id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.346 Rolnummer: A. 225193/XII-8549 Zaak: Arrest 246346 - Overheidsopdrachten - 10/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-16 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-28 06:40 Fiche Arrest nr 246.346 van 10 december 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 246.346 van 10 december 2019 in de zaak A. 225.193/XII-8549 In zake: de NV SWINNEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christiaan Lesaffer kantoor houdend te 2000 Antwerpen Meir 22-24/2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE ZAVENTEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steven Van Garsse en Simon Verhoeven kantoor houdend te 2600 Antwerpen Prins Boudewijnlaan 18 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV NELIS BOUWONDERNEMING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Wouters kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 juni 2018, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zaventem van 23 april 2018 waarbij de opdracht voor werken “Zaventem - Scoutsterrein – Imbroekstraat – Bouwen van een jeugdontmoetings- XII-8549-1/22 centrum Perceel 1: ruwbouw en afwerking” aan de nv Nelis Bouwonderneming wordt gegund en niet aan de nv Swinnen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 241.707 van 31 mei 2018 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2019. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft de stand van de zaak uiteengezet. Advocaat Christiaan Lesaffer, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Alexander Verschave en Ellen Wouters, die loco advocaten Steven Van Garsse en Simon Verhoeven verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. XII-8549-2/22 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor werken uit met als voorwerp “nieuwbouw jongerenontmoetingscentrum”. De opdracht heeft betrekking op de ruwbouw, de afwerking en de pilootaanneming van een op te richten jongerenontmoetingscentrum. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 25 oktober 2017. Het betreft een openbare procedure met als enig gunningscriterium de prijs. De raming bedraagt 590.954,78 euro, btw niet inbegrepen. 3.2. De opening van de offertes is voorzien op 5 december 2017. De volgende inschrijvers dienen een offerte in, btw niet inbegrepen: 1) de nv Nelis Bouwonderneming voor 601.977,57 euro; 2) de nv Swinnen voor 649.982,73 euro; 3) de nv DSV voor 899.534,48 euro; 4) de bvba Vandezande voor 719.797,13 euro en 5) de nv Postelmans-Frederix voor 834.402,76 euro. 3.3. Bij het onderzoek naar de regelmatigheid van de offertes stelt de verwerende partij met toepassing van artikel 36 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 „plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren‟ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017) vast dat het offertebedrag van de laagste bieder, de nv Nelis Bouwonderneming minstens 15 % lager is dan de gemiddelde totaalprijs en verzoekt deze inschrijver om een verantwoording. XII-8549-3/22 Deze inschrijver dient een prijsverantwoording in. Deze verant- woording bevat tevens een gedetailleerde kostprijsberekening per post. 3.4. Na onderzoek van de verstrekte prijsverantwoording verzoekt de verwerende partij om een bijkomende prijsverantwoording aan de nv Nelis Bouwonderneming, die deze bezorgt. 3.5. Op 7 februari 2018 wordt een gunningsverslag opgesteld waarbij de prijsverantwoording wordt aanvaard en waarin wordt voorgesteld om de opdracht te gunnen aan “de laagst regelmatige inschrijver”, namelijk de nv Nelis Bouwonderneming. Op grond van dit gunningsverslag beslist de verwerende partij op 12 februari 2018 de opdracht aan de nv Nelis Bouwonderneming te gunnen. 3.6. Op 6 maart 2018 dient de verzoekende partij bij de Raad van State een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in tegen de gunningsbeslissing van 12 februari 2018. Naar aanleiding van het verzoekschrift beslist de verwerende partij de aangevochten gunningsbeslissing op 12 maart 2018 in te trekken. Met een arrest van 20 maart 2018, nr. 241.042, verwerpt de Raad de vordering gelet op de intrekking van de gunningsbeslissing. 3.7. De verwerende partij onderzoekt de offertes opnieuw en vraagt op 20 maart 2018 aan de nv Nelis Bouwonderneming om een aanvullende prijsverantwoording inzake de eerbiediging van de verplichtingen inzake het sociaal, arbeids- en milieurecht. Deze inschrijver dient op 30 maart 2018 de gevraagde verantwoording in. 3.8. Op 23 april 2018 wordt een nieuw gunningsverslag opgesteld. XII-8549-4/22 Inzake het onderzoek naar de eventueel abnormale prijzen van de nv Nelis Bouwonderneming wordt onder meer vermeld: “D.1.3 Nazicht abnormale prijzen grenswaarde onderzoek abnormaal karakter (15%) 4 en 7 offertes uitsluiting van laagste en (totaal/4(+1)) hoogste offerte gezien het aantal offertes = 5 wordt de offerte van Nelis en DSV uitgesloten gemiddelde cfr hierboven € 733.587,91 grenswaarde € 623.532,73 aantal inschrijvingen onder kritische grens: 1 offerte Nelis Bouwondernemingen nv € 602.063,21 raming oktober 2017 € 590.954.78 afwijking tov raming 101,88% Aangezien de totaalprijs van de firma Nelis onder de kritische grens ligt, dient aan firma Nelis verplicht een prijsverantwoording gevraagd te worden voor de geboden totaalprijs. Wel wordt opgemerkt dat het gemiddelde vertekend is nu de totaalprijzen van de inschrijvers DSV, Vandezande en Postelmans Frederix substantieel hoger liggen dan de totaalprijzen van Nelis (en Swinnen), terwijl de totaalprijs van Nelis de raming van de opdracht benadert. Er werd op 21/12/2017 prijsverantwoording gevraagd aan Nelis voor wat betreft de totaalprijs. Op 09/01/2018 werd door Nelis een prijsverantwoording bezorgd. De prijsverantwoording bevat een kostberekening op niveau van de posten. Hieruit kan op zich worden afgeleid dat de aangeboden prijzen en dus de totaalprijs aanvaardbaar zijn. Verder wordt in de prijsverantwoording toegelicht dat Nelis een familiaal bedrijf betreft uit twee broers waarvan 1 broer als meewerkend vennoot die constant de werf opvolgt waardoor hogere rendementen kunnen worden gehaald en het werk vlugger kan worden uitgevoerd. Verder verwijst Nelis in zijn prijsverantwoording naar het feit dat steeds gewerkt wordt met dezelfde onderaannemers waardoor betere aankoopprijzen worden verkregen en dat Nelis verschillende werven in de regio heeft waardoor het makkelijker is om deze werken uit te voeren en nutteloze verplaatsingen (met bijhorende kosten) kunnen worden vermeden. Op 24/01/2018 werd aan Nelis gevraagd om de in de prijsverantwoording aangehaalde elementen meer te verduidelijken. Op 31/01/2018 verschaft Nelis een aanvullende prijsverantwoording. Nelis licht daarin de familiale structuur van de firma verder toe. De kostenstructuur is lager dan bij andere (middelgrote of grote aannemingsbedrijven) omdat het gaat om een bedrijf uit 2 zaakvoerders (broers). Eén broer houdt zich bezig met de administratie, calculatie, XII-8549-5/22 boekhouding en planning, enz, terwijl de andere broer de technische kant van het bedrijf voor zijn rekening neemt. Deze bezoekt dagelijks alle werven en stuurt bij indien nodig. De zaakvoerders worden intern bijgestaan door 2 bachelors bouw, burgerlijk ingenieur bouwkunde en enkele ploegbazen. Nelis werkt altijd met dezelfde leveranciers en/of onderaannemers waar- door een vertrouwensrelatie is kunnen ontstaan. Nelis toont aan dat zij inderdaad nog andere werven heeft lopen in de buurt. Op 20/03/2018 werd aan Nelis gevraagd om een schriftelijke verantwoording te bezorgen inzake de eerbiediging van de verplichtingen in de domeinen van het sociaal, arbeids- en milieurecht, met inbegrip van de verplichtingen van toepassing op het vlak van welzijn, lonen en sociale zekerheid (conform art. 36, § 2, vierde lid KB plaatsing overheids- opdrachten dd. 18/04/2017). Op 30/03/2018 bezorgt Nelis de gevraagde verantwoording. Nelis bevestigt haar verplichtingen in de vermelde domeinen strikt na te komen en deze te eerbiedigen. Zij verwijst daarbij naar het volgende: - Naleving RSZ-bijdragen (a.h.v. RSZ-attest dd. 01/03/2018) - Respecteren van de loonbarema‟s voor haar werknemers zoals opgelegd door het toepasselijke Paritair Comité (a.h.v. verklaring van het Sociaal Secretariaat Dienstbetoon dd. 30/03/2018) - Respecteren van de correcte (uur)lonen in overeenstemming met de toepasselijke lonen in de sector (a.h.v. de individuele rekeningen inzake de werknemers van Nelis voor 2017 en het lste kwartaal van 2018) - Er zijn bij Nelis geen grote groepen van werknemers aangenomen of vertrokken (wat zou kunnen wijzen op sociale dumping/fraude) (a.h.v. sociale balans 2017). Hieruit volgt dat het daadwerkelijk aantal gepresteerde uren per VTE (aantal daadwerkelijke gepresteerde uren/gemiddeld aantal werknemers) een correcte en normale omvang heeft. Hetzelfde geldt voor de berekening waarbij de personeelskosten gedeeld worden door het gemiddeld aantal werknemers (waaruit blijkt dat in een correct brutoloon is voorzien). Verder stelt Nelis dat zij erop toeziet dat haar onderaannemers ook deze verplichtingen [naleven]. Nelis voegt een voorbeeld van (standaard)- onderaannemingsovereenkomst van Nelis waarin uitdrukkelijk bedongen is dat de onderaannemer deze verplichtingen moet naleven (verplichtingen om alle wettelijke, reglementaire of conventionele bepalingen inzake algemene arbeidsvoorwaarden, fiscaliteit en sociale zekerheid na te leven ten aanzien van zijn personeel en te doen naleven door eventuele (sub)onderaannemers; verbod om illegaal verblijvende onderdanen uit derde landen te werk te stellen; verplichting om het correcte loon uit te betalen (ook t.a.v. (sub)onderaannemers); voldoen aan verplichtingen inzake RSZ en zelf geen beroep doen op een onderaannemer die schulden hebben bij de RSZ (allemaal op straffe van beëindiging van de onderaannemingsovereenkomst). Ten slotte verklaart Nelis de vigerende milieuregelgeving na te leven. Concreet voor deze opdracht doet Nelis beroep op de firma nv De Meuter XII-8549-6/22 uit Ternat, erkende afbraakwerker en marktleider in grond- en afbraak- werken voor wie milieu één van de prioriteiten is (a.h.v. de offerte van nv De Meuter).” Na onderzoek van de gegeven verantwoordingselementen is het besluit dat de totaalprijs en de eenheidsprijzen niet abnormaal laag zijn. 3.9. Op 23 april 2018 gunt de verwerende partij de opdracht aan de nv Nelis Bouwonderneming voor het nagerekende bedrag van 613.933,21 euro, btw niet inbegrepen. 3.10. Op 14 mei 2018 dient de verzoekende partij bij de Raad van State een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in tegen de voormelde gunningsbeslissing. Met een arrest van 31 mei 2018, nr. 241.707, verwerpt de Raad de vordering. IV. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 4.1. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 84 van de wet van 17 juni 2016 „inzake overheidsopdrachten‟ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), van de artikelen 35 en 36 van het koninklijk besluit plaatsing 2017, van de formele-, minstens de materiëlemotiveringsplicht zoals be- doeld in artikel 4, 8°, van de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ en van het zorgvuldigheidsbeginsel. XII-8549-7/22 De verzoekende partij meent dat de bestreden beslissing deze bepalingen en beginselen schendt door: “- Eerste middelonderdeel, niet afdoende te motiveren waarom het wettelijk vermoeden van abnormaliteit van de totaalprijs van nv Nelis weerlegd kon worden in het licht van de gevraagde en verkregen prijsverantwoordingen, en, - Tweede middelonderdeel, niet afdoende te motiveren waarom de eenheidsprijzen van nv Nelis normaal zijn op basis van de geheim gehouden prijsvergelijking met de eenheidsprijzen van verzoekende partij”. 4.2. In de toelichting bij het eerste middelonderdeel wijst de verzoekende partij erop dat de verwerende partij gelet op de “zgn. 15%-regel” heeft vastgesteld dat de offerte van de tussenkomende partij als abnormaal diende te worden beschouwd en dat de verwerende partij daarom aan de tussenkomende partij een prijsverantwoording en bijkomende uitleg heeft gevraagd. Na de schorsingsprocedure tegen de eerste, ingetrokken gunningsbeslissing heeft de verwerende partij opnieuw een prijsverantwoording gevraagd aan de tussenkomende partij. De prijsverantwoording van de tussenkomende partij is echter niet voldoende concreet onderbouwd. Deze prijsverantwoording, die de verwerende partij aanvaardt, steunt volgens de verzoekende partij op de volgende elementen: “-Aanvaardbare kostenberekening per post; - Familiaal karakter van de onderneming met een beperkte personeelskost; - Een eenvoudig werk; - Lagere klasse van erkenning dan de andere inschrijvers; - Tegelijkertijd actief op werven in de omgeving; - Prijzen van de onderaannemers.” Zij besluit echter: “De[ze] deelmotieven zijn niet afdoende gemotiveerd, noch op zich genomen noch samen gelezen”. Wat het eerste element betreft, betoogt de verzoekende partij dat uit de bestreden beslissing niet formeel en materieel afdoende blijkt waarom XII-8549-8/22 de kostenberekening per post zelfs “op zich”, volstaat om het vermoeden van abnormaliteit te weerleggen; er wordt enkel naar een vertrouwelijk stuk verwezen; “[a]angezien dit het determinerend motief is geweest („op zich‟), zijn de andere deelmotieven overtollig, en volstaat het gebrek aan formele, laat staan afdoende materiële motivering op dit punt om de bestreden beslissing te vernietigen”. Zijn de andere deelmotieven toch niet overtollig, dan meent de verzoekende partij dat dit deelmotief ermee tegenstrijdig is. Wat het tweede gegeven betreft – familiaal karakter– merkt de verzoekende partij op dat “sneller werken” dat zou voortvloeien uit het familiaal karakter van de onderneming, niets met de prijs van doen heeft. Terecht, zo stelt de verzoekende partij, heeft de verwerende partij in de eerste gunningsbeslissing “[d]e vage uitleg over de onderaannemers” niet als een dienstig motief aangemerkt, maar die uitleg wordt thans in de bestreden beslissing wel als verantwoording aanvaard. Dat de structuur van de tussenkomende partij de kosten zou drukken wordt in de bestreden beslissing “zonder concrete motivering” aanvaard, terwijl dit niet automatisch het geval is. “Van een veel grotere onderneming dan nv Nelis zou men bijvoorbeeld kunnen zeggen dat zij veel kostenefficiënter werken dan een kleine door schaalvoordelen”. De twee broers-vennoten dienen overigens ook op enige wijze te worden vergoed voor hun prestaties. Ook het deelmotief dat het gaat om eenvoudig werk – derde element – is, aldus volgens de verzoekende partij, “geen dienstig motief [...] maar houdt verband met de technische draagkracht en moet dus geconcretiseerd worden indien het ingeroepen wordt als motief voor prijsverantwoording”. Wat de lagere erkenning als aannemer betreft – vierde element – wordt er volgens de verzoekende partij evenmin aangetoond dat er een verband is met een lagere kostenstructuur. Het niveau van erkenning “heeft [volgens de verzoekende partij] in se niets te maken met de kostenstructuur van een onderneming of de prijzen en winstmarges die ze aanrekent”. “Ook hier mag er geen omkering van de motiveringsplicht zijn door het poneren van een XII-8549-9/22 theoretische stelling die niet concreet gemotiveerd wordt en waarvan dan een verzoekende partij dan maar blind – want niet in kennis van de informatie gegeven door de winnaar – de juistheid moet betwisten”. Wat de gelijktijdigheid van de werken met andere werven betreft – vijfde element – merkt de verzoekende partij op dat niet is aangetoond dat het om vergelijkbare werken gaat. De werf in Ukkel is niet vergelijkbaar want aanzienlijker dan de in het geding zijnde werf, wat volgens de verzoekende partij trouwens de vraag doet rijzen of de tussenkomende partij wel verscheidene werken gelijktijdig kan opvolgen als “kleine familiale onderneming met beperkte personeelskost”. Ten slotte, in de mate dat er gewezen wordt op het werk van onderaannemers, wijst de verzoekende partij erop dat er geen enkel concreet motief is aangebracht in verband met de “normaliteit van de prijzen die deze onderaannemers aanrekenen”. De zogenaamde “vertrouwensrelatie” zegt niets over de prijzen. “Dat iets, zoals de bestreden beslissing stelt, „aannemelijk‟ is, is geen afdoend motief wanneer daar geen steun [voor] gevonden kan worden in informatie over de prijszetting van de onderaannemers voor de betrokken opdracht”. 4.3. In de toelichting bij het tweede middelonderdeel geeft de verzoekende partij kritiek op de beoordeling van de eenheidsprijzen van de tussenkomende partij. Dat de eenheidsprijzen van de tussenkomende partij in vergelijking met die van de verzoekende partij “normaal zouden zijn” zoals opgemerkt in het gunningsverslag, is volgens de verzoekende partij een nietszeggend motief temeer omdat de offerte van de tussenkomende partij de enige is met een vermoeden van abnormaliteit van de totaalprijs en er een “aanzienlijk verschil van 48 149,73 €” is tussen de offerte van de verzoekende partij en die van de tussenkomende partij. Er wordt voorts geen enkel concreet motief vermeld met betrekking tot het eigenlijk onderzoek van de diverse eenheidsprijzen van de nv Nelis Bouwonderneming. XII-8549-10/22 5. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij, wat het eerste middelonderdeel betreft, opnieuw dat de deelmotieven – waarbij de verzoekende partij bijkomend het motief “Nelis voldoet aan de verplichtingen inzake sociaal-, arbeids- en milieurecht”, bekritiseert –, niet afdoende gemotiveerd zijn, “noch op zich genomen noch samen gelezen, te meer in se slechts in algemene termen beaamd wordt wat nv Nelis aanvoert in zijn vertrouwelijk gehouden prijsverantwoording”. Wat “Kostenberekening per post door nv Nelis” betreft, merkt zij nog op dat de Raad van State zich dus zal moeten uitspreken over het al dan niet lichten van de vertrouwelijkheid van de betrokken stukken maar dat, als hij van oordeel is dat deze uit het debat moeten worden gehouden, zij erbij blijft “dat in de bestreden beslissing een formele, laat staan een afdoende materiële motivering ontbreekt, nu enkel geponeerd wordt dat de gegeven kosten- berekening per post „op zich‟ volstaat als prijsverantwoording, maar zonder de minste motivering waarom dit naar het oordeel van verwerende partij het geval zou zijn”. In tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert in haar memorie van antwoord, bevat “[d]e bestreden beslissing [...] nog geen begin van toelichting over „alle belangrijke elementen‟ van de kostenberekening per post, maar verwijst enkel naar andere elementen”. Wat “Familiaal karakter van nv Nelis, inzet twee broers” betreft, benadrukt de verzoekende partij dat uit de motivering “op geen enkele wijze [...] kan afgeleid worden waarom de gegeven verantwoordingen tot de conclusie leiden dat de kleinere personeelsstructuur van nv Nelis leidt tot een lagere kostenstructuur”; “Dat sneller werken, lagere werfkosten met zich meebrengt, zoals aangevoerd in de memorie van antwoord (niet in de bestreden beslissing) is opnieuw slechts een hypothese omdat het ook mogelijk is dat een onderneming, gezien zijn omvang, ook al werkt zij minder snel, toch ook lage (of lagere) werfkosten hanteert door schaalvoordelen of haar commercieel prijzen- beleid (een onderneming met meer reserves en/of externe financiering kan bv. XII-8549-11/22 makkelijker lagere prijzen toepassen).” De verzoekende partij herhaalt dat de twee broers “op de een of de andere manier toch vergoed zullen worden en dat [dit], op welke wijze dan ook, een weerslag zal hebben op de kostenstructuur”. Wat “Lagere erkenning en eenvoudig werk” betreft, volhardt de verzoekende partij in haar stelling dat “er geen enkel afdoende motief in de bestreden beslissing [is] waar uit blijkt dat de hogere prijzen van de andere inschrijvers concreet het gevolg zijn van hun hogere erkenning en niet door andere omstandigheden”. Inzake het motief in verband met eenvoudige werken, waarop kleine bedrijven met scherpere prijzen zouden kunnen inschrijven, aangebracht in de memorie van antwoord, is volgens haar evenmin “het verband tussen de omvang/aard van het werk en omvang van de onderneming [...] concreet [...] onderbouwd”. “[H]et [is] even plausibel [...] dat grote(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.