← België

Arrest 246325 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 06/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.325 Rolnummer: A. 219556/XIV-37091 Zaak: Arrest 246325 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 06/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-12 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-24 13:15 Fiche Arrest nr 246.325 van 6 december 2019 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.325 van 6 december 2019 in de zaak A. 219.556/XIV-37.091 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christiaan Luyckx kantoor houdend te 1000 Brussel Antoine Dansaertstraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/Legal/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 23 juni 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur-generaal van de algemene directie van de Gerechtelijke Politie van 22 april 2016 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddenschaal wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een “toelichtende memorie” ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-37.091-1/17 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christiaan Luyckx, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale politie. 3.
  6. Met het inleidend verslag van 24 augustus 2015 stelt de hogere tuchtoverheid voor om verzoeker de zware tuchtstraf van schorsing bij tuchtmaatregel voor een periode van twee maanden op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten en de gevolgen, van de datum van kennisneming van de feiten, van bewijs en de toerekening ervan en de kwalificatie en ernst van het tuchtvergrijp. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. XIV-37.091-2/17 3.
  7. Op 13 oktober 2015 stelt de hogere tuchtoverheid voor om aan verzoeker de zware tuchtstraf van schorsing bij tuchtmaatregel voor een periode van twee maanden op te leggen. Tegen dit voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
  8. Op 15 maart 2016 adviseert de Tuchtraad “dat de ten laste gelegde feiten zoals omschreven in punt 5.2., bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend, dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten [en] dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van de schorsing voor een periode van twee maanden geen gepaste tuchtstraf uitmaakt inzake maar wel de terugzetting in weddenschaal de tuchtstraf is die zich noodzakelijk opdringt voor de door [verzoeker] gepleegde feiten.” In punt 5.
  9. van het advies stelt de Tuchtraad dat hij van oordeel is dat op basis van het tuchtdossier aan verzoeker de volgende feiten ten laste worden gelegd: “Om op 27 december 2014 als politieambtenaar, niet in dienst zijnde, de waardigheid van het ambt en het imago van de politie ernstig in het gedrang te hebben gebracht door: - De lichamelijke integriteit van een persoon, in casu mevrouw [E.C.], te hebben geschonden meer bepaald door haar geslagen te hebben waardoor haar neus gebroken werd en haar gebeten te hebben in haar rechterhand; Uit woede het glas van de voordeur van de woning van mevrouw [E.C.], te hebben stukgeslagen.” 3.
  10. Op 1 april 2016 formuleert de hogere tuchtoverheid haar intentie om het advies van de Tuchtraad te volgen en haar intentie om verzoeker voor het tuchtvergrijp een terugzetting in weddeschaal op te leggen. XIV-37.091-3/17 Het voorstel is ter kennis gebracht van verzoeker, die vervolgens tegen dat voorstel een verweerschrift indient. 3.
  11. De hogere tuchtoverheid legt op 22 april 2016 aan verzoeker de de zware tuchtstraf op van de terugzetting in weddenschaal. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Vooraf
  12. Verzoeker verzaakt in de laatste memorie aan het eerste en het tweede middel. Het navolgende onderzoek is derhalve beperkt tot de overige middelen. B. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  13. Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en de schending van de formelemotiveringsplicht. Hij doet gelden dat de hogere tuchtoverheid in haar motivering niet aangeeft hoe en in hoeverre de feiten die verzoeker ten laste worden gelegd de waardigheid van het ambt en de goede werking van de dienst in het gedrang hebben gebracht of hebben aangetast. Te meer omdat de feiten zich exclusief in de privésfeer hebben afgespeeld moet de tuchtoverheid concreet kunnen aantonen dat er een ernstige negatieve impact is op de waardigheid van het ambt of op de werking van de dienst. Bovendien legt de hogere tuchtoverheid een zware tuchtstraf op, zelfs zwaarder dan de straf die zij in het inleidend verslag voorop had gesteld. Nergens wordt concreet en precies aangegeven waarom de feiten deze zware straf XIV-37.091-4/17 rechtvaardigen. De bestreden beslissing verwijst in haar motivering naar verzoekers blanco tuchtverleden en de positieve elementen uit zijn persoonlijk dossier, maar toont niet aan waarom de feiten, ondanks deze elementen, toch de zware tuchtstraf van terugzetting in weddenschaal zouden verantwoorden.
  14. In de “toelichtende memorie” benadrukt verzoeker dat uit de formele motivering moet blijken waarom de feiten de uiteindelijk opgelegde tuchtstraf rechtvaardigen. De hogere tuchtoverheid motiveert haar beslissing tot het opleggen van een zwaardere tuchtstraf dan de initieel voorgestelde straf door te verwijzen naar het advies van de Tuchtraad, maar volgens verzoeker geeft de Tuchtraad nergens aan waarom zij meent dat de voorgestelde zware tuchtstraf van schorsing voor twee maanden niet voldoende zwaar zou zijn en waarom de terugzetting in weddenschaal dan wel de aangewezen strafmaat zou zijn. De verwijzing naar het advies van de Tuchtraad in de bestreden beslissing kan derhalve niet volstaan als motivering om een zwaardere tuchtstraf op te leggen. In zijn laatste memorie verwijst verzoeker naar de ontwikkeling van het middel in zijn verzoekschrift en in de toelichtende memorie en herneemt dat letterlijk. Beoordeling
  15. Verzoeker voert in het middel de schending aan van de formelemotiveringsplicht. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te XIV-37.091-5/17 maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
  16. Verzoeker voert in het verzoekschrift twee grieven aan waaruit volgens hem moet blijken dat de formelemotiveringsplicht is geschonden. Wat de eerste grief betreft dat de bestreden beslissing de formelemotiveringsplicht schendt doordat niet verduidelijkt wordt hoe de feiten de waardigheid van het ambt en de goede werking van de dienst in het gedrang hebben gebracht of aangetast, aangezien de feiten zich in de privésfeer hebben voorgedaan, blijkt dat in de bestreden beslissing inzake de ernst van het tuchtvergrijp onder punt 7 met als kopje “Kwalificatie en ernst van het tuchtvergrijp” het volgende is gesteld: “Ernst van het tuchtvergrijp Als personeelslid van de politie heeft men te allen tijde een voorbeeldfunctie, zowel in de uitoefening van het ambt als in het privéleven. Deze voorbeeldfunctie is zowel naar collega’s toe als naar burgers toe. Het doen naleven van de wet is één van de belangrijkste taken van de politie. Het is niet meer dan logisch dat de personeelsleden van de politiediensten zelf daar in de eerste plaats het voorbeeld toe geven. Aangezien u als inspecteur geacht wordt de wet te doen naleven mag tenminste verwacht worden dat u zelf dit ook doet zowel tijdens de dienst als in uw privéleven. Een dergelijk gedrag zal dan ook niet worden aanvaard van iemand die in de eerste plaats zelf de wet dient na te leven en toezicht dient te houden op de naleving ervan. Als politieambtenaar dient men te allen tijde het voorbeeld te geven en zijn zelfbeheersing te behouden. Het is voor burgers onbegrijpelijk dat een politieambtenaar zelf, buiten de wettelijke voorwaarden voor het gebruik van geweld of wettige verdediging om, opzettelijk iemand zou slaan en of verwonden. Het feit dat u als inspecteur van politie de lichamelijke integriteit van een persoon hebt geschonden, buiten de wettelijke voorwaarden voor het gebruik van geweld of wettige zelfverdediging om, is een zeer ernstige aantasting van de waardigheid van het ambt. Hoewel het slachtoffer naderhand zei dat ze er geen zaak wou van maken ben ik van oordeel dat dit niets verandert aan de ernst van de feiten. XIV-37.091-6/17 Door uw gedrag hebt u de belangen van de instellingen die u vertegenwoordigt niet behartigd, u heeft de waardigheid van het ambt en het imago van de politie in het gedrang gebracht. Het is de leden van de politiediensten verboden het gezag en de reputatie van hun collega’s en meerderen, alsook het vertrouwen dat het publiek en andere overheidsdiensten moeten hebben in het bestuur, aan te tasten. De bewezen feiten zijn objectief ernstig en onduldbaar. Door als politieambtenaar hiertegen te zondigen getuigt u van een ernstig gebrek aan integriteit en beroepsernst. Als inspecteur van politie hebt u immers een voorbeeldfunctie naar de bevolking en naar uw collega’s. Dergelijke feiten zijn dan ook nefast voor het imago, maar vooral voor het vertrouwen dat de bevolking in de politie moet hebben. Het is immers dit vertrouwen van de bevolking dat ons een zekere legitimiteit geeft in ons optreden. Dergelijk gedrag moet dan ook ten stelligste worden vermeden en is totaal onaanvaardbaar. […]”. Uit deze formele motivering blijkt wel degelijk waarom de hogere tuchtoverheid van oordeel is dat de feiten, ook al hebben ze zich in de privésfeer voorgedaan, de waardigheid van het ambt in het gedrang hebben gebracht en als ernstig worden gekwalificeerd. Dit volstaat in het licht van de formelemotiveringsplicht.
  17. Inzake de grief dat in de bestreden beslissing nergens concreet en precies wordt aangegeven waarom de feiten de zware straf rechtvaardigen en dit niettegenstaande het blanco tuchtverleden en de positieve elementen uit zijn persoonlijk dossier, is in het advies van de Tuchtraad betreffende de strafmaat het volgende te lezen: “[…] De Tuchtraad is met de Inspecteur-generaal van oordeel dat, abstractie makend van eventuele verzachtende omstandigheden, een zware tuchtstraf zoals het ontslag van ambtswege verantwoord zou zijn. In tegenstelling met hetgeen verzoeker hier opwerpt met betrekking tot de zwaarte van de door de tuchtoverheid voorgestelde zware straf, meer bepaald dat deze te zwaar is en dat er rekening dient gehouden te worden met het inzake ‘wederzijds’ gepleegd geweld, vindt de Tuchtraad geen sporen van objectieve elementen waaruit men kan concluderen tot het wederzijds karakter van het gepleegd geweld. Het betreft een ernstig tuchtvergrijp zodat de verzoeker zonder enige twijfel een zware tuchtstraf verdient. De wijze waarop hij zich gedragen heeft ten aanzien van een ex-partner verdient alleen maar afkeuring en de aantasting van de fysieke integriteit van de partner enkel uit woede kan niet geduld worden zeker niet van een persoon die bekleed is met de functie van politieambtenaar, zijnde een voorbeeldfunctie. In tegenstelling met hetgeen te lezen staat in het document van verdediging, XIV-37.091-7/17 zoals neergelegd op 16 februari 2016 is de Tuchtraad van oordeel dat hij niet overging tot spijtbetuiging over de door hem gepleegde feiten op de vorige zitting van 13 januari 2016, nu hij deze betwistte maar betuigde hij eerder spijt over het feit dat dit alles hem overkomen is. Het is nodig dat verzoeker, teneinde niet te hervallen in de toekomst, de draagwijdte van zijn daden beseft en schuldinzicht verwerft. Gelet op de verzachtende omstandigheden en het feit dat het bestuur, dat een eigen afweging maakt in functie van het belang van de dienst, blijkbaar niet van mening is dat een verdere samenwerking onmogelijk is, kan echter tot een mildere straf dan het ontslag van ambtswege besloten worden. De verzoeker beschikt immers over een blanco tuchtverleden en hij geeft geen blijk van onverbeterlijkheid vermits hij blijkbaar in therapie gegaan is met betrekking tot agressie zodat de Tuchtraad van oordeel is dat, hiermee rekening houdend, de terugzetting in weddeschaal een gepaste zware straf is.” Uit de bestreden beslissing blijkt voorts dat de hogere tuchtoverheid verwijst naar het advies van de Tuchtraad en dat zij zich hierbij impliciet maar zeker heeft aangesloten bij het standpunt van de Tuchtraad en de motieven ervan. Voorts heeft verzoeker kennisgenomen van het advies van de Tuchtraad dat hij overigens bij zijn verzoekschrift voegt. Hieruit volgt dat verzoeker uit de lezing van de bestreden beslissing te samen met het door hem gekende advies van de Tuchtraad, op afdoende wijze kan afleiden waarom een zwaardere tuchtstraf gepaster is dan de oorspronkelijk door de hogere tuchtoverheid voorgestelde straf, alsook waarom de feiten de zware tuchtstraf rechtvaardigen. Zulks volstaat om te voldoen aan de formelemotiveringsplicht.
  18. In zoverre dat verzoeker in latere processtukken kritiek uit op het afdoende karakter van de formele motivering van het advies van de Tuchtraad, had verzoeker dit argument reeds in zijn verzoekschrift kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. De nieuwe of aanvullende argumenten kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In de mate dat het geen nieuwe of aanvullende argumenten betreffen, vallen ze samen met hetgeen hiervoor is uiteengezet. Ze leiden in dat geval evenmin tot het gegrond bevinden van het middel. XIV-37.091-8/17
  19. Uit wat voorafgaat volgt dat de formele motivering van de bestreden beslissing afdoende is en verder gaat dan het formuleren van loutere stijlformules.
  20. Het derde middel is ongegrond. C. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  21. Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht en van het evenredigheidsbeginsel. Wat de schending betreft van de zorgvuldigheidsplicht stelt verzoeker vast dat de bestreden beslissing is gebaseerd op de inhoud van het strafrechtelijk dossier. In dat dossier bevinden zich de verhoren van E.C. en van verzoeker. Te dezen heeft de hogere tuchtoverheid tijdens het gehele verloop van de tuchtprocedure de versie van de feiten zoals weergegeven in het verhoor van E.C. als bewezen beschouwd. Alle elementen à décharge die de verdediging aanbracht werden van tafel geveegd. De omschrijving van de feiten en de ernst ervan zoals opgenomen in het inleidend verslag en hernomen in de bestreden beslissing, zijn enkel gebaseerd op de voormelde processen-verbaal. Er is, stelt verzoeker besluitend, op geen enkel ogenblik op ernstige wijze aan feitenvinding gedaan door de tuchtoverheid. Wat het evenredigheidsbeginsel betreft, stelt verzoeker vooreerst dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat in de eerste plaats rekening moet houden met het belang van de dienst en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst. Aangezien de feiten exclusief en éénmalig in de privésfeer hebben plaatsgevonden, en er op geen enkele wijze ruchtbaarheid aan de feiten werd gegeven, kan volgens verzoeker hieruit worden afgeleid dat de weerslag op de werking van de dienst minimaal en zelfs onbestaande is. Verzoeker XIV-37.091-9/17 heeft een blanco tuchtverleden en een onberispelijke staat van dienst van meer dan 35 jaar. Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden is hij in een schermutseling met zijn toenmalige vriendin terechtgekomen en heeft hij haar hierbij onopzettelijk verwond. De zaak is verder het voorwerp van een bemiddeling in strafzaken. De weerslag op de werking van de dienst kan derhalve niet van die aard zijn dat de zware tuchtstraf van terugzetting in weddenschaal gerechtvaardigd is. Voorts moet, wanneer het personeelslid nooit eerder een tuchtrechtelijke misstap heeft begaan, het blanco tuchtverleden als verzachtende omstandigheid in aanmerking worden genomen en bij een lange loopbaan binnen het bestuur weegt deze verzachtende omstandigheid zwaarder door. Op het ogenblik van de feiten heeft verzoeker een onberispelijke staat van dienst en een blanco tuchtverleden gedurende meer dan 35 jaar. Hoewel de hogere tuchtoverheid hiervan melding maakt in haar motivering toont zij nergens aan in hoeverre deze elementen mee hebben gespeeld bij het tot stand komen van de beslissing om een terugzetting in weddenschaal door te voeren. Sterker nog, in het inleidend verslag meldt de hogere tuchtoverheid dat zij de intentie heeft een schorsing van twee maanden uit te spreken. Tot slot argumenteert verzoeker dat de impact van de opgelegde tuchtstraf uitermate zwaar is. Gelet op zijn leeftijd zal de opgelegde tuchtstraf gevolgen hebben voor de rest van zijn leven. Het zal zes jaar duren vooraleer hij opnieuw de weddenschaal B5 bereikt. De berekening van de pensioenen gebeurt volgens verzoeker op basis van de wedde van de vijf laatste jaren, zodat het verlies aan pensioen ongeveer 75 euro per maand zal bedragen. Samen met het weddenverlies van 85 euro per maand tijdens de laatste jaren van zijn loopbaan zal de financiële impact voor verzoeker meer dan 23.000 euro vertegenwoordigen indien hij gedurende 20 jaar pensioen zal ontvangen. Verzoeker besluit dat derhalve niet kan worden voorhouden dat de tuchtoverheid met verzachtende omstandigheden rekening heeft gehouden.
  22. In de “toelichtende memorie” benadrukt verzoeker de onevenredigheid van de tuchtstraf door te wijzen op de reeds in het verzoekschrift aangehaalde impact op zijn wedde en de doorwerking ervan naar zijn pensioen. XIV-37.091-10/17 In de laatste memorie herhaalt verzoeker zijn zienswijze dat de hogere tuchtoverheid niet aantoont in hoeverre de onberispelijke staat van dienst en zijn blanco tuchtverleden gedurende meer dan 35 jaar hebben meegespeeld bij haar beslissing om de terugzetting in weddenschaal door te voeren. Voorts benadrukt hij nogmaals dat het niet enkel de zware financiële gevolgen zijn die de opgelegde straf onevenredig maken. Het is de doorwerking van de straf in de berekening van het pensioenbedrag die de essentie uitmaakt van de onevenredigheid, hetgeen hij nogmaals becijfert. Voorts verwijst hij naar artikel 57 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ om te duiden dat een tuchtsanctie niet mag blijven wegen op een personeelslid en betoogt hij dat er geen precieze afweging is gebeurd tussen het voordeel dat de verwerende partij heeft bij de bestreden beslissing en het nadeel dat hij erdoor ondervindt, hetgeen hij omstandig detailleert. Beoordeling De schending van de zorgvuldigheidsplicht
  23. In de bestreden beslissing is inzake het bewijs van de feiten het volgende gesteld: “[…] 6.
  24. Bewijs van de feiten Gelet op de brief […] van het parket van de procureur des Konings te Gent waarin melding wordt gemaakt van de feiten en waarin wordt gemeld dat er een bemiddeling in strafzaken wordt opgestart. Gelet op de inhoud van het dossier [TU127-XX][…] van het parket van de procureur des Konings te Gent waarin onder andere uw verklaringen zijn vervat, waarin u de feiten toegeeft. Stel ik vast dat de feiten vaststaan.” Voorts is in de bestreden beslissing onder het kopje “
  25. Uiteenzetting van de feiten en gevolgen” het volgende te lezen: “[…] Op 28 december 2014 legde u, in het kader van de klacht tegen u door mevrouw XIV-37.091-11/17 [E.C.] een verklaring af bij de lokale politie van Gent. In uw verklaring gaf u toe dat u in de hand van mevrouw [E.C.] te hebben gebeten en dat u het glas van de voordeur had stukgeslagen. Aangaande haar gebroken neus verklaarde u dat dit gebeurde tijdens de schermutseling tussen u en haar maar dat u dit niet bewust had gedaan. […]”. Anders dan hoe verzoeker het ziet, blijkt dat de tuchtoverheid zich inzake het bewijs van de feiten niet eenzijdig op de feitenversie van het slachtoffer heeft gesteund, maar ook op de eigen verklaring van verzoeker en dat zij hieruit het bewijs van de feiten heeft afgeleid. Hieruit volgt dat deze grief faalt in de feiten.
  26. Het vierde middel is in die mate ongegrond. De schending van het evenredigheidsbeginsel
  27. Verzoeker betwist in het vierde middel eveneens de evenredigheid van de opgelegde tuchtstraf. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij de keuze van de strafmaat, al dan niet het evenredigheidsbeginsel schendt. Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. XIV-37.091-12/17 De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent.
  28. Aangezien het aan de Raad van State niet toekomt ambtshalve te beoordelen of de opgelegde tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de tuchtfeiten, toetst de Raad van State de vraag of de bestreden beslissing te kort komt aan de eis van evenredigheid enkel aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten, die volgens hem doen blijken dat de bestreden beslissing het evenredigheidsbeginsel miskent. Op verzoeker rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door hem aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de hogere tuchtoverheid.
  29. De aan verzoeker ten laste gelegde feiten worden in de bestreden beslissing als volgt omschreven: “Om als politieagent, niet in dienst zijnde de waardigheid van het ambt en het imago van de politie ernstig in het gedrang te hebben gebracht door: De lichamelijke integriteit van een persoon, in casu mevrouw [E.C.], te hebben geschonden. Uit woede het glas van de voordeur van de woning van mevrouw [E.C.] te hebben stukgeslagen.” De motivering van de ernst van het tuchtvergrijp is hiervoor reeds weergegeven (zie supra, punt 8). Voor die feiten die een ernstig tuchtvergrijp uitmaken, wordt aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddenschaal opgelegd. Uit de bestreden beslissing samen gelezen met het advies van de Tuchtraad waarbij de hogere tuchtoverheid zich heeft aangesloten (zie derde middel), blijkt duidelijk dat de tuchtoverheid oordeelt dat - hoewel de feiten de zware tuchtstraf van het XIV-37.091-13/17 ontslag van ambtswege zouden kunnen verantwoorden, rekening houdende met de verzachtende omstandigheden dat verzoeker geen tuchtverleden heeft en geen blijk geeft van onverbeterlijkheid en met de vaststelling dat de hogere tuchtoverheid een verdere samenwerking niet onmogelijk acht - een mildere straf kon opgelegd worden. Anders dan hoe verzoeker het ziet, blijkt aldus dat de hogere tuchtoverheid bij de afweging van de strafmaat wel degelijk de verzachtende omstandigheden mee heeft betrokken bij haar afweging. De omstandigheid dat verzoeker een andere mening is toegedaan omtrent de afweging van die omstandigheden, maakt op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het evenredigheidsbeginsel moet blijken. Maakt evenmin de strafmaat onevenredig het gegeven dat de feiten eenmalig waren, zich in de privésfeer voltrokken en dat er naar verzoeker stelt, geen enkele ruchtbaarheid aan werd gegeven. Verzoeker is politieambtenaar en behoort aldus tot het operationeel kader van de politiediensten. Dat betekent dat kan worden aangenomen dat de hogere tuchtoverheid hoge eisen kan stellen aan verzoekers integriteit en dus ook aan zijn (voorbeeld)gedrag buiten de dienstcontext. Inzake de ernst van de voormelde feiten is, luidens de bestreden beslissing, de hogere tuchtoverheid van standpunt dat verzoeker als politieambtenaar, “te allen tijde het voorbeeld [dient] te geven en zijn zelfbeheersing te behouden” inzake een gedrag waarop hij als politieambtenaar geacht wordt toezicht te houden op de naleving ervan en dat de lichamelijke integriteit van een persoon te schenden buiten de wettelijk voorwaarden voor het gebruik van geweld of wettig verdediging, een zeer ernstige aantasting is van de waardigheid van het ambt. Ook oordeelt de hogere tuchtoverheid dat verzoeker door zijn gedrag de waardigheid van het ambt en het imago van de politie in het gedrang bracht, dat de feiten ernstig en onduldbaar zijn en dat verzoeker aldus getuigt van een ernstig gebrek aan integriteit en beroepsernst. Het niet hetzelfde gewicht geven zoals verzoeker aan het eenmalig en privaat karakter van de feiten, doet gelet op de door de hogere tuchtoverheid beoordeelde ernst van de feiten, niet blijken dat de hogere tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat de grenzen van XIV-37.091-14/17 een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan. Verzoeker toont met het voormelde argument aldus niet aan dat de opgelegde tuchtstraf niet in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de tuchtfeiten. Het argument dat de tuchtstraf voor verzoeker een ernstige financiële impact heeft die ook doorwerkt naar zijn pensioenbedrag leidt evenmin tot een andere conclusie. De financiële impact en doorwerking naar het pensioenbedrag van de tuchtstraf betreft het aan de opgelegde tuchtstraf eigen zijnde bestraffende karakter. Deze pecuniaire gevolgen doen, gelet op de door de hogere tuchtoverheid beoordeelde ernst van de feiten en haar appreciatiebevoegdheid inzake de daarvoor op te leggen tuchtstraf, op zich niet besluiten dat het veroorzaakte pecuniaire leed van die aard is dat de hogere tuchtoverheid hierdoor de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan.
  30. In de mate dat verzoeker in de laatste memorie andere of aanvullende argumenten aanvoert, toont verzoeker niet aan dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In de mate dat het geen nieuwe of aanvullende argumenten betreffen, vallen ze samen met hetgeen hiervoor is uiteengezet. Ze leiden in dat geval evenmin tot het gegrond bevinden van het middel.
  31. Uit wat voorafgaat volgt dat, door aldus in concreto te oordelen dat voor het aan verzoeker ten laste gelegde tuchtvergrijp de zware straf van de terugzetting in de weddenschaal wordt opgelegd, is de hogere tuchtoverheid de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat niet te buiten gegaan. Verzoeker is te dezen inzake de strafmaat een andere mening toegedaan dan die van de hogere tuchtoverheid maar dat maakt op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het evenredigheidsbeginsel moet blijken. XIV-37.091-15/17
  32. Het middel is in die mate ongegrond. Conclusie
  33. Het vierde middel is ongegrond. V. Anonimisering
  34. Verzoeker vraagt de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan.
  35. Luidens artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ kan bij de publicatie van de beschikking of van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten. De vraag wordt ingewilligd. BESLISSING
  36. De Raad van State verwerpt het beroep.
  37. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
  38. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. XIV-37.091-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes december tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.091-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.325 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.