id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.348 Rolnummer: A. 223052/X-17008 Zaak: Arrest 246348 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 10/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-17 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-24 13:24 Fiche Arrest nr 246.348 van 10 december 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 246.348 van 10 december 2019 in de zaak A. 223.052/X-17.008 In zake : de BVBA J. FRANSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Maarten Van Der Aa kantoor houdend te 2580 Putte Waversesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 september 2017, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 22 juni 2017 waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘zonevreemde bedrijven – fase 2 – deelplan 9: Transport Fransen’, zoals definitief vastgesteld door de gemeenteraad van Putte in zitting van 16 maart 2017, wordt geschorst in toepassing van artikel 2.2.16 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. X-17.008-1/15 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoekende partij is een transportbedrijf dat zowel nationale als internationale transporten verzorgt. Het bedrijfsterrein ligt aan de Schrieksesteenweg te Putte.
- Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan “Mechelen” situeert het bedrijfsterrein zich deels in woonzone met landelijk karakter, deels in agrarisch gebied.
- Het bijzonder plan van aanleg “Schrieksesteenweg” van de gemeente Putte (hierna: het BPA), goedgekeurd bij ministerieel besluit van 9 september 2004, bestemt de zone aan de noordzijde van de Schrieksesteenweg tot een “gebied voor ambachtelijke bedrijven of gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen”, omgeven door een “bufferzone”. X-17.008-2/15 Artikel 1.1 van de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA bevat volgend bestemmingsvoorschrift voor de “gebieden voor ambachtelijke bedrijven of gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen”: “Deze zone is bestemd voor het behoud en de uitbreiding van de huidige historisch gegroeide bedrijfsactiviteiten en de bijhorende woongelegenheden voor directie en/of bewakingspersoneel. Deze zone is bestemd voor ambachtelijke, kleine- en middelgrote ondernemingen. Als nevenactiviteiten zijn kantoren en inpandige woonst enkel toegelaten in functie van de huidige bedrijfsactiviteiten. Detailhandel wordt niet toegelaten. Indien de huidige activiteiten worden stopgezet, geldt de bestemming wonen met landelijk karakter en agrarisch gebied van het gewestplan. Op basis van een uitgewerkte visie wordt er op gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk niveau beslist over de herinrichting van het gebied. Na de stopzetting van de activiteiten wordt er in afwachting van de herinrichting geen stedenbouwkundige vergunning verleend.”
- Het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Putte (hierna: het GRS) duidt, in het richtinggevend gedeelte, de bvba J. Fransen aan als een “klasse 2”-bedrijf. Voor de bedrijven die in deze klasse zijn ondergebracht bepaalt het GRS wat volgt: “Bedrijven met beperkte uitbreidingsmogelijkheden. Verbouwingen en beperkte uitbreidingen zijn mogelijk. Een echte schaalvergroting van het bedrijf is niet toegelaten. De toegelaten activiteiten worden beperkt. Nieuwe activiteiten moeten qua milieuhinder in principe minder storend zijn dan de bestaande, zowel wat de dynamiek als de aard van de activiteit betreft.” Het bindend gedeelte van het GRS stelt de opmaak van een “sectoraal BPA/RUP” voor de zonevreemde bedrijven in het vooruitzicht.
- Op 15 november 2016 stelt de gemeenteraad van de gemeente Putte een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Zonevreemde bedrijven – fase 2 – deelplan 9: Transport Fransen” (hierna: het gemeentelijk RUP van 2016) definitief vast. Het gemeentelijk RUP van 2016 voorziet onder meer een parkeerzone aan de zuidzijde van de Schrieksesteenweg. X-17.008-3/15
- Op 12 januari 2017 schorst de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen het gemeentelijk RUP van 2016 op grond van de volgende motieven: “Overwegende dat het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan bepaalt dat het bedrijf behoort tot de klasse 2, meerbepaald bedrijven met beperkte uitbreidingsmogelijkheden en beperking toegelaten activiteiten, waarvoor verbouwingen en beperkte uitbreiding mogelijk zijn maar een echte schaalvergroting van het bedrijf niet is toegelaten; dat het ruimtelijk uitvoeringsplan meer dan 1,45 ha bijkomende zone voor bedrijvigheid omzet in functie van de bestaande parking; dat dit een verdubbeling is van de oppervlakte voor bedrijvigheid ten opzichte van de huidige bestemmingen; dat de ruimte voor de parking reeds is voorzien in het BPA Schrieksesteenweg en bijgevolg dus ook in de noordelijke zone van het ruimtelijk uitvoeringsplan dat dezelfde contour en bebouwingsmogelijkheden heeft als het BPA; dat het ruimtelijk uitvoeringsplan niet langer een nabestemming oplegt voor de noordelijke zone na stopzetting van de bedrijvigheid; dat dit aanzienlijke uitbreidingsmogelijkheden zijn; dat het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘zonevreemde bedrijven - fase 2 - deelplan 9: Transport Fransen’ aldus kennelijk onverenigbaar is met de bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van Putte; dat het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling kan worden geschorst als het kennelijk onverenigbaar is met een structuurplan.”
- Met een besluit van 18 januari 2017 schorst ook de Vlaamse minister bevoegd voor omgeving het gemeentelijk RUP van
- Op 16 maart 2017 stelt de gemeenteraad van de gemeente Putte opnieuw een gemeentelijk RUP “Zonevreemde bedrijven – fase 2 – deelplan 9: Transport Fransen” (hierna: het gemeentelijk RUP van 2017) definitief vast. In vergelijking met het gemeentelijk RUP van 2016 wordt in het gemeentelijk RUP van 2017 de aan de zuidzijde van de Schrieksesteenweg gelegen parkeerzone voor de verzoekende partij ingekrompen.
- Met een besluit van 22 juni 2017 schorst de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen het gemeentelijk RUP van
- Dit is het bestreden besluit, dat onder meer als volgt is gemotiveerd: X-17.008-4/15 “[…] dat naar aanleiding van de schorsing door de deputatie de oppervlakte [...] van de zone voor lokaal bedrijf voor de parking werd verkleind maar dat de termijn van de nabestemming voor deze zone werd verlengd tot twintig jaar; Overwegende dat het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan bepaalt dat het bedrijf behoort tot de klasse 2, meerbepaald bedrijven met beperkte uitbreidingsmogelijkheden en beperking op toegelaten activiteiten, waarvoor verbouwingen en beperkte uitbreiding mogelijk zijn maar een echte schaalvergroting van het bedrijf niet is toegelaten; dat het ruimtelijk uitvoeringsplan 0,7 ha bijkomende zone voor bedrijvigheid, bijna de helft van de huidige 1,27 ha voor bedrijvigheid, aanduidt in functie van de grotendeels onvergunde parking, die insnijdt in het agrarisch gebied; dat de ruimte voor parking voor de 30 trekkers en 70 opleggers en de nodige bedrijfsgebouwen was voorzien in het BPA Schrieksesteenweg; dat het BPA bepaalde dat de parking moest worden geherlokaliseerd naar die voorziene zone maar dat dit niet is uitgevoerd; dat het ruimtelijk uitvoeringsplan niet langer een nabestemming oplegt voor de noordelijke zone na stopzetting van de bedrijvigheid; dat dit aanzienlijke uitbreidingsmogelijkheden zijn.”
- Met een besluit van 4 juli 2017 schorst ook de Vlaamse minister bevoegd voor omgeving het gemeentelijk RUP van
- Ook tegen dit besluit stelt de verzoekende partij een annulatieberoep in bij de Raad van State (A. 223.056/X-17.009).
- De gemeente Putte is na de tussengekomen schorsingsbesluiten niet meer overgegaan tot een nieuwe definitieve vaststelling van het betrokken gemeentelijk RUP. IV. Het eerste middel Uiteenzetting van het middel 14.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 2.2.16, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), de materiëlemotiveringsplicht, en het zorgvuldigheidsbeginsel. X-17.008-5/15 14.
- De verzoekende partij betoogt dat de motivering van het bestreden deputatiebesluit steunt op bepalingen uit het richtinggevend gedeelte van het GRS. Er wordt met name gesteund op een in de richtinggevende bepalingen opgenomen classificatie van zonevreemde bedrijven. Deze classificatie is evenwel slechts indicatief en kan “na een grondigere afweging” nog worden gewijzigd. Door op een dergelijke classificatie te steunen, is de materiëlemotiveringsplicht geschonden. De verzoekende partij stelt vast dat het bestreden deputatiebesluit steunt op het gegeven dat het RUP voorziet in 0,70 ha bijkomende bedrijvenzone, als men dit bekijkt ten aanzien van de bedrijvenzone opgenomen in het BPA. De verzoekende partij wijst erop dat het bedrijf werd opgericht in 1968, en dat op een luchtfoto die dateert van voor de inwerkingtreding van het gewestplan duidelijk te zien is dat de zuidelijke parking toen reeds bestond, en dat de verharding daarvoor reeds, vanaf de rooilijn gemeten, 60 meter diep was. Bij de opmaak van het RUP werd door de gemeente terecht uitgegaan van een vermoeden van vergunning voor een deel van de actuele parking. Het bedrijf werd enkel en alleen opgenomen in het RUP om reden van het zonevreemd zijn van de parking ten zuiden van de Schrieksesteenweg. Voor het overige (noordelijke deel) is het bedrijf, gelet op het BPA, niet zonevreemd. Het deelplan 9 heeft evenwel het ganse bedrijventerrein herbestemd, zowel de delen ten noorden als ten zuiden van de Schrieksesteenweg, omdat beide delen één geheel uitmaken. De opname van de parking op het perceel ten zuiden van de Schrieksesteenweg houdt geen uitbreiding in, maar een bestendiging van het bedrijf en de actueel zonevreemde parking. De verzoekende partij betoogt dat door het perceel 402c niet langer op te nemen in het plangebied van het RUP, de zone voor bedrijvigheid ten aanzien van de bestaande situatie zelfs net wordt ingeperkt. Er wordt onvoldoende rekening gehouden met de wijziging ten aanzien van het vorige plan. De verzoekende partij stelt dat het schorsingsbesluit niet rechtsgeldig is onderbouwd door te stellen dat een bijkomende zone voor X-17.008-6/15 bedrijvigheid van 0,27 ha wordt aangeduid in functie van de grotendeels onvergunde parking, die insnijdt in agrarisch gebied. De verzoekende partij vervolgt dat de motivering van het deputatiebesluit ook steunt op de vaststelling dat een nabestemming voor het noordelijk deel van het bedrijf niet meer voorzien is. Een dergelijke nabestemming wordt evenwel nergens verplicht gesteld. Bovendien heeft de gemeenteraad de nabestemming geschrapt op aangeven van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: de Gecoro). Volgens de verzoekende partij gaat de deputatie voorbij aan de motieven van de gemeenteraad tot schrapping van de nabestemming voor het noordelijk deel. Nog volgens de verzoekende partij kan het deputatiebesluit niet verwijzen naar het BPA, aangezien het BPA, gelet op artikel 2.2.16, § 2, VCRO, geen grond tot schorsing kan vormen. Beoordeling
- In zijn toepasselijke versie bepaalt artikel 2.2.16, § 2, VCRO: “Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kan alleen worden geschorst: 1° als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kennelijk onverenigbaar is met een structuurplan of, in voorkomend geval, een ontwerp van structuurplan; 2° als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met een gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan of, in voorkomend geval, een ontwerp van gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij de Vlaamse Regering, respectievelijk de provincieraad daarvoor haar instemming heeft verleend met toepassing van artikel 2.2.13, § 3; 3° als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening; 4° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste.”
- De motivering van het bestreden deputatiebesluit (randnr. 11) verwijst in eerste instantie naar bepalingen uit het GRS waaruit blijkt dat het betrokken bedrijf behoort tot klasse 2, zijnde bedrijven met beperkte X-17.008-7/15 uitbreidingsmogelijkheden, om finaal te besluiten dat er in casu sprake is van “aanzienlijke uitbreidingsmogelijkheden”. Zodoende blijkt dat de deputatie rechtsgrond voor het schorsingsbesluit zoekt in artikel 2.2.16, § 2, 1°, VCRO, dat bepaalt dat een besluit tot definitieve vaststelling van een gemeentelijk RUP kan worden geschorst als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kennelijk onverenigbaar is met een structuurplan.
- De kritiek van de verzoekende partij dat de motivering van het bestreden deputatiebesluit onwettig is, omdat wordt gesteund op bepalingen uit het richtinggevend gedeelte van het GRS, die slechts indicatief zijn, en die nog kunnen worden gewijzigd, kan niet worden bijgevallen. Wanneer een RUP niet inpasbaar is in het opzet of de doelstelling van het GRS, kan het door de deputatie (of de Vlaamse regering) worden geschorst, op voorwaarde dat er – met de woorden van artikel 2.2.16, § 2, VCRO – sprake is van een “kennelijke onverenigbaarheid”. De richtinggevende bepalingen van het GRS geven blijk van een beleidsvisie voor bestaande zonevreemde bedrijven. Zo is het de bedoeling om ieder zonevreemd bedrijf te beoordelen: “door het toekennen van coëfficiënten [...] op basis van volgende criteria: - ligging binnen de (gewenste) nederzettingsstructuur - bereikbaarheid: ligging t.o.v. het primaire en secundaire wegennet - Ontsluiting via woonstraten is onaanvaardbaar - Het bedrijf veroorzaakt geen milieuhinder voor de omgeving (geurhinder, lawaaihinder, stofhinder, straling, afval) - Vlarem-wetgeving - ligging t.o.v. de (gewenste) woon- en leefstructuur - ligging t.o.v. de (gewenste) agrarische en natuurlijke structuur - ligging t.o.v. overstromingsgebieden.” Vervolgens formuleert het GRS volgend principe: “bedrijven in de woonlinten mogen zich eveneens verder ontwikkelen mits een aantal landschappelijke randvoorwaarden naar het achtergelegen agrarisch gebied (landschappelijke integratie en indien noodzakelijk aanleg groenbuffer, behouden doorzichten en zichtrelaties, kleinschaligheid...).” X-17.008-8/15 Het is inderdaad zo dat het GRS vervolgens het bedrijf van de verzoekende partij, op indicatieve wijze, onderbrengt in klasse 2, waarbij uitdrukkelijk wordt aangegeven dat “na een grondige afweging [...] deze classificatie nog [kan] wijzigen”. In navolging hiervan heeft de plannende overheid bij de opmaak van het betrokken gemeentelijk RUP het bedrijf van de verzoekende partij verder afgetoetst aan de hierboven vermelde beoordelingscriteria en principes opgenomen in het richtinggevend gedeelte van het GRS. De verwerende partij verwijst in dat verband terecht naar p. 28 van de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP, waar de classificatie van het bedrijf van de verzoekende partij als een “klasse 2” -bedrijf wordt bevestigd, en dit op grond van de volgende motivering: “Het bedrijf is gelegen in een woonlint langsheen de Schriekse Steenweg. Gezien het mobiliteitsprofiel van het bedrijf (internationaal transport) en de ligging ten opzichte van het bovenlokale wegennet is het aangewezen dat het RUP beperkingen oplegt naar dynamiek en naar aard van de activiteiten die mogelijk zijn op het terrein. Gezien de ruimtelijke context (watergevoeligheid) en de perifere ligging van het terrein ten opzichte van de kernen is het tevens aangewezen voor dit bedrijf slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden te voorzien. Het bedrijf blijft ingedeeld in klasse 2.” Door het bedrijf van de verzoekende partij af te toetsen aan de algemene principes verwoord in het richtinggevend gedeelte van het GRS, en vervolgens de indeling in klasse 2 definitief te bevestigen, heeft de plannende overheid niet meer gedaan dan een invulling geven aan de hoger omschreven beoordelingsbevoegdheid waarover zij beschikt. Door het klasse 2-karakter te bevestigen, heeft de plannende overheid aangegeven welke ruimtelijke beoordelingscriteria en principes uit het GRS zij relevant acht ten aanzien van het bedrijf van de verzoekende partij. De deputatie op haar beurt kon dan ook op een wettige wijze het gemeentelijk RUP toetsen aan de verenigbaarheid van dat gemeentelijk RUP met die criteria en principes verwoord in het GRS.
- In tegenstelling tot wat de verzoekende partij in het verzoekschrift lijkt voor te houden, wordt niet het BPA op zich als motief X-17.008-9/15 ingeroepen om de schorsing te verantwoorden. Zoals zo-even aangegeven, vormt de kennelijke onverenigbaarheid met het GRS het motief om de schorsing te verantwoorden. Om die kennelijke onverenigbaarheid te onderbouwen, zet de deputatie in de motivering van het bestreden besluit de draagwijdte van het betrokken gemeentelijk RUP af tegen de draagwijdte van het betrokken BPA.
- Uit het betoog van de verzoekende partij blijkt dat zij van oordeel is dat de opname in het gemeentelijk RUP van de parking aan de zuidzijde van de Schrieksesteenweg geen uitbreiding vormt, maar beperkt is tot een bestendiging van de bestaande toestand, en – ten opzichte van het eerdere plan – zelfs een inperking inhoudt. Met dat oordeel maakt de verzoekende partij abstractie van het gegeven dat reeds in het BPA een oplossing werd voorzien voor de zuidelijke parking, door deze te integreren in het noordelijk deel van het bedrijfsterrein, en door daar eveneens een beperkte uitbreiding te voorzien. In de memorie van toelichting bij het BPA staat te lezen dat het opzet van het BPA erin bestond te voorzien in een uitbreiding: “Door de groei die het bedrijf de afgelopen jaren heeft gekend, dringen er noodzakelijke uitbreidingen zich op. De stijging van het aantal trekkers tot 30 stuks en opleggers tot 70 stuks heeft ervoor gezorgd dat er nood is aan manoeuvreerruimte en stalplaatsen voor trekkers en opleggers. De manoeuvreerruimte neemt meer plaats in dan nodig doordat de bedrijfsleiders de vrachtwagens voorwaarts op de openbare weg laten uitrijden om een maximale verkeersveiligheid te garanderen. Naast de plaatsbehoefte voor de voertuigen is er ook nood aan een overslagruimte. Om een goede werking en een concurrentieel bedrijf te blijven heeft het transportbedrijf nood aan nieuw op te trekken gebouwen. De nieuw op te trekken gebouwen omvatten een garage, een kantoor en een beperkte opslagruimte. De bedrijfsvoertuigen dienen op een afgesloten terrein gestald te worden. De bedrijfsleiding is niet van plan om verder uit te breiden naar personeels- of voertuigenbestand en hopen de huidige vervoertrafiek te kunnen aanhouden.” Verder in die zelfde toelichting wordt ook nog verduidelijkt dat de bedoeling voorligt om: X-17.008-10/15 “aan het bestaande transportbedrijf toe te laten om ter plaatse een beperkte doch levensnoodzakelijke uitbreiding door te voeren. De ruimtelijke draagkracht wordt met de voorziene uitbreiding geenszins overschreden, enerzijds nu die uitbreiding geen eigenlijke intensifiëring maar wel een vergemakkelijking beoogt te realiseren van de actueel reeds bestaande bedrijfsmatige activiteiten en anderzijds de aantasting van het agrarisch gebied aan de zuidzijde van de Schrieksesteenweg ongedaan te maken.” In verband met de ruimtelijke consequenties vermeldt de toelichtingsnota: “De parking ten zuiden van de Schrieksesteenweg snijdt diep in de open ruimte. Omheen de insnijding van de zuidelijke parking is op heden geen groenbuffer aanwezig. Door ten noorden van de Schrieksesteenweg het bedrijf een aanééngesloten gebufferd bedrijfsterrein te laten innemen, kan de zuidelijk gelegen parking verlaten worden en in zijn oorspronkelijke agrarische bestemming hersteld worden. Ten noorden kunnen de bedrijfsactiviteiten, mits buffering, in het landschap worden ingepast.”
- Middels het BPA is het noordelijk gedeelte van het bedrijfsterrein uitgebreid, onder meer door het voorzien van een parking langs de noordzijde van de Schrieksesteenweg, ter vervanging van de bestaande parking op het zuidelijke gedeelte. Het blijkt niet dat er enige onwettigheid zou volgen uit het feit dat van die noordelijke uitbreiding geen abstractie werd gemaakt bij de beoordeling van de verenigbaarheid van het gemeentelijk RUP met de bepalingen van het GRS. In die omstandigheden volgt uit het betoog van de verzoekende partij dat de opname van (een gedeelte van) de parking op het zuidelijke gedeelte van het bedrijfsterrein op het gemeentelijk RUP geen uitbreiding inhoudt, maar een bestendiging (en zelfs inkrimping) van de bestaande toestand vormt, niet dat de motivering van het bestreden deputatiebesluit onwettig zou zijn.
- In zoverre de verzoekende partij kritiek levert op het motief dat inhoudt dat het gemeentelijk RUP niet meer voorziet in een nabestemming voor het noordelijk gedeelte van het bedrijfsterrein, dient rekening te worden gehouden met het gegeven dat het eindoordeel in het bestreden deputatiebesluit, met name dat er sprake is van “aanzienlijke uitbreidingsmogelijkheden”, niet of toch niet wezenlijk steunt op dit motief. Het voornoemde eindoordeel steunt in de eerste plaats op de motieven, “dat het ruimtelijk uitvoeringsplan 0,7 ha X-17.008-11/15 bijkomende zone voor bedrijvigheid, bijna de helft van de huidige 1,27 ha voor bedrijvigheid, aanduidt in functie van de grotendeels onvergunde parking, die insnijdt in het agrarisch gebied” en “dat de ruimte voor parking voor de 30 trekkers en 70 opleggers en de nodige bedrijfsgebouwen was voorzien in het BPA Schrieksesteenweg”. Die motieven, waarvan niet aannemelijk is gemaakt dat ze niet kunnen volstaan, blijven, rekening houdend met wat hoger reeds is besproken, overeind. Bijgevolg kan de kritiek op het motief dat inhoudt dat het gemeentelijk RUP niet meer voorziet in een nabestemming voor het noordelijke gedeelte van het bedrijfsterrein, niet leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit.
- Het eerste middel wordt verworpen. V. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 23.
- Het tweede middel is genomen uit de schending van het redelijkheids-, het evenredigheids- en het vertrouwensbeginsel. 23.
- De verzoekende partij licht in eerste instantie toe dat op grond van de argumentatie die ontwikkeld werd in het eerste middel, evenzeer kan worden besloten tot een schending van het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel. Daarnaast acht de verzoekende partij het schorsende deputatiebesluit volstrekt onredelijk, gelet op het historisch gegroeid karakter van het bedrijf en het vermoeden van vergunning voor het grootste gedeelte van het bedrijf, inclusief de parking op het zuidelijke deel. De schorsing wordt ook onredelijk geacht omdat het gemeentelijk RUP, na de vorige schorsingsbesluiten, een aanzienlijke wijziging inhield doordat perceel 402c werd geschrapt uit het X-17.008-12/15 RUP. Bovendien zou de deputatie geen rekening hebben gehouden met de afwegingen die destijds door het bestuur werden gemaakt, met name dat herlokalisatie onmogelijk is. De verzoekende partij meent verder ook dat het vertrouwensbeginsel geschonden is doordat de parking op het zuidelijke bedrijfsterrein onaanvaardbaar wordt geacht. Nochtans werd de parking eerder, bij ministerieel besluit van 9 september 2004, opgenomen in een sectoraal BPA en vervolgens in het door de gemeenteraad op 28 februari 2016 voorlopig vastgesteld gemeentelijk RUP. Inmiddels is een parking op het zuidelijke gedeelte ook noodzakelijk geworden doordat op het noordelijke gedeelte de bouw van een loods is voorzien, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning werd afgegeven op 6 juni
- Dit is een bekend gegeven. Door daar geen rekening mee te houden, wordt het vertrouwen van de verzoekende partij geschonden. Beoordeling
- Daar uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat het eerste middel te verwerpen is, kan uit dat eerste middel geen schending van het ingeroepen evenredigheids- of vertrouwensbeginsel worden afgeleid.
- Een verwijzing naar het historisch gegroeid karakter van het bedrijf, noch het vermoeden van vergunning dat zou gelden voor bepaalde delen van het bedrijf, kunnen volstaan om aannemelijk te maken dat het bestreden deputatiebesluit de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. Het bestreden deputatiebesluit steunt op een vastgestelde tegenstrijdigheid met het GRS. Het GRS zelf voorziet in een classificatie voor zonevreemde bedrijven, en de deputatie heeft het betrokken gemeentelijk RUP aan de principes die gelden voor de vastgestelde klasse getoetst.
- In de concrete omstandigheden van de zaak kon de deputatie de 0,7 ha aan bijkomende zone voor bedrijvigheid wettig beschouwen als een X-17.008-13/15 “aanzienlijke uitbreiding” die kennelijk strijdig is met de voorschriften van het GRS die gelden voor “klasse 2”-bedrijven.
- Tot slot kan men niet om de vaststelling heen dat reeds bij de totstandkoming van het BPA de planologische doelstelling voorlag om “de aantasting van het agrarisch gebied aan de zuidzijde van de Schrieksesteenweg ongedaan te maken”. Concreet was het de bedoeling van het BPA om “ten noorden van de Schrieksesteenweg het bedrijf een aanééngesloten gebufferd bedrijfsterrein te laten innemen” zodat “de zuidelijk gelegen parking verlaten [kan] worden en in zijn oorspronkelijke agrarische bestemming hersteld [kan] worden”. In deze omstandigheden kan er hoe dan ook geen sprake zijn van een schending van het ingeroepen vertrouwensbeginsel.
- Het tweede middel wordt verworpen. V. Conclusie
- De verwerping van alle aangevoerde middelen brengt mee dat het beroep hoe dan ook in zijn geheel moet worden verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. X-17.008-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.008-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.348 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div