← België

Arrest 246369 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 11/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.369 Rolnummer: A. 222024/XIV-37395 Zaak: Arrest 246369 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 11/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-17 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-24 13:31 Fiche Arrest nr 246.369 van 11 december 2019 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.369 van 11 december 2019 in de zaak A. 222.024/XIV-37.395 In zake : Ivo VANQUAETHOVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de LOKALE POLITIEZONE 5907 LIMBURG REGIO HOOFDSTAD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Lamon kantoor houdend te 3500 Hasselt de Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 21 april 2017, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van CP [B.J.] van de politiezone Politie Limburg Regio Hoofdstad van 13 april 2017 waarbij het door de verzoeker aangevraagde verlof voor de periode augustus 2017 gedeeltelijk wordt geweigerd”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 238.071 van 3 mei 2017 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. XIV-37.395-1/25 Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Veerzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober
  3. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Ine Schildermans, die loco advocaat Hugo Lamon verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone

(5907)Limburg Regio Hoofdstad. XIV-37.395-2/25 3.
  1. Tijdens het basisoverlegcomité (hierna: het BOC) van 13 december 2016 wordt met betrekking tot de zomervakantie 2017 gewezen op de activiteiten (het vierdaags muziekfestival “Pukkelpop” en de “Virga Jessefeesten”) die plaatsvinden tijdens de maand augustus 2017 waardoor het voor de politiezone druk wordt. Het (ontwerp van) korpsorder (“KO opname van verlof”) wordt er besproken, waaraan ook verzoeker als vakbondsvertegenwoordiger deelneemt. Uit het verslag van deze vergadering van 13 december 2016 blijkt dat het volgende wordt besloten: “ Besluit: De KO „opname van verlof‟ wordt verspreid met enkele kleine aanpassingen naar aanleiding van opmerkingen door de vakbonden • De deadline voor het aanvragen van het jaarlijks vakantieverlof voor de maanden juli en augustus wordt behouden op 20 januari. • Het personeelslid kan meer dan de helft van meerweekse schoolvakanties verlof krijgen, indien de dienst het toelaat. • De overheid kan niet garanderen dat het personeelslid op Kerstmis of nieuwjaarsdag thuis kan zijn. • De sperperiodes zullen iedere keer op voorhand aan de vakbonden voorgelegd worden. • Er wordt verduidelijkt dat de verlofquota voor de permanentiediensten een richtlijn zijn. • Punt 3.6 „beperkingen en verlofquota‟ wordt geherformuleerd en specifieker verwoord.” 3.
  2. Op 29 december 2016 verzendt CP B.J., diensthoofd Centrale planning en registratie van de politiezone, een e-mail aan het personeel waarin hij meedeelt dat een korpsorder inzake het opnemen van verlof zal verschijnen waarover de commissaris in essentie al verduidelijkt dat de verlofaanvragen verder worden behandeld als vroeger maar met inachtneming van een aantal regels in de korpsorder waaronder dat de aanvragen voor juli en augustus vanaf dat ogenblik kunnen worden aangevraagd en bij voorkeur voor 20 januari, welke dan vanaf 20 januari gezamenlijk worden behandeld en tot dan “in beraad” worden geplaatst. Op 29 december 2016 verschijnt het korpsorder (korpsorder 16/077). Dit bepaalt, wat de permanentiediensten betreft, dat tijdens de school- vakanties en het groot zomerverlof verlof wordt gegeven “tot de verlofquota van 30% is bereikt”, met bijzondere quota tijdens sperperiodes zoals bij grote XIV-37.395-3/25 evenementen (zoals “Pukkelpop” en de “Virga Jessefeesten”) waarbinnen het verlofquotum wordt teruggebracht tot 20%. Er wordt aangekondigd dat deze sperperiodes conform het korpsorder tijdig ter kennis zullen worden gebracht door de korpsleiding en dat zij steeds zullen worden voorgelegd aan het BOC. 3.
  3. Verzoeker dient nog diezelfde dag, op 29 december 2016, een aanvraag in voor vakantieverlof gedurende de volledige maand augustus
  4. 3.
  5. Op 10 januari 2017 vindt een vergadering plaats van het Comité ter preventie en bescherming op het werk (hierna: het CPBW) waaraan verzoeker als vakbondsvertegenwoordiger deelneemt. Het verslag van die vergadering vermeldt onder het kopje “
  6. Verlof bij piekmomenten (Pukkelpop en Virga Jessefeesten)” wat volgt: “De overheid legt uit dat de Virga Jessefeesten en Pukkelpop dit jaar gelijktijdig plaatsvinden in augustus. Daaraan wordt er een sperperiode voorzien van 3 tot 20 augustus (maximum 20% verlofinzet). Er heeft een overleg COO plaats gevonden. Wanneer de diensten voor Pukkelpop en de Virga Jessefeesten volledig ingepland zijn, dan kan er wel verlof toegestaan worden. […] Besluit: Er wordt een sperperiode voorzien van 3 tot 20 augustus. De vakbonden gaan hiermee akkoord.” 3.
  7. Met een e-mail van 26 januari 2017 deelt CP B.J. mee dat er een sperperiode van 3 tot 20 augustus 2017 is (waarin bijgevolg het verlofquotum van 20% geldt) en dat uit de ingediende verlofaanvragen blijkt dat dit quotum ruim wordt overschreden, waarbij CP B.J. vraagt dit in vrijwilligheid te evalueren met het oog op intrekking of verschuiving. Op 31 januari 2017 bezorgt CP B.J. nog een e-mail aan de leden van de interventiedienst waarin hij meedeelt dat met een deel van het personeel een oplossing kon worden gevonden doch dat de ingediende verlofaanvragen nog steeds het quotum overschrijden en deze onmogelijk allemaal kunnen worden ingewilligd. Hij meldt dat de verlofaanvragen zullen worden behandeld vanaf 1 februari in de volgende orde:
(1)indien de aanvrager minderjarige kinderen XIV-37.395-4/25 heeft, gaan deze aanvragen voor,
(2)de aanvragers met minderjarige kinderen worden vervolgens gerangschikt volgens dienstanciënniteit,
(3)nadien volgen de aanvragers met meerderjarige kinderen en deze zonder kinderen, samen gerangschikt in een volgorde van dienstanciënniteit. 3.
  1. Aanvankelijk, bij beslissing van CP B.J. van 2 februari 2017 wordt de verlofaanvraag van verzoeker gedeeltelijk geweigerd met volgende commentaar: “02/08 tot 07/08 geweigerd 09/08 tot 13/08 en 15 en 20/08 geweigerd, wegens dienstomstandigheden en het bereiken van de quota. wordt herbekeken zodra de definitieve inzet bekend is.”. 3.
  2. Omwille van deze gedeeltelijke weigering, vat verzoeker op 7 februari 2017 het raadgevend orgaan, bedoeld in artikel VIII.III.7 van het RPPol (hierna: het Raadgevend Orgaan). Dit orgaan verstrekt op 3 april 2017 volgend advies: “Het raadgevend orgaan stelt, dat op grond van de overgemaakte informatie, het voorzien van een interne nota ter afwijking van de regels voorzien in de RPPol en UBPol mogelijk is. Doch dat deze nota vóór de uiterste indieningsdatum van het jaarlijks vakantieverlof overlegd dient te worden in het BOC en ter kennis dient te worden gebracht van de personeelsleden opdat deze afdwingbaar kan zijn. Bijgevolg moeten de normale regels voor het toekennen van verlof worden toegepast en wordt in deze casus vastgesteld dat het verlof niet geweigerd is voor ernstige dienstnoodwendigheden. Conform art. VIII.III.3 RPPol, dient daarenboven het verlof een doorlopende periode van ten minste zestien dagen te omvatten. Ingevolge de weigering van bepaalde dagen wordt dit hier niet gerespecteerd.” 3.
  3. Intussen had er op 15 maart 2017 nog een vergadering van het CPBW plaatsgevonden waar de problematiek van de verlofaanvragen opnieuw aan bod is gekomen en waar als volgt wordt beslist: “- Voor een 5-tal collega‟s werd er volgens CPR voorlopig geen bevredigende oplossing gevonden. Deze „probleemgevallen‟ zullen in samenspraak met de korpschef bekeken worden met het oog op een menselijke oplossing. - De overheid gaat het engagement aan om met vertegenwoordigers van de interventiedienst samen te zitten om in de toekomst een duidelijkere verlofregeling voor de zomervakantie uit te werken.” XIV-37.395-5/25 3.
  4. In navolging hiervan werd op 23 maart 2017 een nieuwe beslissing genomen over verzoekers verlofaanvraag die volgens de verwerende partij dezelfde dag werd ingegeven in het GALoP-systeem. Uit stuk 10 van het administratief dossier blijkt dat de verlofaanvraag voor 12, 13 en 20 augustus 2017 op 23 maart 2017 werd bevestigd. Tevens blijkt dat de verlofaanvraag voor 15 augustus 2017 reeds op 10 januari 2017 werd bevestigd. Door deze bevestigingen geniet verzoeker, wijl de sperperiode loopt van 3 tot 20 augustus, (doorlopend) verlof van 12 tot 31 augustus
  5. 3.
  6. Met een e-mail van 13 april 2017, met als onderwerp “beslissing overheid naar aanleiding van het proces-verbaal 003/17 van het Raadgevend Orgaan belast met het geven van advies in geval van weigering van het vakantieverlof”, deelt CP B.J. aan verzoeker wat volgt, mee: “Wij hebben op 7 april kennis gekregen van de inhoud van dit proces-verbaal. Als overheid houden wij eraan U kennis te geven van het feit dat wij de motivering van het Orgaan tijdens de zitting op 3 april hebben bekeken. Hierbij kan ik U meedelen dat wij het advies ter harte nemen. Op 23 maart, nog voor de datum van zitting van het Advies Orgaan, is U een groot verlof toegestaan van 12/08/2017 tot en met 31/08/
  7. Dit is een periode van 20 dagen. Derhalve betreft het een doorlopende periode van minimum 16 dagen. Vervolgens hebben wij de periode van 02/08/2017 tot en met 11/08/2017 nog eens grondig bekeken. Op 5, 6, 8 en 9 augustus 2017 zijn U reeds verlof of rust toegekend. Voor de andere dagen hebben wij moeten vaststellen dat dit omwille van de uitzonderlijke dienstomstandigheden niet kan worden toegekend. Dit om de goede werking van de organisatie en in het bijzonder van de interventiedienst niet in het gedrang te brengen. Tijdens deze periode zijn er diverse activiteiten zoals de Virga-Jessefeesten, dienen wij capaciteit te voorzien voor HYCAP en gerechtshoven. Verder genieten tijdens diezelfde periode een groot aantal collega‟s van hun groot verlof van minimum 16 dagen. Bijkomend geldt tijdens de vermelde periode een sperperiode wat verlofaanvragen betreft. Dit overeenkomstig de KO 16/077 voorgelegd aan het Basisoverlegcomité op 13/12/2016.” Dit is de bestreden beslissing. XIV-37.395-6/25 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  8. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel VIII.1 van het UBPol en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij zet in essentie uiteen dat hij reeds op 29 december 2016 zijn verlofaanvraag heeft ingediend en dat pas op 2 februari 2017 de beslissing tot gedeeltelijke weigering van zijn verlofaanvraag is genomen, waarvan hij op 3 februari 2017 kennis heeft genomen. Dit is ruimschoots buiten de door artikel VIII.1 van het UBPol voorgeschreven termijn van veertien dagen na de verlofaanvraag. Dit klemt des te meer aangezien gelet op de in de artikelen VIII.III.7 en verdere van het RPPol voorziene procedure bij het Raadgevend Orgaan in geval van weigering van verlof waarbij dit orgaan overeenkomstig artikel VIII.2 van het UBPol binnen de zeven dagen na het verzoek zijn gemotiveerd advies moet verstrekken aan de betrokken overheid. Verzoeker heeft dit adviserend orgaan gevat op 7 februari 2017 terwijl het advies pas werd verstrekt op 3 april 2017, en de eindbeslissing pas op 13 april 2017 werd meegedeeld. Hierdoor is niet alleen artikel VIII.1 van het UBPol “manifest” geschonden doch tevens het zorgvuldigheidsbeginsel dat vereist dat het personeelslid in geval van weigering van verlof zo snel mogelijk in kennis moet worden gesteld van die weigering zodat gebeurlijk een andere verlofperiode kan worden gekozen, rekening houdende met de gezinssituatie. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat, gelet op de hiërarchie der normen, het korpsorder geen afbreuk kan doen aan het voorschrift dat de weigering van de verlofaanvraag binnen de 15 dagen na het indienen van de verlofaanvraag moet worden meegedeeld. Minstens moeten de bepalingen van het korpsorder met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing worden gelaten. Het zorgvuldigheidsbeginsel impliceert dat de overheid spoedig handelt gelet op de reglementair voorgeschreven termijn. XIV-37.395-7/25 Verzoeker ziet niet in op grond van welk concreet element hem in de schoenen wordt geschoven dat hij onredelijk zou handelen. Het door verzoeker ontwikkelde argument betreffende de procedure bij en het handelen van het Raadgevend Orgaan geldt als verantwoording voor de noodzakelijke zorgvuldigheid die de verwerende partij in acht moet nemen bij het respecteren van de haar reglementair opgelegde termijnen. In zijn laatste memorie herhaalt hij wat hij reeds in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. Hij beklemtoont dat ook al is de in artikel VIII.1 van het UBPol vervatte termijn een termijn van orde, zulks er niet aan afdoet dat de beslissing “in elk geval voor de voorziene aanvangsdatum van het verlof” moet worden meegedeeld. Deze bepaling kan slechts betrekking hebben op uitzonderings-, zo niet overmachtssituaties dan wel het geval waarin het gevraagde verlof minder dan 14 dagen is verwijderd van de aanvraag. Hoewel niet rechtstreeks gesanctioneerd, dan is duidelijk dat de termijn van orde in artikel VIII.1 van het UBPol “juridisch bindend dient aanzien als een in redelijkheid korte termijn”. Voorts kan volgens verzoeker de specifieke context van de drukke augustusmaand 2017 hieraan evenmin afbreuk doen aangezien de genoemde activiteiten (Pukkelpop en Virga Jessefeesten) ook reeds vóór december 2016 gekend waren aangezien het gaat om een jaarlijks festival respectievelijk een om de zeven jaar weerkerende festiviteit. De bij verlofaanvragen noodzakelijk geldende korte termijn moet strikt worden gehanteerd zo niet dreigt (de organisatie van) een gezinsvakantie praktisch onmogelijk te worden. Beoordeling
  9. Het te dezen relevante artikel VIII.1 van het UBPol bepaalt: “Art. VIII.
  10. Het jaarlijks vakantieverlof kan wegens uitzonderlijke dienst- redenen worden geweigerd. De weigering wordt binnen de veertien dagen na het indienen van de aanvraag en in elk geval voor de voorziene aanvangsdatum van het verlof aan het personeelslid meegedeeld.” XIV-37.395-8/25 De in artikel VIII.1 van het UBPol gestelde termijn van 14 dagen is een termijn van orde en geen vervaltermijn aangezien geen sanctie verbonden wordt aan het niet naleven van die termijn. Dat het een ordetermijn betreft, volgt nog uit de bepaling in het vermelde artikel VIII.1 dat de weigering “in elk geval voor de voorziene aanvangsdatum van het verlof aan het personeelslid [wordt] meegedeeld”. Het niet-meedelen van de weigeringsbeslissing binnen de termijn van 14 dagen houdt dan ook geen schending in van artikel VIII.1 van het UBPol, ongeacht hetgeen in afwijking van deze bepaling in het korpsorder wordt bepaald. De vraag of het korpsorder met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden verklaard, behoeft dan ook geen antwoord. Verzoekers verweer dat de in artikel VIII.1 vervatte bepaling die vereist dat een gebeurlijke weigeringsbeslissing “in elk geval voor de voorziene aanvangsdatum van het verlof aan het personeelslid [wordt] meegedeeld” slechts betrekking kan hebben op uitzonderings-, overmachtssituaties of situaties waarin het gevraagde verlof minder dan 14 dagen is verwijderd van de aanvraag, is te dezen niet relevant. Los van de vraag of die bepaling niet eerder situaties viseert die veeleer uitzondering dan regel zijn, volstaat het te dezen vast te stellen dat uit de feitelijke uiteenzetting (supra punten 3.4 tot 3.10) blijkt dat verzoeker reeds op 23 maart 2017, dit is vier maanden vooraf, volledig zicht kreeg over zijn gehele verlofaanvraag voor de maand augustus 2017 die, omwille van de hoeveelheid verlofaanvragen, stapsgewijs werd gehonoreerd voor de periode van 12 tot 31 augustus
  11. Dat betekent, omgekeerd, dat verzoeker er einde maart 2017 kennis van had dat hij geen verder aaneensluitend verlof in augustus zou kunnen genieten, wat hem met de bestreden beslissing, na kennisneming van het advies van het Raadgevend Orgaan, wordt bevestigd. Uit wat voorafgaat, volgt dat geen schending van artikel VIII.1 van het UBPol voorligt.
  12. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de XIV-37.395-9/25 beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. In zoverre verzoeker te dezen het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden acht en deze schending situeert in de vaststelling dat de verwerende partij te lang getalmd heeft met het meedelen van de (gedeeltelijke) weigering, maakt hij volledig abstractie van de context die hem nochtans als vakbonds- vertegenwoordiger in het BOC goed bekend is. De maand augustus 2017 is een uitzonderlijk drukke maand voor de politiezone. Het feit dat Pukkelpop een jaarlijks weerkerend evenement is en dat de Virga Jessefeesten om de zeven jaar plaatsvinden doet daaraan niet af. Het is net het vooruitzicht van die drukke maand augustus 2017 die de verwerende partij ertoe heeft gebracht om reeds in december 2016 de nodige maatregelen en initiatieven te nemen om het aantal aanvragen zoveel als mogelijk te kunnen honoreren wat veeleer van een zorgvuldige aanpak en besluitvorming getuigt. Net omdat moeilijkheden werden verwacht bij de verloftoekenning, is het korpsorder uitgevaardigd om zo veel en zo goed mogelijk aan de verlofwensen van alle personeelsleden tegemoet te kunnen komen. Hieraan is enig puzzelwerk en overleg te pas gekomen en dit heeft enige tijd in beslag genomen. Aan verzoeker werd in de uitzonderlijk drukke maand augustus 2017 toch een verlof van 20 opeenvolgende dagen toegekend. In die omstandigheden kan de verwerende partij bezwaarlijk onzorgvuldigheid worden aangewreven louter omdat de weigering van een aantal verlofdagen niet binnen de ordetermijn van 14 dagen werd meegedeeld, terwijl die overheid er oog moest voor hebben om zo veel mogelijk tegemoet te komen aan alle verlofaanvragen voor de maand augustus 2017, inclusief die van verzoeker wat zij, ook ten aanzien van verzoeker, zoveel als mogelijk heeft betracht. In zoverre verzoeker het handelen van het Raadgevend Orgaan aanhaalt om de onzorgvuldigheid van de verwerende partij te staven, merkt die XIV-37.395-10/25 laatste terecht op dat zij niet instaat voor de wijze waarop dit (extern) orgaan beraadslaagt. Het valt dan ook niet in te zien hoe dit gegeven zou kunnen bijdragen om de onzorgvuldigheid van de verwerende partij aan te tonen.
  13. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  14. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker betwist de deugdelijkheid van de grondslag van de bestreden beslissing, met name de zogenaamde uitzonderlijke dienstom- standigheden die een bijzondere behoefte aan mankracht vereisen. Verzoeker maakt een analyse van de diensttabel voor de maand augustus 2017 en meent dat er minstens ook ruimte was om hem voor de periode van 8 tot 11 augustus 2017 (geen bijzondere activiteiten) (groot) verlof toe te kennen, aansluitend bij zijn verlofperiode van 12 tot en 31 augustus
  15. Verzoeker acht de materiële- motiveringsplicht nog geschonden doordat de beslissing ook wordt gesteund op een sperperiode zoals voorzien in het korpsorder. De bestreden beslissing verwijst naar het korpsorder “voorgelegd aan het basisoverlegcomité op 13-12-2016”. Dit werd inderdaad besproken op BOC maar uit de notulen van die vergadering blijkt tevens dat besloten werd dat sperperiodes iedere keer op voorhand aan de vakbonden zullen worden voorgelegd. De concrete sperperiode van 3 tot 20 augustus 2017 (zoals meegedeeld in de e-mail van CP B.J. van 26 januari 2017) werd evenwel nooit aan de vakbonden voorgelegd. Er kon derhalve geen toepassing gemaakt worden van het quotum waarbij het verlof werd beperkt tot 20%. Verzoeker is van oordeel dat het beginsel dat het verlof wordt genomen zoals het het personeelslid past tenzij uitzonderlijke dienstredenen dit verhinderen, met bijzondere gestrengheid moet worden benaderd. Aangezien hier geen voldoende uitzonderlijke dienstredenen de weigering van het verlof van 1 tot en met XIV-37.395-11/25 11 augustus 2017 “volledig” kunnen schragen, werd de materiëlemotiveringsplicht geschonden. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat de verwerende partij volledig abstractie maakt van de vaststelling dat Pukkelpop pas plaatsvindt op 16, 17 en 18 augustus, en dat er in het kader van de Virga Jessefeesten slechts op 6 en 7 augustus activiteiten zijn (die als uitzonderlijke dienstomstandigheden kunnen worden beschouwd). Aangezien verzoeker op 8 en 9 augustus vrij van dienst was, klemt het dus zeer dat hem niet minstens ook op 10 en 11 augustus verlof kon zijn verleend hoewel er die dagen geen uitzonderlijke dienstomstandigheden waren. Alsdan had hij immers een ononderbroken periode gehad van 8 augustus tot en met 31 augustus in plaats van slechts vanaf 12 augustus kunnen genieten, wat hem in de gelegenheid had gesteld om de gezinsreis met de dochters te maken. De verwerende partij beweert wel dat verlof toekennen onmogelijk was gelet op de behoeften en noden, maar dit blijkt uit niets. Wat de niet-raadpleging van het BOC betreft, repliceert verzoeker dat het CPBW een overlegorgaan inzake de veiligheid en gezondheid van het personeel is, en dit in het kader van de wet van 4 augustus 1996 „betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk‟ (hierna: de welzijnswet). Het overleg had plaats dienen te vinden in het BOC, het basisoverlegcomité bedoeld in artikel 34 van koninklijk besluit van 8 februari 2001 „tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten‟. Ook het (aan het BOC overgelegde) korpsorder 16/077 voorziet dit letterlijk onder punt 3.5: “... en zullen steeds worden voorgelegd aan het BOC”. Het beginsel „patere legem quam ipse fecisti‟ verplicht het bestuur en de organen die ervan afhangen ertoe de algemene regels die het zelf heeft vastgesteld te eerbiedigen bij de concrete toepassing ervan. Alwaar het korpsorder voorziet dat de sperperiodes tijdig ter kennis worden gebracht door de korpsleiding en steeds zullen worden voorgelegd aan het BOC diende zulks dus ook effectief op het BOC te zijn geschied. XIV-37.395-12/25 In zijn laatste memorie verwijst verzoeker naar zijn uiteenzetting in eerdere procedurestukken en volhardt hij in zijn standpunt. Wat de bespreking van de sperperiode in het CPBW betreft, stelt hij dat “[n]iet alleen de samenstelling doch ook de finaliteit van het orgaan hierbij [dient] te worden beschouwd en deze is totaal anders wat het CPBW versus het BOC betreft”. Beoordeling
  16. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere admini- stratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
  17. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het middel op grond van de volgende overwegingen: “2.4.2 In zoverre de verzoeker voor de schending van de materiële motiveringsplicht steun meent te kunnen vinden in de vaststelling dat er van 8 tot 11 augustus 2017 geen uitzonderlijke dienstomstandigheden waren (omdat er dan geen bijzondere activiteiten waren), maakt hij ten onrechte abstractie van het korpsorder waarin bepaald wordt dat tijdens schoolvakanties maximum 30 % van het personeel gelijktijdig met verlof kan, en dat er bovendien van 3 tot 20 augustus een sperperiode loopt, waarin slechts 20 % van het personeel gelijktijdig met verlof kan. Dat er op de bedoelde dagen geen uitzonderlijke dienstomstandigheden waren kan dan ook niet dienstig ingeroepen worden om aan te tonen dat de verwerende partij geen deugdelijke redenen had om het verlof voor die dagen te weigeren. 2.4.3 De verzoeker betwist evenwel dat de verwerende partij in het bestaan van de sperperiode van 3 tot 20 augustus een deugdelijk motief voor de weigering van het verlof kan vinden, vermits die sperperiode niet vooraf voorgelegd werd aan de vakbonden in het BOC, hoewel zulks voorgeschreven wordt door het korpsorder. In de notulen van de vergadering van het BOC van 13 december 2016 wordt bij de besluiten vermeld: „De sperperiodes zullen iedere keer op voorhand aan de XIV-37.395-13/25 vakbonden voorgelegd worden.‟ In het korpsorder 16/077 van 29 december 2016 wordt met betrekking tot de verlofaanvragen voor de maanden juli en augustus bepaald dat deze „bij voorkeur [worden] aangevraagd ten laatste op 20 januari jaarlijks‟, en dat „alle aanvragen, tot en met 20 januari ingediend, worden beschouwd als zijnde ingediend op 20 januari waarna al deze aanvragen gezamenlijk worden behandeld‟. (punt 2.2.1) In het korpsorder wordt onder punt 3.5 tevens bepaald: „Bijzondere quota tijdens sperperiodes. 5…) Deze sperperiodes zullen tijdig ter kennis worden gebracht door de korpsleiding en zullen steeds worden voorgelegd aan het BOC.‟ In het verslag van de vergadering van het CPBW van 10 januari 2017, waaraan de verzoeker als vakbondsvertegenwoordiger deelnam, wordt onder meer het volgende gesteld: „De overheid legt uit dat de Virga Jessefeesten en Pukkelpop dit jaar gelijktijdig plaatsvinden in augustus. Daaraan wordt er een sperperiode voorzien van 3 tot 20 augustus (maximum 20% verlofinzet). Er heeft een overleg COOO plaats gevonden. Wanneer de diensten voor Pukkelpop en de Virga Jessefeesten volledig ingepland zijn , kan er wel verlof toegestaan worden. (…) Besluit: Er wordt een sperperiode voorzien van 3 tot 20 augustus. De vakbonden gaan hiermee akkoord.‟ Met verzoeker wordt vastgesteld dat de sperperiode van 3 tot 20 augustus 2017 niet vooraf aan het BOC werd voorgelegd, hoewel het korpsorder 16/077 voorschrijft dat dit moet gebeuren. Vraag is of deze vaststelling voldoende is om het onderdeel gegrond te bevinden. De sperperiode werd immers wel voorgelegd aan de vakbondsvertegenwoordigers in de vergadering van het CPBW van 10 januari 2017, waarbij deze vakbondsver- tegenwoordigers bovendien expliciet hun akkoord betuigd hebben met de sperperiode van 3 tot 20 augustus
  18. Het CPBW mag dan al een andere finaliteit hebben dan het BOC, de verzoeker spreekt de verwerende partij niet tegen dat het BOC slechts om de drie maanden bijeenkomt, terwijl het CPBW maandelijks bijeenkomt. De verzoeker spreekt evenmin tegen dat de samenstelling van het CPBW en het BOC (behoudens de arbeidsgeneesheer) dezelfde is. Aangezien de verlofaanvragen voor juli en augustus 2017 vanaf 20 januari 2017 gezamenlijk behandeld moesten worden, en de sperperiode voor die datum aan de vakbonds- vertegenwoordigers moest voorgelegd worden, heeft de verwerende partij ervoor geopteerd de sperperiode voor te leggen aan het CPBW op 10 januari 2017 (aangezien er geen BOC meer plaatsvond voor 20 januari
  19. Het is in redelijkheid ook niet denkbaar dat de (zelfde) vakbondsvertegenwoordigers, met een ander petje in het BOC, zich niet akkoord zouden verklaard hebben met de sperperiode. Ik meen derhalve dat het normdoel van het voorschrift in het korpsorder dat de sperperiodes vooraf aan de vakbonden worden voorgelegd bereikt werd en dat de vaststelling dat dit niet in het daartoe bestemde orgaan is gebeurd niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden.”.
  20. Verzoeker betwist deze conclusie maar beperkt er zich in zijn laatste memorie toe te verwijzen naar zijn uiteenzetting in eerdere procedurestukken en in zijn standpunt te volharden. Hij verzuimt evenwel ter zake nog inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat. Door zonder meer te stellen dat “niet alleen de samenstelling doch ook de finaliteit XIV-37.395-14/25 van het orgaan” in ogenschouw moet worden genomen, slaagt verzoeker er niet in te weerleggen dat, wat het opnemen van het jaarlijks verlof en het vastleggen van de sperperiode betreft, niet aan het normdoel van het vakbondsoverleg zou zijn voldaan. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  21. In het verzoekschrift wordt een derde middel ontleent aan een schending van het gelijkheidsbeginsel, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen VIII.III.3 van het RPPol en VIII.1 van het UBPol, evenals van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM). Verzoeker zet in essentie uiteen dat te dezen de verlofaanvragen van de personeelsleden werden behandeld in een dynamiek met voorrang voor aanvragers met minderjarige kinderen en pas nadien deze van aanvragers met meerderjarige kinderen of zonder kinderen, samen gerangschikt in een volgorde van dienstanciënniteit. Verzoeker voert aan dat het hebben van minderjarige, meerderjarige dan wel geen kinderen geen wettige reden is om een onderscheid te maken met voorrang van de ene categorie ten nadele van een andere wat de toekenning van het verlof betreft. Conform de artikelen VIII.III.3 van het RPPol en VIII.1 van het UBPol “tellen als enige criteria het personeelslid zijn en de behoeften van de dienst”. Er is geen ruimte om de dwingende behoeften van de dienst (meer) af te wentelen op een bepaalde categorie van personeelsleden (te dezen ten nadele van diegene met meerderjarige kinderen of zonder kinderen) ten XIV-37.395-15/25 voordele van een andere categorie (te dezen ten voordele van diegene met minderjarige kinderen). Volgens verzoeker is er geen redelijke en objectieve verantwoording voor het gemaakte onderscheid, noch is er een redelijk verband van evenredigheid, te meer nu het onderscheid enkel geldt voor de maand augustus terwijl de personeelsleden met schoolgaande (minderjarige) kinderen in de zomermaanden tevens in de maand juli dat deel uitmaakt van het schoolverlof, verlof kunnen nemen. Bovendien is het criterium (meerderjarig - minderjarig) niet pertinent omdat een meerderjarig kind nog evengoed schoolgaand kan zijn. Evenmin is duidelijk wat moet worden begrepen op het “hebben van minderjarige kinderen” waarbij verzoeker verwijst naar de talrijke gezinsvormen die er zijn. “Louter subsidiair”, dit is in de mate dergelijke voorrangsregeling alsnog de toetsing aan het gelijkheidsbeginsel zou doorstaan, kan dit enkel worden verantwoord om een gezinsvakantie tijdens de zomermaanden mogelijk te maken, in welk geval een bijkomend onderscheid diende te worden gemaakt tussen de personeelsleden met meerderjarige kinderen en deze zonder kinderen opdat eerstgenoemden met hun kinderen een gezinsvakantie zouden kunnen door- brengen, en dit ongeacht of deze kinderen nog schoolgaand zijn of niet. Verzoeker stelt dat ook niet-studerende kinderen die reeds de arbeidsmarkt hebben betreden in ogenschouw moeten worden genomen omdat in dat geval meerdere verlofperiodes op mekaar moeten worden afgestemd om een gezinsvakantie mogelijk te maken. Door dit bijkomend onderscheid niet te maken, ligt een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor, evenals van artikel 8 EVRM (bescherming van het gezinsleven). In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat het irrelevant is dat hij 20 opeenvolgende dagen verlof heeft kunnen opnemen. Hij vraagt geen voorrangsregeling voor hem alleen en klaagt de gehanteerde criteria aan. Hij leest voorts geen verweer tegen zijn argument dat de gehanteerde regeling enkel gold voor augustus en niet voor de maand juli. Tot slot, negeert de verwerende partij volkomen de subsidiaire vaststelling inzake de schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals uitgewerkt in zijn verzoekschrift (ten voordele van XIV-37.395-16/25 personeelsleden zonder kinderen met meer dienstanciënniteit dan een personeels- lid met meerderjarige kinderen dat minder dienstanciënniteit kan voorleggen). In zijn laatste memorie erkent verzoeker dat dat de bestreden verlofbeslissing niet is genomen op grond van een voorrangsregeling voor personeelsleden met minderjarige kinderen maar op grond van de uitzonderlijke dienstomstandigheden, wat volgens hem niet wegneemt - ook al wordt er niet (meer) expliciet naar de voorrangsregeling in verband met minderjarige kinderen verwezen-, dat luidens de communicatie van CP B.J. de betreffende voorrangsregeling een algemene regeling is die wordt gehanteerd om te beoordelen wie - binnen de dienstomstandigheden - eerst recht heeft op verlof. Immers sluiten de dienstomstandigheden en de sperperiode niet uit dat er verloven zijn: ze beperken het aantal verloven en binnen deze beperking hanteert men de voorrangsregeling voor personeelsleden met minderjarige kinderen. Verzoeker meent dat voor zijn standpunt dat de voorrangsregeling werd gehanteerd nog blijkt uit de memorie van antwoord van de verwerende partij waarin deze eensdeels stelt dat er gemiddeld 40 inspecteurs vakantie bleven vragen terwijl er slechts 21 vakantie konden nemen en, anderdeels, dat zij een zekere prioriteit heeft ingelast waarbij de politiemensen met minderjarige kinderen voorrang krijgen bij het bepalen van de vakantieregeling voor augustus 2017 wat meebrengt dat verzoeker (die 2 dochters heeft van respectievelijk 30 jaar en 28 jaar) niet werd geprivilegieerd. Aldus is het volgens verzoeker duidelijk dat er wel degelijk toepassing is gemaakt van de betreffende voorrangsregeling en dat deze ten grondslag ligt van de beslissing die is genomen omtrent verzoekers verlofaanvraag. Verder herhaalt verzoeker dat de schoolvakantie zich niet beperkt tot de maand augustus doch ook de maand juli omvat zodat, indien er evenwichtige spreidingen dienen gezocht, de overheid daar ook rekening mee diende te houden, dat het een “open vraag is wat dat precies is „minderjarige kinderen‟ hebben”, evenals dat dit criterium op zich ook al niet decisief kan zijn alwaar door omstandigheden ook (net) meerderjarige kinderen nog in het schoolsysteem kunnen vallen. Dit alles in acht genomen, meent verzoeker nog dat gelet op “het wettelijke stramien van een aanvraag verlof gevolgd door - binnen een nood- XIV-37.395-17/25 zakelijk korte termijn - een beslissing, aldus alleen de dynamiek van de volgorde der aanvragen een eventueel nuttig criterium [kan] zijn”. Hij herhaalt dat hij “in subsidiaire orde” heeft opgeworpen dat indien het betreffende onderscheid dan toch kan worden gemaakt er minstens een verder onderscheid diende gemaakt tussen diegenen met meerderjarige kinderen versus deze zonder kinderen en dat aangezien dit niet is geschied ongelijke categorieën gelijk worden behandeld, wat eveneens een schending van het gelijkheidsbeginsel impliceert. Beoordeling
  22. In de e-mail van CP B.J. van 31 januari 2017 (supra punt 3.6) wordt aangegeven dat de verlofaanvragen zullen worden behandeld in de volgende orde: (1.) de aanvragers met minderjarige kinderen, (2.) de aanvragers met minderjarige kinderen worden vervolgens gerangschikt volgens dienstanciënniteit, (3.) nadien de aanvragers met meerderjarige kinderen en deze zonder kinderen, samen gerangschikt in een volgorde van dienstanciënniteit. Gelet op deze e-mail van 31 januari 2017 kan worden aangenomen dat de aanvankelijke weigering van 2 februari 2017 van verzoekers verlofaanvraag voor de volledige maand augustus 2017 op deze regeling werd gesteund. Zoals evenwel uit de feitelijke uiteenzetting is gebleken, heeft de verwerende partij het advies van het Raadgevend Orgaan dat verzoeker over deze weigering had gevraagd niet afgewacht en reeds zelf, na bespreking binnen het CPBW op 15 maart 2017, op 23 maart 2017 een nieuwe beslissing genomen (dit is de in punt 3.11 aangehaalde bestreden beslissing) die tot gevolg heeft dat aan verzoeker een aaneengesloten verlofperiode werd toegekend van 12 tot en met 31 augustus 2017, zijnde een verlof van minimum 16 dagen zoals artikel VIII.III.3 van het RPPol vereist. Voorts is aan verzoeker op 5, 6, 8 en 9 augustus 2017 eveneens verlof of rust toegekend. Voor de overige dagen, aldus de bestreden beslissing, “hebben wij moeten vaststellen dat dit omwille van de uitzonderlijke dienstomstandigheden niet kan worden toegekend”. Die weigering strekt er luidens de bestreden beslissing toe “de goede werking van de organisatie en in het bijzonder van de XIV-37.395-18/25 interventiedienst ” niet in het gedrang te brengen. Er is daarbij, aldus de bestreden beslissing, rekening gehouden dat er tijdens deze periode diverse activiteiten zoals de Virga Jessefeesten zijn, dat in capaciteit dient te worden voorzien voor HYCAP en gerechtshoven, dat tijdens diezelfde periode een groot aantal collega‟s van hun groot verlof van minimum 16 dagen genieten en, bijkomend, dat tijdens de vermelde periode een sperperiode geldt wat verlofaanvragen betreft. Bijgevolg moet vastgesteld worden dat de weigering van de verlofdagen niet wordt gemotiveerd op grond van de voorrangsregeling zoals die is uiteengezet in de e-mail van CP B.J. van 31 januari 2017, maar op grond van de uitzonderlijke dienstomstandigheden die worden geëxpliciteerd. De verwerende partij ontkent in haar memorie van antwoord weliswaar niet dat er meer verlofaanvragen waren dan er verloven konden worden toegekend in de sperperiode van 3 tot 20 augustus 2017 en dat “knopen moesten worden doorgehakt”. Op 15 maart 2017 vond hierover nog vakbondsoverleg binnen het CPBW plaats waarbij er werd erkend dat er fouten waren gemaakt en dat dit zou worden herbekeken om zo veel mogelijk rekening te kunnen houden met de verlofwensen van de personeelsleden, wat ook is gebeurd (supra de punten 3.9 en 3.10). Er kan dan ook niet worden besloten dat de in de e-mail van 31 januari 2017 aangegeven cascaderegeling, laat staan volautomatisch, zou zijn toegepast en al zeker niet dat er geen rekening zou zijn gehouden met de wensen cq. het gezinsleven van verzoeker, waaraan een aaneensluitende verlofperiode van 20 dagen in de door hem aangevraagde maand augustus werd toegekend. Dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord en in haar laatste memorie aangeeft dat zij bij het beoordelen van de aanvragen voor augustus 2017 “een zekere prioriteit” heeft ingelast in die zin dat rekening is gehouden met “politiemensen met minderjarige kinderen”, wat betekent, aldus de verwerende partij, “dat [verzoeker] (die 2 dochters heeft van respectievelijk 30 jaar en 28 jaar) niet wordt geprivilegieerd”, doet daaraan allerminst af. Wanneer het aantal verlofaanvragen de vereiste capaciteit overtreft, moeten immers keuzes worden gemaakt, die zoals hierna wordt uiteengezet, verantwoord zijn. XIV-37.395-19/25
  23. Het te dezen relevante artikel VIII.III.3, eerste lid, van het RPPol voorziet immers dat het jaarlijks vakantieverlof wordt genomen zoals het het personeelslid past “en met inachtneming van de behoeften van de dienst ”. Indien het verlof wordt gesplitst en indien het personeelslid het vraagt, moet het volgens het tweede lid van diezelfde bepaling “een doorlopende periode van ten minste zestien dagen omvatten”. Krachtens artikel VIII.III.3, laatste lid, tot slot, moet het jaarlijks vakantieverlof “dat wordt genomen in de periode van juni tot september”, in principe, ten minste vier maanden op voorhand worden aangevraagd. Het valt aldus binnen de discretionaire beoordelingsbevoegd- heid van de verwerende partij om wanneer niet alle verlofaanvragen kunnen worden toegekend, finaal daarover te beslissen op voorwaarde dat een aansluitende verlofperiode van zestien verlofdagen wordt in acht genomen, wat te dezen is gebeurd. In het licht van artikel VIII.III.3 RPPol dat voorschrijft dat het jaarlijks vakantieverlof wordt genomen “in de periode van juni tot september”, is het niet discriminerend noch onredelijk om, wanneer keuzes moeten worden gemaakt wat dat jaarlijks vakantieverlof betreft, bij de beoordeling ervan rekening te houden met de schoolvakanties die - hogere onderwijsstudenten meegerekend -, vallen in de zomermaanden van (eind) juni tot (eind) september. In zoverre verzoeker aanvoert dat ook de maand juli in de beoordeling moest worden betrokken, voert en toont hij niet aan dat er zich voor juli problemen voordeden. Bijkomend dient vastgesteld dat voor die periode geen sperperiode was ingesteld wat de Raad van State doet besluiten dat de verwerende partij voor de maand augustus “knopen moest doorhakken”. In de mate verzoeker in dat opzicht aanvoert dat het criterium minderjarig/meerderjarig niet pertinent is, minstens niet (geheel) adequaat, omdat ook meerderjarige kinderen gebonden of (nog) gebonden kunnen zijn aan school- of studieverplichtingen, valt niet in te zien welk belang verzoeker aan dat argument ontleent. Verzoeker beweert immers niet, noch maakt hij aannemelijk dat zijn meerderjarige kinderen nog school lopen of studeren en in dat verband school-, studie- of examenverplichtingen hadden. In zoverre verzoeker XIV-37.395-20/25 nog een discriminatie ontwaart omdat niet duidelijk is wat moet worden verstaan onder het “hebben van (minderjarige) kinderen” blijkt alvast niet, noch wordt aannemelijk gemaakt dat de verwerende partij daarbij enkel een “biologisch ouderschap” zou hebben voorgestaan. Wat tot slot het argument van verzoeker betreft dat ook niet-studerende (meerderjarige) kinderen die reeds de arbeidsmarkt hebben betreden in ogenschouw moeten worden genomen omdat in dat geval meerdere verlofperiodes op mekaar moeten worden afgestemd om een gezinsvakantie mogelijk te maken, gaat hij er geheel aan voorbij dat hem in augustus 20 aaneensluitende dagen verlof zijn toegekend (en waarvan hij reeds einde maart 2017 op de hoogte was) zodat is voldaan aan de in artikel VIII.III.3 van het RPPol en VIII.1 van het UBPol gestelde vereisten. Voorts blijkt niet - en verzoeker toont dat ook niet aan - dat deze vakantieregeling die uit een aansluitende periode van 20 dagen beslaat, hem niet toeliet (desgevallend met enige flexibiliteit zoals ook geldt voor zijn collegae) om een verlofweek met zijn dochters - zij het mogelijk in een andere vakantiehuurwoning dan degene die hij aanvankelijk op het oog had-, te organiseren. De verwerende partij kan geen discriminerende behandeling, laat staan een onredelijke of onevenredige behandeling van verzoekers verlofaanvraag worden verweten.
  24. In zoverre verzoeker, tot slot, nog een schending van artikel VIII.III.3 van het RPPol en artikel VIII.1 van het UBPol aanvoert in die zin dat - zoals hij in zijn laatste memorie stelt -, uit het samen lezen van die bepalingen volgt dat “alleen de dynamiek van de volgorde der aanvragen een eventueel nuttig criterium [kan] zijn”, had verzoeker dit argument reeds in zijn verzoekschrift kunnen ontwikkelen. Daargelaten nog dat uit die rechtsbepalingen geenszins blijkt dat de verwerende partij bij splitsing of weigering van verlofaanvragen omwille van dienstnoodwendigheden slechts toepassing zou hebben kunnen maken van het criterium “eerst komt, eerst maalt”, geeft verzoeker aldus op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe invulling aan zijn middel. Dergelijk nieuw of aanvullend argument kan niet tot nietigverklaring leiden. In de mate dat het geen nieuw of aanvullend argument betreft, valt het samen met hetgeen hiervoor is XIV-37.395-21/25 uiteengezet. In dat geval leidt het evenmin tot het gegrond bevinden van het middel.
  25. Uit wat voorafgaat volgt dat geen schending voorligt van de in het derde middel aangevoerde rechtsregels en -beginselen.
  26. Het derde middel is, in zoverre ontvankelijk, ongegrond. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  27. Het vierde middel, tot slot, betreft een aangevoerde schending van de artikelen 3 en 8 van de wet van 24 maart 1999 „tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten‟ (hierna: de wet van 24 maart 1999). Verzoeker zet in essentie uiteen dat artikel 3 van de wet van 24 maart 1999 stelt dat er onderhandeling moet zijn aangaande de ontwerpen en grondregelingen van het administratief statuut, met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling. Met het koninklijk besluit van 8 februari 2001 „tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten‟ (hierna: het koninklijk besluit van 8 februari 2001) werden de grondregelingen in de zin van artikel 3, eerste lid, 1°, van de wet van 24 maart 1999 aangewezen (artikel 2, 12°: “de administratieve standen, de omstandigheden waardoor ze worden bepaald en hun gevolgen op de toestand van de personeelsleden met inbegrip van de regeling inzake vakantie of verlof of terbeschikkingstelling”). De grondregelingen zijn overeenkomstig artikel 3 van de wet van 24 maart 1999 onderworpen aan voorafgaande syndicale onderhandeling. Bijgevolg dient een regeling die een voorrangsregeling bij de behandeling en toekenning van verlofaanvragen voor welbepaalde personeelscategorieën invoert voorafgaand aan syndicale onderhandeling te worden onderworpen wat met de voorrangsregeling voor de verlofaanvragen van de personeelsleden met XIV-37.395-22/25 minderjarige kinderen, uitgedrukt in de e-mail van CP B.J. van 31 januari 2017, niet is gebeurd. In zoverre de Raad van State van oordeel zou zijn dat deze aangelegenheid niet aan voorafgaande syndicale onderhandeling moet worden onderworpen, dan nog stelt artikel 8 van de wet van 24 maart 1999 dat de regelingen met betrekking tot de bij artikel 3 bedoelde onderwerpen die de Koning niet als grondregeling heeft beschouwd, slechts na overleg met de representatieve vakorganisaties in de overeenkomstig artikel 9 opgerichte comités, kunnen worden vastgesteld, wat evenmin is gebeurd. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker nog dat anders dan de verwerende partij dat ziet de bedoelde voorrangsregeling niet in het korpsorder 16/077 is opgenomen maar uitgewerkt is in de e-mail van CP B.J. Deze regeling is geenszins voor voorafgaande onderhandeling of overleg overgelegd. Het betreft evenmin een individuele invulling van de vakantie vermits het “een globale regeling invoert die van toepassing is op het gehele personeelsbestand”. Verzoeker volhardt in zijn laatste memorie in het middel en acht dat wel degelijk van een grondregeling sprake is gelet op artikel 2, 12° van het koninklijk besluit van 8 februari
  28. Beoordeling
  29. Daargelaten de vraag of de in de e-mail van CP B.J. van 31 januari 2017 uitgewerkte werkwijze voor het jaarlijks verlof van 2017 een “grondregeling” is in de zin van artikel 3 van de wet van 24 maart 1999, is bij de beoordeling van het derde middel reeds gebleken dat niet blijkt dat de bestreden beslissing werd genomen op basis van de in die e-mail uitgewerkte “voorrangs- regeling”. Evenmin is aangetoond dat het een bindende regeling betrof die op alle aanvragen waaronder die van verzoeker werd toegepast. Wel integendeel vloeit uit de feiten voort dat bij de individuele beoordeling van de verlofaanvragen, binnen de perken van de dienstnoodwendigheden, rekening is gehouden met de eigenheid van elke verlofaanvraag cq. bekommernissen van elke aanvrager, daarin begrepen XIV-37.395-23/25 het al dan niet hebben van minderjarige (schoolgaande) kinderen, met de betrachting daaraan in de mate van het mogelijke tegemoet te komen. In dat licht behoeft het middel geen verdere beoordeling nu verzoeker slechts aanvoert dat de “voorrangsregeling” uitgewerkt in die e-mail van 31 januari 2017 de artikelen 3 en 8 van de wet van 24 maart 1999 schendt. Het gegeven dat in de praktijk bij de beoordeling van de jaarlijkse vakantieaanvragen tijdens de sperperiode (van 3 tot 20 augustus) “met een zekere prioriteit” rekening is gehouden met personeelsleden die minderjarige kinderen hebben, doet daaraan niet af.
  30. Het vierde middel is ongegrond. BESLISSING
  31. De Raad van State verwerpt het beroep.
  32. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-37.395-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf december tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.395-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.369 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.071 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.