← België

Arrest 246292 - Geneesmiddelen - 05/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.292 Rolnummer: A. 229030/VII-40626 Zaak: Arrest 246292 - Geneesmiddelen - 05/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-12 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-24 13:06 Fiche Arrest nr 246.292 van 5 december 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - Geneesmiddelen Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 246.292 van 5 december 2019 in de zaak A. 229.030/VII-40.626 In zake : de UNIVERSITEIT ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat An Vijverman kantoor houdend te 3000 Leuven Mechelsestraat 107-109 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR GENEESMIDDELEN EN GEZONDHEIDSPRODUCTEN (FAGG) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jérôme Sohier, Pierre Legros en Manoël De Keukelaere kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 181, bus 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 5 september 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van “de beslissing van 8 juli 2019 van de DG Inspectie - Afdeling Vergunningen - Cel speciaal gereglementeerde stoffen van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten […] betreffende de weigering om aan een laboratorium van de Universiteit Antwerpen (met name het Laboratorium Pathofysiologie) een eindgebruikersvergunning voor het gebruik van verdovende middelen en psychotrope stoffen af te leveren, voor zover verwerende partij in deze beslissing weigert om aan het Laboratorium Pathofysiologie een eindgebruikersvergunning toe te kennen voor de verdovende middelen en psychotrope stoffen die onder het toepassingsgebied van het KB van 6 september 2017 vallen”. VII-40.626-1/13 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 november
  3. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Elise Degroote, die loco advocaat An Vijverman verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Manoël De Keukelaere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoekende partij dient op 2 juli 2019 op basis van het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen, psychotrope stoffen (hierna : koninklijk besluit van 6 september 2017) bij de verwerende partij een aanvraag in voor het hernieuwen van een eindgebruikersvergunning voor het bezit en het aanschaffen van verdovende middelen en psychotrope stoffen door een van haar laboratoria dat met proefdieren werkt. VII-40.626-2/13 3.
  6. Met een e-mail van 8 juli 2019 deelt de verwerende partij het volgende mee aan de verzoekende partij: “Op datum van 2 juli kreeg onze dienst een aanvraag voor het verkrijgen van een eindgebruikersvergunning met betrekking tot het volgende labo: - Universiteit Antwerpen-Labo pathofysiologie Er kan geen eindgebruikersvergunning afgeleverd worden voor de aangevraagde activiteiten van de door u vermelde stoffen omdat deze aangewend worden voor doeleinden die niet onder het toepassingsgebied van het KB 06.09.2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen vallen. Art.8, 1° van het voornoemd KB stelt het aanschaffen of bezitten van rechtmatig verkregen geneesmiddelen vrij van een activiteiten- of eindgebruikersvergunning. Een eindgebruikersvergunning is dus nooit bedoeld om geneesmiddelen mee aan te kopen. Bijkomend is isofluraan geen middel dat geviseerd wordt door het KB 06.09.2017 en dat ook niet geviseerd werd door de vroegere wetgevingen inzake verdovende middelen/psychotrope stoffen. Bijgevolg zal de aanvraag niet verder in behandeling worden genomen”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Voorwerp van de vordering Standpunt van de verwerende partij
  7. In een eerste exceptie doet de verwerende partij gelden dat het voorwerp van het verzoekschrift geen aanvechtbare beslissing is: “Het betrof in werkelijkheid een pragmatische en informatieve mededeling dat het niet de intentie was om de aanvragen in behandeling te nemen en dat het veeleer aangewezen zou zijn dat partijen overleg zouden plegen teneinde te verduidelijken op welke wijze verzoekster de nodige middelen zou kunnen blijven verkrijgen voor haar onderzoek. In werkelijkheid gaat het dus om een louter voorbereidende handeling die op zich niet beoogde om rechtsgevolgen in het leven te roepen”. VII-40.626-3/13 Beoordeling
  8. Het verzoekschrift is gericht tegen “de beslissing van 8 juli 2019 […] van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten […] voor zover verwerende partij in deze beslissing weigert om aan het Laboratorium Pathofysiologie een eindgebruikersvergunning toe te kennen voor de verdovende middelen en psychotrope stoffen die onder het toepassingsgebied van het KB van 6 september 2017 vallen”. De verzoekende partij leidt deze beslissing af uit de in het feitenrelaas aangehaalde e-mail van 8 juli 2019 van de verwerende partij. Anders dan de verwerende partij tracht voor te houden, blijkt die e-mail niet louter informatief of voorbereidend bedoeld, maar heeft deze wel degelijk het ondubbelzinnige oogmerk om finale rechtsgevolgen te hebben, met name het “niet verder in behandeling nemen” van de aanvraag van de verzoekende partij. De eerste exceptie wordt verworpen. Belang Standpunten van de partijen
  9. De verzoekende partij geeft in het verzoekschrift zelf een anticipatieve toelichting bij haar belang. Hierin benadrukt zij het belang van haar onderzoekstaak als universiteit en wijst zij op de plaats van dierproeven binnen dat onderzoek. De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat de laboratoria van de verzoekende partij hun onderzoek niet meer naar behoren kunnen uitvoeren, nu zij niet langer op legale wijze kunnen beschikken over een aantal stoffen die noodzakelijk zijn om de dierproeven op wettelijk en maatschappelijk verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren. VII-40.626-4/13
  10. In de nota betwist de verwerende partij het belang van de verzoekende partij. Zij doet gelden dat de verzoekende partij haar belang steunt op de onjuiste premisse dat de gevraagde vergunning noodzakelijk zou zijn voor haar activiteiten. Die premisse is onjuist omdat de aanvraag betrekking heeft op producten die kunnen worden verkregen onder de vorm van geneesmiddelen en omdat de aanvraag betrekking heeft op producten die hoe dan ook niet het voorwerp kunnen uitmaken van de beoogde vergunning. Voor het overige is een eindgebruikersvergunning niet bedoeld voor de activiteiten van de verzoekende partij. Het gaat niet om een vergunning voor geneesmiddelen die laboratoria op legale manier kunnen verkrijgen. De verwerende partij schetst het normatief kader van de regeling inzake verdovende middelen en psychotrope stoffen. Het aanschaffen of bezitten van rechtmatig verkregen geneesmiddelen valt krachtens artikel 8 niet onder artikel 6 en 7 van het koninklijk besluit van 6 september
  11. De middelen die de verzoekende partij wenst te kunnen aanschaffen zijn geneesmiddelen voor veterinaire doeleinden, die op voorschrift via het depot van de universiteit kunnen worden verkregen. De vergunning wordt trouwens per definitie beperkt tot bepaalde doeleinden en in casu blijkt de vergunning niet nodig om de verzoekende partij toe te laten de door haar beoogde wetenschappelijke doeleinden na te streven. Het zou onredelijk zijn om te verwachten dat de verwerende partij een vergunning zou moeten afleveren waarbij vervolgens in de vergunning enkel activiteiten worden toegelaten die op zich krachtens artikel 8 van het koninklijk besluit al toegelaten worden, te weten het aanschaffen of bezitten van rechtmatig verkregen geneesmiddelen. De wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde waarnaar de verzoekende partij verwijst is niet van toepassing, gelet op zijn artikel 3, § 2, 1º. In de context van experimentele ingrepen zal artikel 12 van de wet van 28 augustus 1991 bijgevolg evenmin toepassing vinden. VII-40.626-5/13 Beoordeling
  12. Deze exceptie betreft de juridische grond van de zaak, doch niet de ontvankelijkheid van het verzoekschrift. Zij dient in die mate dan ook te worden verworpen. Wel dient de exceptie inzake gebrek aan belang te worden aanvaard waar de verwerende partij doet gelden dat de aanvraag van de verzoekende partij ook betrekking blijkt te hebben op een middel dat niet onder het toepassingsgebied van het koninklijk besluit van 6 september 2017 valt. De verzoekende partij heeft reeds op het eerste gezicht inderdaad geen belang bij het bestrijden van de weigering om haar aanvragen in behandeling te nemen inzoverre het middelen en stoffen betreft die niet onder het betrokken vergunningenstelsel vallen. Het gaat dan te dezen met name om de door de verwerende partij in haar e-mail van 8 juli 2019 genoemde middel isofluraan. Dat middel lijkt inderdaad niet voor te komen in de lijsten in bijlage bij het koninklijk besluit van 6 september 2017 en valt aldus overeenkomstig artikel 3, § 1, niet onder het toepassingsgebied ervan. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  13. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VII-40.626-6/13 VI. Spoedeisendheid Standpunten van de partijen
  14. De verzoekende partij zet het spoedeisend karakter van haar vordering in kortgeding uitvoerig uiteen in het verzoekschrift: “▪Door de bestreden beslissing van verwerende partij kan het Laboratorium Pathofysiologie van verzoekende partij niet (langer) over een eindgebruikersvergunning voor het gebruik van verdovende middelen en psychotrope stoffen beschikken. Door deze bestreden beslissing van 8 juli 2019 van verwerende partij kan dit laboratorium zijn onderzoeksactiviteit dan ook helemaal niet (meer) naar behoren uitvoeren. Het kan immers niet (meer) beschikken over een aantal noodzakelijke stoffen om dierproeven op een wettelijk correcte, maar vooral op een maatschappelijk verantwoorde manier uit te voeren. Door de bestreden beslissing van 8 juli 2019 van verwerende partij wordt verzoekende partij dus zeer sterk gehinderd in één van haar belangrijkste opdrachten, met name het voeren van wetenschappelijk onderzoek. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat het Laboratorium Pathofysiologie van verzoekende partij zo snel als mogelijk (opnieuw) moeten kunnen beschikken over een eindgebruikersvergunning zodat het (verder) op een legale manier aan de, nodige verdovende middelen en psychotrope stoffen kan geraken. Zoniet, dan zal het laboratorium een belangrijk deel van het door hem gevoerde onderzoek moeten staken. Het Laboratorium Pathofysiologie van verzoekende partij gebruikt bij zijn onderzoek immers proefdieren waarvoor het verdovende middelen en psychotrope stoffen nodig heeft. Zo vermeldt de aanvraag dat het Laboratorium Pathofysiologie proefdierkundig onderzoek uitvoert op knaagdieren. Om het onderzoek op een maatschappelijk verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren, dient het labo Pathfysiologie te kunnen beschikken over middelen voor pijnbestrijding, anesthesie en/of euthanasie. Zonder over deze middelen te kunnen beschikken, kan het labo Pathofysiologie van de UA haar wetenschappelijke opdracht niet uitvoeren […]. Het is voor het laboratorium essentieel dat het -in afwachting van een uitspraak door uw Raad van State ten gronde- (verder) in alle legaliteit wetenschappelijk onderzoek kan uitvoeren en derhalve over verdovende middelen en psychotrope stoffen kan beschikken. Zoniet komt de taak van verzoekende partij om aan wetenschappelijk onderzoek te doen manifest en onomkeerbaar in het gedrang. VII-40.626-7/13 Indien dit laboratorium niet kan beschikken over deze middelen en stoffen, dan heeft dit algemeen tot gevolg dat: - lopende en gefinancierde onderzoeksprojecten niet kunnen uitgevoerd worden zoals gepland in de projectbeschrijving. Onderzoeksdoelstellingen worden dan niet gehaald en de geplande publicaties en vooruitgang binnen het specifieke onderzoeksdomein komen in het gedrang. De onderzoekers van verzoekende partij en dus verzoekende partij zelf hebben nochtans een belangrijke verantwoordelijkheid op dat vlak naar enerzijds financieringsorganisaties en naar anderzijds de maatschappij toe, die allen financieel bijdragen aan het onderzoek; - het verwerven van nieuwe onderzoekskredieten op basis van de geplande experimenten in het gedrang komt, niet alleen voor de eigen groep, maar ook wat betreft lopende en geplande aanvragen op nationaal en internationaal vlak, zoals onder andere EU funding; - het dierenwelzijn in het gedrang komt wanneer analgetica niet beschikbaar zijn; - zonder toegang tot deze middelen er een groot deel van het onderzoek stil valt, ook doctoraatsstudies en masterthesissen volledig stil vallen en deze mensen en een deel van het labopersoneel technisch werkloos zijn. Het wegvallen van de mogelijkheid om deze studies uit te voeren, creëert dus op verschillende vlakken een niet te overziene handicap voor het laboratorium van verzoekende partij dat met proefdieren werkt en dus ook voor verzoekende partij zelf. Voor wat betreft de weigering ten aanzien van het laboratorium Pathofysiologie waarvan de aanvraag in casu door verwerende partij niet in behandeling werd genomen, treden er naast de bovenvermelde onherroepelijke schadelijke gevolgen, ook nog een aantal heel specifieke onherroepelijke schadelijke gevolgen op: - het laboratorium voert vaak contractonderzoek uit voor farmaceutische bedrijven. Voor deze dienstverlening werden contractuele afspraken gemaakt. Indien het laboratorium Pathofysiologie niet langer in staat is haar contractuele verplichtingen ten aanzien van deze farmaceutische bedrijven na te komen omdat ze geen toegang meer heeft tot de benodigde psychotrope stoffen en verdovende middelen, zal zij wellicht geconfronteerd worden met schadeclaims vanwege deze bedrijven; - het laboratorium zal wellicht minder vraag krijgen naar contractonderzoek als het laboratorium geen toegang meer heeft tot de benodigde psychotrope stoffen en verdovende middelen. Als die bron van inkomsten wegvalt of vermindert, zal een aantal personeelsleden van het laboratorium niet langer betaald kunnen worden en dus noodgedwongen moeten afvloeien. VII-40.626-8/13 Aan al deze ernstige nadelen voor verzoekende partij en haar laboratorium moet dan ook zo spoedig mogelijk een einde worden gesteld. In dit opzicht is de situatie voor verzoekende partij dermate spoedeisend en dus onverenigbaar met een behandeling ervan in een gewone vernietigingsprocedure. Indien verzoekende partij de gewone termijn van een vernietigingsprocedure moet afwachten, dan zou zij zich in een toestand bevinden met onherroepelijke schade gevolgen (zoals hierboven uiteengezet). ▪ Gelet op het voorgaande dient vastgesteld te worden dat verzoekende partij op onherroepelijke wijze schade zal lijden indien de bestreden beslissing niet wordt geschorst. Voor verzoekende partij is er dan ook sprake van de nodige spoedeisendheid om de schorsing van de bestreden beslissing te bevelen”.
  15. De verwerende partij betwist de spoedeisendheid van de vordering als volgt: “Overigens moeten er ernstige vragen worden gesteld bij de vermeende spoedeisendheid. Verzoekster maakt immers niet aannemelijk dat de gevraagde vergunningen noodzakelijk zouden zijn voor de uitoefening van haar activiteiten. Verwerende partij is de mening toegedaan dat verzoekster de door haar beoogde geneesmiddelen hoe dan ook zonder de vergunningen op een andere legale wijze kan verkrijgen. Dit was ook precies de reden waarom de aanvraag niet in aanmerking werd genomen en waarom werd voorgesteld om tussen partijen een bespreking te houden teneinde de verschillende mogelijkheden toe te lichten. Er wordt bijgevolg niet ingezien hoe verzoekster in casu de benodigde spoedeisendheid zou kunnen aantonen. Om die reden dient de vordering tot schorsing te worden afgewezen”. Beoordeling
  16. De bestreden weigering om de aanvraag van de verzoekende partij in behandeling te nemen, sorteert onmiddellijk effect en lijkt prima facie tot gevolg te hebben dat de verzoekende partij voor de betrokken researchlaboratoria niet langer op wettige wijze cruciale middelen en stoffen kan verwerven, bij gebrek aan geldige vergunning voor het bezit en het aanschaffen van verdovende middelen en psychotrope stoffen. VII-40.626-9/13 De verzoekende partij overtuigt voldoende in haar uiteenzetting dat er, tijdens de duur van de annulatieprocedure, ernstige dan wel onherroepelijk schadelijke gevolgen kunnen tot stand komen die slechts kunnen worden vermeden mits het schorsen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Het verweer in de nota volstaat niet om die uiteenzetting te weerleggen. Dit betreft immers de grond van de zaak en niet het spoedeisend karakter van de vordering in kortgeding.
  17. De spoedeisendheid van de vordering dient bijgevolg als aangetoond te worden beschouwd. VII. Ernstig middel Derde middel Standpunt van de partijen
  18. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in het derde middel de schending aan van artikel 12, §§1 en 2 van het koninklijk besluit van 6 september 2017 en van het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het rechtzekerheidsbeginsel’. Zij wijst erop dat zij haar aanvraag heeft ingediend overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 6 september
  19. De bestreden beslissing is als antwoord op die aanvraag niet in overeenstemming met de procedure bepaald in artikel
  20. De verwerende partij heeft met die procedure geen rekening gehouden en deze niet gevolgd. Zij heeft zomaar beslist om zonder gegronde motivering de aanvraag niet verder in behandeling te nemen. De verwerende partij beschikt nochtans helemaal niet over de bevoegdheid om aanvragen niet in behandeling te nemen. Zij kan enkel aanvragen onontvankelijk VII-40.626-10/13 verklaren, ofwel om gegronde redenen afwijzen. Door de procedure gewoon niet toe te passen heeft de verwerende partij kennelijk onredelijk gehandeld.
  21. In haar nota doet de verwerende partij gelden dat de e-mail van 8 juli 2019 niet bedoeld was als formele weigeringsbeslissing: “Het was enkel en alleen een e-mail die om pragmatische redenen aan verzoekster werd verstuurd om haar erop te wijzen dat haar aanvraag obsoleet was en het bijgevolg in werkelijkheid onredelijk en onzorgvuldig zou zijn om deze te behandelen en de bijhorende retributies te innen. Het probleem was in casu niet dat de aanvraag niet deugdelijk zou zijn ingevuld noch dat er aan de geschiktheid of betrouwbaarheid van de aanvrager werd getwijfeld”. Beoordeling
  22. Artikel 12, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 6 september 2017 luidt als volgt: “Art.
  23. §
  24. Het FAGG doet uitspraak over de ontvankelijkheid van de in artikel 11 bedoelde aanvraag binnen een termijn van maximum één maand te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. Indien het aanvraagformulier bedoeld in artikel 11, § 3, onvolledig is, of niet deugdelijk is ingevuld, deelt het FAGG dit mee aan de aanvrager in de in het eerste lid bedoelde kennisgeving met vermelding van de niet-deugdelijke of ontbrekende elementen. De aanvrager beschikt op straffe van verval over een termijn van maximum één maand te rekenen vanaf de kennisgeving om zijn aanvraag te regulariseren. Indien de aanvrager zijn aanvraag niet regulariseert overeenkomstig de instructies van de kennisgeving bedoeld in het tweede lid, wijst de Minister of zijn afgevaardigde de aanvraag af op grond van onontvankelijkheid. Deze beslissing wordt aan de aanvrager ter kennis gebracht binnen een termijn van maximum één maand te rekenen vanaf het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn. §
  25. Indien de aanvraag ontvankelijk wordt verklaard overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 1, verleent de Minister of zijn afgevaardigde de vergunning binnen een termijn van maximum één maand nadat de aanvraag ontvankelijk werd verklaard of wijst deze af indien er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de geschiktheid en betrouwbaarheid van de aanvrager of van de verantwoordelijke voor de beoogde activiteiten met de middelen of dat niet aan de vergunningsvoorwaarden wordt voldaan.” VII-40.626-11/13 Aldus blijkt het FAGG op basis van de toepasselijke regelgeving enkel bevoegd om een aanvraag al dan niet ontvankelijk te verklaren (artikel 12, § 1) en om de vergunning al dan niet te verlenen (artikel 12, § 2). Het koninklijk besluit van 6 september 2017 voorziet alleszins niet in enige bevoegdheid voor het FAGG om te weigeren een aanvraag verder in behandeling te nemen wanneer deze door haar niet wenselijk of “obsoleet”wordt geacht.
  26. In de bestreden beslissing blijkt het FAGG zulks toch te hebben gedaan. De verwerende partij geeft zelf uitdrukkelijk te kennen in de nota dat zij de reglementaire procedure te dezen eenvoudig niet wil toepassen en dat de bestreden weigering niet als een beslissing inzake ontvankelijkheid van de aanvragen of het al dan niet verlenen van de vergunningen dient te worden beschouwd. Er blijkt evenwel niet uit welke rechtsbepaling de verwerende partij de bevoegdheid put om te beslissen artikel 12 van het koninklijk besluit van 6 september 2017 gewoonweg niet toe te passen en om te weigeren prima facie geldig ingediende vergunningsaanvragen in behandeling te nemen. De verwerende partij is als administratieve overheid in een rechtsstaat er immers wel degelijk toe gehouden de regelgeving na te leven en dient de reglementair bepaalde besluitvormingsprocedures toe te passen, ook wanneer zij dat zelf niet zinvol vindt. Zij mag alleszins niet uit eigen beweging beslissen om die procedures alleen toe te passen in gevallen waarin haar dat een “pragmatische handelwijze” lijkt te zijn. Bijgevolg blijkt de bestreden beslissing geen basis te kunnen vinden in de toepasselijke wet- of regelgeving. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de verwerende partij zowel in de bestreden beslissing als in haar nota met opmerkingen in de procedure voor de Raad van State in gebreke blijft om enige deugdelijke bevoegdheidsgrondslag voor de weigeringsbeslissing aan te brengen.
  27. De bestreden beslissing blijkt dus zonder rechtsgrond te zijn. Het derde middel is ernstig. VII-40.626-12/13 BESLISSING
  28. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van “de beslissing van 8 juli 2019 van de DG Inspectie - Afdeling Vergunningen - Cel speciaal gereglementeerde stoffen van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten […] betreffende de weigering om aan een laboratorium van de Universiteit Antwerpen (met name het Laboratorium Pathofysiologie) een eindgebruikersvergunning voor het gebruik van verdovende middelen en psychotrope stoffen af te leveren, voor zover verwerende partij in deze beslissing weigert om aan het Laboratorium Pathofysiologie een eindgebruikersvergunning toe te kennen voor de verdovende middelen en psychotrope stoffen die onder het toepassingsgebied van het KB van 6 september 2017 vallen.
  29. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf december tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.626-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.292 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.298 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.