id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.420 Rolnummer: A. 222268/IX-9075 Zaak: Arrest 246420 - Tucht (openbaar ambt) - 17/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-30 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-24 13:42 Fiche Arrest nr 246.420 van 17 december 2019 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 246.420 van 17 december 2019 in de zaak A. 222.268/IX-9075 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP die woonplaats kiest bij de juridische cel van de afdeling Advies en Ondersteuning onderwijsPersoneel gevestigd te 1210 Brussel Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 Tussenkomende partij: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 11 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 25 april 2017, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van de kamer van beroep van het Gemeenschapsonder- wijs van 21 februari 2017 waarbij aan XXXX de tuchtmaatregel van het ontslag wordt opgelegd. IX-9075-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 240.064 van 4 december 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenko- mende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 december
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Hans-Kristof Carême, die loco advocaat Bert Beelen verschijnt voor de verzoekende partij, adjunct van de directeur Frederik Stevens, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Jan Fransen, die tevens loco advocaat Marc Stommels verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. IX-9075-2/17 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Aan de vooravond van de bestreden beslissing is verzoeker toegelaten tot de proeftijd in het ambt van technisch adviseur-coördinator in het Instituut voor Buitengewoon Secundair Onderwijs ‘Woudlucht’ te Heverlee, een onderwijsinstelling van het Gemeenschapsonderwijs. Op 23 november 2016 beslist de raad van bestuur van de be- trokken scholengroep 11 om aan verzoeker voor bewezen bevonden tenlasteleg- gingen de tuchtstraf van het ontslag op te leggen. De kamer van beroep voor het personeel van het Gemeen- schapsonderwijs bevestigt op 21 februari 2017 met de thans bestreden beslissing de voormelde tuchtmaatregel. Voor het onderzoek van huidig beroep zijn de vol- gende overwegingen in de beslissing van de kamer van beroep van belang: - wat de tenlasteleggingen betreft: “7.2.
- De Raad van Bestuur heeft zich voor de omschrijving van de ten- lasteleggingen, gesteund op het verslag van 3 juni 2016 van de onder- zoekscel GO!, dat 13 ‘thema’s’ onderzocht heeft. De Raad van Bestuur heeft daaruit drie tenlasteleggingen gedistilleerd die neerkomen op het manifesteren van een bepaalde houding, meer bepaald een ontoelaatbare houding ten overstaan van het personeel. […] Voor de aangehouden tenlasteleggingen heeft de Raad van Bestuur het bewijs gevonden in de voormelde door de onderzoekscel onderzochte ru- brieken. Uit de aldaar geformuleerde conclusies blijkt gewis dat de onder- zoekscel zich niet bevoegd acht om uit te maken of bepaalde concreet om- schreven feiten – die haar uit de bevraging van het personeel en eigen verhoren gebleken zijn – en die zij voor waar heeft bestatigd, aan de ver- zoeker als foutief gedrag aangerekend kunnen worden, maar dit moest de Raad van Bestuur niet verhinderen om in die conclusies voldoende ele- menten te vinden om de tenlasteleggingen, die niet meer over concrete IX-9075-3/17 feiten op zich gaan maar over een houding zoals die blijkt uit bepaalde gedragingen, voor bewezen te houden en als tuchtfeit aan te merken. 7.2.
- De tuchtzaak tegen de verzoeker moet beoordeeld worden vanuit het specifiek kader geschetst in het Arista-interventieverslag van 20 no- vember
- Daaruit blijkt dat in de school een ‘hyperconflict’ bestaat waarbij een onoverbrugbare kloof ontstaan is tussen twee groepen in de school: de directrice [P.J.] en de verzoeker – TAC – enerzijds en het gros van het personeel anderzijds. De eerstgenoemde groep – gemakshalve de directie genaamd – wordt door de tweede groep verantwoordelijk gesteld voor het mislopen van de relatie. De directie is van oordeel dat zij door een rechtvaardig maar streng beleid de zaken op de rails kan houden. Voor het bewijs van de feiten en hun tuchtrechtelijk karakter is het, vanuit dat gegeven, dan ook van geen belang of de feiten die in de verschillende thema’s onderzocht werden specifiek toe te schrijven zijn aan de verzoe- ker of aan [P.J.], maar rijst enkel de vraag of de directie bij de bejegening van het personeel blijk gegeven heeft van een houding die deontologisch niet door de beugel kan. 7.2.
- De onderzoeksverslagen bestrijken de periode vanaf 1 juli
- Er wordt niet betwist dat de verslagen de verklaringen van de protagonisten correct weergeven en dat de geformuleerde conclusies de basis kunnen vormen voor het verder onderzoek, met name aangaande de vraag of vol- doende gegevens het besluit rechtvaardigen dat de directie zich tegenover het personeel ontoelaatbaar gedragen heeft, zo naar individuele perso- neelsleden toe – intimidatie; verbale agressie – als naar de groep als ge- heel – geen inspraak; beslissingen die de leerlingen niet ten goede ko- men – , bij zoverre dat er een zeer negatieve werksfeer ontstaan is die elke vertrouwensband doorbroken heeft. 7.2.
- Over het optreden van de directie tegenover het personeel als groep handelen de thema’s ‘gebrek aan inspraak’, ‘veranderingen op school ten nadele van de leerlingen’ en ‘opmaak van lessenroosters’. Over het optre- den van de directie tegenover de personeelsleden individueel handelen de thema’s ‘intimidatie’, ‘pesterijen’, ‘aanstelling en behandeling van tijde- lijken’ ‘negatieve psychosociale gevolgen’ ‘vertrouwensbreuk’ en ‘hante- ren van twee maten en twee gewichten’. 7.2.4.
- De conclusies van de onderzoeksverslagen geven duidelijk aan dat de onderhandelings-, overleg- en adviesorganen door toedoen van de directie hun opdracht niet naar behoren hebben kunnen vervullen (de wer- king van het onderhandelingscomité, van de vakwerkgroepen, de coördi- natorvergaderingen en de schoolraad), dat er beslissingen genomen wer- den die in het nadeel van de leerlingen zijn (afbouw paramedisch perso- neel; afschaffen lessen NT2; geen stabiliteit in de ambtsverdeling) en dat de uurroosters voor het schooljaar 2015-2016 een grote versnippering ver- tonen die de leerlingen in verwarring kan brengen. Het gaat om minpun- ten waarvoor de directie onmiskenbaar verantwoordelijkheid draagt. De punctuele verklaringen waarmee de verzoeker en directeur [J.] die min- punten nuanceren verhinderen niet dat er een eigenzinnige houding uit blijkt die over het geheel genomen een eigengereid optreden bewijst. Dat dergelijk eigengereid optreden tot problemen met het personeel leidt ligt IX-9075-4/17 voor de hand. De directie blijkt, hoewel bekend met die wrevel, geen ini- tiatieven genomen te hebben om het personeel beter te informeren en te betrekken bij het beleid van de school. Met de Raad van Bestuur is de Kamer van Beroep van oordeel dat de volgehouden eigenzinnigheid waarmee de verzoeker en directrice [J.] het schoolgebeuren leidden een tekortkoming aan de ambtsverplichtingen uitmaakt. 7.2.4.
- Uit het onderzoek van de thema’s ‘intimidatie’, ‘pesterijen’, ‘be- handeling van tijdelijken’, ‘negatieve psychosociale gevolgen’ ‘vertrou- wensbreuk’ en ‘hanteren van twee maten en twee gewichten’ en de vele getuigenissen die worden aangehaald blijkt onmiskenbaar dat de bejege- ning van de personeelsleden, individueel bekeken, ondermaats was. Ge- wis kunnen veel gevallen die in de rubrieken genoemd worden afgedaan worden als misbegrepen humor, als lichtgeraaktheid, als de bevestiging van een vooroordeel of als een subjectief aanvoelen, maar het geheel van het onderzoek verraadt onmiskenbaar een houding van misprijzen tegen- over het personeel, gevoed door de voortdurend wantrouwige en achter- dochtige wijze waarop de directie zich opstelt. Met dergelijke houding ten overstaan van individuele personeelsleden gaat de directie haar normale gezagsuitoefening en bestuursbevoegdheid te buiten. De Raad van bestuur heeft die houding terecht als een tuchtinbreuk gekwalificeerd. 7.2.4.
- De Raad van Bestuur heeft de gelaakte gedragingen samengevat als het creëren van een zeer negatieve werksfeer die een zo goed als totale vertrouwensbreuk tussen de directie en het personeel heeft bewerkstelligd. De Kamer van Beroep onderschrijft die stellingname. Wat hiervoor is uit- eengezet voegt zich bij de motivering die de Raad van Bestuur heeft ge- formuleerd. […]” - wat de strafmaat betreft: “8.1.
- De Raad van Bestuur heeft bij de beoordeling van de strafmaat ge- steld dat de verzoeker, die een voorbeeldfunctie heeft, de facto het beleid gestuurd heeft en zijn bevoegdheid te buiten gegaan is. De houding die hij daarbij tentoon gespreid heeft is onaanvaardbaar en heeft geleid tot een vertrouwensbreuk. Dat de verzoeker de schuld bij de personeelsleden en de directie legt kan niet aanvaard worden. Hij getuigt van het ontberen van het normbesef dat van een personeelslid van het GO! verwacht mag worden. Het ontslag dringt zich op. 8.1.
- De verzoeker vraagt dat verzachtende omstandigheden tot een min- der zware tuchtstraf zou moeten leiden. De verwerende partij vindt dat een ‘tijdelijke maatregel’ geen enkel soelaas brengt, nu de verzoeker geen enkel schuldinzicht betoont. 8.
- De Kamer van Beroep bevestigt de redenering van de verwerende partij. De verzoeker is tekortgeschoten in de uitoefening van de opdrach- ten die tot zijn eigenlijk takenpakket behoren. Daarnaast heeft hij ervoor gezorgd dat het onderscheid tussen zijn eigen positie en die van de direc- trice vervaagde, is hij zich als directeur gaan gedragen en heeft hij mee een autoritair regime opgezet dat de vertrouwensrelatie tussen directie en IX-9075-5/17 personeel geheel verstoord heeft en de goede werking van de school ge- blokkeerd heeft. De verzoeker kent zijn plaats in het systeem niet; een zware straf dringt zich op. De verwijdering uit het ambt waarin hij is aangesteld, is de gepaste maat- regel. Aangezien de verzoeker op proef is aangesteld, kan dit enkel bete- kenen dat hij ontslagen wordt.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Een eerste middel is geput uit de schending van “de formele motiveringsplicht art. 3 van de Wet van 29 [juli] 1991”. In een eerste onderdeel stelt verzoeker dat de bestreden beslis- sing geen antwoord biedt op relevante argumenten inzake de kwaliteit en juist- heid van de rapporten. Verzoeker betoogt dat hij op alle in punt 7.2.4.1 van de bestreden beslissing aangehaalde elementen uitgebreid gerepliceerd heeft, bijko- mende stukken heeft bezorgd en specifiek daarover twee getuigen heeft doen verhoren, die bovendien een en ander volledig hebben ontkracht. Volgens ver- zoeker gaat de bestreden beslissing daarop niet in en wordt ten onrechte gesteld dat “niet [wordt] betwist dat [...] de geformuleerde conclusies [van de onder- zoeksverslagen] de basis kunnen vormen voor het verder onderzoek”. In een tweede onderdeel voert verzoeker aan dat de feiten niet voldoende duidelijk omschreven zijn. Hij licht toe dat de kamer van beroep een geheel eigen omschrijving heeft gegeven aan de door de raad van bestuur van scholengroep 11 bewezen geachte tenlasteleggingen. Verzoeker besluit dat de in de bestreden beslissing in aanmerking genomen feiten “zo mogelijk nog vager en onduidelijker omschreven [zijn]” dan reeds het geval was in de beslissing van de raad van bestuur. IX-9075-6/17 In een derde onderdeel voert verzoeker aan dat niet kan worden achterhaald welke concrete feiten in aanmerking zijn genomen. Verzoeker haalt aan dat onder punt 7.2.4.2 van de bestreden beslissing met zoveel woorden wordt gesteld dat vele feiten om allerlei redenen niet te “weerhouden” zullen zijn maar dat het geheel van het onderzoek onmiskenbaar een houding van misprijzen te- genover het personeel verraadt. Verzoeker meent dat in de bestreden beslissing enkele concrete gevallen aangehaald moesten worden, zodat hij nu niet machte- loos in zijn verweer zou staan. Beoordeling 5.
- In het auditoraatsverslag besluit de bevoegde auditeur tot de verwerping van het middel. 5.
- Met betrekking tot het eerste middelonderdeel stelt de auditeur vast dat verzoeker er een onvolledige lezing op na houdt van punt 7.2.4.1 van de bestreden beslissing en dat verzoeker net in de passus die hij nalaat te citeren, kan lezen hoe de kamer van beroep zijn repliek heeft geëvalueerd en betrokken bij de beslissing. 5.
- Met betrekking tot het tweede middelonderdeel refereert de auditeur aan hetgeen in de oorspronkelijke tuchtbeslissing te lezen is op bladzijde 150-151: “het als leidinggevende (TAC) stellen van volstrekt ontoelaatbaar ge- drag t.a.v. personeelsleden […] zoals beschreven in het onderzoeksrapport”, “het […] installeren […] van niet meer of minder dan een ‘schrikbewind’ […] zoals beschreven in het onderzoeksrapport” en het op die manier “creëren van een zeer negatieve werksfeer die een zo goed als totale vertrouwensbreuk tussen [hem] en de directie enerzijds en het personeelsteam anderzijds veroorzaakte, zoals be- schreven in het onderzoeksrapport”. Voor het bewijs van de tenlasteleggingen wordt – zowel in de oorspronkelijke tuchtbeslissing als in de thans bestreden be- slissing – volgens de auditeur onmiskenbaar en ondubbelzinnig teruggegrepen naar het onderzoeksverslag – “[d]e conclusies van de onderzoeksverslagen geven IX-9075-7/17 duidelijk aan dat […]”, “[u]it het onderzoek van de thema’s ‘intimidatie’, ‘peste- rijen’, ‘behandeling van tijdelijken’, ‘negatieve psychosociale gevolgen’, ‘ver- trouwensbreuk’ en ‘hanteren van twee maten en twee gewichten’ en de vele ge- tuigenissen die worden aangehaald blijkt onmiskenbaar dat […]”. De auditeur merkt op dat in de bestreden beslissing aldus duidelijk gerefereerd wordt aan de resultaten van het onderzoeksrapport van de onderzoekscel van het Gemeen- schapsonderwijs, dat verzoeker niet betwist dat hij van het onderzoeksverslag vooraf en behoorlijk in kennis werd gesteld en dat de niet nader toegelichte kri- tiek dat de tenlasteleggingen vaag of onduidelijk zijn niet opgaat. 5.
- Wat het derde middelonderdeel betreft, herinnert de auditeur eraan dat verzoeker niet gestraft is voor welbepaalde “concrete feiten”, maar voor een algemene laakbare houding waarvan hij volgens de bestreden beslissing heeft blijk gegeven, namelijk “een houding van misprijzen tegenover het personeel, gevoed door de voortdurend wantrouwige en achterdochtige wijze waarop de directie zich opstelt”. Of de houding die aan verzoeker wordt verweten afdoende gestaafd wordt in het administratief dossier, betreft geen zaak van formele moti- vering, maar wel van materiële motivering.
- Verre van gebruik te maken van de mogelijkheid die een laatste memorie hem biedt om de bevindingen in het beredeneerd auditoraatsverslag te weerspreken, heeft verzoeker zich bepaald tot een verwijzing naar zijn procedu- restukken met verzoek de procedure voort te zetten.
- In die omstandigheden volstaat het voor de Raad van State, na eigen onderzoek van de stukken van het dossier, de bevindingen van het audito- raat bij te vallen. Het eerste middel is ongegrond. IX-9075-8/17 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker ontleent een tweede middel aan de schending van de materiëlemotiveringsplicht. In een eerste onderdeel betoogt verzoeker dat de in de bestre- den beslissing aangevoerde feiten niet bewezen zijn. Hij stelt dat het georgani- seerd administratief beroep weliswaar een devolutieve werking kent, maar dat de te onderzoeken tuchtfeiten niet kunnen veranderen. Verzoeker voert voorts aan dat de bestreden beslissing niet aangeeft welke concrete aantijgingen voor bewe- zen worden gehouden. Volgens verzoeker volstaat een loutere verwijzing naar het verslag van de onderzoekscel niet, aangezien daarin ook niet wordt aangegeven welke aantijgingen “afdoende waarheidsgehalte” hebben. Over de eerste aantijging – “intimidatie, pesterijen, verbale agressie” – wordt in de bestreden beslissing gesteld dat uit het onderzoek en de vele getuigenissen onmiskenbaar blijkt dat de bejegening van de personeelsleden individueel bekeken, ondermaats was. Verzoeker meent dat deze motivering niet draagkrachtig en onduidelijk is. Hij vraagt waaruit dit blijkt, vermits de onder- zoekscel zelf stelt dat er “geen sterke voorbeelden” zijn en de bestreden beslis- sing beaamt dat veel gevallen die in de rubrieken genoemd worden om allerlei redenen weerlegd kunnen worden. Ook blijkt dat de feitenvinding ondergeschikt is, vermits de houding van misprijzen zou blijken uit het “geheel der feiten”, ter- wijl het “geheel der aantijgingen” wordt bedoeld. Daarenboven kan een “houding van misprijzen” in redelijkheid niet worden aangezien als “intimidatie, pesterijen, verbale agressie”. Het eerste wordt gekenmerkt door een passieve rol, terwijl het tweede bij uitstek wordt gekenmerkt door een actieve rol. Volgens verzoeker is dit tuchtfeit niet deugdelijk bewezen. IX-9075-9/17 Over de tweede aantijging – het voeren van een “schrikbewind” – stelt verzoeker dat het verbazingwekkend is hoe de onderzoekscel tot haar con- clusies kan komen na al zijn replieken die zijn opgenomen in het rapport. “Nog verbazingwekkender” noemt verzoeker het hoe in de tuchtprocedure de bijge- brachte stukken en de argumenten in de uitgebreide getuigenverklaringen werden genegeerd. “Het meest verbazingwekkend” vindt verzoeker dat de bestreden be- slissing de feitenvinding zonder belang vindt, vermits wordt aangegeven dat de verklaringen van verzoeker de minpunten nuanceren maar “niet verhinderen dat er een eigenzinnige houding uit blijkt die over het geheel genomen een eigenge- reid optreden bewijst”. Voorts stelt verzoeker deze vaststelling te betwisten. Al- leszins vindt hij een volgehouden eigenzinnigheid “de essentie van een goede leidinggevende”. Verzoeker besluit dat ook deze tenlastelegging niet deugdelijk bewezen is. Over de derde aantijging stelt verzoeker dat dit geen afzonder- lijk tuchtfeit is maar een “doublure” van de eerste twee feiten, waardoor ook dit tuchtfeit niet deugdelijk is bewezen. In een tweede onderdeel argumenteert verzoeker dat de aange- voerde feiten geen tuchtfeiten zijn maar gedragingen die alle de kenmerken vor- men van een bepaalde leiderschapsstijl, of gebreken die eigen kunnen zijn aan een functioneren in een leidinggevende functie. Beoordeling 9.
- In het auditoraatsverslag besluit de bevoegde auditeur tot de verwerping van het middel. 9.
- Met betrekking tot het eerste middelonderdeel wijst de auditeur erop, nogmaals, dat verzoeker tuchtrechtelijk niet is vervolgd en gestraft omwille van bepaalde feitelijkheden die op zichzelf een tuchtinbreuk uitmaken, maar wel omdat hem een houding wordt verweten die niet verenigbaar is met de behoorlij- IX-9075-10/17 ke werking van de school zodat niet moet worden nagegaan of en welke precieze feiten de tuchtoverheid voor bewezen vermocht te beschouwen; er moet alleen worden getoetst of de tuchtoverheid over voldoende concrete gegevens beschikte om in redelijkheid tot het bewijs van de verweten houding te besluiten. Wat de eerste tenlastelegging betreft, verwijst de auditeur met bijval naar wat te lezen is onder punt 7.2.4.2 van de bestreden beslissing en merkt hij op dat verzoeker op geen enkele manier aannemelijk maakt dat de getuigenis- sen zoals die zijn opgenomen in het onderzoeksrapport niet voldoende illustratief zijn voor zijn houding ten aanzien van het personeel van de school en dat de ka- mer van beroep daaruit niet zou mogen besluiten zoals zij heeft gedaan. Wat de tweede tenlastelegging betreft – waarvoor de kamer van beroep eveneens steun zoekt in het onderzoeksrapport – stelt de auditeur dat ver- zoeker nalaat om concreet aan te geven waarom en op welke precieze punten zijn “replieken”, “bijgebrachte stukken” en “argumenten in de uitgebreide verklarin- gen van de opgeroepen getuigen” het oordeel van de kamer van beroep onwettig zouden maken en dat verzoeker niet aantoont dat de kamer van beroep het bewijs van die tenlastelegging niet mocht afleiden uit het onderzoeksrapport. Dat verzoeker er niet in slaagt te doen twijfelen aan de deugde- lijkheid van de motivering aangaande de eerste en de tweede tenlastelegging, brengt met zich dat hij daarin ook niet slaagt wat de derde tenlastelegging betreft. Immers, zoals verzoeker zelf aangeeft, is de laatst genoemde tenlastelegging vol- ledig gesteund op de eerste twee tenlasteleggingen. 9.
- Wat het tweede onderdeel betreft, stelt de auditeur dat verzoe- ker wel betoogt dat een “volgehouden eigenzinnigheid” en een “houding van misprijzen” “veeleer kenmerken [zijn] van een bepaalde leiderschapsstijl”, maar dat hij daarmee allerminst aantoont dat de kamer van beroep door in deze “leider- schapsstijl” een vervolgbaar tuchtfeit te onderkennen, de grenzen van de redelijk- heid te buiten is gegaan. IX-9075-11/17
- Verre van gebruik te maken van de mogelijkheid die een laatste memorie hem biedt om de bevindingen in het beredeneerd auditoraatsverslag te weerspreken, heeft verzoeker zich bepaald tot een verwijzing naar zijn procedu- restukken met verzoek de procedure voort te zetten.
- In die omstandigheden volstaat het voor de Raad van State, na eigen onderzoek van de stukken van het dossier, de bevindingen van het audito- raat bij te vallen. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Een derde middel is geput uit de schending van het zorgvuldig- heidsbeginsel. Verzoeker stelt dat de bestreden beslissing steunt op rapporten en conclusies die niet zorgvuldig zijn. Wat de “houding van misprijzen” betreft, stelt verzoeker dat de onderzoekscel veelal tot de vaststelling komt dat er geen of nauwelijks sterke voorbeelden voor de diverse aantijgingen zijn. De bestreden beslissing heeft op onzorgvuldige wijze toch “het geheel der aantijgingen” als bewijs genomen. Wat de “volgehouden halsstarrigheid” betreft, stelt verzoeker dat de bestreden beslissing “klakkeloos” de conclusies van de onderzoekscel overneemt en de getuigenverklaringen, stukken en toelichtingen à décharge niet zorgvuldig bestudeert. IX-9075-12/17 Meningen en feiten, verklaringen over en interpretaties van gebeurtenissen worden volgens verzoeker in de bestreden beslissing – en ook in het onderzoeksrapport – op onzorgvuldige wijze door elkaar gehaald. Beoordeling
- In het auditoraatsverslag besluit de bevoegde auditeur tot de verwerping van het middel, omdat het wezenlijk een herhaling is van het eerste onderdeel van het tweede middel en omdat verzoeker overigens zijn verwijten niet staaft.
- Verre van gebruik te maken van de mogelijkheid die een laatste memorie hem biedt om de bevindingen in het beredeneerd auditoraatsverslag te weerspreken, heeft verzoeker zich bepaald tot een verwijzing naar zijn procedu- restukken met verzoek de procedure voort te zetten.
- In die omstandigheden volstaat het voor de Raad van State, na eigen onderzoek van de stukken van het dossier, de bevindingen van het audito- raat bij te vallen. Het derde middel is ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vierde middel voert verzoeker de schending aan van het gelijkheidsbeginsel. Verzoeker stelt dat uit het Arista-rapport blijkt dat er aan per- soneelszijde ook duidelijk identificeerbare protagonisten zijn met gelijke schuld aan het “hyperconflict” en dat uit het verslag van de onderzoekscel blijkt dat er IX-9075-13/17 veel valse beschuldigingen zijn gedaan lastens de directie. Volgens verzoeker was er evenveel, zo niet meer reden, om deze personen tuchtrechtelijk te vervol- gen, maar dit is zonder enige opgave van reden niet gebeurd. Beoordeling
- In het auditoraatsverslag besluit de bevoegde auditeur tot de verwerping van het middel omdat verzoeker op geen enkele wijze aantoont dat de andere personeelsleden, die volgens hem gevrijwaard bleven van een tuchtproce- dure, zich in precies dezelfde situatie bevonden als hijzelf en omdat die gelijkenis overigens niet evident aannemelijk is, precies gelet op de omschrijving van de tenlasteleggingen en hun dadelijk verband met de functie van verzoeker.
- Verre van gebruik te maken van de mogelijkheid die een laatste memorie hem biedt om de bevindingen in het beredeneerd auditoraatsverslag te weerspreken, heeft verzoeker zich bepaald tot een verwijzing naar zijn procedu- restukken met verzoek de procedure voort te zetten.
- In die omstandigheden volstaat het voor de Raad van State, na eigen onderzoek van de stukken van het dossier, de bevindingen van het audito- raat bij te vallen. Het vierde middel is ongegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een vijfde middel de schending aan van het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel. IX-9075-14/17 Verzoeker stelt dat als van de zelfstandige aantijgingen ‘intimi- datie’, ‘pesterijen’, ‘verbale agressie’, ‘het installeren van een schrikbewind’ door de bestreden beslissing wordt gemaakt een ‘volgehouden eigenzinnigheid’ en een ‘houding van misprijzen’ respectievelijk een ‘tekortkoming aan de ambtsver- plichtingen’ en een ‘overschrijding van de normale gezagsuitoefening en be- stuursbevoegdheid’, de sanctie niet dezelfde kan blijven. Verzoeker meent dat met een dergelijke “herkwalificatie” van de feiten het in redelijkheid ondenkbaar is dat dit leidt tot dezelfde zware tuchtstraf. Hij betoogt nog dat de tekortkomingen moeten worden afgezet tegenover de verantwoordelijkheden van een leidinggevende in het algemeen en de conflictsituatie in het bijzonder, zodat deze in alle redelijkheid niet tot de zwa- re sanctie kunnen leiden. Het vooruitzicht van dergelijke zware sanctie bij zulke feiten zou volgens hem het leidinggeven onmogelijk maken. Beoordeling
- In het auditoraatsverslag besluit de bevoegde auditeur tot de verwerping van het middel. De auditeur herinnert aan de zogenaamde devolutieve werking van het beroep en verwijst naar de overwegingen van de kamer van beroep over de strafmaat. In het licht van die overwegingen, aldus de auditeur, toont verzoe- ker niet aan dat de opgelegde straf niet in verhouding staat tot de feiten, op een dergelijke wijze dat moet worden vastgesteld dat de kamer van beroep bij het opleggen van de sanctie de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan. Verzoekers kritiek dat geen rekening werd gehouden met de verant- woordelijkheden van een leidinggevende en de conflictsituatie in de school, gaat voorbij aan de overwegingen van de kamer van beroep op grond waarvan wordt besloten dat de zware sanctie van het ontslag zich opdringt. De door de kamer van beroep aangehaalde motieven om tot het ontslag te besluiten betreffen net verzoekers verzuim aan zijn ambtsplichten als leidinggevende. IX-9075-15/17
- Verre van gebruik te maken van de mogelijkheid die een laatste memorie hem biedt om de bevindingen in het beredeneerd auditoraatsverslag te weerspreken, heeft verzoeker zich bepaald tot een verwijzing naar zijn procedu- restukken met verzoek de procedure voort te zetten.
- In die omstandigheden volstaat het voor de Raad van State, na eigen onderzoek van de stukken van het dossier, de bevindingen van het audito- raat bij te vallen. Het vijfde middel is ongegrond. V. Anonimisering
- Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt de verzoekende partij dat bij de publicatie van het arrest haar identiteit niet wordt opgenomen. Dit verzoek wordt ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 400 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9075-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9075-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.420 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.064 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div