id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.354 Rolnummer: A. 225657/XII-8583 Zaak: Arrest 246354 - Wegverkeer van goederen - 10/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-17 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-24 13:26 Fiche Arrest nr 246.354 van 10 december 2019 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 246.354 van 10 december 2019 in de zaak A. 225.657/XII-8583 In zake:
- Johnny GHISTELINCK
- de NV TRANSMYL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim De Pooter kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Markt 41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST woonplaats kiezend bij het agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20 bus 4 1000 Brussel -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 juni 2018, strekt tot de nietig- verklaring van “de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer dd. 3 mei 2018 waarbij in graad van beroep aan verzoekers een administratieve geldboete van 4.000 euro waarvan 1.000 euro met uitstel voor een periode van 3 jaar wordt opgelegd en dit op basis van de artikelen 3 en volgende van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’”. XII-8583-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 oktober
- Staatsraad Johan Bovin heeft de stand van de zaak uiteengezet. Advocaat Lisa Sonck, die loco advocaat Wim De Pooter verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 28 februari 2017 wordt een vrachtwagen met oplegger, die wordt bestuurd door Johnny Ghistelinck, door de lokale politie gecontroleerd op de Luchthavenlaan te Vilvoorde, richting Steenokkerzeel. Bij de controle wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op de tweede as van de trekker bedraagt de overlading 2.650 kg, hetzij 22,1 %. Er wordt een proces-verbaal met nummer XII-8583-2/17 HVV 93 LI 401382 17 opgesteld wegens onder meer inbreuk op artikel 3, eerste en tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet bijzonder wegtransport). 3.
- Het proces-verbaal wordt overgemaakt aan de procureur des Konings te Vilvoorde. Op 23 juni 2017 maakt het parket te Vilvoorde zijn beslissing om geen strafvervolging in te stellen over aan de Wegeninspectie. Hierbij wordt het proces-verbaal gevoegd. 3.
- Op 14 juli 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.000 euro op te leggen. De tweede verzoekende partij wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van de geldboete. 3.
- Op 31 juli 2017 tekent de tweede verzoekende partij bezwaar aan tegen die beslissing. Zij vermeldt in haar beroepschrift een verkeerde referentie voor het dossier bij de Wegeninspectie. 3.
- Bij brief van 30 augustus 2017 meldt de Vlaamse overheid aan de tweede verzoekende partij dat de administratieve geldboete met betrekking tot het proces-verbaal met nummer HVV 93 LI 401382 17 nog niet werd betaald. Met een e-mailbericht van 12 september 2017 deelt de raadsman van de verzoekende partijen aan de Wegeninspectie mee dat de tweede verzoekende partij tijdig bezwaar heeft ingediend en bijgevolg niet wordt ingegaan op de betalingsherinnering. 3.
- Na verder e-mailverkeer tussen de verzoekende partijen en de verwerende partij, deelt de Wegeninspectie met een e-mailbericht van 18 september 2017 aan de raadsman van de verzoekende partijen mee dat alsnog een hoorzitting zal worden gehouden met betrekking tot het ingediende bezwaar. XII-8583-3/17 Op 30 november 2017 heeft een hoorzitting plaats. Op 15 december 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete op te leggen van 4.000 euro, waarvan 800 euro met uitstel voor drie jaar en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de geldboete. 3.
- Op 12 januari 2018 tekent de tweede verzoekende partij beroep aan tegen die beslissing bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Op 16 maart 2018 heeft een hoorzitting plaats. Op 3 mei 2018 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 4.000 euro op te leggen waarvan 1.000 euro met uitstel voor drie jaar en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van die geldboete. Dit is de bestreden beslissing. Deze beslissing wordt met een aangetekend schrijven dezelfde dag meegedeeld aan de verzoekende partijen. IV. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
- In een enig middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 ‘tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden’ XII-8583-4/17 (hierna: EVRM), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en van artikel 17, § 2, vierde lid, van het decreet bijzonder wegtransport. De verzoekende partijen betogen dat in de bestreden beslissing geen rekening werd gehouden met de door hen aangevoerde verzachtende omstandigheden, terwijl de rechter op grond van artikel 6 EVRM bevoegd is om de opportuniteit en de hoogte van de boete te onderzoeken en kwijtschelding of vermindering ervan te verlenen, wanneer de opgelegde sanctie de redelijke grenzen van de bevoegdheid van het bestuur te buiten gaat. Voorts betwisten de verzoekende partijen de overweging in de bestreden beslissing dat het gebrek aan precedenten niet kan worden aanzien als verzachtende omstandigheden maar enkel als een mechanisme om het uitstel toe te kennen. Het feit dat het decreet het uitstel voorziet ten aanzien van het ontbreken van antecedenten is volgens de verzoekende partijen een emanatie van een verzachtende omstandigheid. Het ontbreken van antecedenten bevestigt dat dit een uitzonderlijke situatie was en dat er geen kwaad opzet of verkeerd oogmerk voorhanden was. Het gegeven dat op dezelfde dag tien voertuigen van de tweede verzoekende partij wel voldeden aan de regelgeving is ook een bewijs van goede trouw en respect voor de regelgeving in hoofde van de verzoekende partijen, wat als een verzachtende omstandigheid kan worden aanzien. Bovendien draagt te dezen een derde oplader de facto de aansprakelijkheid aangezien verzoekende partij noch haar aangestelde vat had op de oplading. De tweede verzoekende partij tilde hier ook zwaar aan aangezien zij de samenwerking met de betrokken Nederlandse onderneming heeft opgezegd, zoals blijkt uit de stukken. De verwerende partij heeft op geen enkel moment het begrip verzachtende omstandigheden gedefinieerd, noch hoe zij ertoe kwam de voormelde elementen niet als verzachtende omstandigheden te aanzien. XII-8583-5/17 De beslissing is volgens de verzoekende partijen voorts onredelijk nu blijkt dat de verwerende partij in een andere zaak waar het toegestane maximum van de eerste as van de vrachtwagen werd overschreden met 2.840 kg en op de totale massa van de vrachtwagen met 2.702 kg in beroep een geldboete oplegde van 4.400 euro waarbij 3.000 euro werd opgelegd met uitstel voor drie jaar. Wanneer feiten echter eenzelfde gewicht hebben en bij de ene beslissing 68 % van de geldboete met uitstel wordt opgelegd en bij de huidige bestreden beslissing slechts 25 %, dan is er willekeurig gehandeld. Er wordt niet verantwoord waarom de huidige casus strenger zou moeten beoordeeld worden dan een zaak waarin de minimumboete zelfs veel hoger ligt. Dat elk dossier afzonderlijk dient beoordeeld te worden, vormt geen verantwoording. Uit geen enkele motivering blijkt waarom slechts 1.000 euro met uitstel werd toegekend en niet het volledige bedrag van 4.000 euro. Conform artikel 18 van het decreet bijzonder wegtransport kan de wegeninspecteur-controleur nochtans geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de administratieve geldboete toekennen. Met een minimumbestraffing via een volledig uitstel is er nochtans voldoende garantie dat er zich geen nieuwe feiten zullen voordoen. Een effectieve geldboete opleggen van 3.000 euro terwijl de verzoekende partijen geen vat hadden op het laden, is onredelijk. Onachtzaamheid en kwade trouw dienen van elkaar onderscheiden te worden wat een verschillende behandeling in de straftoemeting dient op te leveren.
- In hun memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen dat het middel wel degelijk is gericht tegen de totstandkoming van de bestreden beslissing en dat een administratieve beslissing die in strijd is met de aangevoerde rechtsregels kan worden aangevochten. Voorts wijzen zij er nog op dat de beslissing elke evenredigheid mist met de gesanctioneerde gedraging omdat zij er alles aan doen om hun vrachtwagens uit te rusten zodat deze normconform kunnen worden geladen. Het decreet bijzonder wegtransport legt weliswaar de minimale geldboete vast, maar met toepassing van artikel 17, § 2, vierde lid, van hetzelfde decreet kan de XII-8583-6/17 wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering een administratieve geldboete opleggen die onder de minimumbedragen ligt, als er verzachtende omstandigheden zijn. De bevoegdheid om een eigen handhavingsbeleid te voeren, houdt niet in dat dezelfde casussen anders mogen worden beoordeeld en men “met natte vingerwerk” te werk mag gaan, noch dat men geen rekening zou moeten houden met verzachtende omstandigheden. Bij een later dossier van de verzoekende partijen, van 3 januari 2018, en dus na de feiten die ten grondslag liggen aan de huidige beslissing, werd wel een volledig uitstel toegekend. Er zou toch mogen worden aangenomen dat een gebrek aan precedenten op het moment van de te dezen bestreden beslissing milder wordt beoordeeld dan de feiten in 2018 toen er wel een precedent was. Beoordeling
- Wat de aangevoerde schending van artikel 6.1 EVRM betreft, wordt vastgesteld dat de wegeninspecteur-controleur en in beroep de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit en bij delegatie de administrateur- generaal van het agentschap Wegen en Verkeer, bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport optreden, niet als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur. Artikel 6 EVRM vereist niet dat de bestuurlijke instanties die de administratieve geldboete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het bezwaar of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met “volle rechtsmacht”, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip verstaat. Tegen de te dezen bestreden beslissing konden de verzoekende partijen overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM werd reeds in talrijke arresten van de Raad van State aangenomen, en tevens bevestigd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van XII-8583-7/17 Cassatie (GwH 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2; Cass. 15 oktober 2009, Arr. Cass. 2009, 584). Bovendien beschikt de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, en bij delegatie de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer, in beroep over de bevoegdheid om te oordelen over de opportuniteit en de hoogte van de boete en over de bevoegdheid om de beslissing van de wegeninspecteur-controleur te hervormen, in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen 17 tot 19 van het decreet bijzonder wegtransport. Uit de bestreden beslissing blijkt dat daarin opnieuw werd geoordeeld over de opportuniteit van de administratieve sanctie, de hoogte van de geldboete waarbij de ingeroepen verzachtende omstandigheden in de beoordeling werden betrokken, en over het al dan niet verlenen van uitstel. Op dit punt mist het middel dan ook feitelijke grondslag in zoverre een schending wordt aangevoerd van artikel 6 EVRM op grond van een gebrek in de bestreden beslissing aan een onderzoek van de opportuniteit en de hoogte van de boete in functie van de aangevoerde verzachtende omstandigheden en de mogelijkheid tot kwijtschelding dan wel vermindering van de boete. Een schending van artikel 6 EVRM wordt dan ook niet aangetoond.
- Voorts voeren de verzoekende partijen een schending aan van artikel 17, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport, dat bepaalt: “ §
- Het tarief van de administratieve geldboete is gelijk aan de minimumgeldboete, vermeld in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen. Als een overtreder binnen de positieve referentieperiode opnieuw een inbreuk op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan pleegt, kan de administratieve geldboete bepaald worden op het dubbel van de minimumgeldboete, vermeld in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen. In het tweede lid wordt verstaan onder positieve referentieperiode : de periode van drie jaar die volgt op de datum waarop een definitieve administratieve geldboete of een definitieve strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een inbreuk op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan. XII-8583-8/17 Als er verzachtende omstandigheden zijn, kan de wegeninspecteur- controleur of de Vlaamse Regering een administratieve geldboete onder de betreffende minimumbedragen opleggen.” De verzoekende partijen voeren tevens de schending aan van de formelemotiveringsplicht, voorgeschreven door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen’. Op grond van die wet dient de overheid in de individuele bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De formelemotiveringsplicht, vervat in de genoemde wetsbepalingen, impliceert niet dat de overheid ertoe gehouden is om op elk aangevoerd argument afzonderlijk te antwoorden. Het volstaat dat uit de motivering van de bestreden beslissing impliciet of expliciet blijkt dat de aangevoerde argumenten in de besluitvorming werden betrokken en dat uit de motivering kan worden afgeleid waarom deze argumenten niet worden aangenomen.
- De bestreden beslissing doet uitspraak over het bestuurlijk beroep dat door de verzoekende partijen tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur werd ingesteld. In dat beroep hebben de verzoekende partijen in hoofdorde aangevoerd dat ten onrechte geen rekening wordt gehouden met verzachtende omstandigheden om een boete onder het minimumbedrag op te leggen. De verzachtende omstandigheden waarmee volgens de verzoekende partijen rekening diende te worden gehouden, betreffen het gebrek aan precedenten, het ontbreken van andere overladingen op dezelfde dag tijdens eenzelfde transport door diverse andere voertuigen, goede trouw en louter toeval. In de motivering van de bestreden beslissing worden, na een vermelding van de wettelijke grondslag van de beslissing en een uiteenzetting van de feiten, de redenen uiteengezet waarom de aangevoerde elementen niet als verzachtende omstandigheden worden aanvaard. XII-8583-9/17 “Verzachtende omstandigheden […] Artikel 17, §2, 2e lid van het decreet voorziet in de mogelijkheid om, als er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, een administratieve geldboete onder de betreffende minimumbedragen op te leggen; Eventuele verzachtende omstandigheden dienen evenwel, volgens de decreetgever, restrictief te worden toegepast; De ratio legis van voornoemd artikel is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn, kan dit gebeuren (Ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005, Parl. Doc. Vl., Parl. 2004-05, nr. 334/1, 6.); Het systematisch verlagen van de administratieve geldboete, zonder dat hiervoor gegronde redenen voorhanden zijn, is dan ook compleet uit den boze en zou afbreuk doen aan het beoogde repressieve en preventieve karakter van de administratieve geldboete; Het komt de wegeninspecteur-controleur en de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer toe om, binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, een eigen handhavingsbeleid te ontwikkelen en vrij te oordelen over het bedrag van de geldboete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden (RvS 17 november 2017, nr. 239.900, Mikom-Sped.); Omstandigheden van de overlading Appelanten slagen er niet in om het gegeven dat de lading gebeurde door een derde op een adequate wijze tot de zaak te betrekken. In deze beslissing wordt de beoordeling gemaakt over het handelen en nalaten van de chauffeur. Hij had zoals een goede chauffeur betaamd, geen overladen voertuig op de openbare weg in het verkeer mogen brengen. Het verzuim daaraan te voldoen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan (Cass., 2 november 2004, www.cass.be). Door het transport alsnog aan te vangen, handelde de chauffeur onachtzaam. Wanneer een transport niet door de chauffeur of de eigen firma wordt geladen, dient dit de chauffeur tot extra voorzichtigheid aan te manen. Eenieder die een voertuig gebruikt, moet zich ervan vergewissen dat de massa en de massa onder de assen niet meer bedraagt dan de maximaal toegelaten massa, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen. Gezien de omvang van de asoverlading had de chauffeur deze moeten vermoeden en opmerken. Er kan worden aangenomen dat een normaal, voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden, een trekasoverlading van 2650 kg zou hebben opgemerkt. Hij had ambtshalve moeten beslissen om het transport niet aan te vangen. Overigens weten appelanten het niet overladen zijn van de overige transporten op die dag niet op een adequate manier te betrekken. Het niet overladen zijn van de andere transporten, doet geen afbreuk aan deze inbreuk. In huidige zaak wordt zoals reeds gesteld het handelen en nalaten XII-8583-10/17 van de chauffeur, Johnny Ghistelinck, tijdens het desbetreffende transport onderzocht. De overige transporten die op die dag werden uitgevoerd doen aldus niet ter zake. Dit element betreft geen verzachtende omstandigheid. b) Gebrek aan precedenten Uit de bepalingen van artikel 17, §2 van het decreet blijkt dat het ontbreken van precedenten in hoofde van de overtreder reeds tot een mildere bestraffing leidt daar de administratieve geldboete verdubbeld kan worden wanneer binnen een periode van één jaar die volgt op de datum waarop een inbreuk gepleegd werd die achteraf aanleiding gegeven heeft tot het opleggen van een administratieve geldboete of een strafrechtelijke sanctie opnieuw een inbreuk wordt gepleegd; Het ontbreken van precedenten in hoofde van de overtreder kan dan ook op zichzelf niet beschouwd worden als een verzachtende omstandigheid; Er anders over oordelen zou erop neerkomen dat eenieder die niet voor verdubbeling van de administratieve geldboete in aanmerking komt, verzachtende omstandigheden zou kunnen inroepen; De afwezigheid van precedenten maakt slechts een voorwaarde uit om de gunst van het uitstel van de administratieve geldboete te kunnen toestaan. Opdat dit uitstel effectief kan worden toegestaan, moeten daartoe grondige en geldige redenen voorhanden zijn. De gunst van het uitstel wordt in het onderdeel ‘Uitstel’ van deze beslissing onderzocht. Appellanten reiken geen elementen aan die verzachtende omstandigheden uitmaken. Vermeende schending van het redelijkheidsprincipe Appellanten zijn van oordeel dat het redelijkheidsprincipe niet werd nageleefd. De hoogte van deze minimumbedragen werd door de decreetgever bepaald enerzijds op basis van de ernst die de decreetgever meende te moeten toekennen aan de inbreuken en anderzijds rekening houdende met het preventieve doel ervan; Het komt niet aan appelanten, noch aan de beoordelende partij toe om het oordeel van de decreetgever terzake te betwisten; Artikel 17, §2, 2e lid van het decreet voorziet evenwel de mogelijkheid om, als er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, een administratieve geldboete onder de betreffende minimumbedragen op te leggen; Eventuele verzachtende omstandigheden dienen evenwel, volgens de decreetgever, restrictief te worden toegepast; De ratio legis van voornoemd artikel is niet de zware boetes systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Enkel wanneer hiervoor gegronde redenen zijn, kan dit gebeuren (Ontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005, Parl. Doc. Vl. Parl., 2004-05, nr. 334/1, 6.); Het systematisch verlagen van de administratieve geldboete, zonder dat hiervoor gegronde redenen voorhanden zijn, is dan ook compleet uit den boze en zou afbreuk doen aan het beoogde repressieve en preventieve karakter van de administratieve geldboete; XII-8583-11/17 Eenzelfde redenering geldt voor het opleggen van een administratieve geldboete met uitstel; Het toestaan van uitstel of het verlagen van de administratieve geldboete rekening houdende met verzachtende omstandigheden is geen recht, maar een gunst die kan worden toegekend aan overtreders hetzij vanwege hun gedrag, hetzij vanwege specifieke omstandigheden van de overlading; Er dient te worden benadrukt dat er geen precedentenwerking voorhanden is. De verwijzing naar de soortelijke zaak waarbij de geldboete met een deel uitstel werd opgelegd, mist aldus feitelijke grondslag. Elk dossier dient apart te worden beoordeeld. In huidig dossier wordt het handelen en nalaten van de chauffeur Johnny Ghistelinck onderzocht, andere beoordelingen doen in casu niet ter zake. Uitstel Appelanten verwijzen naar artikel 18, §1 van het decreet en verzoeken om de administratieve geldboete geheel of gedeeltelijk met uitstel op te leggen. Appelanten halen onderstaande elementen aan opdat deze gunst zou kunnen worden gerechtvaardigd: Appellanten organiseerden onmiddellijk na de inbreuk opleidingen voor haar chauffeurs. Appellanten leggen hiervan een factuur neer. Na onderzoek is gebleken dat de georganiseerde opleiding een algemene opleiding betreft. Appellanten schetsen niet op voldoende wijze hoe een algemene opleiding overladingen in de toekomst zal doen vermijden. Er kan wel worden besloten dat een klein onderdeel van de opleiding handelt over massa’s; Appellanten stellen dat in de loop van 2018 verscheidene investeringen zullen worden gedaan, teneinde overladingen in de toekomst te vermijden. Zo zullen nieuwe voertuigen worden uitgerust met aslastindicatoren. Toekomstige investeringen waarvan geen bewijzen worden neergelegd, kunnen niet worden aangenomen als een element dat de gunst van het uitstel rechtvaardigt, nu niet met zekerheid kan worden gesteld dat de investeringen zullen worden verricht. De e-mail van de leverancier Scania bewijst niet op afdoende wijze, dat het voertuigen betreffen die werden aangekocht naar aanleiding van de vastgestelde inbreuk; Het ontbreken van nieuwe inbreuken alsook de algemene vakbekwaamheid code 95 van de chauffeur zijn geen elementen die de gunst van het uitstel kunnen rechtvaardigen; Tot slot halen appellanten aan dat naar aanleiding van de inbreuk, de samenwerking met de derde verlader werd stopgezet. Er kan worden aangenomen dat het stopzetten van een samenwerking overladingen in de toekomst kan vermijden. Deze maatregel rechtvaardigt de gunst van het uitstel. De administratieve geldboete wordt bepaald op 4000 euro, waarvan 1000 euro met uitstel voor een periode van drie jaar.”
- In artikel 17, § 2, juncto artikel 14 van het decreet bijzonder wegtransport, worden de minimale boetes voor de vastgestelde overladingen XII-8583-12/17 bepaald, zij het dat op grond van artikel 17, § 2, vierde lid, van hetzelfde decreet verzachtende omstandigheden in acht kunnen worden genomen om een geldboete op te leggen onder het bij decreet bepaalde minimum. Voorts kan de sanctionerende overheid op grond van artikel 18 van het voormelde decreet onder bepaalde voorwaarden een geheel of gedeeltelijk uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling toekennen. Te dezen werd de minimumboete opgelegd voor de vastgestelde overlading, namelijk 4.000 euro, met een uitstel van de tenuitvoerlegging van de betaling van de geldboete voor een bedrag van 1.000 euro voor een periode van drie jaar. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen betogen, blijkt uit de bestreden beslissing dat de verwerende partij een onderzoek heeft gevoerd omtrent de door de verzoekende partijen aangevoerde verzachtende omstandigheden. Zo wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk ingegaan op het argument van de overlading door een derde en waarom dit argument niet als een verzachtende omstandigheid wordt weerhouden, namelijk omdat de overlading dermate was dat de chauffeur deze had moeten vermoeden en opmerken. De verwerende partij overweegt daarbij dat er kan worden aangenomen dat een normaal voorzichtige en redelijke chauffeur, in dezelfde feitelijke omstandigheden, een trekasoverlading van 2650 kg zou hebben opgemerkt. De verzoekende partijen tonen niet in concreto aan dat deze beoordeling de grenzen van een redelijke beoordeling te buiten gaat. Wat betreft het niet overladen zijn van andere transporten die op diezelfde dag in opdracht van de tweede verzoekende partij werden uitgevoerd, wijst de verwerende partij erop dat met de bestreden beslissing het handelen en nalaten van de chauffeur zelf wordt onderzocht zodat de overige transporten die de tweede verzoekende partij die dag eventueel liet uitvoeren niet ter zake doen. Met de bestreden beslissing werd inderdaad een administratieve geldboete opgelegd aan de chauffeur, eerste verzoekende partij, die als overtreder een inbreuk heeft begaan op het decreet bijzonder wegtransport. De tweede verzoekende partij werd slechts burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de XII-8583-13/17 betaling van de geldboete. Gelet daarop tonen de verzoekende partijen niet aan dat de verwerende partij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat voor andere transporten die dag geen overlading werd vastgesteld voor het aanvaarden van het bestaan van mogelijk verzachtende omstandigheden in hoofde van de overtreder.
- Met betrekking tot het aangevoerde gebrek aan precedenten wijst de verwerende partij er terecht op dat op grond van artikel 17, § 2, van het decreet bijzonder wegtransport de administratieve geldboete verdubbeld mag worden wanneer binnen een periode van één jaar die volgt op de datum waarop een inbreuk werd gepleegd, die achteraf aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van een administratieve geldboete of een strafrechtelijke sanctie, opnieuw een inbreuk wordt gepleegd. Hoewel dit op zich niet wegneemt dat voor precedenten die zouden dateren van meer dan één jaar voor de datum waarop de inbreuk werd gepleegd geen verdubbeling van de administratieve geldboete kan worden opgelegd, tonen de verzoekende partijen niet aan dat het gebrek aan precedenten in ieder geval tot een mildering van de straf aanleiding moet geven of dat de verwerende partij buiten de perken van de redelijkheid oordeelde door dit element te dezen niet als een verzachtende omstandigheid te beschouwen. In dat verband mag met de verwerende partij worden vastgesteld dat het aan de verwerende partij toekomt om een eigen handhavingsbeleid te ontwikkelen waarbij rekening wordt gehouden met de in de parlementaire voorbereiding van het decreet van 24 juni 2005 ‘houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005’ gegeven aanwijzingen dat verzachtende omstandigheden restrictief moeten worden toegepast en dat het niet de bedoeling is de zware boeten systematisch te verlagen onder het wettelijk minimum. Binnen het kader van de decretale bepalingen, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging, oordeelt de verwerende partij over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden. Hetzelfde geldt voor het al dan niet verlenen van een geheel of gedeeltelijk uitstel voor wat de opgelegde administratieve geldboete betreft. XII-8583-14/17 Daarnaast wordt vastgesteld dat de door de verzoekende partijen aangevoerde elementen met het oog op het verkrijgen van een uitstel van de straf werden onderzocht. Met betrekking tot het argument dat de vrachtwagenbestuurders een opleiding hebben genoten, wordt in de bestreden beslissing overwogen dat het om een algemene opleiding gaat waarvan onvoldoende wordt aangetoond hoe deze opleiding overladingen in de toekomst zal vermijden. Ten aanzien van het argument dat in de loop van 2018 verscheidene investeringen zullen worden gedaan teneinde overladingen in de toekomst te vermijden zoals het uitrusten van nieuwe voertuigen met aslastindicatoren wordt in de bestreden beslissing overwogen dat toekomstige investeringen waarvan geen bewijzen worden neergelegd, niet kunnen worden aangenomen als een element dat de gunst van het uitstel rechtvaardigt, nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de investeringen zullen worden verricht. Voorts wordt overwogen dat het e-mailbericht van de leverancier Scania niet op afdoende wijze bewijst dat het voertuigen betreffen die werden aange- kocht naar aanleiding van de vastgestelde inbreuk. Geen van deze overwegingen wordt door de verzoekende partijen aan een inhoudelijke kritiek onderworpen zodat niet wordt aangetoond dat deze overwegingen de grenzen van een redelijke beoordeling zouden te buiten gaan. Tot slot wordt in de bestreden beslissing aangenomen dat het stopzetten van de samenwerking met de verlader overladingen in de toekomst kan vermijden zodat op grond van dit argument een gedeeltelijk uitstel van de geldboete ten bedrag van 1.000 euro voor een periode van drie jaar wordt toegekend.
- Gelet op het voorgaande kan de kritiek van de verzoekende partijen dat uit de bestreden beslissing niet op afdoende wijze blijkt dat de door de verzoekende partijen aangevoerde verzachtende omstandigheden werden onderzocht en dat deze omstandigheden niet op grond van voldoende draagkrachtige motieven zouden zijn verworpen, niet worden bijgevallen. XII-8583-15/17 Met betrekking tot de aangevoerde kritiek dat de bestreden beslissing niet redelijk te verantwoorden is en genomen zou zijn in strijd met het gelijkheidsbeginsel, wordt nog het volgende opgemerkt. Zoals uit de voorgaande beoordeling is gebleken, werden de door de verzoekende partijen aangevoerde verzachtende omstandigheden in de bestreden beslissing onderzocht en besproken en werd op grond van het argument dat de samenwerking met de verlader werd stopgezet aan de verzoekende partijen een gedeeltelijk uitstel van de geldboete ten bedrag van 1.000 euro voor een periode van drie jaar toegekend.
- Wat betreft de verwijzing van de verzoekende partijen naar een andere zaak waar aan een overtreder een uitstel zou zijn toegekend voor een groter deel van de opgelegde geldboete, wordt met de verwerende partij aangenomen dat elke overlading afzonderlijk dient te worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van die zaak. In dat verband wordt onder meer opgemerkt dat de zaak waar de verzoekende partijen naar verwijzen betrekking heeft op een andere chauffeur en transportfirma, dat andere concrete omstandigheden werden ingeroepen door de betrokkenen en dat deze beslissing werd genomen door de wegeninspecteur-controleur terwijl de te dezen bestreden beslissing in graad van beroep werd genomen door de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer. Het volstaat tot slot niet te verwijzen naar één ander geval waarin een lichtere bestraffing zou zijn opgelegd om aan te tonen dat er sprake is van willekeur in hoofde van de verwerende partij, noch van een schending van het gelijkheidsbeginsel.
- Gelet op het voorgaande maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat de bestreden beslissing tot stand is gekomen met schending van de in het middel vermelde bepalingen en beginselen. In de mate dat de verzoe- kende partijen nog aanvoeren dat zij er alles aan doen om hun vrachtwagens normconform uit te rusten maar dat zij op een technische onmogelijkheid stoten, verklaren zij op geen enkele wijze waaruit deze technische onmogelijkheid dan XII-8583-16/17 wel zou bestaan, laat staan dat zij aantonen dat zij dit argument hebben aangevoerd en afdoende uiteengezet in het kader van de bestuurlijke procedure die aanleiding gaf tot het nemen van de bestreden beslissing.
- Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 40 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8583-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.354 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.