id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.327 Rolnummer: A. 225034/XIV-37695 Zaak: Arrest 246327 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-12 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-24 13:16 Fiche Arrest nr 246.327 van 6 december 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.327 van 6 december 2019 in de zaak A. 225.034/XIV-37.695 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pauline Delgrange kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 april 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 201.180 van 15 maart 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.853 van 18 mei
- XIV-37.695-1/15 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 april
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pauline Delgrange, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Carmenta Decordier, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker, van Eritrese nationaliteit, wordt op 24 juni 2016 in het bezit gesteld van een A-kaart wegens zijn huwelijk met een erkende vluchtelinge, eveneens van Eritrese nationaliteit. XIV-37.695-2/15 De staatssecretaris voor Asiel en Migratie neemt op 12 oktober 2017 een “beslissing tot intrekking van verblijf zonder bevel om het grondgebied te verlaten”. Op 14 november 2017 stelt verzoeker tegen de voornoemde beslissing van 12 oktober 2017 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 15 maart 2018 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vordering tot schorsing en het beroep tot nietig- verklaring. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), “al dan niet samen gelezen” met artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet. Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel aan dat de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 en artikel 62 van de vreemdelingenwet worden geschonden doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest de formelemotiveringsplicht niet geschonden acht terwijl de aanvankelijk bestreden beslissing niet vermeldt waarom de inkomsten van verzoekers echtgenoot niet in aanmerking kunnen worden genomen. Volgens XIV-37.695-3/15 verzoeker blijkt uit de aanvankelijk bestreden beslissing niet waarom de inkomsten uit de werkloosheidsuitkering van de referentiepersoon niet voldoende waren voor de verlenging. De in artikel 10 van de vreemdelingenwet opgenomen criteria van stabiele en regelmatige inkomsten die tenminste gelijk zijn aan 120% van het bedrag bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 ‘betreffende het recht op maatschappelijke integratie’ en van het bewijs dat het koppel actief op zoek is naar werk worden wel vermeld doch niet toegepast op verzoekers situatie. In het bestreden arrest wordt verwezen naar de vermelding in de aanvankelijk bestreden beslissing dat verzoeker enkel een werkloosheidsfiche heeft overge- maakt. Nochtans wordt in de aanvankelijk bestreden beslissing duidelijk gepreciseerd dat in het kader van het onderzoek naar de voorwaarden van artikel 11, § 2, voorlaatste lid, van de vreemdelingenwet geen andere documenten werden voorgelegd. Verzoeker merkt op dat dit element dus geen betrekking had op de inkomstenvoorwaarden van artikel 10 van de vreemdelingenwet maar enkel op de banden met België en het land van herkomst. Hij besluit dat de aanvankelijk bestreden beslissing dus wees op de afwezigheid van bewijzen van banden met België en niet op de afwezigheid van de vereiste bewijzen van een zoektocht naar werk om de werkloosheidsuitkering in aanmerking te nemen. Verzoeker voert in een tweede middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest zijn eigen oordeel in de plaats heeft gesteld van de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing. Volgens verzoeker kan enkel op basis van de aanvankelijk bestreden beslissing niet worden geconcludeerd “dat de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris de werkloosheidsuitkering niet in aanmerking neemt bij gebrek aan bewijs van het actief op zoek zijn naar werk”. Hij besluit dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen zelf tot de conclusie is gekomen dat verzoeker niet heeft voldaan aan het criterium van artikel 10, § 5, 3°, van de vreemdelingenwet.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij voegt toe dat zijn kritiek geen betrekking heeft op de toetsing van de feiten door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maar wel op het feit dat de XIV-37.695-4/15 Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn eigen motivering in de plaats heeft gesteld van de motivering in de aanvankelijk bestreden beslissing. Verzoekers middel is niet gericht tegen de aanvankelijk bestreden beslissing maar tegen de met het bestreden arrest gemaakte foutieve lezing van de aanvankelijk bestreden beslissing. Uit de aanvankelijk bestreden beslissing blijkt niet dat de werkloosheidsuitkering niet in aanmerking werd genomen omwille van de afwezigheid van een actief zoeken naar werk. Beoordeling Wat het eerste middelonderdeel betreft
- De wet van 29 juli 1991 is als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Wel kan de Raad van State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opge- worpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van die wet zou hebben geschonden, zonder dat de Raad voor State zich daarbij echter in de plaats van de annulatierechter kan stellen om zelf te oordelen of de motivering van die beslissing afdoende is of niet.
- In het bestreden arrest worden de volgende motieven uit de aanvankelijk bestreden beslissing geciteerd: “De vervoegde vreemdeling bewijst niet voldoende dat hij beschikt over stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen zoals bepaald in artikel 10, §5 van de wet van 15.12.1980 om in zijn eigen behoeften en deze van zijn familieleden te voorzien zodat zij niet ten laste zouden vallen van de openbare overheden. Deze bestaansmiddelen moeten ten minste gelijk zijn aan honderdtwintig procent van het bedrag bedoeld in artikel 14, §1, 3° van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Betrokkene werd op 30.06.2016 in kennis gesteld dat hij voor een volgende verlenging documenten diende voor te leggen waaronder bewijzen van voldoende bestaansmiddelen, dit eventueel aan de hand van loonfiches. Indien betrokkene of de partner een werkloosheidsuitkering zou genieten, dienden er bewijzen overge- maakt te worden dat het koppel actief op zoek is naar werk. Op 21.06.2017 vraagt betrokkene verlenging van zijn verblijfskaart en uit de aangebrachte documenten blijkt het volgende : de referentiepersoon werkte van XIV-37.695-5/15 01.10.2015 tot 05.04.2017 bij het ocmw op basis van art.60; vanaf de stopzetting van het contract met het ocmw geniet het gezin werklozensteun tot heden.” Hierna overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat er “in de bestreden beslissing […] verder nog [wordt] op gewezen dat verzoeker naar aanleiding van de vraag om bijkomende informatie in het kader van het onderzoek naar zijn dossier op basis van artikel 11, §2, vijfde lid van de vreemdelingenwet een werkloosheidsfiche overmaakte maar geen andere stukken”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat “aldus […] uit de motieven van de bestreden beslissing [blijkt] dat de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris de werkloosheidsuitkering niet in aanmerking neemt bij gebrek aan bewijs van het actief op zoek zijn naar werk” en dat “een schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de vreemdelingenwet […] niet [wordt] aangetoond.”
- Verzoeker uit in het cassatiemiddel kritiek op de aanvankelijk bestreden beslissing, waaruit volgens hem niet zou blijken waarom de inkomsten van de referentiepersoon niet voldoende waren om tot verlenging van het verblijf te besluiten. Verder betwist verzoeker het door de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen ingenomen standpunt over de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing. Verzoeker toont op die wijze geen schending aan van de inhoud en de draagwijdte van de formelemotiveringsplicht. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en hij vermag derhalve niet de beoordeling door de annulatierechter van het al dan niet afdoende karakter van de motivering over te doen. Het eerste onderdeel van het eerste middel is ongegrond. XIV-37.695-6/15 Wat het tweede middelonderdeel betreft
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft in het bestreden arrest aan waarom hij van oordeel is dat de aanvankelijk bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd, met name omdat de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris de werkloosheidsuitkering niet in aanmerking neemt bij gebrek aan bewijs van het actief op zoek zijn naar werk. Daarmee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet in de plaats van het bestuur gesteld doch enkel de door verzoeker voorgehouden schending van de formelemotiveringsplicht onderzocht aan de hand van de door verzoeker zelf opgeworpen kritiek. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. Conclusie
- Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 en van de artikelen 11, § 2, vijfde lid, en 62 van de vreemdelingenwet. Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel aan dat in het bestreden arrest niet wordt geantwoord op de aangevoerde schending van artikel 11, § 2, vijfde lid, van de vreemdelingenwet. Deze bepaling voorziet uitdrukkelijk dat rekening moet worden gehouden met “het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst” bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het verblijf. Dat samen met deze laatste beslissing geen bevel om het grondgebied te verlaten is gegeven, doet er XIV-37.695-7/15 volgens verzoeker niet toe. Verzoeker acht artikel 149 van de Grondwet geschonden omdat de voorgehouden schending van artikel 11, § 2, vijfde lid, van de vreemdelingenwet niet is onderzocht. Verzoeker voert in een tweede middelonderdeel aan dat ook artikel 11, § 2, vijfde lid, van de vreemdelingenwet is geschonden door met het bestreden arrest te oordelen dat het niet afgeven van een bevel om het grondgebied te verlaten volstaat om verzoekers argumentatie te verwerpen.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij voegt toe dat de vaststelling dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen geen onderzoek heeft gevoerd naar de voorgehouden schending van artikel 11, § 2, vijfde lid, van de vreemdelingenwet volstaat om het bestreden arrest te vernietigen. Indien de Raad van State oordeelt dat dergelijk onderzoek wel is gevoerd, dan moet worden vastgesteld dat dat onderzoek in strijd was met het voornoemde artikel 11, § 2, vijfde lid. Beoordeling Wat het eerste middelonderdeel betreft
- Naar luid van artikel 11, § 2, vijfde lid, van de vreemdelingen- wet wordt bij het nemen van de beslissing om het einde te stellen aan het verblijf op basis van het eerste lid, 1°, 2°, of 3°, van die bepaling rekening gehouden met “de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon en met de duur van zijn verblijf in het Rijk, alsmede met het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dienaan- gaande in het bestreden arrest dat, daargelaten de vraag of de aangehaalde bepaling verdere criteria met betrekking tot de gezinsband voorziet, blijkt dat de aanvanke- lijk bestreden beslissing wel degelijk rekening houdt met verzoekers gezinsband XIV-37.695-8/15 door te motiveren dat “het feit dat betrokkenen een gezin vormen in België, […] geen reden [is] om betrokkene automatisch te ontslaan van de verplichting om te voldoen aan de voorwaarden voor het verlengen van de verblijfskaart” en dat “de banden met de echtgenote […] behouden [blijven]. De Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen wijst er verder op “dat de bestreden beslissing geen bevel om het grondgebied te verlaten inhoudt en de bestreden beslissing al zeker niet inhoudt dat verzoeker dient terug te keren naar Eritrea”. Waar verzoeker heeft aangevoerd dat zijn echtgenote wel degelijk goed geïntegreerd is in België, verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar de overwegingen in de aanvankelijk bestreden beslissing volgens dewelke de bijgebrachte documenten “niet aan[tonen] dat betrokkenen op een bijzondere manier reeds geïntegreerd zijn in België of grote moeite doen om geïntegreerd te geraken”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft verzoekers kritiek dus wel degelijk beantwoord in het bestreden arrest, zodat verzoeker geen schending aantoont van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Het eerste onderdeel van het tweede middel is ongegrond. Wat het tweede middelonderdeel betreft
- Verzoeker houdt in essentie voor dat het niet afgeven van een bevel om het grondgebied te verlaten niet volstaat om te besluiten dat artikel 11, § 2, vijfde lid, van de vreemdelingenwet niet werd geschonden. Verzoeker gaat er echter aan voorbij dat de Raad voor Vreem- delingenbetwistingen ook opmerkt dat het feit van een gezin te vormen in België geen reden is om de betrokkenen automatisch te ontslaan van de verplichting om te voldoen aan de voorwaarden voor een verlenging van de verblijfskaart. Verzoeker geeft overigens zelf toe dat hij, anders dan zijn echtgenote, een erkend vluchteling is in Italië, hetgeen ook in het bestreden arrest wordt vermeld. Ook hieruit blijkt dat de overweging in het bestreden arrest dat de aanvankelijk bestreden beslissing “al XIV-37.695-9/15 zeker niet inhoudt dat verzoeker dient terug te keren naar Eritrea” niet onwettig is. Waar verzoeker zelf wijst op de integratie van zijn echtgenote, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concreet onderzocht of het motief in de aanvankelijk bestreden beslissing dat verzoeker niet aantoont dat hijzelf en zijn echtgenote op een bijzondere manier reeds geïntegreerd zijn in België of grote moeite doen om geïntegreerd te geraken, niet is gesteund op onjuiste feitelijke gegevens of onredelijk is. Verzoeker toont derhalve geen schending aan van artikel 11, § 2, vijfde lid, van de vreemdelingenwet. In de mate dat verzoeker een andere mening heeft over het gewicht van de concrete argumenten betreffende de hechtheid van de gezinsbanden en de integratie, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet vermag de zaak zelf te beoordelen. Het tweede onderdeel van het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Conclusie
- Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een derde middel de schending op van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM). Verzoeker voert aan dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen niet heeft onderzocht of de proportionaliteitstoets werd uitgevoerd, XIV-37.695-10/15 rekening houdend met de gevolgen van de aanvankelijk bestreden beslissing op het gezinsleven van verzoeker en zijn echtgenote. In het bestreden arrest is correct geoordeeld dat artikel 8, tweede lid, van het EVRM van toepassing is op verzoekers situatie en dat de rechter in dat geval moet onderzoeken of “de inmenging noodzakelijk is, met name of de inmenging gerechtvaardigd wordt door een dwingende maatschappelijke behoefte en proportioneel is met het nagestreefde doel”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft echter niet onderzocht of met de aanvankelijk bestreden beslissing een belangenafweging is gemaakt tussen verzoekers gezinsleven en de belangen van de staat. Verzoeker verwijst naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 3 oktober 2014 in de zaak Jeunesse tegen Nederland. De verwijzing in het bestreden arrest dat de aanvankelijk bestreden beslissing geen bevel om het grondgebied te verlaten bevat, volstaat geenszins. Verzoeker beschouwt de mogelijkheid om zonder wettig verblijf in België te verblijven als uiterst problematisch omdat het verboden en strafbaar is om onwettig in België te blijven en omdat het verblijf zonder verblijfsrecht zware negatieve gevolgen heeft voor het (gezins-)leven. Hij leidt uit het arrest van het EHRM van 15 januari 2007 in de zaak Sisojeva e.a. tegen Letland af dat, om artikel 8 van het EHRM te waarborgen, een vorm van verblijfsrecht moet worden toegekend. De staat is vrij om de vorm te kiezen maar mag de betrokkene niet illegaal laten verblijven. Verzoeker vervolgt dat de Raad van State in zijn arrest nr. 75.896 van 23 september 1998 ook heeft geoordeeld dat het in de illegaliteit dwingen van iemand een onmenselijke en vernederende behandeling uitmaakt. De verwijzing in het bestreden arrest naar het arrest nr. 121/2013 van het Grondwettelijk Hof kan evenmin een uiting zijn van een proportionaliteitstoets vermits het Grondwettelijk Hof onmogelijk rekening kon houden met verzoekers individuele situatie. Tot slot kan ook het feit dat verzoeker een nieuwe aanvraag zou kunnen indienen wanneer zijn echtgenote voldoet aan de inkomstenvereiste niet worden gezien als een proportionaliteitstoets vermits deze situatie louter hypothetisch is en niet wijst op het in rekening brengen van de gevolgen van de maatregel op verzoekers gezinsleven. XIV-37.695-11/15
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij voegt toe dat de Raad van State bevoegd is om te controleren of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een correcte toepassing heeft gemaakt van artikel 8 van het EVRM bij de toetsing van de aanvankelijk bestreden beslissing aan die bepaling. Verzoeker benadrukt dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen de aanvankelijk bestreden beslissing had moeten vernietigen wegens het gebrek aan belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Verzoeker wijst op het arrest nr. 202.557 van 17 april 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarin het belang wordt erkend van een toetsing aan artikel 8 van het EVRM ondanks de afwezigheid van een bevel om het grondge- bied te verlaten. Beoordeling
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht de inmenging in het gezins-/privéleven van verzoeker formeel in overeenstemming met de afwijkende omstandigheden beoogd in artikel 8, tweede lid, van het EVRM en overweegt dat vervolgens moet worden onderzocht of die inmenging wordt gerechtvaardigd door een dwingende maatschappelijke behoefte en proportioneel is met het nagestreefde doel. Volgens het bestreden arrest houdt het stellen van een bestaansmiddelenvereiste en een verblijfsrechtelijke sanctionering verband met een legitiem doel. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voegt hieraan toe dat de getroffen maatregelen noodzakelijk moeten zijn, met name proportioneel met het nagestreefd legitiem doel, en dat daarbij een beoordelingsmarge geldt. Het EHRM heeft gesteld dat de beoordelingsmarge met betrekking tot het economische, fiscale of sociale beleid en waarover de meningen binnen een democratische samenleving vaak sterk kunnen verschillen, onvermijdelijk ruimer is. Vervolgens wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop dat de aanvankelijk bestreden beslissing geen bevel om het grondgebied te verlaten inhoudt. Hij merkt tevens op dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013, weliswaar met betrekking tot de XIV-37.695-12/15 bestaansmiddelenvereiste in artikel 40ter van de vreemdelingenwet, de verplichting voor de Belgische gezinshereniger om te beschikken over stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen niet heeft beschouwd als een onevenredige inbreuk op het recht op respect voor het privéleven en het gezinsleven, zoals gewaarborgd door artikel 8 van het EVRM. Tot slot overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat het verzoeker vrijstaat om, wanneer zijn echtgenote voldoet aan de bestaansmiddelenvereiste, een nieuwe aanvraag tot gezinshereniging in te dienen die gestaafd is met de nodige bewijsstukken.
- Anders dan verzoeker voorhoudt, heeft de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen daarmee wel degelijk een proportionaliteitstoets uitgevoerd rekening houdend met de gevolgen van de aanvankelijk bestreden beslissing op het gezinsleven van verzoeker en zijn echtgenote. De verwijzing naar het arrest van het EHRM van 3 oktober 2014 in de zaak Jeunessse tegen Nederland is bijgevolg niet dienend. Verzoeker is het niet eens met deze proportionaliteitstoets en meent dat de rechter in vreemdelingenzaken in wezen aangeeft dat verzoeker in België zou kunnen verblijven, zonder wettig verblijf. Hiermee gaat verzoeker voorbij aan de voornoemde motieven, onder meer dat verzoeker niet wordt verplicht het land te verlaten en dat de mogelijkheid bestaat alsnog een nieuwe aanvraag in te dienen met de nodige bewijsstukken op het vlak van inkomsten, minstens van een actieve zoektocht naar werk. Verder heeft verzoekers kritiek betrekking op de feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak. Het komt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe om zijn eigen beoordeling van de proportionaliteit van een maatregel in de plaats te stellen van de beoordeling door het bestuur of de annulatierechter. Tot slot maakt verzoeker geen schending aannemelijk van artikel 8 van het EVRM met de verwijzing naar een arrest van de Raad van State waarmee een bevel om het grondgebied werd vernietigd op grond van een schending van artikel 3 van het EVRM. XIV-37.695-13/15
- Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. V. Begroting van de kosten - rechtsplegingsvergoeding
- Met een tijdig ingediende nota tot vereffening van de kosten vraagt de verwerende partij verzoeker te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro. Vermits verzoeker als in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand geniet en de verwerende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont, dient dit bedrag overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-37.695-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes december tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.695-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.327 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div