id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.316 Rolnummer: A. 228265/IX-9559 Zaak: Arrest 246316 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-16 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-24 13:13 Fiche Arrest nr 246.316 van 5 december 2019 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 246.316 van 5 december 2019 in de zaak A. 228.265/IX-9559 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Aube Wirtgen kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 3 juli 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “het besluit van de Vlaamse Regering d.d. 26 mei 2019 waarmee [aan XXXX] de mandaatevaluatie ‘onvoldoende’ wordt toegekend, zodat zijn mandaat een einde neemt op 31 oktober 2019”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. IX-9559-1/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 november
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Vincent Vuylsteke, die ver- schijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bart Martel, die mede loco advocaat Aube Wirtgen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is bij besluit van de Vlaamse Regering van 18 oktober 2013 met ingang van 1 november 2013 aangewezen voor de functie van gedelegeerd bestuurder van het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – Syntra Vlaanderen, een extern verzelfstandigd agentschap van de Vlaamse over- heid. Het betreft een mandaatfunctie met een duur van maximum zes jaar, die hernieuwbaar is onder de voorwaarden welke zijn bepaald bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 ‘houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid’ (hierna: het Vlaams personeelsstatuut). 3.
- De scores van de opeenvolgende, jaarlijkse evaluaties van ver- zoekers functioneren door de functioneel bevoegde minister van de Vlaamse Re- IX-9559-2/15 gering, namelijk de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport, zijn respectievelijk de volgende: - 2014: score B+ (het prestatieniveau voldoet volledig aan de verwachtingen); - 2015: score B+ (het prestatieniveau voldoet volledig aan de verwachtingen); - 2016: score B- (positief met verbeterpunten: het prestatieniveau ligt onder de verwachtingen); - 2017: score B (het prestatieniveau voldoet grotendeels aan de verwachtingen); - 2018: score B (het prestatieniveau voldoet grotendeels aan de verwachtingen). 3.
- Voor de mandaatevaluatie “met het oog op het opnemen van een volgend mandaat”, die uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van het mandaat moet plaatsvinden (artikel V 13, § 2, van het Vlaams personeelsstatuut), wordt ten aanzien van verzoeker beroep gedaan op de externe instantie A. Deze instantie stelt daartoe in maart 2019 een rapport ‘Man- daatevaluatie 2014-2018’ op. Het besluit daarvan luidt: “Algemeen mag gesteld worden dat de leidend ambtenaar op voldoende wijze invulling gaf aan zijn mandaat. Niettegenstaande de grote wijzigingen die Syntra Vlaanderen de voorbije periode kende in de kern van de missie en visie, realiseerde de mandaathouder de vooropgestelde doelstellingen, hoewel niet altijd conform de verwachtingen van de minister. Het blijft ook opvallend dat de minister, zeker voor de beleving van de waarden en voor de manier waarop hij zich in zijn leiderschapsstijlen profileert, op zijn honger blijft en een ander verwachtingspatroon heeft dan de heer XXXX zelf, de raad van bestuur en de medewerkers. De prestaties en de wijze van invulling van het mandaat voldoen aan de verwachtingen. De medewerker slaagt in zijn rol als leidend ambtenaar.” 3.
- Op 7 mei 2019 heeft er een gesprek plaats tussen verzoeker en de functioneel bevoegde Vlaamse minister. IX-9559-3/15 Tussen de partijen is niet betwist dat de voornoemde minister bij die gelegenheid verzoeker in kennis heeft gesteld van zijn intentie om aan de Vlaamse Regering voor te stellen verzoekers mandaat als ‘onvoldoende’ te eva- lueren, zodat het niet kan worden hernieuwd. 3.
- Met een e-mailbericht van 8 mei 2019 aan verzoeker bevestigt de voornoemde minister zijn voormeld voornemen en vermeldt hij zijn motieven daarvoor. 3.
- Met een e-mailbericht van 13 mei 2019 wordt aan de raadslieden van verzoeker een afschrift van het administratief dossier bezorgd: enerzijds een nota van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding aan de Vlaamse Regering betreffende de mandaatevaluatie van verzoeker en anderzijds het rapport ‘Mandaatevaluatie 2014-2018’ van de externe instantie A. 3.
- Op 24 mei 2019 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raads- lieden, gehoord door de Vlaamse Regering. De dag voordien heeft hij een ver- weernota ingediend. 3.
- Op 26 mei 2019 beslist de Vlaamse Regering om aan verzoeker de mandaatevaluatie ‘onvoldoende’ toe te kennen. Dit is de bestreden beslissing. Daarin is te lezen dat de Vlaamse Regering de motivering overneemt die is opgenomen in de voorgelegde nota van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrij- ding, waarvan de “conclusie” als volgt luidt: “De minister stelt op basis van de samenvattende tabel met de jaarlijkse evaluatiescores vast dat de heer XXXX zowel voor 2016, 2017 en 2018 niet volledig voldeed aan de verwachtingen (met in 2016 een score B-, prestatieni- veau ligt onder de verwachtingen). Samenlezend met de evaluaties door de IX-9559-4/15 bevoegde minister kan daaruit minstens geconcludeerd worden dat de heer XXXX er niet in geslaagd is om de aandachtspunten op een adequate manier aan te pakken en zo tot een verbetering van zijn prestaties te komen zoals ge- vraagd door de bevoegde minister. Hij presteerde met andere woorden onder- maats ten opzichte van de functienorm. De minister is er zich van bewust dat uit de mandaatevaluatie en jaarlijkse evaluaties blijkt [dat] er een discrepantie is tussen de zelfevaluatie, de evaluatie van de Raad van Bestuur en de bevoegde minister. De minister evalueerde de heer XXXX stelselmatig minder goed. Doorheen de jaren werden de verschillen ook steeds groter. In de verschillende evaluaties wordt aangegeven dat de heer XXXX meer in dialoog moet gaan met de minister en de kabinetschef om de wederzijdse verwachtingen helderder [t]e krijgen. Vanaf de evaluatie van 2016 wordt dit stelselmatig aangegeven dat dit dient te gebeuren. Zowel in 2016, 2017 en 2018 komt deze opmerking terug. In 2018 geeft [de externe instantie A.] zelfs aan dat het moeilijk wordt om een objectieve evaluatie te maken (vandaar de B). We kunnen echter vaststellen dat er door[h]een de jaren geen verbetering optreedt in de samenwerking met een belangrijke belanghebbende en functioneel bevoegde minister. De scores blijven laag en de discrepantie tussen de verwachtingen [is] groot. In zijn reactie op zowel de evaluatie 2017 als 2018 geeft de heer XXXX aan dat hij niet akkoord is met de evaluatie van de minister die hij in 2017 eerder als een opinie beschrijft dan als een evaluatie. In 2018 krijgt de minister daarbij nog de opmerking dat ‘evaluatoren dienen ook bekwaam te zijn om te kunnen evalueren’. Hij betwist de manier van evalueren en het primaat van de politiek daarin. Hij ziet Syntra Vlaanderen als een private onderneming die niet door de politiek dient aangestuurd te worden. De heer XXXX vergeet echter dat een belangrijke belanghebbende en opdrachtgever net de minister is die via Syntra Vlaanderen zijn beleid uitvoert. Dit getuigt van een weinig loyale houding van de heer XXXX ten opzichte van zijn minister en het uitgestippelde beleid van de Vlaamse Regering. Dit wordt ook bevestigd in bepaalde communicatie op sociale media en de Raad van Bestuur. Het ver- trouwen tussen de minister en de heer XXXX is dus op dat vlak volledig ver- dwenen.” De genotuleerde beslissing van de Vlaamse Regering vermeldt voorts: “Bijgevolg zal de heer XXXX uiterlijk binnen één jaar na de schriftelijke kennisgeving van de beëindiging van het mandaat herplaatst worden in de in- terne arbeidsmarkt in een passende functie van de terugvalgraad van direc- teur-generaal.” Met een aangetekende brief van 27 mei 2019 is ze aan verzoeker ter kennis gegeven. IX-9559-5/15 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Verzoeker bezorgt op 31 oktober 2019 aan de Raad van State een “zittingsnota […] met het oog op de zitting van […] 4 november 2019”.
- Het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ voorziet niet in de mogelijkheid om een dergelijke nota als een processtuk neer te leggen. Als zodanig is de nota bijgevolg niet ontvankelijk. Voor zover ze evenwel de neerslag vormt van verzoekers uiteenzetting ter terechtzitting, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting van verzoeker
- Ter staving van de spoedeisendheid van zijn vordering voert verzoeker vooreerst aan dat de titularis van een mandaat ingevolge artikel V 15, eerste lid, van het Vlaams personeelsstatuut in dat mandaat wordt hernieuwd voor een bijkomende, in beginsel eenmalige termijn van zes jaar, zonder dat opnieuw een beroep wordt gedaan op de mededinging, wanneer de mandaatevaluatie niet resulteert in een einduitspraak ‘onvoldoende’. Volgens verzoeker betekent een IX-9559-6/15 schorsing van de bestreden beslissing dat ze minstens voorlopig geen uitwerking kan hebben. Voorts betoogt verzoeker dat de bestreden beslissing de beëin- diging van zijn mandaat impliceert op 31 oktober 2019 en dat de enige manier om te voorkomen dat de “negatieve effecten” van de beslissing uitwerking hebben, bestaat in de schorsing van die beslissing vóór of kort na die datum. Indien hij een eventueel vernietigingsarrest zou moeten afwachten, dan zou hij gedurende min- stens anderhalf jaar zijn mandaat niet kunnen uitoefenen, wat op zich een ernstig nadeel is dat de tussenkomst van de Raad van State wenselijk maakt. Een vernie- tiging zou geen volledig rechtsherstel kunnen bieden, aangezien het mandaat dan gedurende anderhalf jaar door iemand anders zal worden uitgeoefend en hij zelf noodgedwongen een andere functie zal moeten opnemen. Een reïntegratie, zo stelt verzoeker, is voor topambtenaren “een weinig realistische of minstens zeer on- wenselijke piste”, nu van de mandaathouder wordt verwacht dat hij van in het begin een visie ontwikkelt, die geregeld wordt geëvalueerd en zo nodig bijge- stuurd. Verzoeker doet tevens gelden dat de bestreden beslissing steunt op “belangrijke beschuldigingen” aan zijn adres. Ze maakt gewag van tal van vermeende tekortkomingen en uit de beslissing blijkt het oordeel van de Vlaamse Regering dat er een belangrijk verlies van vertrouwen is in zijn capaciteiten. Verzoeker leidt daaruit af dat de bestreden beslissing zijn eer en professionele reputatie aantast en hij een ernstig moreel nadeel ondergaat. Volgens hem blijkt in casu uit de motivering van de bestreden beslissing dat ze gesteund is op “een ui- terst negatieve beoordeling van [zijn] prestaties”, zodat de aantasting van zijn morele belangen niet kan worden betwist. Verzoeker argumenteert dat zijn profiel en reputatie van die aard zijn dat de schade die uit zijn negatieve beoordeling voortvloeit wanneer die bij anderen bekend wordt, “in tegenstelling tot [...] misschien in vele andere gevallen”, wel degelijk “onherroepelijk” is. Hij wijst erop een Vlaams topambtenaar te zijn, IX-9559-7/15 erkend als een autoriteit, en een “thought leader” in zijn vakgebied. Dit blijkt, aldus verzoeker, uit een aantal publicaties en zijn regelmatig spreken op conferenties, symposiums, en zo meer. Hij wijst erop dat het verslag van A. vermeldt dat een onderzoekster van de KULeuven het veranderingstraject van Syntra Vlaanderen beschrijft als een voorbeeld van een organisatie die zich aanpast aan een snel veranderende wereld, een voorbeeld voor de ganse overheid. Verzoeker stelt voorts dat hij door maatschappelijke spelers als een gerespecteerd expert in zijn vakgebied wordt erkend. De bestreden beslissing tast volgens hem zijn reputatie en credibiliteit aan bij zijn professionele contacten. Hij voegt eraan toe dat zijn acti- viteiten dermate afhankelijk zijn van het vertrouwen dat derden hebben in zijn expertise, dat zijn carrière door de bestreden beslissing onherroepelijk dreigt te worden aangetast. Volgens verzoeker zal de bestreden beslissing ook bijzonder negatief afstralen op zijn andere functies, waaronder zijn functie als onderzoeker aan de Universiteit Gent. Verzoeker vervolgt dat wanneer zijn mandaat na 31 oktober 2019 wordt beëindigd, dit bij iedereen de indruk zal wekken dat hij zijn opdracht niet met succes heeft volbracht. Bij derden zal dit een aanzienlijk verlies aan vertrouwen in zijn capaciteiten veroorzaken. Iedereen in zijn professionele omgeving zal ervan op de hoogte zijn en het is bijzonder onwaarschijnlijk dat aan zijn vertrek niet dezelfde persaandacht zal worden besteed als destijds aan zijn aanstelling. Verzoeker wijst er nog op dat hij een aantal engagementen heeft aangegaan voor de periode na 31 oktober
- Volgens verzoeker zijn ze van dergelijke aard dat ze met zekerheid in het gedrang komen indien hij vanaf 1 november 2019 geen CEO van Syntra Vlaanderen meer zou zijn. Hij wijst op zijn lidmaatschap van “de STEM-stuurgroep” die de Vlaamse Regering adviseert over “het STEM-actieplan, waarbij STEM staat voor ‘Science, Technologie, Enginee- ring, Mathematics’ en waarbij het actieplan jongeren moet stimuleren om een studie en loopbaan in deze domeinen te kiezen” en die zal samenkomen op 14 november 2019 en 3 december
- Hij wijst tevens op zijn aanstelling als IX-9559-8/15 docent in “het EULP-programma (Entrepreneurial Leaders Programme) van de Said Business School in Oxford” waar hij in januari 2020 zou gaan lesgeven. Verzoeker besluit dat wanneer hij gedwongen wordt de uitkomst van het vernietigingsberoep af te wachten, zijn reputatieschade bijzonder groot zal zijn. Hij wijst voorts op de “constante” rechtspraak van de Raad van State dat het tuchtrechtelijk ontslag van een ambtenaar een morele schade en imagoschade veroorzaken, die onherroepelijk dreigen te worden indien zou moe- ten worden gewacht op een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring. Verzoeker benadrukt ten slotte dat, zelfs los van de publiciteit die aan deze zaak zal worden gegeven, hij aanzienlijke morele schade lijdt op persoonlijk vlak. Terwijl hij een indrukwekkende professionele achtergrond heeft en zijn functie met veel passie heeft uitgeoefend, wordt hij nu geconfronteerd met een heel negatieve beoordeling, zonder enige nuance. Hij stelt dat het hem bij- zonder moeilijk zou vallen om anderhalf jaar te moeten wachten op de vaststelling dat hij niet correct is behandeld. Beoordeling
- Zoals hiervóór sub 6 in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. Luidens artikel 17, § 2, van diezelfde gecoördineerde wetten moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, IX-9559-9/15 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Voor een verzoekende partij bij de Raad van State die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep af te wach- ten, komt het dan ook erop aan om daarvan te overtuigen aan de hand van de feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit betekent dat het aan deze partij toevalt om in haar inleidend verzoekschrift specifieke gegevens bij te brengen, betrokken op de omstandigheden van haar zaak, die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar per- soonlijk veroorzaakt, niet kunnen worden gedragen gedurende de gewone door- looptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bij- gevolg niet kan worden afgewacht. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is.
- Voorts kan krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de voor- noemde gecoördineerde wetten een schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wet- gever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere ge- beurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). Bovendien mag krachtens artikel 17, § 2, derde lid, van de voornoemde gecoördineerde wetten een nieuwe vordering worden ingesteld, in- dien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. IX-9559-10/15
- In dit geval beroept verzoeker zich vooreerst op artikel V 15, eerste lid, van het Vlaams personeelsstatuut luidens hetwelk, wanneer de man- daatevaluatie niet resulteert in een einduitspraak ‘onvoldoende’, de titularis van het mandaat in zijn mandaat wordt hernieuwd voor een bijkomende en in beginsel eenmalige termijn van zes jaar. Hij stelt dat een schorsing van de bestreden be- slissing betekent dat deze beslissing minstens voorlopig geen uitwerking kan hebben. Dat laatste is voorzeker juist, maar het brengt niets bij ter staving van de spoedeisendheid van de voorliggende vordering. Een mandaat in een managementfunctie van N-niveau heeft immers luidens artikel V 2 van datzelfde Vlaams personeelsstatuut “een duur van maximum 6 jaar”, die weliswaar overeenkomstig artikel V 15 hernieuwbaar is. Gelet op die aldus bepaalde duur van het mandaat dienen de titularis ervan en, desgevallend, ook de professionele omgeving van de betrokkene en derden er alleszins rekening mee te houden dat de mandaatuitoefening na zes jaar kan op- houden, overigens wegens diverse mogelijke redenen die zijn bepaald in arti- kel V 14 van het Vlaams personeelsstatuut. Derhalve vloeit uit de enkele omstandigheid dat de man- daatuitoefening van verzoeker na zes jaar een einde neemt, op zich niet voort dat er gegronde reden is om de door hem aangebrachte betwisting van de wettigheid van de beëindiging van zijn mandaat met spoedeisendheid te behandelen.
- Verzoeker stelt dat indien hij de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring zou moeten afwachten, hij gedurende minstens anderhalf jaar zijn mandaat niet zou kunnen uitoefenen en het mandaat dan door iemand anders zou worden uitgeoefend. Voor zover hij aldus lijkt ervan uit te gaan dat een schorsing van de bestreden beslissing ipso facto zou impliceren dat die gevreesde situatie zich niet kan voordoen en zijn mandaat wel zal worden verlengd, vergist hij zich. Zoals hij zelf stelt, zou een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden IX-9559-11/15 beslissing slechts tot gevolg hebben dat de evaluatie ‘onvoldoende’ van zijn mandaat voorlopig geen uitwerking heeft, terwijl een hernieuwing van het mandaat overeenkomstig artikel V 15 van het Vlaams personeelsstatuut vereist dat er een vaststaande evaluatie van het voorbije mandaat is. Bovendien toont verzoeker met zijn verwijzing naar de verwachte duur van de annulatieprocedure niet aan dat hem daardoor een ingrijpend nadeel boven het hoofd hangt dat hij zolang niet kan verdragen of zou moeten kunnen verdragen. De eventuele aanstelling van een opvolger vloeit niet voort uit de thans bestreden beslissing en zou door verzoeker evenzeer in rechte kunnen worden bestreden. Voorts blijkt uit niets dat een reïn- tegratie van verzoeker na het verloop van de annulatieprocedure geen “realisti- sche” piste meer zou zijn. De Raad van State houdt bij de beoordeling van verzoekers situatie ook rekening met wat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk is bepaald, in overeenstemming met wat is voorgeschreven door artikel V 17 van het Vlaams personeelsstatuut, namelijk dat verzoeker “uiterlijk binnen één jaar na de schrifte- lijke kennisgeving van de beëindiging van het mandaat herplaatst [zal] worden in de interne arbeidsmarkt in een passende functie van de terugvalgraad van direc- teur-generaal”. Zoals de Raad van State reeds overwoog in zijn arrest nr. 244.768 van 11 juni 2019 (randnummer 12) over verzoekers vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en hij ten aanzien van de thans voorliggende gewone vorde- ring tot schorsing bevestigt, laat het voorgaande “vooralsnog […] niet toe te be- grijpen waarom een eventueel vernietigingsarrest niet zou kunnen worden afge- wacht”.
- Verzoeker doet voor het overige wezenlijk gelden dat de be- streden beslissing zijn eer en professionele reputatie aantast, nu ze gesteund is op “belangrijke beschuldigingen” en “een uiterst negatieve beoordeling van [zijn] prestaties”. IX-9559-12/15 De Raad van State leest in de bestreden beslissing evenwel geen “belangrijke beschuldigingen”, noch “een uiterst negatieve beoordeling” die de spoedeisendheid van de vordering zou kunnen verantwoorden. Wel is duidelijk dat de mandaatuitoefening van verzoeker door de bevoegde minister geacht wordt niet te voldoen aan de verwachtingen die een hernieuwing van het mandaat zouden rechtvaardigen. De mogelijkheid van een dergelijke beoordeling is inherent aan het opnemen van een leidinggevend mandaat. Dat verzoeker zich daardoor zeer ge- griefd voelt, is vanuit subjectief oogpunt beschouwd, voorzeker aannemelijk. Om te kunnen verkrijgen dat de Raad van State zijn grieven met voorrang zou behan- delen ten aanzien van vele andere bij de Raad van State aanhangige zaken, moet hij evenwel aan de hand van objectieve gegevens ervan overtuigen dat het nadeel dat hij ondergaat en dat louter van morele aard blijkt te zijn, toch zo verstrekkend of ingrijpend is dat het niet genoegzaam zou kunnen worden verholpen door een eventueel vernietigingsarrest. Reeds in zijn arrest nr. 244.768 van 11 juni 2019 (randnummer 8) heeft de Raad van State vastgesteld dat verzoeker zulks niet aantoont. Hij brengt geen nieuwe gegevens aan die de Raad ertoe nopen thans anders te besluiten. Verzoeker wijst andermaal op de aantasting van zijn erkenning als autoriteit en “tought leader” in zijn vakgebied en van het mogelijke verlies van zijn credibiliteit in zijn professionele contacten. Temeer daar die beweerde aan- tasting niet concreet wordt gestaafd – verzoeker beperkt zich tot een voorspelling – overtuigt hij er niet van dat zijn loopbaan erdoor ingrijpende negatieve gevolgen zal ondergaan. Ook legt hij niet uit hoe zijn “andere functies [...] waaronder zijn functie als onderzoeker aan UGent” verregaand onder de bestreden beslissing zouden lijden. Hetzelfde geldt voor zijn aangevoerde engagementen voor de periode na 31 oktober
- Het valt niet in te zien dat zijn terugtreden als lid van de STEM-stuurgroep “onherstelbaar” gezichtsverlies zou teweegbrengen. Voorts maakt verzoeker niet aannemelijk dat zijn aanstelling als docent in het EULP-programma van de Said Business School in Oxford louter gesteund is op IX-9559-13/15 zijn aanstelling als gedelegeerd bestuurder van Syntra Vlaanderen en ten gevolge van de bestreden beslissing zal vervallen.
- Voor zover verzoeker aanvoert “aanzienlijke morele schade te lijden op persoonlijk vlak”, toont hij ook al niet aan dat deze schade niet zou kunnen worden verholpen door een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing.
- Verzoekers verwijzing naar de “constante” rechtspraak van de Raad van State dat het tuchtrechtelijke ontslag een morele schade en imagoschade veroorzaken die onherroepelijk dreigen te worden indien zou moeten worden gewacht op een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring, gaat helemaal niet op, aangezien een tuchtrechtelijk ontslag onder meer op moreel vlak een wezenlijk andere impact heeft op het betrokken personeelslid dan de niet-verlenging van een mandaat, die bovendien dan nog zal worden gevolgd door een herplaatsing in “een passende functie van de terugvalgraad van directeur-generaal”.
- De spoedeisendheid van de vordering is derhalve niet aange- toond.
- Er is bijgevolg alvast niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewe- zen. VII. Anonimisering
- Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt de verzoekende partij dat bij de publicatie van het arrest haar identiteit niet wordt opgenomen. IX-9559-14/15 Dit verzoek wordt ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf december tweeduizend negentien, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-9559-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.316 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.768 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.030 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.