← België

Arrest 246353 - Wegverkeer van goederen - 10/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.353 Rolnummer: A. 225658/XII-8584 Zaak: Arrest 246353 - Wegverkeer van goederen - 10/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-17 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-24 13:26 Fiche Arrest nr 246.353 van 10 december 2019 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 246.353 van 10 december 2019 in de zaak A. 225.658/XII-8584 In zake: de NV TRANSMYL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim De Pooter kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Markt 41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST woonplaats kiezend bij het agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20 bus 4 1000 Brussel -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 29 juni 2018, strekt tot de nietig- verklaring van “de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer dd. 3 mei 2018 waarbij in graad van beroep aan verzoekster een administratieve geldboete van 2.000 euro waarvan 500 euro met uitstel voor een periode van 3 jaar wordt opgelegd en dit op basis van de artikelen 3 en volgende van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XII-8584-1/15 Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 oktober
  3. Staatsraad Johan Bovin heeft de stand van de zaak uiteengezet. Advocaat Lisa Sonck, die loco advocaat Wim De Pooter verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 19 mei 2017 wordt een vrachtwagen met oplegger, die wordt bestuurd door Daniël Catteau, door de wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E17 te Waregem, richting Gent. Bij de controle wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op de tweede as van de trekker bedraagt de overlading 1.896 kg, hetzij 16,5 %. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, eerste en tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet bijzonder wegtransport). 3.
  6. Op 6 juni 2017 wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Kortrijk. XII-8584-2/15 3.
  7. Op 29 augustus 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen. 3.
  8. Op 27 september 2017 tekent de verzoekende partij bezwaar aan tegen die beslissing. Op 14 december 2017 heeft een hoorzitting plaats. Op 22 december 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 2.000 euro. 3.
  9. Op 19 januari 2018 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Op 16 maart 2018 heeft een hoorzitting plaats. Op 3 mei 2018 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 2.000 euro op te leggen waarvan 500 euro met uitstel voor drie jaar. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing wordt op dezelfde dag met een ter post aangetekend schrijven aan de verzoekende partij meegedeeld. XII-8584-3/15 IV. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  10. In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 ‘tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden’ (hierna: EVRM), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van de materiële- motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en van artikel 17, § 2, vierde lid, van het decreet bijzonder wegtransport. De verzoekende partij betoogt dat de voormelde bepalingen en beginselen werden geschonden doordat in de bestreden beslissing geen rekening werd gehouden met verzachtende omstandigheden, doordat geen rechtbank, die de hoogte en de opportuniteit van de geldboete kan onderzoeken en kwijtschelding of vermindering kan verlenen, de administratieve sanctie met penaal karakter zou hebben kunnen beoordelen en doordat de beslissing niet geschraagd zou worden door voldoende pertinente en draagkrachtige motieven. De verzoekende partij wijst op de moordende concurrentie in de sector waardoor een geldboete van 2.000 euro haar voortbestaan in gevaar brengt. Zij voert ook aan dat zij veel geld en tijd heeft besteed aan de opleiding van haar chauffeurs en aan de uitrusting van haar vloot waardoor overladingen in de toekomst worden vermeden. Zij betoogt dat er na de vastgestelde feiten van 19 mei 2017 geen nieuwe dossiers werden geopend, dat er bij haar op 72.000 vrachten de laatste jaren slechts zes inbreuken werden vastgesteld en dat het containerchassis waarmee de inbreuk werd begaan inmiddels werd verkocht. De overheid definieert volgens haar ten onrechte niet wat verzachtende omstandig- heden zijn en verantwoordt niet waarom zij de aangevoerde elementen niet als verzachtende omstandigheden beschouwt. Evenmin wordt verantwoord waarom de huidige inbreuk veel zwaarder wordt bestraft dan een andere gelijkaardige XII-8584-4/15 overlading waar een boete werd opgelegd van 4.400 euro maar waarvan 3.000 euro met uitstel werd opgelegd. Uit de motivering blijkt niet waarom te dezen slechts 500 euro van de geldboete met uitstel wordt opgelegd.
  11. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat haar middel wel degelijk gericht is tegen de totstandkoming van de bestreden beslissing en dat een administratieve beslissing die in strijd is met de aangevoerde rechtsregels kan worden aangevochten. Voorts benadrukt de verzoekende partij nog dat in dit dossier een derde oplader de facto aansprakelijk was nu zij noch haar aangestelde vat had op de oplading. Zij legt een stuk voor waaruit volgens haar blijkt dat de samenwerking met deze verlader werd stopgezet. Voorts voert zij nog aan dat zij er alles aan doet om haar voertuigen normconform uit te rusten maar dat zij daarbij op een technische onmogelijkheid stuit. Zij stelt ook dat het decreet bijzonder wegtransport weliswaar de minimale geldboete vastlegt, maar met toepassing van artikel 17, § 2, vierde lid, van het voormelde decreet de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering een administratieve geldboete kan opleggen die onder de minimumbedragen ligt, als er verzachtende omstandigheden zijn. De bevoegdheid om een eigen handhavingsbeleid te voeren, houdt niet in dat dezelfde casussen anders mogen worden beoordeeld en met “natte vingerwerk” te werk mag worden gegaan, noch dat geen rekening moet worden gehouden met verzachtende omstandigheden. Bij een later dossier van de verzoekende partij, van 3 januari 2018 en dus van na de feiten die ten grondslag liggen aan de huidige beslissing, werd wel een volledig uitstel toegekend. Er zou toch mogen worden aangenomen dat een gebrek aan precedenten op het moment van de te dezen bestreden beslissing milder wordt beoordeeld dan de feiten in 2018 toen er wel een precedent was. XII-8584-5/15 Beoordeling
  12. Wat de aangevoerde schending van artikel 6.1 EVRM betreft, wordt vastgesteld dat de wegeninspecteur-controleur, en in beroep de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit en bij delegatie de administrateur- generaal van het agentschap Wegen en Verkeer, bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport optreden, niet als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur. Artikel 6 EVRM vereist niet dat de bestuurlijke instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het bezwaar of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met “volle rechtsmacht”, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat. Tegen de te dezen bestreden beslissing kon de verzoekende partij overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM werd reeds in talrijke arresten van de Raad van State aangenomen, en tevens bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2; Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584). Bovendien beschikt de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, en bij delegatie de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer, in beroep over de bevoegdheid om te oordelen over de opportuniteit en de hoogte van de boete en over de bevoegdheid om de beslissing van de wegeninspecteur-controleur te hervormen, in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen 17 tot 19 van het decreet bijzonder wegtransport. Uit de bestreden beslissing blijkt dat daarin opnieuw werd geoordeeld over de opportuniteit van de administratieve sanctie, over de hoogte van de geldboete waarbij de ingeroepen verzachtende omstandigheden in de XII-8584-6/15 beoordeling werden betrokken, en over het al dan niet verlenen van uitstel. Op dit punt mist het middel dan ook feitelijke grondslag in zoverre een schending wordt aangevoerd van artikel 6 EVRM op grond van een gebrek in de bestreden beslissing aan een onderzoek van de opportuniteit en de hoogte van de boete in functie van de aangevoerde verzachtende omstandigheden en de mogelijkheid tot kwijtschelding dan wel vermindering van de boete. Een schending van artikel 6 EVRM wordt dan ook niet aangetoond.
  13. Voorts voert de verzoekende partij een schending aan van artikel 17, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport, dat bepaalt: “ §
  14. Het tarief van de administratieve geldboete is gelijk aan de minimumgeldboete, vermeld in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen. Als een overtreder binnen de positieve referentieperiode opnieuw een inbreuk op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan pleegt, kan de administratieve geldboete bepaald worden op het dubbel van de minimumgeldboete, vermeld in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen. In het tweede lid wordt verstaan onder positieve referentieperiode : de periode van drie jaar die volgt op de datum waarop een definitieve administratieve geldboete of een definitieve strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een inbreuk op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan. Als er verzachtende omstandigheden zijn, kan de wegeninspecteur- controleur of de Vlaamse Regering een administratieve geldboete onder de betreffende minimumbedragen opleggen.” De verzoekende partij voert tevens de schending aan van de formelemotiveringsplicht, voorgeschreven door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen’. Op grond van die wet dient de overheid in de individuele bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De formelemotiveringsplicht, vervat in de genoemde wetsbepalingen, impliceert niet dat de overheid ertoe gehouden is om XII-8584-7/15 op elk aangevoerd argument afzonderlijk te antwoorden. Het volstaat dat uit de motivering van de bestreden beslissing impliciet of expliciet blijkt dat de aange- voerde argumenten in de besluitvorming werden betrokken en dat uit de motive- ring kan worden afgeleid waarom deze argumenten niet worden aangenomen.
  15. De bestreden beslissing doet uitspraak over het bestuurlijk beroep dat door de verzoekende partij tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur werd ingesteld. In dat beroep heeft de verzoekende partij onder meer aangevoerd dat ten onrechte geen rekening wordt gehouden met verzachtende omstandigheden om een boete onder het minimumbedrag op te leggen. De verzachtende omstandigheden waarmee volgens de verzoekende partij rekening diende te worden gehouden, betreffen het feit dat de hoogte van de boete de verzoekende partij financieel in de problemen kan brengen, het feit dat de verzoekende partij na het voorval veel investeringen heeft gedaan in opleiding van het personeel en uitrusting van de vloot om overladingen in de toekomst te vermijden, het gebrek aan nieuwe dossiers na de feiten, het bewijs van vakbekwaamheid van de vrachtwagenbestuurder en de verkoop van het containerchassis waarmee de inbreuk werd begaan. In de motivering van de bestreden beslissing worden, na een vermelding van de wettelijke grondslag van de beslissing en een uiteenzetting van de feiten, onder meer de redenen uiteengezet waarom de aangevoerde elementen niet als verzachtende omstandigheden worden aanvaard. “ Verzachtende omstandigheden […] Artikel 17, §2, 2e lid van het decreet voorziet in de mogelijkheid om, als er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, een administratieve geldboete onder de betreffende minimumbedragen op te leggen; Eventuele verzachtende omstandigheden dienen evenwel, volgens de decreetgever, restrictief te worden toegepast; De ratio legis van voornoemd artikel is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn, kan dit gebeuren (Ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005, Parl. Doc. Vl. Parl. 2004-05, nr. 334/1, 6.); XII-8584-8/15 Het systematisch verlagen van de administratieve geldboete, zonder dat hiervoor gegronde redenen voorhanden zijn, is dan ook compleet uit den boze en zou afbreuk doen aan het beoogde repressieve en preventieve karakter van de administratieve geldboete; Het komt de wegeninspecteur-controleur en de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer toe om, binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, een eigen handhavingsbeleid te ontwikkelen en vrij te oordelen over het bedrag van de geldboete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden (RvS 17 november 2017, nr. 239.900, Mikom-Sped.); Het feit dat een zware geldboete het verder bestaan van verzoeker in gevaar brengt, vormt geen element om verzachtende omstandigheden aan te nemen. De overige aangehaalde elementen van appellant betreffen geen elementen die verzachtende omstandigheden, doch elementen die de gunst van het uitstel zouden kunnen rechtvaardigen. De aangehaalde elementen worden aldus onderzocht en besproken in het onderdeel ‘uitstel’ van deze beslissing. Appellant meent dat huidige inbreuk een uitzonderlijke situatie betreft, doch moet worden opgemerkt dat de onderneming Transmyl sa gekend staat voor overladingsmisdrijven. Zo werden reeds administratieve geldboetes opgelegd ten gevolge van overladingen waarbij Transmyl sa de strafrechtelijke, dan wel burgerrechtelijk aansprakelijke betrof in het dossier. Tot op heden is Transmyl sa betrokkene in zes overlading- dossiers. Het betreffen volgende inbreuken: - op 29 mei 2012 te Waregem […]; - op 2 september 2015 te Kruishoutem […]; - op 28 februari 2017 te Vilvoorde […]; - op 19 mei 2017 te Waregem […]; - op 9 augustus 2017 te Kruishoutem […]; - op 3 januari 2018 te Tessenderlo […]. Er kan aldus worden besloten dat huidige inbreuk geen uitzonderlijke situatie betreft en Transmyl sa wel degelijk gekend staat voor overladingsmisdrijven; Appellant reikt geen elementen aan die verzachtende omstandigheden uitmaken. Vermeende schending van het redelijkheidsprincipe Appellant is van oordeel dat het redelijkheidsprincipe niet werd nageleefd. De hoogte van deze minimumbedragen werd door de decreetgever bepaald enerzijds op basis van de ernst die de decreetgever meende te moeten toekennen aan de inbreuken en anderzijds rekening houdende met het preventieve doel ervan; Het komt niet aan appellant, noch aan de beoordelende partij toe om het oordeel van de decreetgever terzake te betwisten; Artikel 17, §2, 2e lid van het decreet voorziet evenwel de mogelijkheid om, als er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, een administra- tieve geldboete onder de betreffende minimumbedragen op te leggen; XII-8584-9/15 Eventuele verzachtende omstandigheden dienen evenwel, volgens de decreetgever, restrictief te worden toegepast; De ratio legis van voornoemd artikel is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn, kan dit gebeuren (Ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005, Parl. Doc. Vl. Parl., 2004-05, nr. 334/1, 6.); Het systematisch verlagen van de administratieve geldboete, zonder dat hiervoor gegronde redenen voorhanden zijn, is dan ook compleet uit den boze en zou afbreuk doen aan het beoogde repressieve en preventieve karakter van de administratieve geldboete; Eenzelfde redenering geldt voor het opleggen van een administratieve geldboete met uitstel; Het toestaan van een uitstel of het verlagen van de administratieve geldboete rekening houdende met verzachtende omstandigheden is geen recht, maar een gunst die kan worden toegekend aan overtreders hetzij vanwege hun gedrag, hetzij vanwege specifieke omstandigheden van de overlading; Er dient te worden benadrukt dat er geen precedentenwerking voorhanden is. De verwijzing naar de soortelijke zaak waarbij de geldboete met een deel uitstel werd opgelegd, mist aldus feitelijke grondslag. Elk dossier dient apart te worden beoordeeld. In huidig dossier wordt het handelen en nalaten van de onderneming Transmyl sa onderzocht, andere beoordelingen doen in casu niet ter zake. Uitstel Appellant verwijst naar artikel 18, §1 van het decreet en verzoekt om de administratieve geldboete geheel of gedeeltelijk met uitstel op te leggen op grond van de reeds aangehaalde elementen. Zoals gesteld worden de aangehaalde elementen in het onderdeel ‘verzachtende omstandigheden’ hieronder onderzocht: Na onderzoek is gebleken dat de georganiseerde opleiding een algemene opleiding betreft. Appellant schetst niet op voldoende wijze hoe een algemene opleiding overladingen in de toekomst zal doen vermijden. Er kan wel worden besloten dat een klein onderdeel van de opleiding handelt over massa’s; Toekomstige investeringen waarvan geen bewijzen worden neergelegd, kunnen niet worden aangenomen als een element dat de gunst van het uitstel rechtvaardigt, nu niet met zekerheid kan worden gesteld dat de investeringen zullen worden verricht. De e-mail van de leverancier Scania bewijst niet op afdoende wijze, dat het voertuigen betreffen die werden aangekocht naar aanleiding van de vastgestelde inbreuk; Het ontbreken van nieuwe inbreuken alsook de algemene vakbekwaamheid code 95 van de chauffeur zijn geen elementen die de gunst van het uitstel kunnen rechtvaardigen; Tot slot stelt appellant dat het containerchassis waarmee de inbreuk werd vastgesteld, werd verkocht. Er kan worden besloten dat deze maatregel overladingen in de toekomst kan vermijden en rechtvaardigt aldus de gunst van het uitstel. XII-8584-10/15 De administratieve geldboete wordt bepaald op 2000 euro, waarvan 500 euro met uitstel voor een periode van drie jaar.”
  16. In artikel 17, § 2, juncto artikel 14 van het decreet bijzonder wegtransport, worden de minimale boetes voor de vastgestelde overladingen bepaald, zij het dat op grond van artikel 17, § 2, vierde lid, van hetzelfde decreet verzachtende omstandigheden in acht kunnen worden genomen om een geldboete op te leggen onder het bij decreet bepaalde minimum. Voorts kan de sanctionerende overheid op grond van artikel 18 van het voormelde decreet onder bepaalde voorwaarden een geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling toekennen. Te dezen werd de minimumboete opgelegd voor de vastgestelde overlading, te weten 2.000 euro, met een uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de geldboete voor een bedrag van 500 euro voor een periode van drie jaar.
  17. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij betoogt, blijkt uit de bestreden beslissing dat de verwerende partij een onderzoek heeft gevoerd omtrent de door de verzoekende partij aangevoerde verzachtende omstandig- heden. De verzoekende partij maakt niet concreet duidelijk in welk opzicht deze motieven de verwerping van haar argumenten niet afdoende verantwoorden. Elk van de aangevoerde elementen wordt besproken maar wordt niet aanvaard als een verzachtende omstandigheid. Gelet op de aanzienlijke beoordelingsruimte waarover de administratieve overheid beschikt om al dan niet verzachtende omstandigheden aan te nemen, toont de verzoekende partij niet in concreto aan dat deze beoordeling waarbij de aangevoerde elementen niet als verzachtende omstandigheid werden aanvaard, de grenzen van een redelijke beoordeling te buiten gaat. Zoals de verwerende partij terecht in de bestreden beslissing aangeeft, komt het aan de wegeninspecteur-controleur en in beroep aan de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer toe om binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging een eigen handhavingsbeleid te ontwikkelen en te oordelen over het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden waarbij rekening wordt gehouden met de in de parlementaire XII-8584-11/15 voorbereiding van het decreet van 24 juni 2005 ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005’ gegeven aanwijzingen dat verzachtende omstandigheden restrictief moeten worden toegepast en dat het niet de bedoeling is de zware boeten systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Hetzelfde geldt voor het al dan niet verlenen van een geheel of gedeeltelijk uitstel wat de opgelegde administratieve geldboete betreft. Een streng beleid dient niet ipso facto te worden beschouwd als een beleid dat de perken van de redelijkheid te buiten gaat. Het redelijkheidsbeginsel begrenst die beoordelingsruimte van de bestuurlijke instantie enkel doordat het niet duldt dat een opgelegde sanctie in wanverhouding staat tot de gesanctioneerde feiten. Daarbij wordt vastgesteld dat de kritiek van de verzoekende partij dat ten onrechte geen rekening werd gehouden met het feit dat een derde oplader de aansprakelijkheid voor de overlading zou dragen omdat zij, noch haar aangestelde, vat had op de oplading, in ieder geval niet gegrond is. Dit argument blijkt immers geenszins naar voor te zijn gebracht in haar beroepschrift van 19 januari 2018, zodat de verwerende partij hier geen rekening mee kon houden.
  18. Voorts voert de verzoekende partij zelf aan dat een verzachtende omstandigheid een omstandigheid is die kan worden ingeroepen om een mildere toepassing te maken van het sanctiemechanisme, eventueel via de gunst van het uitstel. Uit de bestreden beslissing blijkt dat een van de aange- voerde elementen, namelijk de verkoop van het chassis waarmee de overlading werd begaan, door de verwerende partij wel degelijk werd in aanmerking genomen om een gedeeltelijk uitstel van de sanctie toe te kennen ten bedrag van 500 euro voor een periode van drie jaar. Met betrekking tot het aangevoerde gebrek aan precedenten wijst de verwerende partij er terecht op dat op grond van artikel 17, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport, de administratieve geldboete verdubbeld kan worden wanneer binnen een periode van één jaar die volgt op de datum waarop een inbreuk werd gepleegd, die achteraf aanleiding heeft gegeven tot het XII-8584-12/15 opleggen van een administratieve geldboete of een strafrechtelijke sanctie, opnieuw een inbreuk wordt gepleegd. Hoewel dit op zich niet wegneemt dat voor precedenten die zouden dateren van meer dan één jaar voor de datum waarop de inbreuk werd gepleegd geen verdubbeling van de administratieve geldboete kan worden opgelegd, toont de verzoekende partij niet aan dat het gebrek aan precedenten in ieder geval tot een mildering van de straf aanleiding moet geven of dat de verwerende partij buiten de perken van de redelijkheid oordeelde door dit element te dezen niet als een verzachtende omstandigheid te beschouwen. Gelet op de in de bestreden beslissing vermelde overige vastgestelde overladingen waarbij de verzoekende partij was betrokken, maakt de verzoekende partij trouwens niet aannemelijk dat de verwerende partij ten onrechte niet zou hebben aanvaard dat de vastgestelde inbreuk een alleenstaand en uitzonderlijk voorval betrof. Daarnaast wordt in de bestreden beslissing met betrekking tot het argument dat de vrachtwagenbestuurders een opleiding hebben genoten, overwogen dat het om een algemene opleiding gaat waarvan onvoldoende wordt aangetoond hoe deze opleiding overladingen in de toekomst zal vermijden. Ten aanzien van het argument dat in de loop van 2018 verscheidene investeringen zullen worden gedaan teneinde overladingen in de toekomst te vermijden zoals het uitrusten van nieuwe voertuigen met aslastindicatoren, wordt in de bestreden beslissing overwogen dat toekomstige investeringen waarvan geen bewijzen worden neergelegd, niet kunnen worden aangenomen als een element dat de gunst van het uitstel rechtvaardigt, nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de investeringen zullen worden verricht. Voorts wordt overwogen dat het e-mailbericht van de leverancier Scania niet op afdoende wijze bewijst dat het voertuigen betreffen die werden aangekocht naar aanleiding van de vastgestelde inbreuk. Geen van deze overwegingen worden door de verzoekende partij aan een inhoudelijke kritiek onderworpen zodat niet wordt aangetoond dat deze overwegingen de grenzen van een redelijke beoordeling zouden te buiten gaan. XII-8584-13/15
  19. Wat betreft de verwijzing van de verzoekende partij naar een andere zaak waar aan een overtreder een uitstel zou zijn toegekend voor een groter deel van de opgelegde geldboete, dient met de verwerende partij te worden aangenomen dat elke overlading afzonderlijk dient te worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van die zaak. In dat verband kan onder meer worden opgemerkt dat de zaak waar de verzoekende partij naar verwijst betrekking heeft op een andere vrachtwagenbestuurder en transportonderneming, dat andere concrete omstandigheden werden ingeroepen door de betrokkenen en dat deze beslissing werd genomen door de wegeninspecteur-controleur terwijl de te dezen bestreden beslissing in graad van beroep werd genomen door de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer. Het volstaat tot slot niet te verwijzen naar één ander geval waarin een lichtere bestraffing zou zijn opgelegd om aan te tonen dat er sprake is van willekeur in hoofde van de verwerende partij, noch van een schending van het gelijkheidsbeginsel.
  20. Gelet op het voorgaande maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat de bestreden beslissing tot stand is gekomen met schending van de in het middel vermelde bepalingen en beginselen. In de mate dat de verzoekende partij nog aanvoert dat zij er alles aan doet om haar vrachtwagens normconform uit te rusten maar dat zij op een technische onmogelijkheid stoot, verklaart zij op geen enkele wijze waaruit deze technische onmogelijkheid dan wel zou bestaan, laat staan dat zij aantoont dat zij dit argument heeft aangevoerd en afdoende uiteengezet in het kader van de bestuurlijke procedure die aanleiding gaf tot het nemen van de bestreden beslissing. Gelet op het voorgaande kan de kritiek van de verzoekende partij dat uit de bestreden beslissing niet op afdoende wijze blijkt dat de door de verzoekende partij aangevoerde verzachtende omstandigheden werden onder- zocht en dat deze omstandigheden niet op grond van voldoende draagkrachtige motieven zouden zijn verworpen, niet kan worden bijgevallen.
  21. Het middel is niet gegrond. XII-8584-14/15 BESLISSING
  22. De Raad van State verwerpt het beroep.
  23. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8584-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.353 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.