id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.345 Rolnummer: A. 229526/XII-8830 Zaak: Arrest 246345 - Overheidsopdrachten - 10/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-16 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-24 13:23 Fiche Arrest nr 246.345 van 10 december 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 246.345 van 10 december 2019 in de zaak A. 229.526/XII-8830 In zake: de BVBA GEERT VAN GRIEKEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kathleen De hornois en Mattias Van Schel kantoor houdend te 1930 Zaventem Luchthaven Brussel Nationaal 1J bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de CVBA VIVAQUA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Virginie Dor en Youri Musschebroeck kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 178 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
(2), met identificatie van de posten in de verantwoording van de prijzen, waarop de kosten van deze personen worden geboekt”. In dit bericht wordt vermeld dat deze vraag eveneens kadert in de controle van de prijzen en dat met deze beschrijving de verwerende partij ook zal moeten kunnen nagaan of alle prestaties die in het bestek worden vereist en die in de offerte worden vermeld door de ingediende prijzen zullen worden gedekt. Uit bijlage 8 bij het gunningsverslag van 27 september 2019 blijkt dat de tien inschrijvers, waarvan de offerte niet substantieel onregelmatig werd bevonden, voor de minnelijke fase als VTE‟s hebben opgegeven: 4,80 - 3 - XII-8830-7/18 5,50 - 1,90 - 3,50 - 1,50 - 1,00 - 0,60 - 0,60 - 0,50 en voor het beheer van de gerechtelijke hoorzittingen: 3 - 4 - 1 – 4,8 – 5 – 3 – 3 – 2 - 0,2 -
- In antwoord op de vraag van de verwerende partij blijkt de gekozen inschrijver te hebben verduidelijkt dat hij voor de minnelijke fase voorstelt om 0,5 VTE ter beschikking te stellen en 1 VTE voor de gerechtelijke fase, alsook reeds enige verantwoording te hebben gegeven door onder meer te verwijzen naar automatisering, opgave van cijfers van het gemiddelde salaris van een werknemer, de kosten van een ingebrekestelling, sms, telefoongesprek, en dergelijke, waarmee prima facie reeds een zeker inzicht werd verschaft in de door de gekozen inschrijver opgegeven prijs, rekening houdende met het door deze inschrijver opgegeven VTE‟s. In het gunningverslag van 27 september 2019 wordt aangaande de methodologie van het prijsonderzoek het volgende uiteengezet: “Wat de controle van de prijzen betreft, moet erop worden gewezen dat deze toegespitst was op de inschrijvers die een offerte hadden ingediend die niet manifest onregelmatig was (met uitzondering dus van het bedrijf VENTURIS – zie hieronder) en op de posten waarvan de prijs meer dan 15% lager lag dan het gemiddelde bedrag van de offertes, met toepassing van de regels om het gemiddelde van de bedragen te berekenen uit artikel 44, §4, van het Koninklijk Besluit van 18 juni 2017 betreffende de plaatsing van overheidsopdrachten in de speciale sectoren (zie bijlage 4 – vergelijkende tabel van de prijzen in het administratieve dossier).” Aangezien de prijzen van de gekozen inschrijver 15 % lager lagen dan het gemiddelde heeft de verwerende partij deze inschrijver met een schrijven van 23 juli 2019 gevraagd om zowel voor de minnelijke fase als de gerechtelijke fase de door haar ingediende prijzen te verantwoorden, rekening houdende met het aantal opgegeven VTE‟s. De gekozen inschrijver heeft hierop met een brief van 7 augustus 2019 een omstandige prijsverantwoording verschaft: “
- Minnelijke invordering […] XII-8830-8/18 Als eerste stap moet in gedachten worden gehouden dat de meeste van onze procedures volledig geautomatiseerd zijn en daarom geen menselijke tussenkomst vereisen. Bijgevolg: • De invoering van dossiers op ons platform is volledig geautomatiseerd. Alleen dossiers waarmee men moeilijkheden ondervindt voor de invoering worden handmatig verwerkt. Voor een totaal van 2.000 dossiers zijn dus 2 uur nodig voor een medewerker van de klantendienst om de nodige correcties aan te brengen. Op basis van de vooropgestelde 8.000 jaarlijkse dossiers, kunnen we afleiden dat er 8 uur manuele diensten zullen worden uitgevoerd voor de invoering van de dossiers. • Ingebrekestellingen worden ook automatisch gegenereerd. Zodra de invoering van de dossiers is voltooid en/of het systeem alle gegevens heeft gevalideerd, wordt de ingebrekestelling automatisch aangemaakt. De enige handelingen die moeten worden gesteld zijn het transport van de gedrukte post naar de plooimachine en het deponeren van de enveloppes in de bussen van de postdiensten. Ook al gaat het om een groot aantal, voor een totaal van 1.000 dossiers bedraagt de tijd die de medewerker die belast is met het postbeheer nodig heeft niet meer dan 30 minuten, dat wil zeggen 4 uur in totaal voor 8.000 bestanden. • De belangrijkste post op het vlak van de te verlenen diensten betreft de telefonische aanmaning. Er moet echter op worden gewezen dat de invoering van automatische oproepen het mogelijk heeft gemaakt om het aantal oproepen dat dagelijks wordt beheerd door een aanmaningsagent aanzienlijk te verhogen, waarbij deze laatste alleen oproepen behandelt die de betrokken schuldenaar daadwerkelijk heeft aangenomen en aan de lijn is gebleven. Op dit moment kan een persoon die zich ontfermt over de aanmaningen gemiddeld 750 dossiers per dag behandelen. Zelfs indien we ervan uit zouden gaan dat de 8.000 dossiers die ons worden toevertrouwd, worden beantwoord, dan nog zou het totale aantal oproepen 32.000 bedragen. Deze hoeveelheid zou dus in 42,7 dagen worden verwerkt voor een voltijdse baan of 85 dagen voor een deeltijdse baan. Dit komt neer op vier maanden halftijds werk. We zijn dus nog ver van de halftijdse tewerkstelling voor een heel jaar. • Het opstellen van een afbetalingsplan vereist ook een manuele prestatie. Niettemin, duurt het ingeven van een plan in ons systeem maximaal één minuut. Ervan uitgaande dat de 2.000 dossiers die volgens uw informatie niet het voorwerp zullen uitmaken van de gerechtelijke fase, komen we uit op een totaal van 2.000 minuten dienstverlening, of 33,33 uur. Dit is dus minder dan twee weken deeltijdswerk. • Een andere post die de tussenkomst van een werknemer vereist, is het beheer van collectieve schuldenregelingen, faillissementen en gerechtelijke reorganisatieprocedures. In de regel moet voor elke zaak die in deze procedures wordt behandeld gemiddeld 15 minuten worden gerekend. Inderdaad, alle gebruikte teksten zijn namelijk zo op voorhand opgesteld dat de diensten beperkt blijven. Op basis van uw verklaringen worden de dossiers als volgt verdeeld: - RCD: 250 XII-8830-9/18 - Faillissement: 300 - PRJ: 40 In totaal zijn er dus 590 dossiers die elk 15 minuten verwerkingstijd vergen, oftewel 8.850 minuten of 147,5 uur. Dit cijfer komt dus overeen met twee maanden werk voor een deeltijds werknemer. • Ten slotte is de laatste post die de uitvoering van bepaalde diensten vergt, het beheer van geschillen. Tot op heden besteedt de jurist voor ongeveer 200.000 zaken per jaar 10% van zijn tijd aan de behandeling van geschillen, d.w.z. 2 werkdagen per maand. Door dit cijfer aan te passen aan het aantal dossiers dat in deze zaak wordt voorgelegd, d.w.z. 8.000, zou de tijd die aan het beheer van de geschillen wordt besteed niet meer dan 38,4 minuten per maand mogen bedragen. Zelf zonder deze tijd op die manier te beperken, hoeft hij niet meer dan twee uur per maand te besteden aan het beheer van geschillen, of 24 uur over een volledig jaar. Uit het bovenstaande volgt dat zelfs voor een 0,5 VTE de totale werkbelasting minder dan 7 maanden werk bedraagt. Rekening houdend met 0,5 VTE voor een volledig dienstjaar, dat wil zeggen 12 maanden, waren we meer dan redelijk en kregen we een aanzienlijke marge om eventuele onvoorziene omstandigheden op te vangen. […]
- Gerechtelijke invordering […] Zodra de standaardconclusies zijn opgesteld, zal de vaststelling van conclusies in elk van de te behandelen gevallen slechts van zeer korte duur zijn. Dit moet tussen 1 uur en maximaal 1u30 per dossier zijn. Ervan uitgaande dat in 10% van de gevallen conclusies moeten worden geschreven, en rekening houdend met de maximale duur, 1u30 per geval, zal voor deze post in totaal 900 uur nodig zijn. Met [XXX] euro per uur bedraagt de totale dienstverlening voor het opstellen van de conclusies dus [XXX]. Door het aantal wekelijkse hoorzittingen aanzienlijk te verhogen tot 10, komen we uit op een potentieel aantal van 450 hoorzittingen voor een volledig jaar, wetende dat de gerechtsdeurwaarder ervoor zal zorgen dat meerdere dossiers voor dezelfde hoorzitting worden verzameld om de kosten te beperken. De kosten per hoorzitting zijn nog steeds vastgesteld op [XXX] euro, dus de totale kosten zullen [XXX] € bedragen. Rekening houdend met deze nieuwe berekening en onze offerte om een omzet van [XXX] euro te realiseren voor de gerechtelijke fase, bedraagt de gegenereerde marge [XXX] euro. Zelfs als we rekening houden met een periode van 2 uur voor het opstellen van de conclusies, zou de financiële last slechts [XXX] euro bedragen. In een dergelijk geval zou na alle hoorzittingen nog steeds een marge beschikbaar zijn. XII-8830-10/18 […]” Met een brief van 12 augustus 2019 heeft de verwerende partij aan de gekozen inschrijver nog een bijkomende vraag gesteld over de telefonische aanmaningen, waarna deze met een brief van 19 augustus 2019 ook hierover nog bijkomende verduidelijkingen verschaft. Inzake het prijsonderzoek wordt vervolgens eerst op algemene wijze in het gunningsverslag opgemerkt : “Wat de door alle inschrijvers toegekende prijzen betreft, merkt VIVAQUA in het algemeen op dat het niet gemakkelijk is om in het domein waarop deze opdracht betrekking heeft, en meer bepaald inzake de minnelijke invordering, te beoordelen of een prijs normaal of abnormaal is, omdat de omvang van de te verlenen prestaties - en dus de bijbehorende kosten - aanzienlijk kan verschillen van dossier tot dossier, naargelang van uiterst willekeurige parameters, zoals de vaststelling van een verkeerd adres, de al dan niet onmiddellijke betaling door de debiteur, het al dan niet beschikbaar zijn van een telefoonnummer en/of een e-mailadres voor de debiteur, ... Om een eenheidsprijs per dossier te kunnen voorstellen, moesten de inschrijvers zich dus laten leiden door statistische hypotheses, op basis van hun gebruikelijke ervaring inzake invordering. Het was dan ook voornamelijk het redelijke karakter van deze hypotheses en de afweging van de bijbehorende kosten die in dit verband konden worden onderzocht. De door de inschrijvers ingediende prijzen werden zo gecontroleerd en kunnen als normaal worden beschouwd en dit omdat ze hoger dan het gemiddelde van de offertes of binnen een redelijke marge (minder dan 15 %) liggen of omdat uit de toelichtingen van de inschrijver die daarom verzocht werden, blijkt dat hun prijzen voldoende verantwoord zijn en de goede uitvoering van de verwachte prestaties kunnen garanderen. Er wordt verwezen naar de vertrouwelijke tabel „prijscontrole‟ (bijlage 4).” Specifiek wat de aanvaarding van de prijsverantwoordingen betreft, wordt in het gunningsverslag nog de volgende motivering toegevoegd : “EURO FIDES CREDIT MANAGEMENT Voor elk van de posten in kwestie heeft EURO FIDES CREDIT MANAGEMENT een prijs ingediend die lager ligt dan het gemiddelde van de offertes. Wat de minnelijke invordering betreft, heeft de inschrijver wel het detail verstrekt van de kosten die in aanmerking worden genomen, zowel voor de human resources als voor de materiële kosten die voor deze opdracht XII-8830-11/18 worden ingezet, en de vrijgemaakte marge. Deze kosten weerspiegelen een realistische benadering van de materiële middelen, maar een minimalistische benadering van de human resources die in dit stadium worden ingezet (0,5 VTE voor deze opdracht) - wat de inschrijver punten kost voor het criterium „kwaliteit van het voorgestelde team‟ (zie hierna) - maar het is niet mogelijk om op basis van deze informatie de facto te concluderen dat deze kosten onvoldoende zouden zijn om de vereiste prestaties te leveren, met name omdat de inschrijver de automatisering naar voren schuift van een groot aantal diensten die in dit stadium worden uitgevoerd. Bovendien werd de inschrijver gevraagd toelichting te verstrekken over meerdere elementen van de samenstelling van zijn prijzen; hij heeft aanvaardbare verduidelijkingen en argumenten gegeven betreffende de hypotheses aan de hand waarvan hij die elementen heeft berekend; met deze verduidelijkingen en argumenten kon worden bevestigd dat in de prijs in kwestie de prestaties vervat zitten die moeten worden uitgevoerd op basis van het bestek en de ingediende offerte. Naast de (hierboven at vermelde) zeer hoge mate van automatisering van de uit te voeren handelingen, heeft EURO FIDES CREDIT MANAGEMENT zo een redelijke schatting gegeven van de jaarlijkse duur van de (beperkte) prestaties die het personeel dat voor deze opdracht wordt ingezet, moet verlenen (handmatige invoer van dossiers die problemen opleveren, overbrenging van gedrukte brieven naar de vouwmachine en de post, telefonische aanmaningen, onderhandeling over een afhandelingsplan, beheer van eventuele betwistingen door de interne jurist) en een gedetailleerde raming gemaakt van de materiële kosten van de uit te voeren handelingen (verzending brieven, sms‟en, telefonische aanmaningen, bemiddelingscommissie). De aanbestedende overheid beschouwt deze elementen als realistisch. Ten slotte kan worden opgemerkt dat het aantal VTE‟s dat in aanmerking wordt genomen voor de prijsbepaling van deze post identiek is aan het aantal VTE‟s dat wordt voorgesteld door de inschrijvers INTERMEDIANCE en LEROY-EXELIA en dat dit aantal niet veel kleiner is dan wat de inschrijvers HUGEBRU en MODERO voorstellen, wat betekent dat vijf van de tien beoordeelde offertes (VENTURIS buiten beschouwing gelaten - zie hierboven) een vergelijkbare benadering toepassen bij de bepaling van hun prijs voor deze post, wat bevestigt dat de prijzen van EURO FIDES redelijk zijn. Wat de gerechtelijke invordering betreft, verstrekt EURO FIDES het detail van de kosten van de prestaties die nodig zijn om de hoorzittingen te beheren. De hypotheses die uiteindelijk worden toegepast voor de berekening worden als aanvaardbaar beschouwd (potentieel 450 te beheren hoorzittingen per jaar - 900 uur per jaar voor de opmaak van conclusies). Voorts liggen de prijzen die deze inschrijver heeft ingediend voor de optionele prestaties (collectieve schuldenregeling, opsporing/beheer van de faillissementen, beheer van gerechtelijke reorganisaties) lager dan het gemiddelde van de offertes voor deze post. XII-8830-12/18 Rekening houdend met het feit dat het echter gaat om optionele posten en ze op beperkte bedragen slaan (grootste post is maximaal 1 % van de offerte en maximaal 2 % van het gemiddelde van de offertes voor deze post), die allicht geen invloed zullen hebben op de rangschikking van de offertes of de algemene goede uitvoering van de opdracht, werd geoordeeld dat het ging om „verwaarloosbare posten‟ in de zin van artikel 44, §2, al. 4 van het koninklijk besluit van 18 juni 2017 betreffende de plaatsing van overheidsopdrachten in de speciale sectoren en dat het dus niet verplicht was om hiervoor om verantwoording te verzoeken in het kader van de procedure voor het onderzoek van het normale karakter van de ingediende prijzen. Voor het overige wordt er verwezen naar de tabel „prijscontrole‟, die deel uitmaakt van het administratief dossier, maar niet van dit verslag om redenen van vertrouwelijkheid van de verwerkte informatie.”
- Prima facie wordt vastgesteld dat de verwerende partij een uitgebreid prijsonderzoek heeft verricht waarbij de door alle inschrijvers geboden prijzen werden vergeleken en ook bijzondere aandacht werd besteed aan het al dan niet realistisch karakter van de geboden prijzen in functie van de in het bestek vereiste en in de offerte opgenomen prestaties. Alle inschrijvers lijken hierover te zijn bevraagd. Bovendien werden de inschrijvers gevraagd om prijzen te verantwoorden waarvan de prijs meer dan 15 % lager lag dan het gemiddelde bedrag van de offertes.
- Wat de minnelijke fase betreft, beschouwt de verwerende partij de prijsverantwoording samengevat als afdoende omwille van (i) de automatisering en de details die werden verstrekt over de processen die nog steeds handmatig dienen te gebeuren, met inbegrip van details van de kosten en (ii) het feit dat het aantal VTE‟s dat werd voorgesteld door de gekozen inschrijver identiek was aan het aantal VTE‟s voorgesteld door twee andere inschrijvers en niet veel kleiner was dan wat nog twee andere inschrijvers hadden voorgesteld. Op het eerste gezicht gaat de verwerende partij, mede gelet op de graad van detail van de verstrekte prijsverantwoordingen en de reeds eerder verstrekte toelichtingen, de grenzen van een zorgvuldige beoordeling niet te buiten door te oordelen dat, ondanks de minimalistische benadering van de human resources die in dit stadium worden ingezet (0,5 VTE) – waardoor de betrokken inschrijver dan ook een zeer lage score behaalde op het gunningscriterium XII-8830-13/18 “kwaliteit van het team” - de opgegeven prijs niettemin als realistisch wordt beschouwd. Een verregaande automatisering lijkt een objectief gegeven dat lagere prijzen kan verantwoorden. Anders dan de verzoekende partij dit ziet, lijkt de gekozen inschrijver ook de impact van de vooropgestelde automatisering en de overblijvende handelingen waarvoor menselijke tussenkomst vereist is, concreet te hebben gekwantificeerd in haar toelichting van 11 juni 2019 en prijsverantwoordingen van 7 augustus 2019 en 19 augustus
- De betrokken inschrijver blijkt details en kostprijs berekeningen te hebben verstrekt over de processen die nog steeds handmatig dienen te gebeuren en hiervoor ook de benodigde tijd te hebben berekend, waarbij ook een vergelijking werd gemaakt met andere dossiers die heden worden behandeld. Tegenover de door de gekozen inschrijver op zeer gedetailleerde wijze verstrekte prijsverantwoordingen en aanvaarding ervan door de aanbestedende overheid, brengt de verzoekende partij in het verzoekschrift geen concrete elementen aan waaruit zou moeten blijken dat de door de gekozen inschrijver opgegeven prijs onmogelijk tot een kwaliteitsvolle uitvoering van de opdracht kan leiden. Er zonder meer van uitgaan dat “een halftijds personeelslid deze taken onmogelijk kan uitvoeren” of het doorvoeren van een alternatieve berekening, zonder hierbij rekening te houden met de specifieke werkwijzen van de betrokken inschrijver, lijken hiertoe niet te volstaan. Voorts lijkt de verzoekende partij in haar argumentatie geen rekening te houden met alle informatie en toelichting die door de gekozen inschrijver werd verstrekt. Zij gaat op het eerste gezicht ook voorbij aan de specifieke werkwijze met verregaande automatisering van de gekozen inschrijver, evenals aan het feit dat door deze inschrijver nog in een ruime marge werd voorzien voor onvoorziene omstandigheden. De verzoekende partij lijkt hier ook uit het oog te verliezen dat het niet aan de Raad van State toekomt om een eigen beoordeling in de plaats van deze van het bestuur te stellen, indien het al mogelijk zou zijn om zonder deskundige bijstand te oordelen welke taken al dan niet XII-8830-14/18 geautomatiseerd kunnen worden en welke tijdsduur voor bepaalde prestaties als een realistisch tijdsbestek in aanmerking dient te worden genomen. Prima facie wordt niet aangetoond dat de beoordeling van de verwerende partij dat er weliswaar sprake is van een minimalistische benadering van de human recourses die in dit stadium worden ingezet, doch dat het niet mogelijk is om op grond van deze informatie de facto te concluderen dat de kostprijs onvoldoende zou zijn om de vereiste prestaties te leveren, de grenzen van een zorgvuldige beoordeling te buiten gaat. Dat ook twee andere inschrijvers een quasi identiek aantal VTE‟s hebben opgegeven (0,60 in de plaats van 0,50), lijkt voorts eveneens een relevant gegeven waarmee de verwerende partij mocht rekening houden om het al dan niet realistisch karakter van de opgegeven prijs te beoordelen. Het aantal VTE‟s zoals opgegeven door nog twee andere inschrijvers ligt weliswaar hoger (1 en 1,5 VTE), doch lijkt niettemin de vaststelling in het gunningsverslag te ondersteunen dat vijf van de tien beoordeelde offertes een vergelijkbare benadering toepassen bij de bepaling van hun prijs voor de post, hetgeen volgens de verwerende partij lijkt te bevestigen dat de prijzen van de gekozen inschrijver redelijk zijn.
- Ook wat de gerechtelijke hoorzittingen betreft, beschouwt de verwerende partij de prijsverantwoording als afdoende omwille van het door de gekozen inschrijver verstrekte detail van de kosten van de prestaties die nodig zijn om de hoorzittingen te beheren. Ook de hypotheses die door deze inschrijver worden toegepast voor de berekening (potentieel 450 te beheren hoorzittingen per jaar – 900 uur per jaar voor de opmaak van conclusies) worden door de verwerende partij als aanvaardbaar beschouwd. Zoals blijkt uit de prijsverantwoording gaat de gekozen inschrijver er daarbij onder meer van uit dat standaardconclusies kunnen worden opgesteld, waardoor het opstellen van conclusies in elk van de te behandelen gevallen slechts van zeer korte duur zal zijn, dat slechts in 10% van de gevallen XII-8830-15/18 conclusies moeten worden geschreven, en dat meerdere dossiers op dezelfde hoorzitting worden vastgesteld. Bijgevolg lijkt het evenmin dat de verwerende partij de perken van een zorgvuldige beoordeling te buiten zou zijn gegaan door de gedetailleerde prijsverantwoording die de verzoekende partij in dit verband heeft verstrekt, te aanvaarden. De verzoekende partij brengt ook hier geen concrete elementen aan waaruit zou moeten blijken dat de door de gekozen inschrijver opgegeven prijs onmogelijk tot een kwaliteitsvolle uitvoering van de opdracht kan leiden, dan wel dat de aannames waarop de gekozen inschrijver zijn berekeningen heeft gebaseerd onjuist zouden zijn. Waar de verzoekende partij aanvoert dat de door de gekozen inschrijver geboden prijs zou inhouden dat aan elk dossier maximaal negen minuten gespendeerd zouden kunnen worden en dat één advocaat meer dan 26 dossiers per dag zou moeten afhandelen en 450 hoorzittingen per gerechtelijk jaar, lijkt zij er onder meer aan voorbij te gaan dat 1 VTE kan worden uitgevoerd door verschillende personen, dat de gekozen inschrijver beoogt te werken met standaardconclusies, dat hij aanneemt dat slechts in 10 % van de gevallen conclusies dienen te worden opgesteld en dat meerdere dossiers per zitting worden gegroepeerd. Uit de vergelijkende tabel gevoegd bij het gunningsverslag blijkt voorts dat nog twee andere inschrijvers een vergelijkbaar en zelfs lager VTE hebben opgegeven voor de gerechtelijke hoorzittingen.
- De verzoekende partij uit ten slotte nog kritiek op de algemene opmerking in het gunningsverslag, waarin wordt gesteld dat het niet gemakkelijk is om in het domein waarop deze opdracht betrekking heeft en meer bepaald inzake de minnelijke invordering, te beoordelen of een prijs normaal of abnormaal is. In het arrest nr. 242.936 van 14 november 2018, waar de verzoekende partij naar verwijst, heeft de Raad geoordeeld dat een aanbestedende overheid, ook indien de vaststelling van de prijs ingewikkeld is, ervoor moet zorgen dat zij in het bezit is van alle relevante informatie die haar in staat stelt de voorgestelde prijs te begrijpen en aldus de normaliteit ervan in de praktijk te begrijpen. XII-8830-16/18 Uit de stukken van het administratief dossier en hetgeen hiervoor werd uiteengezet, blijkt op het eerste gezicht echter dat de verwerende partij zich in de onderhavige zaak wel degelijk veel moeite lijkt te hebben getroost om vanwege de inschrijvers alle relevante informatie te verkrijgen om de voorgestelde prijs te kunnen begrijpen en aldus de normaliteit ervan te kunnen nagaan. De onderhavige zaak lijkt dan ook te verschillen van de zaak die geleid heeft tot het voormelde arrest waarin de verwerende partij had nagelaten om een concreet en effectief prijsonderzoek te verrichten.
- De verzoekende partij maakt, gelet op het voorgaande, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de aanbestedende overheid, door te besluiten dat de prijsverantwoording aanvaardbaar is, de aangevoerde regelgeving en beginselen zou hebben geschonden. VII. Besluit
- Het enig middel is niet ernstig gebleken. Het is immers niet aangetoond dat de bekritiseerde motieven van de bestreden beslissing “manifest onzorgvuldig “ of “manifest gebrekkig” zouden zijn. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-8830-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8830-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.345 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div