id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.343 Rolnummer: A. 229646/IX-9650 Zaak: Arrest 246343 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 09/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-10 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-24 13:22 Fiche Arrest nr 246.343 van 9 december 2019 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 246.343 van 9 december 2019 in de zaak A. 229.646/IX-9650 In zake: Dirk THOMAS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Laurens Storms kantoor houdend te 3110 Rotselaar Echostraat 8 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy - Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 29 november 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “1) het Besluit van de Voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Financiën van 16 oktober 2019 met als onderwerp ‘Einde terbeschikkingstelling bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen- FOD Financiën’ [en van] 2) het Besluit van de Voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Financiën van 13 november 2019 met als onderwerp ‘Einde terbeschikkingstelling bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen – Federale Overheidsdienst Financiën – de heer Dirk Thomas’ en met als referte VP2019/03680.2.” IX-9650-1/13 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 december 2019, om 10.30 uur. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laurens Storms, die verschijnt voor de verzoekende partij en attaché Selim Dedeli, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn ge- hoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is adjudant-chef bij het ministerie van Landsverde- diging. 3.2. Na de terreuraanslagen in metrostation Maalbeek en te Zaventem in 2016 wordt verzoeker ter beschikking gesteld van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen van de federale overheidsdienst Financiën (hierna: de FOD Financiën) met de taak om een nieuw opleidingsconcept inzake geweldbe- heersing te implementeren binnen de gewapende diensten van deze administratie. IX-9650-2/13 Op 31 mei 2017 wordt in dat verband een protocolakkoord ge- sloten tussen het ministerie van Landsverdediging en de FOD Financiën “tot re- geling van de beziging van een militair bij de gewapende diensten van de Alge- mene Administratie van de Douane en Accijnzen” (hierna: het protocolakkoord). Het protocolakkoord bepaalt dat de terbeschikkingstelling geldt voor een periode van drie jaar die aanvangt op 1 maart 2017 en eindigt op 29 fe- bruari 2020 behoudens verlenging op vraag van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen voor een duur die op basis van een gemeenschappelijk ak- koord tussen de partijen wordt bepaald, zonder de pensioendatum van de ter be- schikking gestelde militair te overschrijden (artikelen 1, 11 en 13 van het proto- colakkoord). Voorts wordt in het protocolakkoord bepaald dat indien vastgesteld wordt dat verzoeker geen voldoening schenkt, een einde kan worden gesteld aan de beziging mits het respecteren van een opzegtermijn van dertig dagen. De redenen hiervan moeten worden vermeld in een verslag dat meegedeeld wordt aan de be- trokken militair die er zijn verweer aan mag toevoegen, volgens de nadere regels van toepassing op het Rijkspersoneel (artikel 9 van het protocolakkoord). 3.3. Op een vergadering van 4 oktober 2019 wordt aan verzoeker meegedeeld dat de door hem geleverde prestaties en de behaalde resultaten niet worden betwist, maar dat zijn communicatiestijl en zijn houding ten aanzien van de relevante actoren niet in overeenstemming zijn met de huisstijl en de waarden van de FOD Financiën waardoor overwogen wordt om de beziging van verzoeker niet te verlengen. 3.4. Met een brief van 16 oktober 2019 deelt de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën aan verzoeker het volgende mee: “Er dient vastgesteld te worden dat op het vlak van gedrag en communi- catievaardigheden u ernstig tekort schiet en dit zowel in uw mondelinge als schriftelijke communicatie ten aanzien van relevante belanghebbenden binnen de organisatie. De manier waarop u communiceert met vakbonden, medewerkers, collega’s en hiërarchische meerderen, waaronder regionale centrumdirecteurs en het management, laat te wensen over, is vaak zeer IX-9650-3/13 agressief en beledigend. Bovendien is er ook een probleem met het volgen en respecteren van de hiërarchie. De situatie is dermate geëscaleerd dat deze niet langer houdbaar is. Het vertrouwen is volledig verbroken. Ondanks de geleverde prestaties op technisch vlak, kan de FOD Financiën dit niet langer naast zich neer leggen. Bijgevolg wordt besloten om geen verlenging van de beziging te voorzien en wordt, in toepassing van artikel 9 van het protocolakkoord, aan de beziging vroegtijdig een einde gesteld mits een opzegtermijn van 30 dagen. U kan mij uw opmerkingen en/of bezwaren tegen deze beslissing schrifte- lijk bezorgen tegen uiterlijk 26 oktober 2019. U dient de opzegperiode niet effectief te presteren. U kan de dienst bij Defensie hernemen op 1 december aanstaande. U wordt verzocht om onmiddellijk alle eigendommen van de administratie terug te overhandigen aan de administratie, zijnde dienstwagen, tankkaart, wapenuitrusting, PC, gsm en eventueel andere.” Dat is de eerste bestreden beslissing. 3.5. Met een brief van 24 oktober 2019 deelt de raadsman van ver- zoeker zijn opmerkingen en bezwaren mee aan de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën met betrekking tot de inhoud van de brief van 16 oktober 2019. 3.6. In een brief van 13 november 2019 van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën aan de raadsman van verzoeker zet deze omstandig uiteen waarom een einde wordt gesteld aan de beziging. Hij besluit: “De heer Thomas zal gedurende de opzegtermijn, die hij niet effectief dient te presteren, zijn wedde ontvangen. Het spreekt eveneens voor zich dat uw cliënt het materiaal van de Federale Overheidsdienst Financiën, zoals gsm, laptop, wagen en tankkaart, zo snel mogelijk moet indienen. De heer Thomas werd op de hoogte gesteld van de intentie om de beziging vroegtijdig stop te zetten in het gesprek van 4 oktober 2019 en heeft daar zijn opmerkingen op kunnen geven, zowel mondeling als schriftelijk. Alle voorgaande elementen werden in rekening genomen bij de beslissing van 16 oktober 2019 waarbij een einde werd gesteld aan de terbeschikking- stelling. Gelet op al hetgeen dat voorafgaat, kan besloten worden dat de Federale Overheidsdienst Financiën niet terugkomt op haar eerder genomen beslis- sing van 16 oktober 2019.” IX-9650-4/13 Dat is de tweede bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting 5. Verzoeker motiveert de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering als volgt: “- Eerst en vooral dient te worden opgemerkt [dat] de bestreden beslis- singen inhouden dat aan deze beziging reeds een einde zou komen op 1 december 2019 […], zodat verzoekende partij eerst en vooral vanaf die datum zou geconfronteerd worden met de nadelen die reeds werden toe- gelicht in het onderdeel over de ontvankelijkheid ratione personae, en dat het praktisch onmogelijk is om – in het kader van de ‘normale’ schor- singsprocedure bij Uw Raad – een uitspraak over de vordering tot schor- sing van de bestreden beslissingen te verkrijgen voor die datum verstreken is. - Ten tweede, en wellicht nog belangrijker, is dat verzoekende partij – zoals gezegd – op dit ogenblik (nog) beschikt over een beziging met een duur van 3 jaar die – de bestreden beslissingen buiten beschouwing gelaten uiteraard – loopt tot en met 29 februari 2020, die evenwel verlengbaar is tot aan de pensioendatum van verzoekende partij […]. Een noodzakelijke voor- waarde opdat de beziging voor verzoekende partij voor dergelijke verlen- ging in aanmerking zou kunnen [komen], is uiteraard wel dat de beziging op dat ogenblik nog loopt, wat uiteraard niet kan – of toch hoogst on- denkbaar is – wanneer de bevoegde overheid en/of ambtenaar die over zo’n verlenging kan beslissen er vanuit gaat dat de beziging van verzoekende partij voortijdig zou zijn beëindigd. IX-9650-5/13 De bestreden beslissingen wekken (evenwel geheel ten onrechte […]) die indruk. Indien de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen niet zou worden geschorst in het kader van deze procedure bij Uiterst Dringende Noodzakelijkheid riskeert verzoekende partij het voor hem belangrijke momentum te missen waarop de bevoegde overheid en/of ambtenaar normalerwijze zou overwegen om de beziging van verzoekende partij te verlengen. Dat momentum situeert zich per definitie in het tijdsslot tussen nu en 29 februari 2020, maar gelet op de organisatorische voorbereidingen die met een gebeurlijke verlenging gepaard gaan, zal dat momentum zich eerder nu aandienen dan tegen 29 februari 2020. Indien evenwel op dàt momentum de bestreden beslissingen (nog) niet geschorst zouden zijn, mist verzoekende partij onherroepelijk de kans om zijn huidige beziging – zelfs wanneer later zou blijken dat ze ten onrechte voortijdig werd beëindigd – verlengd te zien, wat voor verzoekende partij aldus een onherroepelijk nadeel zou uitmaken. Dit nadeel, namelijk het missen van een kans op een verlenging van zijn beziging, is geen hypothetisch nadeel, maar is reëel: ◦ Of verzoekende partij daadwerkelijk op 29 februari 2020 een verlenging van zijn beziging zal krijgen, is inderdaad onzeker. Verzoekende partij kan dit bevestigen noch ontkennen (al moet gezegd dat hem dit in het verleden wel reeds mondeling werd toegezegd, doch verzoekende partij is er zich van bewust dat de kaarten intussen grondig geschud zijn, quod erat de- monstrandum) ◦ Het is evenwel zeker dat de datum van 29 februari 2020 nog niet ver- streken is; dat deze datum binnen relatief korte termijn wel verstreken zal zijn; en dat er op heden – behalve de uitspatting in de eerste bestreden be- slissing (die uiteraard het voorwerp zal uitmaken van een annulatieberoep) – nog geen enkel formeel schriftelijk standpunt was ingenomen door de bevoegde overheid over een al dan niet verlenging van de huidige beziging van verzoekende partij in het kader van de lopende detachering. Zodoende maakt verzoekende partij het voldoende aannemelijk dat in de periode tussen nu en 29 februari 2020 zich een momentum zal voordoen waarop de bevoegde overheid zal overwegen een beslissing hieromtrent te nemen, in de ene of de andere zin, waarbij het evenwel zeer aannemelijk is dat die beslissing sowieso in het nadeel van verzoekende partij zal uit- draaien wanneer op dat ogenblik de bestreden beslissingen niet geschorst zijn, aangezien die bestreden beslissingen immers (ten onrechte) een noodzakelijke voorwaarde om een verlenging van de beziging te kunnen verkrijgen, te niet doen, namelijk door ten onrechte de indruk te wekken dat de desbetreffende beziging wél afgelopen zou zijn. Gelet op de gebruikelijke looptijd van een ‘gewone’ schorsingsprocedure bestaat er een reëel risico dat een uitspraak van Uw Raad, volgend in der- gelijke schorsingsprocedure, zelfs indien ze de bestreden beslissingen zou schorsen, te laat zal komen en verzoekende partij nooit nog voor een ver- lenging van zijn beziging in aanmerking zal komen.” IX-9650-6/13 In zijn vordering zet verzoeker de nadelen die hij ingevolge de bestreden beslissingen zal ondergaan, voorts uiteen als volgt: “- Op professioneel vlak:
- a)aantasting van de beroepseer en reputatieschade […] Zoals in het feitenrelaas reeds werd toegelicht, is verzoekende partij be- roepsmilitair, en dit sinds 35 jaar, waarbij verzoekende partij steeds een leidinggevende functie heeft bekleed. Gedurende al die tijd heeft verzoe- kende partij zijn beroepseer hoog in het vaandel gedragen, en hij doet dat nog steeds, getuige overigens ook de verschillende adelbrieven die ver- zoekende partij in dat verband kan bijbrengen […]. Op het ogenblik waarop hem enkele jaren geleden gevraagd werd om in het kader van de desbetreffende detachering bij de FOD Financiën bepaalde werkzaamheden te gaan verrichten […] beschouwde verzoekende partij dat – en overigens ook nog steeds – niet als een job, maar als een missie, waarvan hij zichzelf ook oplegt om deze met succes te beëindigen. […] Dit om aan te tonen dat beroepsmilitairen werken in een context waarin de beroepseer een kostbaar goed is, en waarbij het al dan niet slagen in een ‘job’ gelijk staat aan het al dan niet slagen in een militaire missie. Verzoekende partij hechtte er veel belang aan dat hij in zijn opdracht zou slagen, en hij was daar overigens ook succesvol mee bezig […]. Indien verzoekende partij – als gevolg van de onterechte bestreden beslissingen – voortijdig zijn opdracht zou moeten beëindigen, in een context waarbij hem ook wordt ten laste gelegd dat hij – zoals uit de bestreden beslissing volgt ‘geen voldoening schenkt’, beschouwt verzoekende partij dat als een falen in zijn missie, en als een ernstige krenking van zijn beroepseer. Dit geldt eens zo sterk nu verzoekende partij – als gevolg van de bestreden beslissingen – in de praktijk terug zou worden gestuurd naar Defensie waar hij – zo vroeg verzoekende partij uiteraard al na – administratief geaffec- teerd zou worden aan een militair organisme ‘Saffraanberg’ in Sint-Truiden, dit zonder enige noemenswaardige of minstens vergelijkbare opdracht, enkel om de tijd te doden in afwachting van de datum waarop verzoekende partij op pensioen zou worden gesteld (zijnde op 01 juli 2021). Verzoekende partij zou zijn professionele carrière van 35 jaar als leiding- gevende bij Defensie aldus moeten afsluiten in mineur, met een (onte- rechte) smet op zijn blazoen erboven op. In februari 2017 heeft men bij Defensie eervol afscheid genomen van verzoekende partij […], omdat immers algemeen geweten [was] dat ver- zoekende partij tot aan zijn pensioenleeftijd werkzaam [zou] zijn bij de FOD Financiën, wat overigens ook blijkt uit artikel 11 van het Protocol- akkoord, dat hiertoe uitdrukkelijk het normatief kader had gecreëerd, waar wordt gesteld dat de beziging van verzoekende partij op een bepaald ogenblik tot aan zijn pensioenleeftijd zou kunnen worden verlengd […]. IX-9650-7/13 Het is voor verzoekende partij […] emotioneel en professioneel niet mo- gelijk om na een boeiende loopbaan van 35 jaar terug te moeten met een beschadigd imago.
- b)Verlies van vermogensvoordelen […] Naast voormelde aantasting van zijn beroepseer en reputatieschade hebben de bestreden beslissingen voor verzoekende partij ook een verlies van vermogensvoordelen als gevolg, dat kan berekend worden als volgt: o Berekening maandelijkse vergoedingen: Passieve wachtdienst: 1.308,00€ bruto Wapenpremie + directiepremie: 229,43€ bruto Verblijfskosten: 170,00€ bruto Totaal: 1708,43€ bruto o Voordeel in natura maandelijks: Gebruik dienstvoertuig incl tankkaart: 500,00€ netto Gebruik gsm abonnement onbeperkt: 40,00€ netto o Opleidingsactiviteit occasionele lesgever 20dg per jaar x 180€ per dag = 3.600€/jaar Deze berekening wordt gestaafd door de stukken […]. Wat de vergoedingen betreft die de FOD Financiën aan verzoekende partij verschuldigd is op basis van artikel 8 van het Protocolakkoord […] is er dus een verlies van: o per maand: 1708,43 EUR (bruto) + 540 EUR (netto) o en daarbovenop per jaar: 3.600 EUR (netto) In dit verband dient te worden opgemerkt dat het verlies voor verzoekende partij vaststaat voor de maanden december 2019, januari 2020 en februari 2019 [lees: 2020], aangezien verzoekende partij – abstractie makend van de bestreden beslissingen – sowieso tot 29 februari 2020 in beziging zou blijven […]. Echter, aangezien deze beziging ook verlengbaar is voor een periode tot aan de pensioenleeftijd van verzoekende partij […], strekken de nadelige gevolgen van de bestreden beslissingen zich mogelijk uit tot op 01 juli 2021, zijnde de dag waarop verzoekende partij pensioensgerechtigd zal zijn. De bestreden beslissingen ontnemen verzoekende partij volledig de kans om zijn beziging verlengd te zien, en in die mate hebben deze beslis- sing[en] dus ook een nadelige impact op de toekomst van verzoekende partij in de periode na 29 februari 2020. - Op privé-vlak […] De bestreden beslissingen maken het voor verzoekende partij onmogelijk om het co-ouderschap over zijn dochter, zoals geregeld in de ouder- schapsovereenkomst van 16 mei 2019 […], uit te oefenen. Immers, de dochter van verzoekende partij woont in Herk-de-Stad, waar zij ook dagelijks school loopt. In het kader van de co-ouderschapsregeling is voorzien dat verzoekende partij om de andere week voor zijn dochter zorgt, en deze ook van school ophaalt. Verzoekende partij is sinds 15 juli 2019 verhuisd naar Aarschot […] om het mogelijk te maken om zowel zijn werk (bij de FOD Financiën) te kunnen blijven verrichten, als voor zijn min- IX-9650-8/13 derjarige dochter (geboren in 2009) te zorgen in het kader van voormelde ouderschapsregeling. Immers, en zoals gezegd, zou verzoekende partij als gevolg van de be- streden beslissingen in de praktijk terug […] worden gestuurd naar De- fensie waar hij administratief geaffecteerd zou worden aan een militair organisme ‘Saffraanberg’ in Sint-Truiden. […] Verzoekende partij zou elke dag ca. 180 kilometer dienen af te leggen om dit te bolwerken, (nota bene – en in tegenstelling tot de situatie waarin hij zich thans bevindt – zònder dienstwagen en zonder tankkaart), wat prak- tisch onhaalbaar is, zodat de co-ouderschapsregeling die hij recent heeft afgesloten opnieuw op de helling zou komen te staan, met alle nadelige effecten vandien op de familiale en persoonlijke levenssfeer van verzoe- kende partij.” Beoordeling 6. Er moet aan worden herinnerd dat de toepassing van de proce- dure ‘bij uiterst dringende noodzakelijkheid’ een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder- lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat door de verzoekende partij op een duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond dat de zaak uiterst dringend is. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake- lijkheid wordt aangevoerd, daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit betekent dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar inleidend verzoekschrift aannemelijk moet maken dat IX-9650-9/13 de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van een gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen dat haar ingevolge de onmiddellijke tenuit- voerlegging van de bestreden beslissing treft of dreigt te treffen. Niet anders dan het geval is in een gewone schorsingsprocedure, is bovendien vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, op gevaar af zich in een toestand te bevinden waarin schadelijke gevolgen van de bestreden beslissing niet meer door een eventueel vernietigingsarrest of in het kader van het rechtsherstel na een dergelijk arrest kunnen worden goedgemaakt. 7. Voor zover verzoeker in zijn uiteenzetting van de uiterst drin- gende noodzakelijkheid van zijn vordering ervan uitgaat dat “[i]ndien de tenuit- voerlegging van de bestreden beslissingen niet zou worden geschorst in het kader van deze procedure bij Uiterst Dringende Noodzakelijkheid [hij riskeert] het voor hem belangrijke momentum te missen waarop de bevoegde overheid en/of amb- tenaar normalerwijze zou overwegen om de beziging van verzoekende partij te verlengen”, kan hij op dit punt niet worden bijgevallen. Artikel 11 van het protocolakkoord bepaalt dat de beziging eindigt op 29 februari 2020 en dat de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen een verlenging van de beziging “kan” vragen. Zelfs in de veronderstel- ling dat de bestreden beslissingen worden geschorst, is het helemaal niet zeker dat verzoekers beziging zou worden verlengd, zoals verzoeker trouwens zelf toegeeft. Het betreft aldus een louter hypothetische veronderstelling die een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet kan verantwoorden. 8. Voorts doet verzoeker gelden dat door de bestreden beslissingen zijn “beroepseer” wordt aangetast en dat deze beslissingen hem reputatieschade berokkenen. Ook stelt verzoeker dat het voor hem emotioneel en professioneel niet IX-9650-10/13 mogelijk is om na een boeiende loopbaan van vijfendertig jaar naar Defensie terug te moeten gaan met een beschadigd imago. Zelfs indien verzoeker zou worden bijgevallen met betrekking tot de beweerde persoonlijke reputatieschade en aantasting van zijn beroepseer die uit de stopzetting van zijn beziging volgen, alsook de emotionele en professionele onmogelijkheid om naar Defensie terug te keren, dan nog moet worden vastgesteld dat hij niet aan de hand van objectieve elementen aannemelijk maakt dat het aan- gevoerde nadeel niet afdoende zou kunnen worden verholpen door een eventuele schorsing van de bestreden beslissingen in het kader van een gewone schorsings- procedure of zelfs door een eventueel vernietigingsarrest. 9. In de mate dat verzoeker erop wijst dat het vaststaat dat hij fi- nancieel verlies zal leiden voor de maanden december 2019 tot februari 2020 en in het geval dat zijn beziging zou worden verlengd, de financieel nadelige gevolgen van de bestreden beslissingen zich mogelijk zouden uitstrekken tot 1 juli 2021, zijnde de dag waarop verzoeker pensioengerechtigd zal zijn, moet op het volgende worden gewezen. Een financieel nadeel dat herstelbaar is, verantwoordt op zich niet de spoedeisendheid, laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid, tenzij een verzoekende partij concreet kan aantonen dat zij in zodanige financiële moei- lijke omstandigheden verkeert dat zij de normale afloop van de procedure niet kan afwachten. Dit bewijs levert verzoeker alvast niet in deze zaak. Bovendien blijkt uit hetgeen hiervóór is gesteld, dat verzoeker in beginsel nog slechts drie maanden in dienst zou zijn geweest en het allesbehalve zeker is dat de beziging van ver- zoeker zou worden verlengd. Daarnaast betwist verzoeker niet dat hij vanaf 1 december 2019 opnieuw werkzaam zal zijn bij Defensie en terug het daaraan verbonden loon – zoals vóór de terbeschikkingstelling – zal ontvangen. 10. In de mate dat verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissingen het voor hem onmogelijk maken om het co-ouderschap over zijn dochter uit te IX-9650-11/13 oefenen, gelet op zijn mogelijke plaats van tewerkstelling en de daaraan verbonden af te leggen afstanden tussen zijn woonplaats, de plaats waar zijn dochter school- loopt en zijn mogelijke plaats van tewerkstelling, toont verzoeker niet op over- tuigende wijze aan dat hij dit tijdelijke ongemak onmogelijk kan verdragen. Bo- vendien blijkt – zoals sub 9 reeds is vastgesteld – dat verzoeker in beginsel nog slechts tot februari 2020 ter beschikking zou zijn gesteld en dat het allesbehalve zeker is dat de beziging van verzoeker tot 1 juli 2021 zou worden verlengd. 11. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker niet aantoont dat hij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, op gevaar af zich in een toestand te bevinden waarin de schadelijke gevolgen van de bestreden beslissingen niet meer door een vernietigingsarrest of in het kader van het rechtsherstel na een dergelijk arrest kunnen worden goedgemaakt. Verzoeker toont met andere woorden niet aan dat zijn vordering uiterst dringend is. 12. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. IX-9650-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen de- cember tweeduizend negentien, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-9650-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.343 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.061 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div