← België

Arrest 246360 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 10/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.360 Rolnummer: A. 219299/IX-8868 Zaak: Arrest 246360 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 10/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-20 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-24 13:28 Fiche Arrest nr 246.360 van 10 december 2019 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 246.360 van 10 december 2019 in de zaak A. 219.299/IX-8868 In zake: Eddy DESMET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Van de Cauter kantoor houdend te 1050 Brussel Dautzenbergstraat 42 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP die woonplaats kiest bij de juridische cel van de afdeling Advies en Ondersteuning onderwijsPersoneel gevestigd te 1210 Brussel Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 Tussenkomende partij: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 21 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 20 mei 2016, strekt tot de nietigverkla- ring van beslissing GO/2016/05/Desmet van de kamer van beroep van het Ge- meenschapsonderwijs van 7 maart 2016 waarbij aan Eddy Desmet de tuchtstraf van de terugzetting in rang wordt opgelegd. IX-8868-1/19 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 236.010 van 6 oktober 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenko- mende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november 2019. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Hans Van de Cauter, die verschijnt voor de verzoe- kende partij, Frederik Stevens, adjunct van de directeur, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Jan Fransen, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. IX-8868-2/19 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verzoeker wordt met ingang van 1 september 2006 benoemd tot directeur van de basisschool Dr. O. Decroly te Ronse, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep 21 van het Gemeenschapsonderwijs. Bij beslissing van 18 september 2015 van de algemeen direc- teur van de scholengroep wordt verzoeker preventief geschorst bij hoogdringend- heid. Aanleiding hiervoor zijn uitlatingen van verzoeker in e-mails gericht aan een lid van de Vlaamse regering, omdat die minister – in de woorden van verzoe- ker – “nadat in de pers de foto was verschenen van het jongetje dat in Turkije (Budrum) levenloos aangespoeld was […] publiek en laconiek meedeelde dat vluchtelingen, die in Syrië een eigen woning bezaten in ons land niet in aanmer- king konden komen voor een sociale woning”. Op 1 oktober 2015 bevestigt de raad van bestuur van de scho- lengroep de beslissing van de algemeen directeur en beslist hij een tuchtprocedu- re op te starten. De raad van bestuur van de scholengroep beslist op 8 december 2015 om verzoeker de tuchtstraf „terugzetting in rang‟ op te leggen. Verzoeker tekent hiertegen beroep aan bij de kamer van beroep. Bij de thans bestreden beslissing wordt de voor de kamer van beroep aangevochten beslissing op 7 maart 2016 bevestigd. IX-8868-3/19 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van de vrijheid van meningsuiting. Verzoeker onderstreept eerst het onderscheid “tussen politieke boodschap en de vorm”. Hij verklaart spijt te hebben over “de manier waarop” hij zijn persoonlijke mening heeft overgebracht. In tegenstelling tot wat hem in de bestreden beslissing wordt verweten heeft verzoeker niet de kinderen van N-VA‟ers de toegang tot zijn school verboden, maar heeft hij gezegd dat N-VA‟ers volgens hem niet op zijn school welkom waren. N-VA‟ers zijn min- stens leden van die partij en dus geen kinderen. Voor de rest kent verzoeker de politieke overtuiging van de ouders niet en peilt hij daar ook nooit naar. Overi- gens werden in zijn school de meeste leerlingen ook niet door hem ingeschreven, maar door leerkrachten en een administratief medewerker. Van discriminatie op vlak van politieke overtuiging is dan ook hoegenaamd geen sprake. De bestreden beslissing is echter “tot verbazing van verzoeker niet eens op het woordgebruik van verzoeker gebaseerd, maar wel op het feit dat verzoeker zijn politieke mening heeft geuit”. Vervolgens gaat verzoeker in op de vrijheid van meningsuiting “wat de politieke boodschap betreft”. Artikel 19 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (EVRM) schrijven voor dat eenieder het recht heeft om zijn mening te uiten. Dat geldt ook voor ambtena- ren en leraren zoals de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitwijst. Verzoeker verwijst naar het arrest Grigoriades van 25 november 1997 en het arrest Vogt van 26 september 1995. Volgens verzoeker, die zich aan- IX-8868-4/19 sluit bij een professor mediarecht, “moet het in een democratie mogelijk zijn om te beledigen zonder daarvoor gestraft te worden”. Verzoeker heeft een mening geuit die niet ingaat tegen de Grondwet en de wetten van het Belgische volk, “wel integendeel, want ze [be- oogde] onrechtstreeks de verdediging van de in België van kracht zijnde Conven- tie van Genève inzake de status van vluchtelingen”. Bovendien heeft elke burger recht op de eerbiediging van zijn privéleven overeenkomstig de Grondwet en het EVRM. Het ging hier immers om een politieke mening die niet werd geuit in de uitoefening van de functie van schooldirecteur, maar tijdens de vrije uren van verzoeker buiten en na de school. Het is niet omdat verzoeker per ongeluk eerst zijn persoonlijk aangemaakte e-mailadres van schooldirecteur heeft gebruikt dat een vanuit zijn privéwoning uitgedrukte mening als een daad van zijn functie kan worden beschouwd. De bestreden beslissing steunt echter ook op het feit dat ver- zoeker op privévlak geen politieke mening mag uiten omdat hij schooldirecteur is. De bestreden beslissing verwijst duidelijk naar de „persoonlijke overtuiging‟ van verzoeker. Hij mag die wel hebben, maar niet uiten volgens de bestreden beslissing. Die stelling kan redelijkerwijze niet worden aangehouden in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Beoordeling 5. De kamer van beroep heeft over de kwalificatie van de tenlaste- legging als tuchtfeit in wezen het volgende overwogen: “6.4.1. De verzoeker stelt ten onrechte dat de raad van bestuur zich te veel heeft toegespitst op het emotionele aspect van de zaak en dat hij uit de be- roepen beslissing niet echt kan opmaken welke beroepsfout hij gemaakt zou hebben. Integendeel, de raad van bestuur heeft uitdrukkelijk gesteld dat de verzoe- ker ten strijde getrokken is tegen een politieke partij die hij verafschuwt en dat, wanneer het hebben van een mening hem in geen geval wordt verweten, het veruitwendigen van die mening onderhevig is aan de beper- IX-8868-5/19 kingen die voortspruiten uit zijn functie van schooldirecteur en perso- neelslid binnen het gemeenschapsonderwijs en die gelinkt zijn aan de neu- traliteit en het pedagogisch project. De raad van bestuur heeft vervolgens overwogen dat de verzoeker, door te stellen dat NV-A‟ers in zijn school niet welkom zijn, mensen met een bepaalde politieke overtuiging uitsluit, terwijl zijn engagement binnen het gemeenschapsonderwijs hem precies verplicht om zijn persoonlijke mening te overstijgen en alzo geen politie- ke partij te discrimineren. Door zich zo op te stellen toont de verzoeker aan dat hij als directeur niet op de juiste plaats zit, zeker nu blijkt dat de verzoeker geen afstand kan nemen van zijn overtuiging en die overtuiging – die mensen uitsluit – precies het platform is van waarop hij de school bestuurt. 6.4.2. De verzoeker ontkracht de redenering van de raad van bestuur niet. Hij bevestigt ze integendeel waar hij in zijn beroepsschrift zeer uitvoerig uiteenzet waarom hij een afkeer heeft van [de minister] en van haar partij en waarom die mening hem gebracht heeft tot het mailverkeer, dat culmi- neerde in de uitspraak dat NV-A politici niet welkom zijn op zijn school en dat hem als tuchtfeit ten laste wordt gelegd. De verzoeker heeft dus goed begrepen welk tuchtfeit hem ten laste werd gelegd. De verzoeker bevestigt in zijn beroepsschrift ook dat zijn mails aan de minister hun grondslag vinden in zijn persoonlijke overtuiging. Het gaat dus niet om een plotse emotionele opwelling. Hij levert daarmee ook nu voor de Kamer van Beroep het bewijs dat hij zijn intieme overtuiging heeft laten primeren op het belang van het gemeenschapsonderwijs, waar- in de neutraliteitsgedachte – te dezen de zorg voor de gelijke toegang van elkeen – een grondbeginsel is. […] Evident mag de verzoeker een mening hebben, ook in politieke aangelegenheden, maar als personeelslid en zeker als schooldirecteur binnen het gemeenschapsonderwijs, is zijn vrijheid om die mening op het publieke forum te belijden niet onbeperkt, aangezien de wijze waarop aan de persoonlijke mening gestalte wordt gegeven, ver- zoend moet worden met de regels die het belang van de dienst, waar hij zich vrijwillig in geëngageerd heeft, beheersen.” 6.1. Volgens verzoeker is hem in de bestreden beslissing kwalijk genomen dat hij “de kinderen van N-VA‟ers de toegang tot zijn school [heeft] verboden”. 6.2. In de bestreden beslissing wordt de formulering gebruikt “stel- len dat NV-A‟ers in zijn school niet welkom zijn” of “de uitspraak dat NV-A politici niet welkom zijn op zijn school” om de meningsuiting in kwestie aan te geven. Verzoeker toont niet aan dat de kamer van beroep zich aldus een verkeer- de voorstelling vormt van de volgende zinnen die hij in zijn e-mailverkeer aan de minister schreef: IX-8868-6/19 “Iedereen is van harte welkom op onze school. NV-A-ers niet, ze doen me onophoudelijk denken aan Gestapo-ers.” 6.3. Zoals verzoeker terecht opmerkt, wordt hem in essentie een bepaalde meningsuiting ten laste gelegd en niet het taalregister waarin die uiting plaatsvond. Minstens is “de volstrekt ongepaste taal” voor de kamer van beroep een ondergeschikt en voor het bevestigen van de tuchtmaatregel overtollig motief, dat hoogstens onderstreept dat verzoekers opiniërende uitspraak niet is geformuleerd op een objectieve wijze als bijdrage tot het maatschappelijk debat over de sociale huisvesting van Syrische vluchtelingen en het beleid van de minister in kwestie. De opmerkingen van verzoeker over de vorm van zijn bood- schap zijn voor de beoordeling van het middel dan ook niet rechtens relevant. 7. Onder het recht op vrije meningsuiting zoals gewaarborgd in artikel 19 van de Grondwet en artikel 10 EVRM valt ook een spreekrecht voor de ambtenaar, dat de vrijheid insluit om kritiek te geven op het beleid van de over- heid. Dat spreekrecht doet echter geen afbreuk aan de verplichting voor de ambtenaar om tijdens en buiten de uitoefening van zijn ambt elke han- delwijze te vermijden die het vertrouwen van de bevolking in de overheidsdienst kan aantasten, zodat de uitoefening van het spreekrecht tuchtrechtelijk mag wor- den bestraft. Die beroepsverplichting is voor het personeel van het Gemeen- schapsonderwijs meer in het bijzonder overgenomen in het decreet rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991. Luidens artikel 8 van dat decreet moeten de personeelsleden “alles vermijden dat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun functie in het onderwijs” en luidens artikel 9 van hetzelfde decreet moe- IX-8868-7/19 ten zij in de uitoefening van hun ambt “de neutraliteit in acht nemen en aan het pedagogisch project van het gemeenschapsonderwijs gestalte geven”. Overigens aanvaardt de ambtenaar, door zijn benoeming te aanvaarden en de eed af te leggen, de verplichtingen van zijn ambt, waaronder de meervermelde verplichting om bij het uitoefenen van zijn spreekrecht binnen zekere perken te blijven, ingegeven door het belang van de dienst en de waardig- heid van het ambt. Die plicht tot gereserveerdheid vormt een maatregel die nodig is in een democratische samenleving en die in beginsel niet strijdig is met de Grondwet noch met het EVRM. 8. Het recht op vrije meningsuiting is bijgevolg – en zeker voor een persoon in openbare dienst – niet het absolute recht dat verzoeker voor zich opeist. Daarbij wordt nog bedacht dat aangezien de grondrechten er op de eerste plaats toe strekken de rechten van de mens te beschermen tegen machtsmisbruik vanwege overheidsinstellingen, niet toegestaan kan worden dat een ambtenaar van de openbare diensten, zoals een leerkracht in het officieel on- derwijs, een grondrecht aanvoert ter rechtvaardiging van de schending van de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de burgers, in casu van de leer- lingen en hun ouders (RvS, algemene vergadering van de afdeling Bestuursrecht- spraak, arrest nr. 223.042 van 27 maart 2013). 9. In de voorliggende zaak wordt door de tuchtoverheid vastge- steld dat verzoeker, door te stellen dat aanhangers van een welbepaalde politieke partij niet welkom zijn op zijn school, de grenzen van het toelaatbare spreekrecht heeft overschreden en een politieke partij discrimineert. De raad van bestuur en na hem de kamer van beroep heeft daarbij gewezen op de eis tot neutraliteit als grondbeginsel van het Gemeenschapsonderwijs en inzonderheid de zorg voor de gelijke toegang van elkeen. Vastgesteld wordt dat verzoeker niet heeft gehandeld in een eenmalige opwelling maar een weloverwogen persoonlijke overtuiging IX-8868-8/19 vertolkt die mensen uitsluit en die het platform is van waarop hij in zijn functie als directeur de school bestuurt. 10. In de toelichting van het middel weerlegt verzoeker op geen enkele wijze deze vaststellingen als zodanig, noch toont hij aan dat een tuchtrech- telijke inmenging in zijn vrijheid van meningsuiting op deze gronden niet perti- nent en evenredig is met de verwezenlijking van het hiervóór sub 7 vastgestelde wettige doel of aan de in artikel 10, lid 2, EVRM opgesomde beperkingsgronden ontsnapt. Verzoeker zet op geen enkele wijze uiteen waarom, in het bijzonder, de kamer van beroep het op dat vlak verkeerd voorheeft en waarom die beperkingen voor verzoeker niet zouden moeten gelden. Verzoeker put een argument uit het arrest Vogt van het Euro- pees Hof voor de Rechten van de Mens. De vergelijking kan echter niet overtui- gen. In dat arrest erkent het Hof dat een discretieplicht voor ambtenaren in begin- sel niet strijdt met artikel 10 EVRM en dat in concreto onderzocht moet worden of de inmenging in de vrijheid van meningsuiting van de ambtenaar disproportio- neel is, waarbij aan de lidstaten een appreciatiemarge gelaten wordt (“it is legiti- mate for a State to impose on civil servants, on account of their status, a duty of discretion” en “whenever civil servants‟ right to freedom of expression is in issue the „duties and responsibilities‟ referred to in Article 10 para. 2 (art. 10-2) assume a special significance, which justifies leaving to the national authorities a certain margin of appreciation in determining whether the impugned interference is pro- portionate to the above aim” (EHRM, 26 september 1995, Vogt t/ Duitsland, § 53). Bij de in concreto afweging van de relevante belangen, woog voor dit Hof in de zaak Vogt door (

  1. i)de ernst van de sanctie – de betrokkene werd ontslagen; (
  2. ii)de functie van de betrokkene – zij was een lerares talen waarvan niét werd beweerd dat zij haar politieke stellingnames doorgaf tijdens haar beroepsactiviteit en (iii) de buitenschoolse houding van de betrokkene – er IX-8868-9/19 werd niet beweerd dat zij verklaringen deed die in strijd waren met de Grondwet en haar politieke activiteiten waren binnen de perken van de wet (Vogt, § 60). Op geen van deze punten laat de situatie van Vogt zich dus vergelijken met die van verzoeker, die niet is ontslagen, die een verantwoordelij- ke functie uitoefende als directeur en wiens politieke stellingname vanuit die functie net wel strijdig wordt geacht met de neutraliteit en keuzevrijheid in het Gemeenschapsonderwijs. 11. Dat het tuchtfeit zich voorgedaan zou hebben in de privésfeer – zoals verzoeker beweert maar de verwerende partij bestrijdt – verandert daaraan niets. Feiten die een onmiddellijke impact hebben op de waardigheid van het ambt of een negatieve invloed hebben op de ambtsuitoefening, mogen wel degelijk ook tuchtrechtelijk vervolgd en bestraft worden. Het volstaat vast te stellen dat verzoeker zich van den beginne af kenbaar heeft gemaakt bij de minister als schooldirecteur en dat hij in het ten laste gelegde feit precies het verband legt met de school. De bestreden beslissing mocht in die context dan ook vaststel- len dat verzoeker het ambt van directeur in het Gemeenschapsonderwijs uitoefen- de en dat “van hem wordt verwacht dat hij de fundamentele waarden waarop het Gemeenschapsonderwijs steunt en met name het neutraliteitsbeginsel ook buiten de strikte uitoefening van zijn ambt naleeft en uitdraagt”. Van een schending van het “recht op de eerbiediging van zijn privéleven” kan derhalve geen sprake zijn. 12. Dat zijn uitgesproken mening niet ingaat tegen de Grondwet, is evenmin relevant: ze gaat, als gezien, in tegen de plichtenleer zoals die decretaal IX-8868-10/19 vorm heeft gekregen. Bovendien heeft verzoeker het verkeerd voor, want stellen dat leden of politici van één politieke partij niet welkom zijn op zijn school gaat in tegen het uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet afgeleide beginsel van de benuttingsgelijkheid en tegen het in artikel 24 van de Grondwet verankerde neu- traliteitsbeginsel, dat de overheid in ieder geval “verbiedt […] filosofische, ideo- logische of godsdienstige opvattingen te benadelen, te bevoordelen of op te leg- gen” en tegen het in dezelfde bepaling gewaarborgde recht op keuzevrijheid van de ouders, “[d]e plicht van de gemeenschap om neutraal onderwijs in te richten, vormt immers een waarborg voor de keuzevrijheid van de ouders” (GwH nr. 40/2011 van 15 maart 2011, B.9.4 en B.9.5). 13. Ten slotte doet het gegeven dat verzoeker niet zelf instaat voor het praktische verloop van de inschrijving van leerlingen, aan wat voorafgaat geen afbreuk. 14. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 15. Het tweede middel is geput uit de schending van het “briefge- heim en privéleven” – waarbij verzoeker refereert aan artikel 29 van de Grondwet en artikel 8 EVRM – en “onzorgvuldig bestuur”. Verzoeker betoogt dat zijn private mailbox zonder zijn toe- stemming opengemaakt werd. De aan verzoeker ten laste gelegde e-mails werden dus op onwettige wijze verkregen. Dit is een feit van de tuchtoverheid, die zich schuldig maakt aan onzorgvuldig bestuur. IX-8868-11/19 Beoordeling 16. De kamer van beroep heeft in haar beslissing erop gewezen dat “verzoeker zelf zijn persoonlijk mailadres gekoppeld heeft aan zijn professionele mailbox – waarover het bestuur de controle heeft”, zodat “hij er zelf verantwoor- delijk voor is dat het schoolbestuur inzage heeft in zijn persoonlijke mails”. Verzoeker spreekt die vaststellingen in zijn middel niet tegen. Hij doet dat evenmin in zijn memorie van wederantwoord, waarin hij het middel en de uiterst korte toelichting gewoon herhaalt. 17. De Raad van State mag er in die omstandigheden mee volstaan de beoordeling van de kamer van beroep bij te vallen en tot de zijne te maken. 18. In zijn laatste memorie beschrijft verzoeker, nu overheen vijf bladzijden, dat de verwerende partij de wetgeving met betrekking tot de privacy niet heeft nageleefd en de wet van 13 juni 2005 „betreffende de elektronische communicatie‟ heeft miskend. Deze argumentatie is volslagen nieuw, hoewel verzoeker ze reeds in het inleidend verzoekschrift had kunnen doen gelden. Aldus geeft verzoeker een nieuwe, laattijdige en daarom onont- vankelijke nieuwe grondslag aan het middel. 19. Het middel, zoals aangevoerd in het inleidend verzoekschrift, is niet gegrond. Het middel, zoals aangevuld in de laatste memorie, is niet ont- vankelijk. IX-8868-12/19 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 20. In een derde middel klaagt verzoeker het “disproportioneel ka- rakter van de straf” aan. Hij licht toe dat “het incident in zijn nationale en internationale context” moet worden geplaatst, dat de handelwijze van de betrokken minister in de vluchtelingenproblematiek en de houding van de lokale afdeling van haar par- tij in de plaatselijke onderwijsproblematiek een grote negatieve indruk op ver- zoeker hebben gemaakt, dat het overdreven is te stellen dat verzoeker door het verzenden van de e-mails aan de betrokken Vlaamse minister zijn ambt niet lan- ger zou kunnen uitoefenen, dat hij steeds gewaardeerd werd door leerkrachten, leerlingen en ouders, dat iedereen wil dat hij aanblijft ondanks het incident, dat hij doet blijken van een onberispelijke reputatie als schooldirecteur, dat het ver- wijt dat hij een “gebrek aan visie” heeft niet correct is, dat verschillende hoge- scholen “bijzonder geïnteresseerd [waren] in het zorgbeleid van verzoeker”, dat het erop lijkt dat de tuchtbeslissing een gevolg is van zware politieke druk, dat de sanctie “niet in verhouding [staat] tot de gepleegde feiten”, dat verzoeker de in- druk heeft dat “de partij N-VA van het incident wil profiteren om [hem] opzij te schuiven”. Verzoeker wijst tevens op de “private context van de uitspra- ken”. Volgens verzoeker was een blaam of een tijdelijke schorsing voldoende geweest als tuchtstraf. 21. In zijn memorie van wederantwoord schetst verzoeker uitge- breid de context van zijn familiale geschiedenis, in het bijzonder inzake de Tweede Wereldoorlog. IX-8868-13/19 Vervolgens stelt hij vast dat de overheid met “twee maten en twee gewichten” heeft geoordeeld. Hij haalt een reeks “[v]oorbeelden van de re- lativiteit van de neutraliteit in het onderwijs” aan en wijst er daarbij op dat “ge- lijkaardige toestanden op een heel ongelijke wijze worden behandeld”. Hij klaagt in datzelfde verband aan dat “het bekleden van het openbaar ambt [blijkbaar] een vrijgeleide [is] om gelijk welke uitspraak te doen”, terwijl hem net dat ten laste wordt gelegd. Voorts betoogt hij nu dat het de algemeen directeur is, die van de situatie dankbaar gebruik heeft gemaakt om hem “eindelijk” te kunnen bui- tenwerken. Beoordeling 22. Een tuchtoverheid beschikt bij het opleggen van een tuchtstraf voor feiten die zij als tuchtrechtelijk te beteugelen beschouwt, over een grote be- leidsvrijheid. Die discretionaire bevoegdheid is begrensd door het redelijkheids- beginsel, wat inzake tucht impliceert dat een tuchtstraf in een redelijke verhou- ding van evenredigheid moet staan tot de tuchtfeiten. Bij het beoordelen van de evenredigheid van een tuchtmaatre- gel mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de tuchtoverheid maar moet hij haar beleidsvrijheid respecteren. Enkel mag de Raad van State in het kader van zijn wettigheidscontrole nagaan of het oordeel van de verwerende partij binnen de grenzen is gebleven van wat nog als redelijk kan worden aange- zien. Dat een tuchtmaatregel streng is, levert niet het bewijs dat hij onredelijk is. Er kan dan slechts sprake zijn van schending van het evenredigheidsbeginsel, wanneer de beslissing, waarvan vastgesteld wordt dat ze op deugdelijke grond- slagen berust, inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat het ondenkbaar is dat enige andere zorgvuldige overheid, geplaatst voor dezelfde omstandigheden, die beslissing zou nemen. IX-8868-14/19 23. De vraag of er door de overheid binnen de perken van de rede- lijkheid mogelijk ook een andere – lichtere – straf kon zijn opgelegd, doet niet ter zake. 24. Wat de beweerde “private context” van de beteugelde uitspra- ken betreft, mag worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel sub 11. 25. Over de strafmaat heeft de kamer van beroep het volgende overwogen (nummering weggelaten): “De raad van bestuur heeft vervolgens overwogen dat de verzoeker, door te stellen dat NV-A‟ers in zijn school niet welkom zijn, mensen met een bepaalde politieke overtuiging uitsluit, terwijl zijn engagement binnen het gemeenschapsonderwijs hem precies verplicht om zijn persoonlijke me- ning te overstijgen en alzo geen politieke partij te discrimineren. Door zich zo op te stellen toont de verzoeker aan dat hij als directeur niet op de juiste plaats zit, zeker nu blijkt dat de verzoeker geen afstand kan nemen van zijn overtuiging en die overtuiging – die mensen uitsluit – precies het platform is van waarop hij de school bestuurt. […] En die voorrang [van zijn intieme overtuiging], die een bewuste keuze van de verzoeker is en waarvan hij op geen enkele wijze afstand neemt, is door de verwerende partij betrokken op de beoordeling van de strafmaat, waar, samengevat, gesteld wordt dat iemand die vasthoudt aan zijn per- soonlijke overtuiging en die overtuiging niet kan overstijgen wanneer zij in concurrentie komt met de grondbeginselen die de uitoefening van zijn functie beheersen, die functie niet meer kan vervullen. […] In die zin onderschrijft de Kamer van Beroep de redenering van de raad van bestuur dat de innerlijke overtuiging van de verzoeker, die aanleiding heeft gegeven tot het mailverkeer en de uitspraak dat NV-A‟ers niet wel- kom zijn op zijn school, en die hij gestand doet, hem verhindert zijn werk van schooldirecteur objectief en met inachtneming van het neutraliteitsbe- ginsel te vervullen, zodat hij van dat ambt weggehouden moet worden. […] De verzoeker verklaart zijn geëngageerd optreden tenslotte ook vanuit zijn rechtmatige bekommernis en inzet om het Franstalig onderwijs in Ronse de plaats te geven die het volgens de reglementering toekomt. Die overtuiging en inzet mag evenwel niet zover gaan dat het een eigen- gereid optreden wordt waarbij een van de grondregels die zijn functie be- heersen, terzijde worden geschoven. Een en ander brengt de Kamer van Beroep tot het besluit: IX-8868-15/19 […] dat deze tenlastelegging een gegeven is dat op het vlak van de straftoeme- ting beoordeeld mag worden in het licht van de politieke opvatting die de verzoeker ontwikkeld heeft, die hij nu ook gestand doet, en die haaks staat op het neutraliteitsbeginsel, dat elk personeelslid van het gemeenschaps- onderwijs onderschreven heeft en moet verdedigen. Deze botsing van ideeën en de uit het tuchtfeit blijkende onmogelijkheid van de verzoeker om daar het noodzakelijk compromis in te vinden, rechtvaardigt zijn ver- wijdering uit het ambt door hem te straffen met een terugzetting in rang. De Kamer van Beroep onderschrijft ook op dit vlak de motivering die de raad van bestuur ter zake heeft ontwikkeld.” De raad van bestuur, waarnaar de kamer van beroep met bijval verwijst, heeft aangegeven “bijzonder zwaar” te tillen aan de vastgestelde inbreu- ken. Hij heeft ook gewezen op het pedagogisch project en de neutraliteitsverkla- ring van het Gemeenschapsonderwijs. Hij heeft voorts begrip getoond voor het familiale verleden van verzoeker, maar daaraan toegevoegd dat verzoeker direc- teur is in het Gemeenschapsonderwijs en daarom de plicht heeft een en ander “te overstijgen”. De raad van bestuur heeft vervolgens geoordeeld dat verzoeker “geen afstand [kan] nemen van zijn overtuiging”, dat hij er integendeel door wordt “geregeerd” en op die manier mensen “uitsluit”. Op die manier heeft ver- zoeker zichzelf “gediskwalificeerd”. De raad van bestuur wijst ook op het feit dat de feiten diametraal staan tegenover de openheid die het Gemeenschapsonderwijs kenmerkt. 26. In plaats van de Raad van State thans trachten te overtuigen van het feit dat hij – anders dan de raad van bestuur en met hem de kamer van beroep het zagen – zijn aversie tegenover een welbepaalde politieke partij wel degelijk in de hand heeft en dat die geenszins zijn schoolbeleid bepaalt, put verzoeker zich uit – vooral in de memorie van wederantwoord – in het tonen van zijn afkeer en wil hij aan de Raad uitleggen waar deze vandaan komt. Dat is echter, in het licht van het evenredigheidsbeginsel, zon- der relevantie. Wat hem wezenlijk wordt verweten, is dat uit de feiten is gebleken dat hij zijn afkeer niet kan overstijgen en ze hem brengt tot uitspraken die een van de grondregels die zijn functie beheersen terzijde schuiven. IX-8868-16/19 27. Verzoeker voert in zijn memorie van wederantwoord ook aan dat het bestuur – Gemeenschapsonderwijs én Vlaamse Gemeenschap – “twee maten en twee gewichten” hanteert. Hij noemt daarbij “[v]oorbeelden van de re- lativiteit van de neutraliteit in het onderwijs” en het feit dat het “[b]ekleden [van een] openbaar ambt” een “vrijgeleide” zou betekenen voor “alle mogelijke straffe uitspraken”. Die elementen brengt verzoeker dan weer geenszins in verband met de door hem in zijn verzoekschrift aangevoerde schending van het evenre- digheidsbeginsel. Met die voorbeelden wil verzoeker doen vaststellen dat hij “op een heel ongelijke wijze” werd behandeld, wat wezenlijk neerkomt op een schen- ding van het gelijkheidsbeginsel. Daarmee geeft verzoeker echter andermaal een nieuwe wen- ding aan een middel, die ter wille van het respect voor de rechten van verdediging als onontvankelijk moet worden afgedaan. 28. Voor zover verzoeker voor het eerst in de memorie van weder- antwoord aan de algemeen directeur toeschrijft de situatie aan te grijpen om hem buiten te werken, en hij dus op machtsafwending alludeert, is ook deze grief laat- tijdig en onontvankelijk. 29. Verzoeker overtuigt niet van de onredelijkheid van het stand- punt van de kamer van beroep, die ingevolge het aan hem verweten feit en op grond van de aangehaalde motivering van oordeel was dat verzoeker uit zijn ambt van directeur moet worden verwijderd. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door – wat verzoeker noemt – een “gebrek aan antecedenten” en “het voor de rest voortreffelijk gedrag van verzoeker in zijn functie van schooldirecteur”. Die omstandigheid weegt voor de tuchtoverheid immers niet op tegen de onmogelijkheid voor verzoeker om het IX-8868-17/19 directeursambt conform het pedagogisch project en de neutraliteitsverklaring van het Gemeenschapsonderwijs uit te oefenen, zoals blijkt uit het tuchtfeit. Daarbij dient trouwens bedacht dat in de bestreden beslissing niet voor de zwaarste sancties werd geopteerd en dat hem niet een verdere loop- baan binnen het onderwijs is ontzegd. Om het volgens de kamer van beroep op grond van de feiten noodzakelijke tuchtdoel te bereiken, namelijk dat verzoeker van zijn ambt van directeur “weggehouden moet worden”, heeft zij immers geko- zen voor de terugzetting in rang. Dat is de lichtste sanctie die zij in het tuchtarse- naal ter beschikking heeft staan om dat doel te verwezenlijken, naast de zwaarde- re straffen van het ontslag en de afzetting. 30. Het derde middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. IX-8868-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-8868-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.360 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.010 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.