id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.328 Rolnummer: A. 215963/XIV-36455 Zaak: Arrest 246328 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 06/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-12 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-24 13:17 Fiche Arrest nr 246.328 van 6 december 2019 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.328 van 6 december 2019 in de zaak A. 215.963/XIV-36.455 In zake : Johan DETEYE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/Jur/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 26 mei 2015, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van hoofdcommissaris van politie O. [L.], directeur-generaal bij de federale politie, algemene directie van het middelenbeheer en de informatie dd. 27 maart 2015 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing is opgelegd.” II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 240.749 van 20 februari 2018 wordt de behandeling van het eerste middel geschorst totdat de meest gerede partij kennis geeft van de uitspraak over de valsheid, onverminderd de mogelijkheid voor de Raad van State om de zaak daartoe op te roepen wanneer hij dit gepast acht, wordt het debat in de zaak voor het overige heropend en wordt het door de auditeur-generaal XIV-36.455-1/12 aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek behoudens wat het eerste middel betreft. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een aanvullend verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 240.749 van 20 februari
- Er wordt naar verwezen. 3.
- Met een arrest van 2 mei 2018 verklaart de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel het beroep ongegrond dat verzoeker had gericht tegen de beschikking van de raadkamer van 9 november XIV-36.455-2/12 2017 waarbij O.L. buitenvervolging was gesteld voor feiten van valsheid in geschrifte en het gebruik ervan. IV. Opheffing van de schorsing van de behandeling van het eerste middel
- Bij arrest van de Raad van State nr. 240.749 van 20 februari 2018 werd overeenkomstig artikel 51 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemeneprocedure- regeling) de behandeling van het eerste middel geschorst totdat de meeste gerede partij kennis geeft van de uitspraak over de valsheid, onverminderd de mogelijkheid voor de Raad van State om de zaak daartoe op te roepen wanneer hij dit gepast acht.
- Beide partijen delen het hiervoor (zie supra, punt 3.2.) vermelde arrest van 2 mei 2018 van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel mee. Met deze uitspraak heeft het bevoegde rechtscollege uitspraak gedaan over de valsheid, oordelend dat, te dezen, verzoeker op geen enkele wijze aantoont hoe de correctie van de betrokken datum een valsheid in geschrifte zou vormen. Partijen erkennen ter terechtzitting dat geen rechtsmiddel werd aangewend tegen deze rechterlijke uitspraak. Uit wat voorafgaat volgt dat er thans uitsluitsel is over het van valsheid beticht stuk. Er is derhalve geen aanleiding meer om het geding te schorsen wat het onderzoek van het eerste middel betreft.
- De schorsing van het geding wat het onderzoek van het eerste middel betreft en die is bevolen bij arrest nr. 240.749 van 20 februari 2018, wordt opgeheven. XIV-36.455-3/12 V. Onderzoek van het eerste middel Vooraf
- Het navolgende onderzoek is beperkt tot het eerste middel. In het tussenarrest nr. 243.619 van 7 februari 2019 zijn de overige middelen ongegrond bevonden. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van artikel 56 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) wegens verjaring, alsook de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het middel is tweeledig. In de eerste plaats doet verzoeker, samengevat, gelden dat de tuchtvordering is verjaard vermits de datum van kennisneming door de tuchtoverheid van het informatieverslag van de commandant van de Koninklijke Escorte van 23 juli 2014, 15 augustus 2014 is, zo niet vroeger. De datering op 25 augustus 2014 vermeld op het informatieverslag is volgens verzoeker door valsheid aangetast hetgeen hij expliciteert. Verzoeker stelt een strafklacht te hebben ingediend en vraagt hiertoe de toepassing van artikel 51 van de algemene- procedureregeling. In de tweede plaats stelt verzoeker zich op het standpunt dat de kennisneming van het informatieverslag uiterlijk op 15 augustus 2014 is gebeurd. Verzoeker meent dat, zelfs indien de datering van de kennisneming van het informatieverslag niet door valsheid is aangetast, de tuchtoverheid een bewijs dient XIV-36.455-4/12 te leveren hoe het komt dat zij maar zo laat kennis heeft genomen van het rapport. In het raam van de vereiste zorgvuldigheidsplicht moet de tuchtoverheid immers met de nodige spoed kennis nemen van de haar toegezonden meldingen en is het geenszins zo dat zij de datum van kennisneming eigengereid kan bepalen door ingekomen stukken weken te laten liggen om er dan pas op een bepaald ogenblik iets mee te doen en die te dateren voor kennisneming. Te dezen is de informatienota gedateerd op 23 juli 2014 en “behoudens gedegen uitleg die steek houdt”, dient te worden aangenomen dat die nota per post is bezorgd en zodoende op 24 juli 2014 zal zijn verdeeld geweest. Aldus dient de datum van kennisneming 24 juli 2014 te zijn en is aldus artikel 56 van de tuchtwet geschonden. Op zijn minst is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden indien de tuchtoverheid de ingekomen meldingen heeft laten liggen tot 15 of 25 augustus 2014 om die dan pas te dateren voor kennisneming.
- Wat het tweede aspect betreft, betwist verzoeker in de memorie van wederantwoord dat het zonder meer opwerpen van het klassieke zomerverlof niet verschonend kan werken om te rechtvaardigen waarom de briefwisseling blijft liggen. Een inzicht van de normale personeelsbezetting ontbreekt volkomen evenals van de normale afhandelingsduur van de inkomende stukken en van de bedelingswijze van de interne post. In de laatste memorie breidt verzoeker, wat het eerste aspect betreft, het middel uit met een argument dat hij pas bij het middel kon betrekken na de afhandeling van de strafprocedure. Hij doet gelden dat uit de stukken van het strafdossier blijkt dat de tuchtoverheid vooraleer kennis te nemen van de Nederlandstalige versie van het informatierapport, voordien reeds kennis had gekregen van de oorspronkelijke Franstalige versie van dat informatierapport, te weten op 28 juli
- Voorts blijkt dat na kennisneming van de Franstalige versie de tuchtoverheid de vertaling heeft gevraagd. Verzoeker besluit dat de datum van de effectieve kennisneming in hoofde van de tuchtoverheid dus 28 juli 2014 is. Weliswaar betreft het de originele Franstalige versie, maar O.L. die de tuchtoverheid is, behoort tot de Franstalige rol. Wat de draagwijdte van het arrest XIV-36.455-5/12 van de kamer van inbeschuldigingstelling betreft, komt verzoeker met toepassing van de door hem geschetste principes inzake het gezag van gewijsde, tot de conclusie dat dit rechterlijk gezag impliceert dat de strafrechter met gezag van gewijsde heeft beslist dat O.L. geen valsheid in authentieke geschriften heeft gepleegd ingevolge de verandering van datum van kennisneming van het Nederlandstalige informatierapport van “15 augustus” naar “25 augustus”, maar dat dit gezag is beperkt tot het voormelde punt. Niet is daarin vervat de beoordeling of de administratiefrechtelijk correcte datum van de kennisneming niet op nog een totaal ander tijdstip plaatsvond, namelijk op het ogenblik van de kennisneming van de Franstalige versie van het informatieverslag. Wat het tweede aspect betreft, wijst verzoeker erop dat de zomerperiode noch de lagere personeelsbezetting beletten dat reeds op 28 juli 2014 kennis werd genomen van de Franstalige versie van het informatieverslag en dat het lange verstrijken van de tijd wel degelijk een schending is van het zorgvuldigheidsbeginsel. Beoordeling De schending van artikel 56 van de tuchtwet
- Verzoeker voert in wezen aan dat de in het eerste lid van artikel 56 van de tuchtwet bepaalde verjaringstermijn is miskend.
- Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet bepaalt het volgende: “Art.
- De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.” XIV-36.455-6/12 Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de bevoegde tuchtoverheid om binnen zes maanden de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Die garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat het bestuur op de in de tuchtwet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie.
- Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Op die manier wordt vermeden dat al te lichtzinnig, louter op basis van geruchten, speculaties of onzekere gegevens een tuchtprocedure wordt aangevat. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het is voorts aan verzoeker, die de schending van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd.
- In de bestreden beslissing is 25 augustus 2014 als datum van kennisneming van de tuchtfeiten gesteld. Luidens de bestreden beslissing werd op XIV-36.455-7/12 die datum “de tuchtoverheid in kennis gesteld door HCP [XX] van een incident op 21 juli 2014 tijdens het afstijgen van de Koninklijke Escorte op de binnenplaats in de kazerne de Witte de Haelen.” Uit de gegevens van het tuchtdossier blijkt dat het de kennisneming door de tuchtoverheid betreft van het door de commandant van de Koninklijke Escorte meegedeelde Nederlandstalig informatierapport van 23 juli 2014 (zie het tussenarrest nr. 240.749 van 20 februari 2018, punt 3.2.).
- Verzoeker van zijn kant, plaatst zich vooreerst in het verzoekschrift op het standpunt dat de voormelde datum getuigt van manipulatie en valsheid in geschrifte. Uit wat voorafgaat blijkt dat de strafklacht is afgehandeld en dat de correctie van de datum geen valsheid in geschrifte vormt. In de mate dat het middel steunt op de stelling dat de datum van kennisneming gesitueerd op 25 augustus 2014 vals is, is het ongegrond.
- Ten tweede zet verzoeker zich in zijn laatste memorie op het standpunt dat die kennisneming is gebeurd op 28 juli 2014, zijnde de datum waarop de tuchtoverheid kennisnam van de Franstalige versie van het informatie- verslag. Door de verwerende partij wordt niet betwist dat uit het gevoerde strafonderzoek en inzonderheid uit de door verzoeker overgelegde stukken ervan, blijkt dat op 23 juli 2014 de commandant van de Koninklijke Escorte een in de Franse taal gesteld informatierapport heeft opgesteld en dat dit in het dataregistratiesysteem van de tuchtoverheid werd ingeschreven op 25 juli 2014 en uitgeschreven op 28 juli
- Er wordt evenmin betwist dat de tuchtoverheid op 28 juli 2014 kennis nam van dat Franstalig informatierapport, noch dat dit Franstalig informatierapport niet was gevoegd bij het tuchtdossier en er derhalve geen deel van uitmaakt. XIV-36.455-8/12 Centraal staat bijgevolg de vraag of met die kennisneming van het Franstalig informatierapport op 28 juli 2014 de tuchtoverheid met betrekking tot de in aanmerking genomen feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om de tuchtprocedure op te starten, derwijze dat er op dat ogenblik sprake was van een kennisneming in de zin als hiervoor is gesteld (zie supra, punt 12). Het wordt niet betwist dat het informatieverslag van de commandant van de Koninklijke Escorte te dezen een essentieel stuk betreft van de tuchtprocedure, zodat in redelijkheid mag worden gesteld - en verzoeker beweert het tegendeel niet - dat het betrekking heeft op een substantieel onderdeel van de besluitvorming in tuchtzaken. Evenmin wordt betwist dat de tuchtoverheid een dergelijk in het Frans gesteld essentieel stuk, niet op wettige wijze zou mogen aanwenden in de tuchtrechtelijke besluitvorming lastens verzoeker die behoort tot de Nederlandse taalrol. Aan de tuchtoverheid kan op grond van een dergelijk stuk aldus geen kennisneming van de feiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet worden tegengeworpen aangezien die zou zijn verkregen door de kennisneming van een essentieel stuk dat niet bij de besluitvorming zou mogen worden betrokken. Bij gebreke aan vertaling is het Franstalige informatieverslag derhalve geen bewijskrachtig gegeven in de zin als hiervoor is gesteld (zie supra, punt 12). De omstandigheid dat de tuchtoverheid tot de Franstalige taalrol behoort doet daaraan niet af nu de taal voor de tuchtprocedure het Nederlands is.
- Het eerste middel is in die mate ongegrond. De schending van de zorgvuldigheidsplicht
- Verzoeker voert ook de schending aan van de zorgvuldigheids- plicht. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat de tuchtoverheid haar beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de XIV-36.455-9/12 beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Er mag worden aangenomen dat een tuchtoverheid de afdoende kennisneming van de feiten niet nodeloos mag uitstellen en dat de zorgvuldig- heidsplicht gebiedt dat de tuchtoverheid informatie inwint wanneer zij aan- wijzingen heeft van mogelijke tuchtfeiten en in dat geval de nodige handelingen stelt om zonder nodeloos uitstel de afdoende kennis van de feiten te verwerven.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de tuchtoverheid ingevolge de kennisneming van het Franstalige informatieverslag vanaf 28 juli 2014 aanwijzingen had van mogelijke tuchtfeiten. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken van het strafdossier inzake de valsheidsprocedure dat de tuchtoverheid, na de kennisneming van dat Franstalige informatieverslag een vertaling (klaarblijkelijk aan de steller van het informatieverslag) heeft gevraagd en dat de tuchtoverheid daarvan op 25 augustus 2014 kennis heeft genomen. Het komt aan verzoeker toe met concrete gegevens aannemelijk te maken dat deze handelwijze niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaan te dezen niet om aannemelijk te maken dat de verstreken tijd tussen de kennisneming van het Franstalige en van het Nederlandstalige informatieverslag, doet blijken dat de tuchtoverheid met schending van de zorgvuldigheidsplicht de afdoende kennisneming van de feiten heeft uitgesteld. Voor zover verzoeker voorts in het verzoekschrift stelt dat het aan de verwerende partij toekomt “een bewijs [te] leveren hoe het komt dat zij maar zo laat kennis heeft genomen” en een “gedegen uitleg die steek houdt” te XIV-36.455-10/12 geven omtrent de postbedeling van het informatieverslag, wordt vastgesteld dat, gelet op verzoekers initiële stelplicht van het middel in het verzoekschrift, de verwerende partij enkel dient te antwoorden op de in het verzoekschrift voldoende duidelijk omschreven geschonden geachte rechtsregel en wijze waarop die rechtsregel volgens verzoeker is geschonden. Te dezen dient de verwerende partij, bij gebreke hieraan, niet te verhelderen hoe zij “maar zo laat kennis heeft genomen” en hoe de postbedeling is gebeurd, aangezien verzoeker ter zake geen voldoende duidelijke kritiek in zijn verzoekschrift aanvoert.
- Het eerste middel is in die mate ongegrond. Conclusie
- Het eerste middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver- klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-36.455-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes december tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-36.455-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.328 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.749 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.619 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div