is volgens de tussenkomende partij verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening, zoals blijkt uit de stedenbouwkundige vergunning en uit het advies van de PSA bij de milieuvergunningsaanvraag, waar de overheid zich bij aansloot. Verzoekster zet niet uiteen waarom het advies foutief VII-40.609-10/17 zou zijn. Verder heeft de deputatie gemotiveerd dat de nieuwbouwloods qua vorm en materiaalgebruik aansluit bij de woningen in de nabijheid. De inrichting tast de schoonheidswaarde van het landschap niet aan, zoals blijkt uit het advies van de PSA, waar de overheid zich bij aansluit. Verzoekster leest de motieven selectief. Een beantwoording van elk bezwaar op zich is in het licht van de formelemotiveringsplicht niet vereist. Beoordeling Eerste onderdeel 9. Uit de plannen en uit de bestreden beslissing blijkt dat de loods grotendeels gesitueerd is in woongebied (499K en 498K) en voor een heel klein deel in landschappelijk waardevol agrarisch gebied (perceel 499G en een klein deel van 499H). De slechts beperkte situering in landschappelijk waardevol gebied betekent echter op het eerste gezicht niet dat de esthetische toets wat de verenigbaarheid van de loods met de schoonheidswaarde van het landschap betreft, van ondergeschikt belang is, evenmin als het feit dat het hier om een spievormige insnede gaat. In het huidige geval lijkt de deputatie op de eerste plaats de “exploitatie” dit wil zeggen de activiteiten zelf te toetsen op hun esthetische impact en niet de constructie waarin deze plaatsvinden. De overweging “dat voor het ontwerp van de nieuw te bouwen loods voldoende aandacht werd besteed om de exploitatie hiervan verenigbaar te houden met het landschappelijk waardevol karakter door voldoende ruimte in de loods te voorzien voor opslag en manoeuvreerruimte [van] vrachtwagens, zodat de exploitatie in open omgeving geminimaliseerd wordt” zegt evenwel niets over de planologische inpasbaarheid van de loods zelf. VII-40.609-11/17 De overweging dat “zowel de vorm van de nieuwbouwloods als het materiaalgebruik volledig afgestemd zijn op de woningen in de nabijheid” de esthetische toets doorstaat, lijkt veeleer te gaan om de afstemming van de materialen en het uizicht van de loods aan de voorkant dit wil zeggen de straatkant, gelegen in woongebied met landelijk karakter, en dus niet met het landschappelijk waardevol gebied. Het gegeven dat de deputatie stelt dat zij het standpunt van de PSA volledig bijtreedt slaat op het eerste gezicht enkel op zijn conclusie omtrent de planologische verenigbaarheid. Dit kan het motiveringsgebrek niet herstellen. De motivering in verband met de verenigbaarheid met het landschappelijk waardevol karakter van het gebied lijkt niet afdoende te zijn, in het bijzonder wat de nieuw te bouwen loods betreft. Met verzoekster kan op het eerste gezicht worden aangenomen dat de verwerende partij heeft nagelaten een afdoende concreet onderzoek te voeren naar de esthetische inpasbaarheid met betrekking tot de loods. Het eerste middelonderdeel is ernstig. Derde onderdeel 10. Bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag beperkt het onderzoek naar de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de inrichting zich niet enkel tot een toetsing aan de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan maar dient de vergunningverlenende overheid ook aandacht te hebben voor de verenigbaarheid met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Daarbij moet worden uitgegaan van de specifieke kenmerken van die omgeving. Die specifieke kenmerken dienen ook daadwerkelijk bij de beoordeling van de aanvraag te worden betrokken. VII-40.609-12/17 Verzoekster heeft in het kader van de administratieve beroepsprocedure opgeworpen dat de aanvraag niet verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Zij wees daarbij op het enorme bouwvolume op 0,55 meter van de perceelsgrens en een exploitatie die door de schaalgrootte de draagkracht van het gebied overstijgt. Op het eerste gezicht lijkt de bestreden beslissing geen beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening te bevatten, terwijl het geen evidentie lijkt dat de exploitatie, gelet op de omvang en hinderlijke aard ervan, daarmee verenigbaar is. Een formele motivering, mede in het licht van verzoeksters bezwaren, ontbreekt. Dit klemt des te meer nu de stedenbouwkundige vergunning als bijzondere voorwaarde oplegt dat de loods op 1 meter van de perceelsgrens moet worden opgericht. In de nota citeert de verwerende partij het advies van de PSA, waar zij zich bij aansluit. Deze uitleg post factum doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de bestreden beslissing op het eerste gezicht geen toets van de verenigbaarheid van de exploitatie met de goede ruimtelijke ordening bevat. De beoordeling van de louter hinderlijke aspecten kan de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening niet vervangen. Het derde middelonderdeel is ernstig. 11. Het eerste middel is in die mate ernstig. VII. Spoedeisendheid 12. Verzoekster zet daarover het volgende uiteen: VII-40.609-13/17 - Met het arrest nr. 243.070 van 29 november 2018 heeft de Raad van State de milieuvergunning van 5 juli 2018 geschorst, en dus de spoedeisend- heid aanvaard. Dezelfde omstandigheden zijn nog steeds (minstens even hinderlijk) aanwezig. - Het perceel van verzoekster wordt volledig omringd door de exploitatie. - Op grond van de uitvoerbare stedenbouwkundige vergunning van 14 september 2017 kan de exploitant bijkomend een zeer omvangrijke loods oprichten en daarin exploiteren, vlak tegen het perceel van verzoekster op 0,55 meter afstand. - De reeds bestaande ernstige hinder en nadelen worden gecontinueerd (geluidshinder, zichthinder, stofhinder en wateroverlast, geurhinder en mobiliteitshinder). - De hinder en nadelen zullen na de oprichting van de loods enkel maar toenemen (het aan- en afrijden van zwaar verkeer blijft duren en speelt zich af buiten de loods, en woning van verzoekster bevindt zich vlakbij de exploitatie). - De zaak is bijgevolg te spoedeisend voor een behandeling in een beroep tot nietigverklaring. 13. De verwerende partij wijdt in de nota geen uiteenzetting aan de spoedeisendheid 14. De tussenkomende partij zet het volgende uiteen in haar verzoekschrift tot tussenkomst: - Tussenkomende partij is het niet eens met de wijze waarop verzoekster voorhoudt dat de vergunde inrichting een verzwaring van de hinder tot gevolg zal hebben. De nieuwe loods moet net tot gevolg hebben dat de hinderelementen waar zij gewag van maakt, verminderen of zelfs verdwijnen. - Het is wel een vaststaand feit dat tussenkomende partij zo snel mogelijk wil aanvangen met de bouwwerken voor de nieuwe loods. VII-40.609-14/17 - Tussenkomende partij laat het aan de wijsheid van de Raad van State over of er in die omstandigheden sprake is van een spoedeisende vordering tot schorsing. Beoordeling De Raad van State heeft in arrest nr. 243.070 van 29 november 2018 de spoedeisendheid aanvaard. De verwerende partij betwist overigens niet dat de zaak spoedeisend is. De feitelijke omstandigheden zijn sinds het vorige arrest niet wezenlijk veranderd, zij het dat de stedenbouwkundige vergunning thans definitief is. De tussenkomende partij bevestigt bovendien nogmaals haar intentie om zo snel mogelijk de stedenbouwkundige vergunning uit te voeren. Dit is reeds een onontbeerlijke aanduiding van de spoedeisendheid van de vordering. De nadelen en ongemakken die verzoekster aanhaalt, houden verband met de (bestaande) exploitatie die haar nu blijkbaar al veel hinder bezorgt (“geluidshinder, zichthinder, stofhinder en wateroverlast, geurhinder en mobiliteitshinder”). In verzoeksters uiteenzetting van de spoedeisendheid komt haar vrees tot uiting dat de hinder en nadelen worden “gecontinueerd” en dat met de nieuwe loods de nadelen zelfs fors zullen toenemen, in het bijzonder wat betreft het aan- en afrijden van vrachtwagens, hetgeen zich vooral concentreert tijdens het oogstseizoen. Het oogstseizoen mag dan thans achter de rug zijn, dit betekent niet dat verzoekster niet nog te lijden kan hebben van bepaalde ernstige nadelen die verbonden zijn met de nieuwe en uitgebreidere activiteiten die de exploitant zal kunnen uitoefenen ten gevolge van de verleende vergunning in het bijzonder gelet op de situering van haar woning ten opzichte van de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft en haar uiteenzetting omtrent het aan- en afrijden van VII-40.609-15/17 vrachtwagens en ander vervoer. Op zijn minst leidt de huidige vergunning tot een “continuïsering” van de hinderlijke aspecten van de uitbating. Verzoekster overtuigt voldoende in haar uiteenzetting dat er, lopende de duur van de annulatieprocedure, ernstige dan wel onherroepelijke schadelijke gevolgen kunnen tot stand komen die slechts kunnen worden vermeden mits het schorsen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. De spoedeisendheid van de vordering kan worden aangenomen. BESLISSING 1. Het verzoek van Philippe L’Homme tot tussenkomst wordt ingewilligd. 2. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 18 juli 2019, waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Voeren van 28 februari 2018, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Philippe L’Homme voor het exploiteren van een opslag- en verkoopplaats voor graanproducten, kunstmest, strooizout en dergelijke aan Molen 10 te Voeren, gedeeltelijk wordt ingewilligd en waarbij de beroepen beslissing met wijzigingen wordt bevestigd. 3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. VII-40.609-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf december tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.609-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.290 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.299 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.