← België

Arrest 246355 - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen - 10/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.355 Rolnummer: Zaak: Arrest 246355 - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen - 10/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-17 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-24 13:27 Fiche Arrest nr 246.355 van 10 december 2019 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen Beslissing : Vernietiging Samenvoeging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 246.355 van 10 december 2019 in de zaken A. 216.920/X-16.343 A. 220.033/X-16.707 In zake : Wannes WILMS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Peeters kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD LOMMEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Opdebeek kantoor houdend te 2630 Aartselaar Karel van de Woestijnelaan 7 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp

  1. Met een verzoekschrift (zaak A. 216.920), ingediend op 10 september 2015, vraagt Wannes Wilms de nietigverklaring van: “1° de gemeenteraadsbeslissing d.d. 28 april 2015 houdende ‘
  2. Goedkeuren wijziging organogram’ […]; 2° de gemeenteraadsbeslissing d.d. 28 april 2015 houdende ‘
  3. Goedkeuren wijziging samenstelling managementteam’ […]; 3° de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van onbekende datum, houdende samenstelling van het bestuurscollege […].” Met een verzoekschrift (zaak A. 220.033), ingediend op 18 augustus 2016, vraagt hij de nietigverklaring van: X-16.343-16.707-1/41 “
  4. De gemeenteraadsbeslissing d.d. 28 juni 2016 houdende ‘23 Wijziging organogram’ […];
  5. De gemeenteraadsbeslissing d.d. 28 juni 2016 houdende ‘24 Wijziging personeelsformatie’ […];
  6. De gemeenteraadsbeslissing d.d. 28 juni 2016 houdende ‘25 Wijziging RPR: bijlage 4’ […];
  7. De gemeenteraadsbeslissing d.d. 28 juni 2016 houdende ‘26 Wijziging RPR: terbeschikkingstelling’ […];
  8. De beslissing van het college van burgemeester en schepenen d.d. 28 juni 2016 houdende ‘Ambtshalve herplaatsing: Wannes Wilms’ […];
  9. De beslissing van het college van burgemeester en schepenen d.d. 28 juni 2016 houdende ‘Terbeschikkingstelling aan politiezone: Wannes Wilms’ […].” Bijkomend vraagt verzoeker dat de verwerende partij wordt bevolen om hem opnieuw in zijn ambt van afdelingshoofd Organisatie en Ontwikkeling op te nemen en om zich te onthouden van verdere pogingen om hem uit de stadsdiensten en leidinggevende functies te weren, een en ander onder verbeurte van een dwangsom. II. Verloop van de rechtspleging
  10. De verwerende partij heeft in beide zaken een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft in beide zaken een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft in beide zaken een verslag opgesteld. Verzoeker heeft in beide zaken een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft in beide zaken een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 oktober
  11. Kamervoorzitter Johan Lust heeft in beide zaken verslag uitgebracht. X-16.343-16.707-2/41 Advocaat Tom Peeters, die in beide zaken verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die in beide zaken verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  12. III. Feiten 3.
  13. Verzoeker werd destijds bij de stad Lommel benoemd als afdelingshoofd Organisatie en Ontwikkeling en maakte als zodanig, met de stadssecretaris, de financieel beheerder en de andere drie afdelingshoofden – Claudie Van Endert, Ronny Vanhoof en Mario Geuens – deel uit van het managementteam. 3.
  14. Op 22 januari 2013 keurt de gemeenteraad van de stad Lommel een nieuw organogram goed. Het voorziet in de overstap van een verticale naar een horizontale structuur, waarbij de bestaande afdelingen en de bestaande functies van afdelingshoofd verdwijnen. Nog op 22 januari 2013 stelt de gemeenteraad het managementteam voor de legislatuur 2013-2018 samen. Verzoeker wordt niet vermeld, Claudie Van Endert evenmin. Wel vermeld zijn Ronny Vanhoof en Mario Geuens. Op 14 maart 2013 neemt de stadssecretaris de beslissing om verzoeker bij dienstaanwijzing te werk te stellen bij de diensten van de vzw Erfgoed Lommel, in de functie van medewerker Beleid en Vorming. De Raad van State vernietigt bij arrest nr. 230.457 van 10 maart 2015 de voormelde gemeenteraadsbeslissingen van 22 januari
  15. Vastgesteld X-16.343-16.707-3/41 wordt dat in de nieuwe structuur nog slechts twee van de vier gewezen afdelingshoofden een functie als leidinggevende en een plaats in het managementteam behouden, terwijl verzoeker en Claudie Van Endert als leidinggevende én in het managementteam plaats moeten maken voor anderen. Het arrest overweegt dat niet blijkt op grond van welke afweging en motieven de verwerende partij daartoe gekomen is. Als gevolg hiervan vernietigt de Raad van State bij arrest nr. 230.458 van 10 maart 2015 ook de dienstaanwijzing van 14 maart
  16. 3.
  17. Op 31 maart 2015 beslist de stadssecretaris opnieuw tot dienstaanwijzing van verzoeker in de functie van medewerker Beleid en Vorming bij de vzw Erfgoed Lommel, in afwachting van een beslissing over het gevolg dat aan de vernietigingsarresten van de Raad van State zal worden gegeven. 3.
  18. Op 28 april 2015 beslist de gemeenteraad: “het nieuwe organogram goed [te keuren]. Er wordt gestart met de werking van een bestuurscollege en van een college van secretarissen. De verticale structuur wordt vervangen door een horizontale structuur waardoor de bestaande afdelingen en de bestaande functies van afdelingshoofd verdwijnen.” De gemeenteraadsbeslissing om het nieuwe organogram goed te keuren is de eerste bestreden beslissing in de zaak A. 216.
  19. De gemeenteraadsbeslissing om te starten met de werking van een bestuurscollege, en die de samenstelling ervan bepaalt in haar considerans, is de derde bestreden beslissing in de zaak A. 216.
  20. Eveneens op 28 april 2015 beslist de gemeenteraad dat van het managementteam (nog alleen) deel uitmaken: de stadssecretaris, de financieel beheerder en de burgemeester (adviserend). Dit is de tweede bestreden beslissing in de zaak A. 216.
  21. X-16.343-16.707-4/41 3.
  22. Op 13 oktober 2015 stemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Lommel in met het principe van een aanpassing van de personeelsformatie, evenals van een wijziging van de rechtspositieregeling, te weten van de bijlage 4 waarin de functies van de personeelsformatie zijn opgenomen. De aanpassing houdt in dat, gelet op de invoering van een horizontale structuur die geen onderscheid meer wil maken tussen de functies van diensthoofden en afdelingshoofden, zodat de hiërarchisch hogere functies van afdelingshoofd worden afgeschaft, vier nieuwe, uitdovende, functies van afdelingshoofd worden ingevoerd, die in het kader van een procedure van “ambtshalve herplaatsing van het vast aangestelde statutaire personeelslid in een functie van dezelfde rang” zullen worden aangeboden aan de personeelsleden wier vroegere functie is afgeschaft. Overwogen wordt dat de ambtshalve herplaatsing met de betrokkenen zal worden overlegd en dat de resultaten van de hoorzitting zullen worden afgewacht alvorens een definitief voorstel aan de gemeenteraad voor te leggen. Op 3 november 2015 wordt verzoeker gehoord over het voorstel om hem ambtshalve te herplaatsen naar de functie van afdelingshoofd Beleidsadviseur Erfgoed Lommel (uitdovend). Naar aanleiding van problemen in de samenwerking tussen verzoeker en de vzw Erfgoed Lommel wordt eind 2015 tegen hem een tuchtonderzoek gevoerd, dat wordt stopgezet, en wordt hem een nieuw voorstel van ambtshalve herplaatsing aangeboden, tot afdelingshoofd Beleidsadviseur politie (uitdovend). Hij wordt er op 17 mei 2016 over gehoord. 3.
  23. Op 28 juni 2016 keurt de gemeenteraad een paar wijzigingen goed aan het op 28 april 2015 goedgekeurde organogram, onder andere de toevoeging van een dienst “Beleidsadvies (uitdovend)”. Dat is de eerste bestreden beslissing in de zaak A. 220.
  24. X-16.343-16.707-5/41 Voorts keurt de gemeenteraad op die dag de personeelsformatie goed, die onder meer voorziet in vier uitdovende functies van afdelingshoofd. Het is de tweede bestreden beslissing in de zaak A. 220.
  25. Nog dezelfde dag keurt de gemeenteraad, ten gevolge van de wijzigingen in de personeelsformatie, een aanpassing van de bijlage 4 bij de rechtspositieregeling (RPR) voor het personeel van de stad Lommel goed. Dit is de derde bestreden beslissing in de zaak A. 220.
  26. Ook op 28 juni 2016 beslist de gemeenteraad vier artikelen aan de RPR toe te voegen om het mogelijk te maken dat statutaire personeelsleden ter beschikking worden gesteld. Die beslissing is de vierde bestreden beslissing in de zaak A. 220.
  27. Na te hebben geantwoord op het verweerschrift dat verzoeker naar aanleiding van de hoorzitting van 17 mei 2016 bezorgde, beslist het college van burgemeester en schepenen op 28 juni 2016 hem vanaf 1 juli 2016 te herplaatsen in de functie van afdelingshoofd Beleidsadviseur politie (uitdovend). Het is de vijfde bestreden beslissing in de zaak A. 220.
  28. Ten slotte beslist het college van burgemeester en schepenen op 28 juni 2016 eveneens om verzoeker ter beschikking te stellen van de politiezone Lommel, met ingang van 1 juli 2016 tot 31 december
  29. Dit is de zesde bestreden beslissing in de zaak A. 220.
  30. IV. Samenvoeging
  31. De beslissingen die in de zaken A. 216.920 en A. 220.033 worden aangevochten, hangen samen. Er is reden de zaken in het belang van een goede rechtsbedeling samen te voegen. X-16.343-16.707-6/41 V. Onderzoek van de zaak A. 216.920 A. Ontvankelijkheid Exceptie
  32. Het beroep is volgens de verwerende partij onontvankelijk in zoverre het tegen de derde bestreden beslissing gericht is. Die beslissing zou onbestaande zijn en zou niet voor een annulatieberoep vatbaar zijn. Immers is het bestuurscollege een orgaan “waarvan het Gemeentedecreet het bestaan niet (er)kent” en heeft het geen enkele door de wet toegewezen bevoegdheid; de oprichting ervan is “een loutere maatregel van inwendige orde met als doel de interne werking van het college en de samenwerking tussen college en administratie te regelen”. Beoordeling
  33. Samen met de beslissing om een nieuw organogram goed te keuren, nam de gemeenteraad op 28 april 2015 ook de beslissing om te starten met de werking van een bestuurscollege en bepaalde hij de samenstelling ervan. Dat een beslissing tot oprichting van het bestuurscollege er slechts een is die “misschien zal worden genomen”, zoals de verwerende partij beweert, is dus zonder meer onjuist. Ze werd wel degelijk genomen. In zoverre mist de exceptie feitelijke grond.
  34. Voor het overige valt het onderzoek van de exceptie samen met dat van de grond van de zaak. Juist immers omdat het gemeentedecreet geen plaats inruimt voor een bestuurscollege en er geen bevoegdheden aan toewijst, mag het bestuurscollege naar de mening van verzoeker niet de adviserende rol van het managementteam overnemen, wat het volgens zijn middelen ten onrechte wel doet. X-16.343-16.707-7/41 B. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 8.
  35. In het eerste middel, afgeleid uit “Machtsafwending, minstens schending van artikel 87, 4 en artikel 96 van het gemeentedecreet”, viseert een eerste middelonderdeel “de vervanging van het managementteam door het bestuurscollege”. Onder meer wordt in het middelonderdeel artikel 96 van het gemeentedecreet geschonden genoemd. Luidens dat artikel bestaat het managementteam uit alle andere leden, dan de gemeentesecretaris, adjunct- gemeentesecretaris en financieel beheerder, die geen mandataris zijn en waarvan de deelname aan het managementteam nuttig wordt geacht voor het functioneren van de gemeente. Naar de mening van verzoeker bewijst de samenstelling van het bestuurscollege dat er wel dergelijke “andere leden die geen mandataris zijn en waarvan de deelname aan het managementteam nuttig wordt geacht voor het functioneren van de gemeente” bestaan, terwijl zij niet in het managementteam zijn opgenomen. 8.
  36. Een tweede middelonderdeel richt zich tegen de motivering voor de afschaffing van het niveau van de afdelingshoofden. In de eerste plaats wordt er op gewezen dat de bestreden beslissing in strijd met artikel 75, tweede lid, van het gemeentedecreet stilzwijgend is over de samenstelling van het managementteam. Voorts wordt uiteengezet dat zowel de oprichting van een bestuurscollege als het integreren van de verschillende onderdelen van de organisatie mogelijk zijn met behoud van de functie van afdelingshoofd. De organisatiewijziging is niet het gevolg van het vormingstraject “Ja, ik wil” van X-16.343-16.707-8/41 2011, maar is er gekomen naar aanleiding van de evaluatieve feedback die de stadssecretaris op 10 februari 2012 gaf over het managementteam. Volgens verzoeker is de schrapping van de betrekking van afdelingshoofd in het organogram samen met de ermee samenhangende schrapping van het lidmaatschap van verzoeker en Claudie Van Endert van het managementteam de praktische voorwaarde om het doel van de aanpassing te realiseren, namelijk er “op een ogenschijnlijk geoorloofde wijze” voor zorgen dat de betrokken ambtenaren niet langer informatie verwerven die bepalend is voor het beleid en monddood worden gemaakt, zodat kritische opmerkingen niet langer naar de openbaarheid kunnen doorstromen. Er is zijns inziens sprake van machtsafwending. 9.
  37. De verwerende partij antwoordt in de eerste plaats dat in het eerste middelonderdeel niet duidelijk wordt uiteengezet waarin de schending van artikel 96 van het gemeentedecreet bestaat. In zoverre het middelonderdeel zou bekritiseren dat de verwerende partij ten onrechte het managementteam heeft vervangen door een bestuurscollege, is het volgens haar manifest ongegrond: “De verwerende partij heeft noch het managementteam afgeschaft, noch het managementteam vervangen door een bestuurscollege.” De gemeenteraad, aldus de verwerende partij besloot, gebruik makend van zijn discretionaire bevoegdheid ter zake, het managementteam een minimale invulling te geven. Deze samenstelling is volstrekt wettig. Door geen andere leden dan de stadssecretaris, de financieel beheerder en de burgemeester op te nemen, wordt volgens de verwerende partij ook tegemoet gekomen aan de kritiek van de Raad van State op de vorige samenstelling van het managementteam. Inderdaad, zegt de verwerende partij, is het bestuurscollege geen door de wet erkend orgaan en heeft het geen enkele door de wet toegewezen bevoegdheid. Het is “een loutere formalisering van een bestaande praktijk waarbij het college voorafgaand aan zijn besluitvorming overleg pleegt met de administratie over de ontwerpen van collegebesluit en deze laat toelichten door X-16.343-16.707-9/41 de administratie”. Precies omdat het anders is samengesteld en een gans andere taak uitoefent, kan het geenszins als een “‘officieus’ managementteam” worden beschouwd. 9.
  38. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel betoogt de verwerende partij dat verzoeker verkeerdelijk ervan uitgaat “dat het de bedoeling is om hem te elimineren, en dat het middel daartoe de reorganisatie van de stedelijke organisatie is”. Dat hij niet langer de functie van afdelingshoofd bekleedt, is een uitvloeisel van de doorgevoerde reorganisatie, waarbij werd overgestapt van een verticale organisatiestructuur, met afdelingen aangestuurd door een afdelingshoofd, naar een horizontale structuur, waarin de afdelingen en de bestaande functies van afdelingshoofd zijn verdwenen. De keuze voor de horizontale structuur wordt verantwoord door de wens om de organisatiestructuur zo eenvoudig en doorzichtig mogelijk te maken, door de complexiteit van de thema’s die steeds wisselende diensten/partners noodzaakt, en door de optie om het dagelijks beheer los te koppelen van de hiërarchie. Daarom is het afdelingsniveau verdwenen en worden de diensthoofden versterkt in hun leidinggevende opdracht. Het organogram is, zo meent de verwerende partij nog, in overeenstemming met artikel 75 van het gemeentedecreet. De beslissing moet “uiteraard worden gelezen in samenhang met de stukken van het dossier, waaronder de presentatie ‘nieuwe legislatuur – nieuwe organisatie’”. Verzoekers kritiek op de reorganisatie en de daaruit voortvloeiende wijziging van de samenstelling van het managementteam is “een loutere opportuniteitskritiek”: “het is niet omdat een verticale organisatiestructuur meer voorkomt, of verzoeker beter uitkomt, dat een horizontale onwettig zou zijn”. Beoordeling
  39. Het eerste middelonderdeel is niet onduidelijk. De verwerende partij heeft het overigens goed begrepen. X-16.343-16.707-10/41
  40. De toentertijd geldende artikelen 96 tot 98 van het gemeentedecreet bepalen: “Art. 96 Er is in elke gemeente een managementteam. Onverminderd het derde lid, bestaat het managementteam uit de gemeentesecretaris, de adjunct-gemeentesecretaris, de financieel beheerder en alle andere leden die geen mandataris zijn en waarvan de deelname aan het managementteam nuttig wordt geacht voor het functioneren van de gemeente. De burgemeester, of in voorkomend geval de schepen door hem aangeduid, maakt met raadgevende stem deel uit van het managementteam. De gemeenteraad is bevoegd voor de aanstelling en het ontslag van de leden van het managementteam, vermeld in het tweede lid, en treedt ten aanzien van hen op als tuchtoverheid. Art. 97 Het managementteam vergadert geregeld onder het voorzitterschap van de gemeentesecretaris. Art.
  41. Het managementteam ondersteunt de coördinatie van de gemeentelijke diensten bij de beleidsvoorbereiding, de beleidsuitvoering en de beleidsevaluatie. Het managementteam bewaakt de eenheid in de werking, de kwaliteit van de organisatie en de werking van de gemeentelijke diensten, alsook de interne communicatie.”
  42. Tijdens de parlementaire voorbereiding (memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot het gemeentedecreet van 15 juli 2005 leidde; Parl.St. Vl.Parl. 2004-2005, stuk 347/1) werd in verband met die bepalingen onder meer uiteengezet (p. 19) dat het organisatorisch management in een moderne organisatiecultuur verbonden is met een groepsdynamiek van de verschillende leidinggevende ambtenaren, dat met de verplichting om een managementteam in te stellen uitdrukkelijk is gekozen voor samenwerking en verbondenheid van de verschillende onderdelen van de gemeentelijke organisatie, en dat het managementteam het sluitstuk vormt van het organisatiemodel van de gemeentelijke diensten – zijnde een zogenaamd “diensthoofdenmodel” dat tot uiting komt in de verplichting voor de gemeentesecretaris om bij het uitoefenen van zijn voorbereidende taken overleg te plegen met het managementteam. Tevens werd toegelicht (p. 75) met betrekking tot het voorgenomen artikel 96 dat de regeling van de samenstelling van het X-16.343-16.707-11/41 managementteam voldoende ruimte laat voor lokale invulling, maar dat men “natuurlijk niet willekeurig te werk [kan] gaan”: “Wie het managementteam ernstig neemt, zorgt ervoor dat de belangrijkste diensthoofden er deel van uitmaken”. Verklaard wordt ook (p. 75) dat het managementteam “in elk geval een ambtelijk orgaan” is: “Uiteraard staat het gemeentebesturen vrij periodiek overleg te organiseren tussen het managementteam en bijvoorbeeld de leden van het college, doch politieke mandatarissen maken geen deel uit van het managementteam”.
  43. Te dezen besloot de verwerende partij op 22 januari 2013 om het managementteam voor de legislatuur 2013-2018 samen te stellen als volgt: “
  44. Johan Claes, stadssecretaris (co-voorzitter)
  45. Henri Leen, OCMW-secretaris (co-voorzitter)
  46. Bart Voordeckers, zonechef
  47. Jan Jorissen, brandweercommandant
  48. Ronny Vanhoof, secretaris AGB Patrimonium
  49. Danny Cools, secrearis AGB Sport en Recreatie
  50. Elke Steensels, manager Toerisme Lommel
  51. Carine Joos, financieel beheerder
  52. Jacqueline Hendrickx, HRM-adviseur
  53. Mario Geuens, technisch adviseur
  54. Raadgevend: Peter Vanvelthoven, burgemeester.” Tevens werd in de oprichting van een bestuurscollege voorzien, bestaande uit het schepencollege, uitgebreid met: “
  55. de stadssecretaris
  56. de OCMW-secretaris
  57. de zonechef van de politiezone
  58. de brandweercommandant van de brandweerzone
  59. de secretaris AGB Patrimonium
  60. de secretaris AGB Sport en Recreatie
  61. de manager Toerisme Lommel
  62. de financieel beheerder
  63. de HRM adviseur
  64. de technisch adviseur.” Nadat de Raad van State de beslissing van 22 januari 2013 tot samenstelling van het managementteam vernietigde bij arrest nr. 230.457 van X-16.343-16.707-12/41 10 maart 2015 omdat niet blijkt op grond van welke afweging en motieven verzoeker niet zijn plaats in het managementteam behield, besluit de gemeenteraad met de tweede bestreden beslissing om het aantal leden van het managementteam te herleiden tot het absolute minimum: de stadssecretaris en de financieel beheerder. Tegelijk besluit de gemeenteraad, middels de eerste bestreden beslissing, om te starten met de werking van een bestuurscollege dat naast de leden van het schepencollege zal bestaan uit: “- Stadssecretaris - OCMW-secretaris - Secretaris AGB Sport en Recreatie - Secretaris AGB Patrimonium - Zonechef politie - Zonechef brandweer - Manager Toerisme Lommel - Deskundige financiën - Deskundige HRM - Deskundige technische zaken.” De beperking van het aantal leden van het managementteam wordt in de tweede bestreden beslissing als volgt toegelicht: “Gezien de leidinggevende functies binnen de organisatie en de deskundigen in het vakgebied financiën, HRM en technische zaken reeds deel uitmaken van het bestuurscollege, en bijgevolg alle beslissingen samen met de leden van het college kunnen overleggen; Gezien er dus geen noodzaak meer bestaat om deze collega’s nog langer bijkomend op te nemen in het managementteam; Gezien op deze manier eveneens wordt tegemoetgekomen aan de overwegingen van de Raad van State dat een verschillende behandeling van de afdelingshoofden dient gemotiveerd te worden.”
  65. Dat de verwerende partij bij de samenstelling van het managementteam over een discretionaire bevoegdheid beschikt, betekent niet dat de beweegredenen waardoor zij zich bij die samenstelling laat leiden niet deugdelijk hoeven te zijn. X-16.343-16.707-13/41
  66. Een eerste motief om niet meer de leidinggevende functies in het managementteam op te nemen, is dat zij al deel uitmaken van het bestuurscollege. Dat motief bevreemdt. Evengoed maakten de leidinggevende functies deel uit van het bestuurscollege vóór het vernietigingsarrest nr. 230.457 van 10 maart
  67. Toén was dat voor de verwerende partij geen reden om ze niet eveneens – bij gemeenteraadsbeslissing van 22 maart 2013 – in het managementteam op te nemen. In elk geval accordeert het motief niet met het opzet van artikel 96 van het gemeentedecreet, dat, door specifiek een ambtelijk managementteam verplicht te stellen, doelbewust voor dit samenwerkingsmodel kiest tussen de gemeentesecretaris en financieel beheerder, en de andere leidinggevenden – reden waarom, aldus de parlementaire voorbereiding, “[e]r mag worden verwacht dat minimaal de secretaris, de financieel beheerder en de voornaamste diensthoofden [van het managementteam deel] uitmaken” (Parl.St. Vl.Parl. 2004-2005, stuk 347/1, 19). Het doet dan ook geen, of minstens onvoldoende, recht aan het artikel en zijn ratio om, zoals met de tweede bestreden beslissing gebeurt, deze voornaamste diensthoofden buiten het managementteam te houden omdat er “geen noodzaak meer bestaat” om hen er nog “bijkomend” in op te nemen nu zij toch reeds in het bestuurscollege zitten, zijnde een louter informeel, zogenaamd juridisch onbestaand, en niet louter ambtelijk orgaan.
  68. Het argument dat door de drastische afslanking van het managementteam wordt tegemoetgekomen aan de overwegingen in het arrest van de Raad van State nr. 230.457 van 10 maart 2015 verhelpt dat niet. Het zou gebeurlijk anders zijn mocht het arrest tot de afslanking verplichten, maar dat is allerminst het geval. X-16.343-16.707-14/41 In het arrest wordt alleen overwogen dat er geen deugdelijke motieven voorhanden blijken voor het verlies door twee personeelsleden – in tegenstelling tot anderen – van hun functie als leidinggevende en van hun plaats in het managementteam. Met haar reactie om, afgezien van de stadssecretaris en de financieel beheerder, geen leidinggevende functies meer in het managementteam op te nemen, gaat de verwerende partij een verantwoording van de uit het arrest blijkende verschillende behandeling uit te weg. Dit is op zich niet verboden. Maar het kan evenmin beletten dat het als een kunstgreep wordt gezien dat, enerzijds, de verwerende partij alle leidinggevende functies buiten de stadssecretaris en de financieel beheerder uit het managementteam weglaat, terwijl, anderzijds, zij al deze functies wel behoudt in het bestuurscollege “waarin de leden van het schepencollege samen zullen beraadslagen met de leidinggevende ambtenaren van de administratie en een aantal deskundigen in het vakgebied financiën, HRM en technische zaken” en zij dat behoud vervolgens aangrijpt ter verklaring dat die leidinggevende functies niet langer in het managementteam nodig zijn.
  69. Uit wat voorafgaat, volgt dat de tweede bestreden beslissing niet strookt met het alsdan geldende artikel 96 van het gemeentedecreet. Voorts is er, in de concrete omstandigheden van de zaak, alleszins de schijn dat het bestuurscollege minstens ten dele dienst doet als een “officieus” managementteam. Het past die schijn alleszins ten behoeve van de duidelijkheid in het rechtsverkeer ongedaan te maken. Het eerste middelonderdeel is, zoals besproken, gegrond. Het verantwoordt de vernietiging van zowel de tweede als de derde bestreden beslissing. X-16.343-16.707-15/41 Het komt dan ook overbodig voor nog andere middelen of middelonderdelen met betrekking tot de wettigheid van die twee beslissingen te onderzoeken.
  70. Wat het tweede middelonderdeel betreft, gericht tegen de afschaffing van het niveau van de afdelingshoofden door de eerste bestreden beslissing, meent verzoeker onterecht dat de beslissing het toenmalige artikel 75, tweede lid, van het gemeentedecreet schendt door over het managementteam te zwijgen en niet de functies aan te duiden waaraan het lidmaatschap van het managementteam verbonden is. De grief mist feitelijke grond.
  71. Met die eerste bestreden beslissing wil de verwerende partij overstappen “van een verticale naar een horizontale structuur”. Deze beleidskeuze beantwoordt, volgens de in het administratief dossier opgenomen “Blauwdruk ‘nieuwe legislatuur – nieuwe organisatie’”, aan de betrachting om de organisatiestructuur zo eenvoudig en doorzichtig mogelijk te houden, aan de complexiteit van de thema’s die steeds wisselende diensten en partners noodzakelijk maakt, en aan de wil om het dagelijks beheer los te koppelen van de hiërarchie. Concreet houdt de overstap in dat het afdelingsniveau verdwijnt en dat de diensthoofden worden versterkt in hun leidinggevende opdracht. Deze verantwoording houdt direct verband met een goede werking van de gemeentelijke diensten. Opdat verzoekers kritiek als zou de eerste bestreden beslissing door machtsafwending zijn aangetast voor gegrond kan worden gehouden, dient hij aannemelijk te maken dat, het voorgaande ten spijt, het enige doel van de eerste bestreden beslissing erin gelegen is te verhinderen dat hij en een collega nog langer als lid van het managementteam kritische opmerkingen kunnen laten doorstromen naar de openbaarheid. Hij slaagt daar naar de mening van de Raad van State niet in. X-16.343-16.707-16/41
  72. Inzonderheid kan hij er niet van overtuigen dat de reorganisatie – exclusief of in essentie – zou zijn ingegeven door de negatieve “evaluatieve feedback” en beoordeling die hemzelf en Claudie Van Endert in 2012 te beurt zijn gevallen “omtrent de interactie met het beleid op bepaalde vlakken” en dat ze er om die reden – exclusief of in essentie – op gericht zou zijn de voorwaarden te scheppen om hen hun lidmaatschap van het managementteam te ontnemen. Niet zonder pertinentie merkt hij in dat verband zelf op “dat het afschaffen van de betrekking van afdelingshoofd niet nodig is om betrokkenen uit het managementteam te weren”. Het staaft het gezegde van de verwerende partij dat als zij problemen met verzoekers functioneren wou aanpakken, zij dan wel haar toevlucht tot andere, minder ingrijpende en gemakkelijkere, middelen, zoals een ongunstige evaluatie of een tuchtprocedure, kon en zou hebben genomen dan een volledige reorganisatie. Het meest plausibel dan ook acht de Raad van State de versie van de verwerende partij dat de nieuwe organisatiestructuur losstaat van het functioneren van verzoeker en dat, ofschoon er in 2012 een ongunstige evaluatie klaar lag, ze niet geformaliseerd is, onder andere omdat verzoeker na de reorganisatie toch geen afdelingshoofd meer zou zijn, evenmin als de andere afdelingshoofden.
  73. Ook het argument dat verzoeker in de memorie van wederantwoord aandraagt, en dat hij niet eerder kon bijbrengen, bewijst geen machtsafwending. Daarin wijst hij erop dat het nemen van de gemeenteraadsbeslissingen om, na de vaststelling van het organogram, de personeelsformatie te wijzigen niet zoals gepland op 15 december 2015 plaatshad, maar werd uitgesteld naar aanleiding van het starten van een tuchtprocedure tegen verzoeker: “als de invoering van de horizontale structuur de enige doelstelling van verweerster is, dan verhindert het opstarten van de X-16.343-16.707-17/41 tuchtprocedure niet dat de voorgenomen gemeenteraadsbeslissingen op 15 december 2015 genomen werden”. Zoals het feitenrelaas sub randnummer 3.5 staaft, waren de inspanningen van de verwerende partij er initieel op gericht om verzoeker in de personeelsformatie, zoals ze ten gevolge van de invoering van een horizontale organisatiestructuur normaal op 15 december 2015 door de gemeenteraad zou worden aangepast, de functie van afdelingshoofd Beleidsadviseur erfgoed Lommel (uitdovend) toe te bedelen. Dit werd doorkruist door de problemen in de samenwerking tussen verzoeker en de vzw Erfgoed Lommel. Die problemen leidden er finaal toe, nadat ze in het kader van een tuchtonderzoek werden uitgeklaard, dat de verwerende partij de voorgenomen wijziging van de personeelsformatie bijstuurde en dat de gewijzigde personeelsformatie waartoe de gemeenteraad op 28 juni 2016 besloot in een functie afdelingshoofd Beleidsadviseur politie (uitdovend) voorzag, in plaats van een functie afdelingshoofd Beleidsadviseur erfgoed Lommel (uitdovend). Voor het uitstel van de aanvankelijk op 15 december 2015 geagendeerde beslissing tot wijziging van de personeelsformatie blijkt dus een uitleg voorhanden die voldoende uitwijst dat het uitstel niet kan gelden als een bewijs dat het oogmerk van de organisatiewijziging er in essentie in zou bestaan twee kritische afdelingshoofden te “elimineren”.
  74. De slotsom met betrekking tot het besproken middelonderdeel is dat het smoren van de kritische stem van verzoeker en Claudie Van Endert wel het gevolg van de reorganisatie kan zijn, maar dat niet is aangetoond dat het ook het wezenlijke doel ervan is. Het tweede middelonderdeel van het eerste middel wordt verworpen. X-16.343-16.707-18/41 Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  75. In een tweede middel voert verzoeker de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aan. Geargumenteerd wordt dat als de gemeenteraad het organogram aanpast met als gevolg dat de betrekkingen van afdelingshoofd verdwijnen, hij dan ook de personeelsformatie moet aanpassen en een keuze moet maken “tussen de alternatieven die bij ambtsopheffing ten aanzien van de in dienst zijnde afdelingshoofden mogelijk zijn”. Het is de verwerende partij die met een voorstel moet komen “en wel, ofwel het voorstel van behoud van alle betrekking[en] van afdelingshoofd in overgangsregeling, ofwel het in disponibiliteit wegens ambtsopheffing plaatsen van alle vier de afdelingshoofden”. Zij heeft dat voorstel niet gedaan, noch in overweging genomen bij de voorbereiding van de bestreden raadsbeslissingen. Beoordeling
  76. De personeelsformatie is door de verwerende partij ook effectief aangepast geworden, bij gemeenteraadsbeslissing van 28 juni
  77. Niet gevolgd wordt dat “verweerster de beslissing i.v.m. de personeelsformatie [had] moeten nemen samen met de beslissing i.v.m. de reorganisatie”, op straffe van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.
  78. In de memorie van wederantwoord ziet verzoeker kennelijk nog uitsluitend de disponibiliteit wegens ambtsopheffing als “het enige wettelijke gevolg dat mag gegeven worden aan de afschaffing van de graad van afdelingshoofd”. Die beslissing tot indisponibiliteitstelling diende volgens verzoeker samen met de beslissing tot reorganisatie door de gemeenteraad te worden genomen, minstens overwogen. X-16.343-16.707-19/41 Deze zienswijze gaat uit van een foutieve premisse. Zoals hierna, sub randnummers 47.1 en volgende, nader beargumenteerd in het kader van verzoekers beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 28 juni 2016 om hem ambtshalve te herplaatsen in de functie van afdelingshoofd Beleidsadviseur politie (uitdovend), kon de verwerende partij ook wettig toepassing maken van een ambtshalve herplaatsing.
  79. Het tweede middel wordt in zijn geheel verworpen. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  80. Volgens een derde middel is het gelijkheidsbeginsel geschonden. Toegelicht wordt dat in de praktijk twee van de vier afdelingshoofden afdelingshoofd blijven, minstens een leidinggevende functie uitoefenen en lid zijn van het officieuze managementteam, terwijl twee anderen gedetacheerd worden naar een vzw en de facto gedegradeerd worden tot (beleids)medewerker, zonder leidinggevende opdracht. Verzoeker komt niet in aanmerking als diensthoofd en kan zelfs geen voorlopige ervaring opdoen, terwijl anderen die kans wel kregen en op grond daarvan ook die hoedanigheid mogen blijven behouden. Beoordeling
  81. De eerste bestreden beslissing schrapt alle functies van afdelingshoofd en laat de “invulling met namen” over aan het college van burgemeester en schepenen. Niet onterecht doet de verwerende partij dan ook gelden: “De kritiek over wie welke functie zal krijgen is dan ook voorbarig en kan geenszins tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen leiden daar de bestreden beslissingen volkomen los staan van de nog door het X-16.343-16.707-20/41 college van burgemeester en schepenen te nemen beslissingen over de ambtshalve herplaatsingen.” In de gegeven omstandigheden kan geen schending van het gelijkheidsbeginsel door de eerste bestreden beslissing worden vastgesteld. Het middel wordt verworpen. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  82. In een vierde middel, afgeleid uit de schending van de materiëlemotiveringsplicht, klaagt verzoeker aan dat nergens wordt aangegeven op grond van welke motieven hij en Claudie Van Endert niet langer een leidinggevende functie kunnen krijgen of niet langer binnen de stadsorganisatie werkzaam kunnen zijn. In verband met het verdwijnen van de betrekking van afdelingshoofd wordt verwezen naar het vormingstraject voor diensthoofden “Ja, ik wil” van 2011 en 2012, maar nergens wordt een document voorgelegd waaruit blijkt dat dit vormingstraject tot de conclusie kwam dat een horizontale organisatiestructuur beter is dan een verticale, waarom dat zo is en op grond van welke wetenschappelijke inzichten. Beoordeling
  83. Zoals met betrekking tot het derde middel dient ook hier te worden vastgesteld dat in het organogram dat door de eerste bestreden beslissing is vastgesteld, alleen functies worden vermeld en dat de invulling ervan nog moet gebeuren.
  84. Dat volgens de eerste bestreden beslissing de overstap van een verticale naar een horizontale structuur gebeurde “in opvolging” van het vormingstraject voor diensthoofden “Ja, ik wil” van 2011 en 2012, wil alleen maar zeggen dat hij erop gevolgd is, een uitloper ervan is. Het impliceert niet dat X-16.343-16.707-21/41 er een document voorhanden moet zijn “waaruit blijkt dat het vormingstraject tot de conclusie gekomen is dat een horizontale organisatiestructuur beter is”. Voorts is reeds bij de beoordeling van het tweede middelonderdeel van het eerste middel aangegeven dat er ter verantwoording van de horizontale organisatiestructuur redenen worden aangevoerd die met de goede werking van de gemeentelijke diensten verband houden (zie sub randnummer 19) en dat verzoeker niet doet aannemen dat, zoals hij in de memorie van wederantwoord ook met betrekking tot het besproken middel doet gelden, de reorganisatie essentieel is ingegeven door de wens om verzoeker uit zijn positie van leidinggevende te verwijderen. Overigens blijkt verzoeker zelf in een brief van eind november 2013-begin december 2013 aan zijn collega’s te hebben geschreven dat de vlakke organisatiestructuur een kans verdient (administratief dossier, stuk 21, twee laatste bladen).
  85. Het middel wordt verworpen. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  86. In een vijfde middel wordt betoogd dat het tuchtrecht of de rechtsregels rond de evaluatie geschonden zijn. Uiteengezet wordt dat het doel van de schrapping van de functie van afdelingshoofd erin bestaat verzoeker en Claudie Van Endert uit de stadsdiensten te kunnen verwijderen “zonder dat daartoe de geëigende wegen bewandeld moeten worden” als daar zijn het geven van een ongunstige evaluatie of het opleggen van een orde- of tuchtmaatregel. De eerste bestreden beslissing is een maatregel ingegeven door het gedrag van verzoeker en Claudie Van Endert, die in februari 2012 beiden negatieve evaluatieve feedback kregen bij de X-16.343-16.707-22/41 bespreking van de stadssecretaris van het functioneren van het managementteam in relatie tot het schepencollege: “Het feit dat verzoeker en mevrouw Claudie Van Endert uitgesproken standpunten hebben ingenomen en deze niet hebben willen aanpassen zonder objectieve motivatie is het reële motief om hen hun betrekking van afdelingshoofd […] af te nemen en de heren Ronny Vanhoof en Mario Geuens […] hun leidinggevende taken te laten behouden”. De bestreden beslissingen houden in wezen een tuchtsanctie in, zonder dat de tuchtprocedure is gevolgd. Waar de schrappingen van de betrekkingen en van het lidmaatschap berusten op een negatieve evaluatieve feedback van de betrokkenen, moest de toepasselijke evaluatieprocedure zijn uitgevoerd. Beoordeling
  87. Hiervóór (sub randnummers 19 en volgende) is al aangenomen dat de nieuwe organisatiestructuur losstaat van het functioneren van verzoeker en, zo ze weliswaar niet zonder gevolgen is voor hem, toch niet geacht kan worden wezenlijk tot doel te hebben om hem en Claudie Van Endert op oneigenlijke wijze hun leidinggevende functie te ontnemen of uit de stadsdiensten te kunnen verwijderen.
  88. De omstandigheid dat, zoals verzoeker in de laatste memorie argumenteert, er bij zijn ambtshalve herplaatsing “‘bepaalde elementen’ uit de evaluatie van het gedrag van verzoeker een belangrijke en impactrijke rol voor de inhoud van de functie hebben gespeeld” of dat zijn terbeschikkingstelling bij de politie “een verdoken tuchtsanctie uitmaakt”, betreffen niet de eerste bestreden beslissing, maar andere beslissingen die niet tot het voorwerp van het beroep in de zaak A. 216.920 behoren.
  89. Het middel wordt verworpen. X-16.343-16.707-23/41 VI. Onderzoek van de zaak A. 220.033 Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  90. Volgens een eerste middel kan hoofdstuk XIbis “Terbeschikkingstelling” van de rechtspositieregeling alleen op contractuele personeelsleden van toepassing zijn. Het moet voor de rechtszekerheid en de duidelijkheid in het rechtsverkeer vernietigd worden. Beoordeling
  91. Met de vierde bestreden beslissing voegt de gemeenteraad een hoofdstuk XIbis “Terbeschikkingstelling”, bestaande uit vier artikelen (artikelen 303-306), aan de rechtspositieregeling voor het personeel van de stad Lommel toe omdat “het wenselijk is om de mogelijkheid te voorzien voor statutaire personeelsleden om ter beschikking gesteld te kunnen worden”. Artikel 303, § 1, schrijft voor: “Het vast aangestelde personeelslid kan ter beschikking gesteld worden van een gebruiker onder de voorwaarden bepaald in dit hoofdstuk.” Artikel 305 bepaalt de voorwaarden waaraan “[d]e terbeschikkingstelling van het vast aangestelde personeelslid is onderworpen”.
  92. Anders dus dan verzoeker in het verzoekschrift doet gelden, wijzen de ingevoegde bepalingen allerminst erop dat het hoofdstuk “uitsluitend op contractuele personeelsleden van toepassing kan zijn”. Integendeel voorzien ze er expliciet in dat een vast aangesteld personeelslid overeenkomstig artikel XIbis ter beschikking kan worden gesteld.
  93. Dat, zoals verzoeker in de memorie van wederantwoord betoogt, de term “het vast aangestelde personeelslid” “even goed” kan verwijzen X-16.343-16.707-24/41 naar een contractueel personeelslid dat een contract voor onbepaalde duur heeft getekend, wordt niet gevolgd. Zoals artikel 2 van de rechtspositieregeling voor het personeel van de stad Lommel doet kennen, is een contractueel personeelslid in dienst genomen bij arbeidsovereenkomst; het vast aangestelde of “in vast verband benoemd[e]” personeelslid is bij eenzijdige beslissing van de overheid vast aangesteld in statutair dienstverband. “Vast aangesteld” is voorbehouden aan statutaire personeelsleden.
  94. Komt verzoeker er in de laatste memorie dan toch toe sommige bepalingen van het nieuw ingevoegde hoofdstuk XIbis “van kracht” te achten op vast benoemde personeelsleden, tegelijk brengt hij nieuwe argumenten aan die moeten staven dat hoofdstuk XIbis niet op hem kan worden toegepast. Het gaat om een onontvankelijke uitbreiding van het middel. De argumentatie kon ook al eerder, in het verzoekschrift, zijn aangevoerd. Overigens is ze niet van die aard dat ze aanleiding geeft tot het ambtshalve aanvoeren van een middel.
  95. Het middel wordt verworpen. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  96. In een tweede middel voert verzoeker in een eerste middelonderdeel aan dat een ambtshalve herplaatsing vanuit de personeelsformatie van de stad naar een gelijke rang in het administratief en logistiek kader van de politiezone onwettig is gelet op artikel 118, tweede lid, van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’. X-16.343-16.707-25/41 Volgens een tweede middelonderdeel moet de functie waarnaar herplaatst wordt “kaderen in de rang die het personeelslid had voor de ambtshalve herplaatsing”. Die rang is deze van afdelingshoofd, met andere woorden van iemand die leiding geeft aan diensthoofden. Evenwel krijgt verzoeker geen taken in die rang: zijn takenpakket bevat geen leidinggevende taken. In een derde middelonderdeel argumenteert verzoeker dat de ambtshalve herplaatsing zich voordoet als een verkapte tuchtmaatregel. Het afschaffen van de rang van afdelingshoofd is bedoeld om verzoeker uit de stadsdiensten te verwijderen om reden van zijn vermeend disfunctioneren. Aangezien de vermeende feiten die verzoeker verweten worden het stadsbestuur sedert meer dan zes maanden bekend waren, is gelet op artikel 130, § 1, van het gemeentedecreet een tuchtsanctie niet meer mogelijk. In een vierde middelonderdeel wordt betoogd dat artikel 99, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 december 2007 ‘houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn’ (hierna: het rechtspositieregelingsbesluit) geschonden is. Vermits de disponibiliteit wegens ambtsopheffing in de artikelen 268 en 269 van de rechtspositieregeling van het stadsbestuur werd opgenomen, “kan er van ambtshalve herplaatsing geen sprake zijn als de rang van afdelingshoofd opgeheven wordt, maar moeten de vier afdelingshoofden in disponibiliteit wegens ambtsopheffing worden geplaatst”. Verzoeker doet in een vijfde middelonderdeel gelden dat de politiezone Lommel en het stadsbestuur Lommel één en dezelfde rechtspersoon zijn, terwijl een terbeschikkingstelling het bestaan van twee rechtspersonen vereist, “waarbij het ter beschikking gestelde personeelslid in dienst is van de ene rechtspersoon en door die rechtspersoon ter beschikking gesteld wordt van de andere rechtspersoon”. X-16.343-16.707-26/41 In een zesde middelonderdeel wordt aangevoerd dat de veiligheidsvoorschriften met voeten zijn getreden: “zonder de instemming van verzoeker kan verweerster betrokkene niet tewerkstellen in een politiecommissariaat, aangezien in voorkomend geval hij niet instemt met een veiligheidsverificatie. Verzoeker heeft zijn niet- instemming met de ambtshalve herplaatsing en met de terbeschikkingstelling meegedeeld op de hoorzitting van 17 mei
  97. […] Derhalve gebeurt de terbeschikkingstelling in strijd met de wet van 11 december 1998 [‘betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen’].” Beoordeling 44.
  98. Nadat de gemeenteraad de stedelijke personeelsformatie aanpaste door er onder meer de functie afdelingshoofd Beleidsadviseur politie (uitdovend) in op te nemen, heeft het college van burgemeester en schepenen van de stad Lommel verzoeker met de vijfde bestreden beslissing ambtshalve in die functie herplaatst. Aldus beschouwd is er geen sprake van een ambtshalve herplaatsing vanuit de personeelsformatie van de stad naar het administratief en logistiek kader van de politiezone. 44.
  99. Weliswaar, zo argumenteert verzoeker, zou de functie als een functie bij de politiezone moeten worden beschouwd “wanneer die functie een terbeschikkingstelling van betrokkene naar de politiezone nodig heeft om betrokkene die stadsfunctie te laten uitoefenen”. Dat is, naar hij zelf betoogt, echter juist niet nodig: hij meent de functie ook “perfect vanuit de stadsdienst ‘beleidsadvies (uitdovend)’” te kunnen uitoefenen en binnen de stadsdiensten werkzaam te kunnen blijven. De verwerende partij valt dit bij, al voegt zij toe het minder wenselijk te vinden. 44.
  100. De conclusie mag dus zijn dat het eerste middelonderdeel grond mist. X-16.343-16.707-27/41 45.
  101. Artikel 161, § 1, van de rechtspositieregeling voor het personeel van de stad Lommel schrijft voor: “De ambtshalve herplaatsing in een functie van dezelfde rang gebeurt op initiatief van het bestuur. Ze houdt in dat het vast aangestelde statutaire personeelslid herplaatst wordt in een andere, passende functie van dezelfde graad of in een passende functie van een andere graad van dezelfde rang.” 45.
  102. Met de vijfde bestreden beslissing wordt verzoeker, voorheen afdelingshoofd Organisatie en Ontwikkeling, ambtshalve herplaatst in de functie van afdelingshoofd Beleidsadviseur politie (uitdovend). Verzoeker betwist niet dat het om een functie van dezelfde graad gaat, wel dat ze passend is. Immers komt de essentie van zijn vroegere functie, namelijk het leiding geven aan diensthoofden, niet voor bij de functie waarnaar hij herplaatst wordt. Dat de functie een expertenfunctie is, die inhoudt dat geen leiding wordt gegeven aan diensthoofden, sluit niet ipso facto uit dat ze als passend te beschouwen kan zijn. Evenmin wordt het passend karakter van de expertenfunctie beslissend tegengesproken doordat Ronny Vanhoof en Mario Geuens wel nog leiding mogen blijven geven. Overigens bracht de omschakeling van een verticale naar een horizontale organisatiestructuur ook voor hen mee dat zij hun vroegere functie van afdelingshoofd verloren en ophielden leiding te geven aan diensthoofden. Als zij, na hun herplaatsing in één van de op 28 juni 2016 nieuw gecreëerde uitdovende functies van afdelingshoofd, toch nog leiding uitoefenen, dan is het in wezen als verantwoordelijke of (feitelijk) diensthoofd van een dienst. 45.
  103. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen. X-16.343-16.707-28/41 46.
  104. In zoverre verzoeker in het derde middelonderdeel betoogt dat de reorganisatie waartoe de gemeenteraad op 28 april 2015 besliste, bedoeld is om hem uit de stadsdiensten te verwijderen, herhaalt hij het tweede middelonderdeel van het eerste middel in de zaak A. 216.
  105. Het is sub randnummers 19 en volgende verworpen. 46.
  106. Ten gevolge van die reorganisatie, waardoor de afdelingen en de functies van afdelingshoofden verdwenen, diende de verwerende partij de situatie van de betrokken afdelingshoofden nader te regelen. Wat verzoeker betreft, dacht de verwerende partij in eerste instantie aan een ambtshalve herplaatsing in de functie van afdelingshoofd Beleidsadviseur Erfgoed Lommel (uitdovend). Na problemen, eind 2015, tussen verzoeker en de vzw Erfgoed Lommel – problemen die ertoe leidden dat een tuchtonderzoek werd gestart en naderhand weer stopgezet – voorzag de verwerende partij uiteindelijk in een functie van afdelingshoofd Beleidsadviseur politie (uitdovend) en herplaatste zij verzoeker met de vijfde bestreden beslissing ambtshalve in die functie. Zij deed dat meer bepaald op grond van een voorstel waarin wordt overwogen dat er bij de invulling van de reorganisatie geen plaats meer is voor verzoeker bij de leidinggevenden. In de argumentatie worden omstandig “tekortkomingen in het functioneren op herhaalde tijdstippen met Wannes Wilms” besproken. Er wordt daarvoor ook geput uit een evaluatieverslag van 30 mei 2012, dat niet aan verzoeker is meegedeeld. In de vijfde bestreden beslissing wordt als volgt op verzoekers kritiek ter zake geantwoord: “[Verzoeker werpt] op dat de materiële motivering onwettig is omdat de ambtshalve herplaatsing is ingegeven door zijn gedrag, waarvoor men zich baseert op een verslag van de stadssecretaris die daarbij verwijst naar een ontwerp van evaluatie voor de periode 1 juli 2010 – 30 juni 2012 die echter nooit aan de heer Wilms werd overhandigd. De heer Wilms houdt een uitvoerig betoog om aan te tonen dat die evaluatie nietig is. Deze ‘evaluatie’ werd opgesteld door de stadssecretaris maar werd uiteindelijk X-16.343-16.707-29/41 niet bezorgd aan de heer Wilms om nog een constructieve dialoog te kunnen voeren. Formeel is er dus geen evaluatie voor de periode 1 juli 2010 – 30 juni 2012, dus ook geen ongunstige evaluatie. Dit belet echter niet dat de feitelijke vaststellingen die aan deze ontwerpevaluatie ten grondslag lagen in overweging kunnen worden genomen in het licht van de ambtshalve herplaatsing, meer bepaald om te beoordelen wat een gepaste functie is in het licht van de competenties van de betrokkene. Hier speelt immers geenszins enige ‘verjaring’ zoals de heer Wilms meent. Het college stelt overigens vast dat de gegevens vermeld in het verslag van de gemeentesecretaris inhoudelijk niet worden tegengesproken; de heer Wilms zwijgt daarover in alle talen.” 46.
  107. Met de vijfde bestreden beslissing heeft de verwerende partij een nieuwe functie aan verzoeker toebedeeld, nadat zijn vorige functie in het kader van een reorganisatie werd afgeschaft. Dat de verwerende partij zich bij haar afweging naar aanleiding van de herplaatsing heeft bediend van gegevens die mogelijk ook in een formele evaluatie aan bod hadden kunnen worden gebracht, komt niet verboden voor. Voorts blijkt niet, en wordt zelfs niet beweerd, dat de gegevens onjuist of niet relevant zouden zijn. Als zodanig kunnen die gegevens niet verantwoorden dat de vijfde bestreden beslissing opeens voor iets anders wordt gehouden dan een ambtshalve herplaatsing na een reorganisatie van de gemeentelijke diensten, en dat ze meer bepaald zou worden beschouwd als een verkapte tuchtstraf die schuldig gedrag wil bestraffen. 46.
  108. Het derde middelonderdeel wordt verworpen. 47.
  109. Artikel 99, § 1, eerste lid, van het rechtspositieregelingsbesluit luidt: “De ambtshalve herplaatsing in een functie van dezelfde rang wordt toegepast als de betrekking van een vast aangesteld statutair personeelslid afgeschaft wordt en het personeelslid zijn betrekking niet in overgangsregeling behoudt, en als de raad geen stelsel van disponibiliteit wegens ambtsopheffing, als vermeld in artikel 192, 1°, heeft vastgesteld.” X-16.343-16.707-30/41 Artikel 99 somt, aldus het verslag aan de Koning voorafgaand aan het rechtspositieregelingsbesluit (B.S. 24 december 2007, 65.208), “de concrete omstandigheden op waarin toepassing gemaakt wordt van de ambtshalve herplaatsing”. De concrete omstandigheden die de geciteerde bepaling vermeldt, zijn: de afschaffing van de functie zonder dat ze in overgangsregeling is behouden en de (afschaffing van de functie bij) afwezigheid van een stelsel van disponibiliteit wegens ambtsopheffing. 47.
  110. Verzoeker verkeert in het eerste geval. Zijn functie is afgeschaft en niet in overgangsregeling behouden. Er kan dus toepassing worden gemaakt van de ambtshalve herplaatsing in een functie van dezelfde rang. Dat verzoeker niet ook in het tweede geval verkeert, omdat de verwerende partij over een stelsel van disponibiliteit wegens ambtsopheffing beschikt, doet niet ter zake. Dat blijkt ook uit de volgende toelichting bij artikel 99, § 1, in voormeld verslag aan de Koning: “Als een statutaire betrekking op korte termijn wordt geschrapt in de formatie en dus niet in overgang als vermeld in artikel 5, § 2, 2°, behouden blijft, is een snelle herplaatsing van het personeelslid noodzakelijk. Op die manier wordt vermeden dat het personeelslid in een toestand van disponibiliteit wegens ambtsopheffing komt. Ook als de disponibiliteit wegens ambtsopheffing, vermeld in artikel 192, § 1, 1°, bij het bestuur niet bestaat, volgt herplaatsing na schrapping van de betrekking.” 47.
  111. Verzoekers interpretatie dat indien er een stelsel van disponibiliteit wegens ambtsopheffing is vastgesteld, het personeelslid niet ambtshalve mag herplaatst worden, is foutief. Het vierde middelonderdeel wordt verworpen. 48.
  112. Dat, volgens een vijfde middelonderdeel, een terbeschikkingstelling het bestaan vereist van twee rechtspersonen “waarbij het ter beschikking gestelde personeelslid in dienst is van de ene rechtspersoon en X-16.343-16.707-31/41 door die rechtspersoon ter beschikking gesteld wordt van de andere rechtspersoon”, leidt verzoeker onder andere af uit het in 2016 ingevoegde artikel 104bis van het gemeentedecreet. Het toenmalige artikel 104bis bepaalt dat, met behoud van de toepassing van artikel 230 en voor zover dat nader bepaald is in de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel, personeelsleden in statutair dienstverband ter beschikking kunnen worden gesteld aan “een andere overheid”. Dit is, aldus verzoeker, “een overheid die verschilt van de eigen rechtspersoon”, zodat de politiezone van Lommel – een eengemeentezone zonder aparte rechtspersoonlijkheid – “geen ‘andere overheid’ [is dan] het stadsbestuur van Lommel”. 48.
  113. Het toenmalige artikel 104bis van het gemeentedecreet is intussen “hernomen”, “met enkele redactionele wijzigingen”, door artikel 185 van het decreet lokaal bestuur (memorie van toelichting; Parl.St. Vl.Parl. 2017- 2018, stuk 1353/1, 95). In § 1, eerste lid, bepaalt punt 5° dat, als dat nader is bepaald in de rechtspositieregeling van het personeel, personeelsleden in statutair dienstverband ter beschikking kunnen worden gesteld aan: “een andere overheid dan die vermeld in punt 1° tot en met punt 4°”. De memorie van toelichting verklaart, op pagina 96: “In de punten 1° tot en met 4° worden alle rechtspersonen die in dit ontwerp van decreet worden genoemd en waarnaar de gemeente personeelsleden ter beschikking kan stellen, expliciet vermeld. Dat zorgt voor meer duidelijkheid over het al dan niet ter beschikking kunnen stellen van personeelsleden aan een rechtspersoon. Punt 5° biedt de mogelijkheid om personeelsleden ter beschikking te stellen aan elke andere overheid. Aangezien dit begrip niet nader gespecifieerd wordt, is het zeer ruim in te vullen. Voorbeelden van ‘andere overheden’ kunnen die zijn die gehanteerd worden in het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 met de minimale voorwaarden voor de rechtspositieregeling: 1° de provincies, de gemeenten en de OCMW’s van België, de publiekrechtelijke verenigingen waarvan ze deel uitmaken en de instellingen die eronder ressorteren; X-16.343-16.707-32/41 2° de diensten en instellingen van de federale overheid, van de gemeenschappen en gewesten en de internationale instellingen waarvan ze lid zijn; 3° de diensten en instellingen en de lokale overheden van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte; 4° de gesubsidieerde vrije onderwijsinstellingen of de gesubsidieerde vrije centra voor leerlingenbegeleiding; 5° de publiekrechtelijke en vrije universiteiten; 6° elke andere instelling naar Belgisch recht of naar het recht van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die beantwoordt aan collectieve behoeften van algemeen of lokaal belang en waarbij in de oprichting of bijzondere leiding ervan het overwicht van de overheid tot uiting komt.” 48.
  114. Deze verduidelijking bij het voorschrift dat artikel 104bis herneemt, wijst uit dat de politiezone Lommel net geen rechtspersoonlijkheid behoeft om als een “andere overheid” in de zin van dat artikel beschouwd te kunnen worden. Het vijfde middelonderdeel wordt verworpen. 49.
  115. In het zesde middelonderdeel zet verzoeker uiteen dat zijn tewerkstelling in het politiecommissariaat tegen de veiligheidsvoorschriften in de wet van 11 december 1998 ‘betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen’ ingaat nu hij daarvoor houder zou moeten zijn van een veiligheidsmachtiging, wat zijn instemming vereist voor het instellen van een veiligheidsonderzoek – instemming die hij niet wil geven. 49.
  116. Naar de Raad van State uit de memorie van wederantwoord en de laatste memorie opmaakt, is er geen sprake van een overtreding van de genoemde veiligheidsvoorschriften. Problematisch blijkt integendeel juist hun naleving, waardoor verzoeker zich niet vrij in het commissariaat kan bewegen, zijn functioneren beweerdelijk onmogelijk wordt en hij “een vorm van opsluiting tijdens de werkuren” zou ondergaan. X-16.343-16.707-33/41 Hieruit volgt dat niet kan worden bijgevallen dat, zoals in het middelonderdeel initieel aangevoerd, de veiligheidsvoorschriften in de wet van 11 december 1998 “met voeten getreden” worden door de terbeschikkingstelling waartoe de zesde bestreden beslissing besluit. 49.
  117. In zoverre dan weer verzoeker in zijn latere procedurestukken doet gelden dat, door de veiligheidsvoorschriften te eerbiedigen, zijn persoonlijke veiligheid in het gedrang komt en hij niet naar behoren kan functioneren, geeft hij het middel een andere draagwijdte. Deze invulling, die nieuw is en ook al in het verzoekschrift aan bod kon zijn gebracht, is laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. 49.
  118. Het zesde middelonderdeel wordt verworpen. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  119. Een derde middel wordt afgeleid uit de “Schending van de materiële motiveringsplicht, machtsafwending, schending van het redelijkheidsbeginsel en schending van het proportionaliteitsbeginsel”. In een eerste middelonderdeel, met betrekking tot de eerste bestreden beslissing, licht verzoeker toe dat het organogram in die zin wordt gewijzigd dat er een “dienst beleidsadvies (uitdovend)” wordt opgericht; de afschaffing van de rang van afdelingshoofd wordt bevestigd. De ware reden voor de afschaffing van de rang van afdelingshoofd zou zijn dat verzoeker en Claudie Van Endert “zogenaamd disfunctioneerden”: “De bedoelde wijziging is dus niet ingegeven door de wens een efficiënte organisatiestructuur uit te bouwen, maar door de wens verzoeker (en zijn collega) te elimineren uit de stadsdiensten, waarbij de afschaffing van de rang van afdelingshoofd en de creatie van de nieuwe dienst ‘beleidsadvies uitdovend’ de eerste stap is.” X-16.343-16.707-34/41 Het feit dat het stadsbestuur voor de reorganisatie heeft gekozen en niet voor een evaluatieprocedure of een tuchtprocedure bewijst dat het geen grond heeft om verzoeker te ontslaan of te sanctioneren en dus machtsafwending heeft gepleegd. In een tweede middelonderdeel argumenteert verzoeker dat de creatie van nieuwe ‘uitdovende’ functies in een afgeschafte rang het redelijkheidsbeginsel schendt. Het is ook juridisch niet correct. Het bestuur dat een rang heeft afgeschaft, mag enkel nog beslissen hetzij om over te gaan tot behoud van de functie in overgangsstelsel, hetzij om de titularissen in disponibiliteit wegens ambtsopheffing te plaatsen. Maar blijkbaar wil de verwerende partij niet dat verzoeker zijn oude functie in overgangsstelsel behoudt en wenst men hem ook niet in disponibliteit wegens ambtsopheffing te plaatsen – “iets wat in casu wettelijk verplicht wordt door artikel 99, § 1, van het rechtspositieregelingsbesluit”. De wil om een wettelijke verplichting niet na te leven kan bezwaarlijk een wettig motief uitmaken. De nood aan de ambtshalve herplaatsing volgt, aldus een derde middelonderdeel, uit de wens om aan twee van de vier afdelingshoofden hun leidinggevende taken te ontnemen en om hen te elimineren uit de stadsdiensten, in tegenstelling tot de andere afdelingshoofden die te werk worden gesteld binnen de stadsdiensten met leiding over meerdere diensten. “De nood aan de herplaatsing vormt dus een onredelijke en onwettige materiële motivering van de ambtshalve herplaatsing”. In een vierde middelonderdeel wordt verklaard dat het verslag van de stadssecretaris, dat geciteerd wordt in het voorstel tot ambtshalve herplaatsing, gezien kan worden als motivering voor de terbeschikkingstelling. Dat verslag kan echter niet de terbeschikkingstelling motiveren: verzoeker is pas in 2015 geconfronteerd geworden met het ontwerp van evaluatie van 2012 dat erin ter sprake komt, zodat de “rechten van de verdediging” geschonden worden; daarenboven was het ontwerp gunstig, “met de beoordeling ‘goed’ voor de competentie ‘leiding geven en motiveren’”. De ware reden is niet dat verzoeker X-16.343-16.707-35/41 onbekwaam is leiding te geven, maar dat zijn eliminatie uit de stadsdiensten en uit elke leidinggevende functie voordelig is voor de verwerende partij. Beoordeling
  120. Het eerste middelonderdeel keert zich tegen de eerste bestreden beslissing. Die beslissing is volgens verzoeker niet erop gericht een efficiënte organisatiestructuur uit te bouwen, maar alleen om verzoeker zijn functie van afdelingshoofd Organisatie en Ontwikkeling te ontnemen – net als de eerste bestreden beslissing in de zaak A. 216.
  121. Het is een zienswijze die de Raad van State niet volgt. Hij heeft hiervóór al meermaals overwogen dat de vervanging door de verwerende partij van de verticale organisatiestructuur door een horizontale, verantwoord wordt door motieven van algemeen belang en niet tot eigenlijke doel heeft om verzoeker en Claudie Van Endert uit het managementteam of uit hun functie te “elimineren”. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
  122. De verwerende partij werpt met betrekking tot het tweede middelonderdeel, gericht tegen de tweede en de derde bestreden beslissing, tegen dat de creatie van de nieuwe uitdovende functies van afdelingshoofd het best de belangen van de stad diende: eensdeels konden door de nieuwe horizontale organisatiestructuur de vroegere functies van afdelingshoofd niet worden behouden, ook niet uitdovend, omdat er geen afdelingen meer zijn om er het hoofd van te zijn en leiding aan te geven; anderdeels getuigt het van zorgvuldigheid en redelijkheid om een oplossing te verkiezen waarbij de betrokken personeelsleden zich nog nuttig kunnen maken in een passende functie. Aangezien er geen andere functies in dezelfde graad voorhanden waren, zo argumenteert de verwerende partij, heeft zij dan nieuwe, passende, functies uitdovend opgenomen in de personeelsformatie. X-16.343-16.707-36/41 Deze visie gaat naar de mening van de Raad van State niet de grenzen van de redelijkheid te buiten. Dat ze beweerdelijk in strijd komt met artikel 99 van het rechtspositieregelingsbesluit omdat de vier afdelingshoofden in disponibiliteit wegens ambtsopheffing gesteld dienden te worden, is reeds sub randnummers 47.1 en volgende onjuist bevonden. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen.
  123. Volgens een derde middelonderdeel getuigt de vijfde bestreden beslissing van “een onredelijke en onwettige materiële motivering” doordat er geen echte nood aan de herplaatsing zou zijn. De herplaatsing wordt verantwoord door de wijziging van het organogram en van de personeelsformatie. Dat ze tot gevolg heeft dat twee van de vier afdelingshoofden hun leidinggevende taken kwijtraken, is één zaak. Een andere is dat niet aannemelijk wordt gemaakt dat dit verlies het eigenlijke doel van de wijziging is. Het blijkt niet dat er sprake zou zijn van een onwettige nood aan herplaatsing. Het derde middelonderdeel wordt verworpen.
  124. In een vierde middelonderdeel wordt kritiek geuit op de motivering, niet – zoals verzoeker beweert – van de zesde, maar opnieuw van de vijfde bestreden beslissing. Het voorstel tot ambtshalve herplaatsing van verzoeker, dat door de vijfde bestreden beslissing wordt bijgevallen, wordt gemotiveerd door de “overwegingen betreffende profiel, capaciteiten en functioneren van Wannes Wilms in het verleden” die voorkomen in een verslag van de stadssecretaris. Dit verslag beslaat meer dan negen bladzijden. Daarin wordt een bescheiden plaats ingenomen door vermeldingen in een ontwerp van periodieke evaluatie, door de X-16.343-16.707-37/41 stadssecretaris en de financieel beheerder op 30 mei 2012 opgesteld. In dat ontwerp luidt het “besluit van de beschrijvende evaluatie” “voldoende”, en het “resultaat van de evaluatie voor de functionele loopbaan” “ongunstig”. Dat de gegevens in het voorstel tot ambtshalve herplaatsing gedeeltelijk die in het ontwerp van evaluatie overlappen, is niet op zichzelf van aard de vijfde bestreden beslissing aan te tasten. Terecht doet de verwerende partij in dit verband gelden: “Zoals reeds bij herhaling aangegeven, is die evaluatie nooit met verzoeker besproken, nooit aan hem betekend en dus nooit in een formele evaluatie omgezet. Dit belet evenwel niet dat de feitelijke gegevens erin aangehaald in overweging kunnen worden genomen bij de beoordeling van de vraag in welke betrekking verzoeker het best ambtshalve wordt herplaatst en in welke betrekkingen niet. Met een schending van de rechten van verdediging heeft dit niets vandoen, want die zijn zelfs bij een evaluatie niet van toepassing, laat staan in het raam van een ambtshalve herplaatsing. Verzoeker heeft trouwens vanaf de oproeping om te worden gehoord door het college van burgemeester en schepenen over de ambtshalve herplaatsing kennis gekregen van de overwegingen waarop het voorstel gebaseerd was en had dus de gelegenheid die te weerleggen. Dit heeft verzoeker nooit gedaan […].” Voorts is het juist dat, zoals verzoeker betoogt, hij in het ontwerp van periodieke evaluatie goed scoort voor het onderdeel “leiding geven en motiveren”. Het is evenwel niet relevant voor de beoordeling van het middelonderdeel. Als er immers, blijkens het voorstel tot ambtshalve herplaatsing van verzoeker, bij de invulling van de reorganisatie geen plaats meer is voor hem bij de leidinggevenden, dan is het omdat hij verondersteld wordt geen positieve bijdrage te kunnen leveren aan “de grote uitdagingen” waarvoor het stadsbestuur staat (sanering gemeentelijke financiën en bijhorende personeelsbesparingen, invoering van de beleids- en beheerscyclus, integratie van stad en OCMW) om reden dat hij tekortschiet, niet inzake leiding geven, maar inzake vertrouwen en samenwerking. Dat wordt gestaafd door onder andere zijn herhaalde weigering beslissingen van beleidsorganen uit te voeren, zijn weigering mee te werken aan interne procedures en werkafspraken, een constant verspreiden van negativiteit X-16.343-16.707-38/41 binnen de organisatie, en een sterk geworteld wantrouwen naar derden en beleidsmensen. Het vierde middelonderdeel wordt dan ook verworpen. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  125. In een vierde middel betoogt verzoeker dat er een afdoende motivering moet bestaan voor het feit dat “twee van de vier afdelingshoofden hun oude of een nieuwe leidinggevende functie over meerdere diensten mogen verderzetten binnen de stadsdiensten […], zij het onder een nieuwe functietitel, én twee andere afdelingshoofden geen leidinggevende functie meer krijgen en ook niet langer tewerkgesteld worden in een stadsdienst, maar ter beschikking gesteld worden van de politie Lommel en een EVA [extern verzelfstandigd agentschap], en dus de facto gedegradeerd worden”. Vermits alle argumenten die worden aangebracht ter verantwoording van de ongelijke behandeling te maken hebben met een ontwerp van evaluatie waarop verzoeker pas meer dan drie jaar nadien is geconfronteerd, is het gelijkheidsbeginsel geschonden. Beoordeling
  126. Nadat de functies van afdelingshoofd afgeschaft werden, is verzoeker in een andere functie herplaatst. Verzoeker is er niet in geslaagd de deugdelijkheid van de gegevens die de verwerende partij ter verantwoording van die herplaatsing heeft aangevoerd, in het gedrang te brengen. Voor het overige volstaat het op te merken, zoals reeds sub randnummer 45.2 is gebeurd, dat de omschakeling van een verticale naar een horizontale organisatiestructuur ook voor Ronny Vanhoof en Mario Geuens heeft meegebracht dat zij hun vroegere functie van afdelingshoofd verloren en ophielden leiding te geven aan diensthoofden. Als zij, na hun herplaatsing in één X-16.343-16.707-39/41 van de nieuw gecreëerde uitdovende functies van afdelingshoofd, toch nog leiding uitoefenen, dan is dat niet als hoofd van een afdeling – de afdelingen zijn afgeschaft – maar, aldus de vijfde bestreden beslissing, “op een lager echelon van de hiërarchie”, als verantwoordelijke van een dienst. Het vierde middel wordt verworpen. Conclusie
  127. Het beroep in de zaak A. 220.033 moet worden verworpen, ongeacht de eventuele – door de verwerende partij opgeworpen – gedeeltelijke onontvankelijkheid ervan.
  128. Bijgevolg is er ook geen reden om, zoals door verzoeker onder verbeurte van een dwangsom gevraagd, de verwerende partij met toepassing van artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te bevelen hem opnieuw in zijn ambt van afdelingshoofd Organisatie en Ontwikkeling op te nemen en om zich te onthouden van verdere pogingen om hem uit de stadsdiensten en leidinggevende functies te weren. BESLISSING
  129. De zaken A. 216.920 en A. 220.033 worden gevoegd.
  130. De Raad van State vernietigt 1° de beslissing van de gemeenteraad van de stad Lommel van 28 april 2015 tot wijziging van de samenstelling van het managementteam en 2° de beslissing van dezelfde gemeenteraad om te starten met de werking van een bestuurscollege.
  131. De Raad van State verwerpt de beroepen voor het overige, evenals de vordering tot het bevelen van maatregelen. X-16.343-16.707-40/41
  132. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten.
  133. In de zaak A. 216.920 wordt de verwerende partij in de kosten verwezen, begroot op het rolrecht van 200 euro en een aan verzoeker verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. De kosten in de zaak A. 220.033 worden ten laste van verzoeker gelegd, en begroot op het rolrecht van 200 euro en een aan de verwerende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-16.343-16.707-41/41 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.355 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.