← België

Arrest 246297 - Apothekers en apotheken - 05/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.297 Rolnummer: A. 226466/XIV-37851 Zaak: Arrest 246297 - Apothekers en apotheken - 05/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-12 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-24 13:08 Fiche Arrest nr 246.297 van 5 december 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - Apothekers en apotheken Beslissing : afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 246.297 van 5 december 2019 in de zaak A. 226.466/XIV-37.851 In zake : de NV APOTEEK VERLINDEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Reiner Tijs kantoor houdend te 2000 Antwerpen Nassaustraat 37-41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge-St. Kruis Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BVBA PHARMAZONE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Alexander Wynter en Frederic Leleux kantoor houdend te 9220 Hamme Kapellestraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 oktober 2018, strekt tot de nietigverklaring de beslissing van 4 mei 2018 van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, waarbij aan de bvba Pharmazone een vergunning wordt verleend voor de overbrenging van een voor het publiek opengestelde apotheek XIV-37.851-1/9 buiten de onmiddellijke nabijheid van 2060 Antwerpen, Onderwijsstraat 63 naar 2940 Stabroek, Abtsdreef 12. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 244.598 van 23 mei 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Op 28 augustus 2019 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 december 2019. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joram Maes, die loco advocaat Reiner Tijs verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Frederick Valcke, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Alexander Wynter, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XIV-37.851-2/9 III. Niet-betaling van de kosten 3. Krachtens artikel 70, § 1, eerste lid, 2° van voormeld besluit van de Regent van 23 augustus 1948, geeft het instellen van een beroep tot nietigverklaring aanleiding tot de betaling van een rolrecht van 200 euro. Artikel 66, 6°, van datzelfde besluit bepaalt dat de kosten, naast de in artikel 70 bedoelde rechten, onder meer nog omvatten “de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’.” Deze bepaling is van toepassing op de zaken ingeleid vanaf 1 maart 2018. Wanneer een administratief kort geding werd ingesteld samen met een beroep tot nietigverklaring worden het recht, vastgesteld in het genoemde artikel 70, § 1, eerste lid, 2°, en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, enkel onmiddellijk betaald voor de vordering tot schorsing en is het recht voor het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts verschuldigd bij het instellen van een vordering tot voortzetting van de procedure bedoeld bij artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State door de persoon of de personen die om de voortzetting van het geding vragen (artikel 70, § 1, tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948). Artikel 71, eerste en tweede lid, van datzelfde besluit bepalen dat de rechten bedoeld in artikel 70 en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, worden gekweten door middel van een overschrijving of een storting op de in die bepaling genoemde bankrekening, geopend bij de dienst die binnen de Federale Overheidsdienst van Financiën is aangewezen als bevoegd om de rechten en de bijdrage die betaald moeten worden in het kader van een voor de Raad van State ingediende procedure, te innen en dat de hoofdgriffier daartoe aan de schuldenaar een overschrijvingsformulier zendt dat een gestructureerde mededeling bevat die het mogelijk maakt om de te verrichten betaling in verband te brengen met de proceshandeling waarop ze betrekking heeft. Naar luid van artikel 71, vierde lid, van voormeld besluit van de Regent zal, indien de in het eerste lid bedoelde XIV-37.851-3/9 rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, het ingestelde beroep (tot nietigverklaring) van de rol worden geschrapt. 4. Te dezen heeft de hoofdgriffier op 28 mei 2019 aan de (raadsman van

  1. de)verzoekende partij de mededeling betekend dat zij over een termijn van dertig dagen vanaf de ontvangst van deze kennisgeving beschikt om een verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen en dat dit verzoek tot voortzetting aanleiding geeft, overeenkomstig artikel 66, 6° en 70 van voornoemd besluit, tot de betaling van een bijdrage van 20 euro en een recht van 200 euro en dat deze bijdrage en het recht door de griffie zal worden gevorderd na ontvangst van het verzoek tot voortzetting. Op 5 juli 2019 wordt door de hoofdgriffier aan de (raadsman van
  2. de)verzoekende partij de volgende mededeling betekend: “Wij hebben uw vordering tot voortzetting van de procedure in de zaak G/A 226.466/XIV-37851 goed ontvangen. Overeenkomstig artikel 66, 6° en 70 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft dit aanleiding tot betaling van een bijdrage van 20 euro en een recht van 200 euro. […] Totaal te betalen: 220 € Te betalen op rekening nr : […] op naam van […] […] met de gestructureerde mededeling: […] Indien de hierboven vermelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, overeenkomstig artikel 71 vierde lid van voornoemd besluit, deelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de betrokken partij mee dat de kamer naargelang van het geval de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht zal beschouwen of van de rol zal schrappen, tenzij de betrokken partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. […]”. Op 25 juli 2019 wordt de genoemde bankrekening gecrediteerd met een bedrag van 200 euro. XIV-37.851-4/9 Met een aangetekend schrijven van 28 augustus 2019 wordt aan (de raadsman van) de verzoekende partij meegedeeld dat de meergenoemde rekening niet voldoende is gecrediteerd binnen de vereiste termijn van dertig dagen na ontvangst van het overschrijvingsformulier. Op 29 augustus 2019 wordt de genoemde rekening gecrediteerd met een bedrag van 20 euro en, op 3 september 2019, vraagt de verzoekende partij om te worden gehoord. Standpunt van de verzoekende partij 5. Ter terechtzitting geeft de verzoekende partij te kennen dat zij binnen de vervaltermijn van dertig dagen “bij wijze van louter materiële vergissing slechts een som van € 200 op het rekeningnummer [betaalde]”. Zij stelt dat die materiële vergissing, die volgens haar uiteenzetting ter terechtzitting werd begaan “tijdens een zeer warme zomerdag”, pas wordt opgemerkt nadat zij er door de Raad van State op wordt gewezen dat de rekening niet voldoende is gecrediteerd en dat zij vervolgens de ontbrekende 20 euro dezelfde dag nog heeft bijgestort. Zij stelt dat er te dezen geen “sprake is van de situatie, zoals bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het Regentbesluit van 23 augustus 1948” daar de rekening daadwerkelijk (doch niet voldoende) werd gecrediteerd”. Die materiële vergissing kan dan ook niet leiden tot het schrappen van de rol. Het toepassen van de sanctie vermeld in artikel 71, vierde lid, zou volgens de verzoekende partij in die omstandigheden “alleszins leiden tot een onevenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter”. Beoordeling 6. Overeenkomstig de artikelen 71 en 66, 6°, wordt het beroep tot nietigverklaring van de rol geschrapt wanneer de in de artikelen 71, eerste lid bedoelde rechten en bijdrage waarvan het totale bedrag aan de verzoekende partij werd meegedeeld niet wordt gekweten binnen de termijn van dertig dagen na ontvangst van de uitnodiging daartoe. Te dezen wordt vastgesteld dat een bedrag van 200 euro dat overeenstemt met het rolrecht tijdig werd betaald doch dat het XIV-37.851-5/9 voorgeschreven bedrag van 20 euro, dat overeenstemt met de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 laattijdig werd vereffend. De procedureregels vervat in de voornoemde reglementaire bepalingen zijn duidelijk, nauwkeurig en precies en verdienen omwille van de rechtszekerheid, de gelijke behandeling en het verbod van willekeur een consequente toepassing. Zij verdragen geen uitzonderingen om rekening te houden met elke bijzondere omstandigheid eigen aan een of andere partij, tenzij, zoals artikel 71, voorlaatste lid, van het genoemde besluit van de Regent voorschrijft, in hoofde van de betrokken partij overmacht of onoverwinnelijke dwaling is bewezen, wat te dezen niet het geval is. De verzoekende partij is er immers, zoals hiervoor is gebleken, tweemaal op gewezen dat het te betalen totaalbedrag 220 euro bedraagt, bestaande eensdeels uit het rolrecht van 200 euro en anderdeels een bijdrage van 20 euro. Op 5 juli 2019 wordt zij door de hoofdgriffier uitdrukkelijk uitgenodigd om dit totale bedrag van 220 euro te kwijten op de wijze en binnen de termijn zoals in dat schrijven staat vermeld, en waarbij zij tevens, zonder enige dubbelzinnigheid, op de toe te passen sanctie wordt gewezen wanneer de bankrekening niet aldus is gecrediteerd. De “materiële vergissing” die de verzoekende partij aanhaalt en, meer nog, de omstandigheden waarin die zich heeft voorgedaan (“op een warme zomerdag”) en die zij ter terechtzitting beschrijft, getuigen veeleer van een zekere onachtzaamheid of nonchalance doch leveren niet het bewijs van overmacht of onoverwinnelijke dwaling. Procedurele rechten en verplichtingen gaan hand in hand en een verzoekende partij moet wanneer zij er niet in slaagt overmacht of onoverwinnelijke dwaling aan te tonen, de gevolgen dragen van een procedurele vergissing of onachtzaamheid die zij begaat, in het bijzonder wanneer zij wordt bijgestaan door een raadsman die haar kan inlichten over de inhoud, betekenis en draagwijdte van de voorgeschreven procedurele verplichtingen. Te dezen ligt geen onevenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter voor. XIV-37.851-6/9 7. Het beroep dient met toepassing van artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 van de rol te worden geschrapt. IV. Terugbetaling 8. Het rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 20 euro dienen bijgevolg aan de verzoekende partij te worden teruggestort. V. Rechtsplegingsvergoeding 9. In het kader van de (gewone) schorsingsprocedure heeft de verwerende partij in een pleitnota, die zij aan de Raad van State per aangetekend schrijven heeft toegestuurd op 19 maart 2019 en die door de Raad van State werd ontvangen op 20 maart 2019 (dit is op de dag van de terechtzitting waarop de vordering tot schorsing werd behandeld), gevraagd om haar een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen van 700 euro, ten laste van de verzoekende partij. Overeenkomstig artikel 84/1 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948, gelezen in samenhang met artikel 2 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, kan de rechtsplegingsvergoeding worden aangevraagd in elk procedurestuk of elke nota tot vereffening van de kosten, ingediend door tussenkomst van een advocaat en zulks ten laatste vijf dagen vóór de zitting, behalve in het geval van de vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregel, ingediend bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarbij de rechtsplegingsvergoeding gevraagd kan worden tot aan de sluiting van de debatten. Daargelaten de vraag of de door verwerende partij ingediende pleitnota die als een loutere inlichting in aanmerking is genomen, beantwoordt aan de in het voornoemde artikel 84/1 iuncto artikel 84, § 1 gestelde vereisten, XIV-37.851-7/9 dient in ieder geval te worden vastgesteld dat de nota laattijdig aan de Raad van State werd bezorgd. De in artikel 84/1 bedoelde uitzondering op de vijf dagen- termijn dient strikt te worden geïnterpreteerd en is beperkt tot de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid sensu stricto. De vraag van de verwerende partij tot het toekennen van een rechtsplegingsvergoeding wordt bijgevolg afgewezen. BESLISSING 1. Het beroep wordt van de rol geschrapt. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. 3. Het door de verzoekende partij betaalde rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 20 euro wat het beroep tot nietigverklaring betreft, worden aan haar teruggestort door de dienst die binnen de Federale Overheidsdienst van Financiën is aangewezen als bevoegd om de rechten en bijdragen te innen in het kader van een voor de Raad van State ingediende procedure. XIV-37.851-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf december tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-37.851-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.297 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.598 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.