id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.422 Rolnummer: A. 226250/IX-9424 Zaak: Arrest 246422 - Gerechtsdeurwaarders - 17/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-30 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-21 07:11 Fiche Arrest nr 246.422 van 17 december 2019 Justitie - Gerechtsdeurwaarders Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 246.422 van 17 december 2019 in de zaak A. 226.250/IX-9424 In zake : Michaël DRIESKENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Hugo Lamon en Ine Schildermans kantoor houdend te 3500 Hasselt de Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Dieter DIAS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 september 2018, strekt tot de nie- tigverklaring van: - het koninklijk besluit van 22 juli 2018 waarbij Dieter Dias wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder; - het ministerieel besluit van 2 augustus 2018 waarbij het kantoor van gerechts- deurwaarder Dieter Dias wordt gevestigd te Sint-Truiden. IX-9424-1/22 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Dieter Dias heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 5 november 2018. De tussen- komende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenko- mende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 december 2019. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Ine Schildermans, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. IX-9424-2/22 III. Feiten 3.1 In het Belgisch Staatsblad van 1 augustus 2017 worden vier vacante betrekkingen bekendgemaakt voor het ambt van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Limburg. 3.2. Zowel verzoeker als de tussenkomende partij stellen zich kan- didaat voor de betrekking waarin de thans bestreden benoeming is gebeurd. In totaal postuleren achttien kandidaten voor deze betrekking. 3.3. Op 15 september 2017 vraagt de minister van Justitie de bij artikel 515, § 2, eerste lid, 1° en 2°, van het Gerechtelijk Wetboek vereiste ad- viezen aan de procureur des Konings bij het parket te Limburg en aan de raad van de arrondissementskamer van het gerechtelijk arrondissement Limburg. 3.4. Op 5 oktober 2017 verstrekt de procureur des Konings een gunstig advies zowel met betrekking tot verzoeker als de tussenkomende partij. 3.5. De arrondissementskamer van het gerechtelijk arrondissement Limburg brengt geen advies uit binnen de in artikel 515, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijn. 3.6. Op 21 november 2017 bezorgt de minister van Justitie de be- noemingsdossiers van de verschillende kandidaten aan de Nederlandstalige be- noemingscommissie voor gerechtsdeurwaarders (hierna: de benoemingscommis- sie). 3.7. Op 16 december 2017 wordt een schriftelijke proef georgani- seerd waarbij de kennis van de gerechtelijke procedures en regels en van de prak- tijk van de gerechtsdeurwaarder worden getest. Verzoeker behaalt een score van 9,33/20 (afgerond 9/20) en de tussenkomende partij behaalt een score van 11,73/20 (afgerond 12/20). IX-9424-3/22 3.8. Met het oog op het opstellen van een definitieve rangschikking stelt de benoemingscommissie op 20 december 2017 met toepassing van arti- kel 515, § 4, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek een lijst op van de te horen kandidaten, en dit op basis van de resultaten van de schriftelijke proef en op basis van de professionele ervaring (anciënniteit). Zowel verzoeker als de tussenko- mende partij worden uitgenodigd om te worden gehoord. 3.9. Op 6 januari 2018 en op 3 februari 2018 vinden de hoorzittingen van de door de benoemingscommissie geselecteerde kandidaten plaats. Daarnaast hoort de benoemingscommissie ook de andere kandidaten die hierom hebben verzocht. 3.10. Op 21 februari 2018 vindt de beraadslaging van de benoe- mingscommissie plaats over de vacante betrekking waarin de thans bestreden benoeming is gebeurd. De benoemingscommissie stelt vervolgens de volgende rangschikking op van de drie meest geschikte kandidaten: 1. M.D.; 2. de tussenkomende partij; 3. geen kandidaat. Uit het proces-verbaal van rangschikking blijkt dat de benoe- mingscommissie enkel die kandidaten geschikt heeft bevonden en gerangschikt die voor alle in het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 „tot goedkeuring van de in artikel 512, § 7, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde lijst van uniforme evalu- atiecriteria‟ (hierna: het koninklijk besluit van 30 augustus 2016) opgesomde evaluatiecriteria wisten te overtuigen. Voor elke kandidaat wordt uitgebreid ge- motiveerd op grond van welke overwegingen die kandidaat als de meest geschikte dan wel als niet geschikt moet worden beoordeeld. Verzoeker is niet geschikt bevonden. IX-9424-4/22 3.11. Bij koninklijk besluit van 22 juli 2018 wordt de tussenkomende partij benoemd tot gerechtsdeurwaarder, ter vervanging van G.M. die de leef- tijdsgrens heeft bereikt. Dat is het eerste bestreden besluit. 3.12. Bij ministerieel besluit van 2 augustus 2018 wordt bepaald dat het kantoor van de tussenkomende partij wordt gevestigd te Sint-Truiden. Dat is het tweede bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 4. De tussenkomende partij werpt een exceptie van onontvanke- lijkheid van het beroep op. Zij argumenteert dat zij manifest grotere aanspraken heeft om te worden benoemd, wat blijkt uit de resultaten voor de schriftelijke proef en uit de vergelijking van de aanspraken door de benoemingscommissie. Op basis daarvan werd zij batig gerangschikt en werd verzoeker niet gerangschikt. Zelfs indien de benoemingscommissie een derde kandidaat zou moeten rangschikken, dan zou verzoeker nooit de plaats van de tussenkomende partij kunnen innemen. Verzoeker beweert overigens niet dat hij op die plaats aanspraak zou maken en hij betwist de batige rangschikking van de tussenkomende partij niet. Die vaststelling klemt des te meer aangezien geen benoeming is gebeurd in twee van de vier vacant verklaarde ambten, bij afwezigheid van geschikt bevonden kandidaten. 5. In haar laatste memorie stelt de tussenkomende partij nog dat verzoeker kan volstaan met de nietigverklaring van de weigering om een derde kandidaat voor te dragen voor benoeming. IX-9424-5/22 Beoordeling 6. Een vernietiging van de benoeming van de tussenkomende partij impliceert dat het bestuur, in het kader van het rechtsherstel na een eventueel vernietigingsarrest, het onderzoek van de kandidaatstellingen zal moeten over- doen, rekening houdend met de vernietigingsgrond(en). Dit levert verzoeker in principe de kans op om alsnog gunstig te worden gerangschikt en voor een be- noeming in aanmerking te komen. Verzoeker beschikt in beginsel dan ook over het rechtens ver- eiste belang bij het beroep. 7. Een andere vraag is te weten, of verzoekers belang gediend is met elk aangevoerd middel. Dan betreft het echter het belang bij het middel – hetgeen bij elk middel op zich onderzocht moet worden – en niet zijn belang bij het beroep als dusdanig. 8. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Standpunt van de partijen 9. Het tweede middel is genomen uit de schending van de alge- mene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van de materiëlemotive- ringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat de benoemingscommissie zijn kandi- datuur niet in aanmerking heeft genomen omdat hij onvoldoende weet te overtui- gen, wat de vereiste organisatorische vaardigheden betreft. De benoemingscom- IX-9424-6/22 missie motiveert daaromtrent dat verzoeker de financiële aspecten verbonden aan de opstart, overname of associatie onvoldoende voorzichtig en realistisch inschat en dat hij de cijfers van een kantoor waarvoor een overnameverplichting bestaat niet heeft opgevraagd. Volgens verzoeker mochten de organisatorische aspecten in deze specifieke feitelijke omstandigheid evenwel niet het relevante criterium zijn om door te wegen op de voordracht. Dat hij de cijfers nog niet had opgevraagd voor een kantoor waarvoor een overnameverplichting geldt, kan in redelijkheid niet verantwoorden waarom hij niet werd voorgedragen voor een benoeming. Dit geldt in casu des te meer nu er in de benoemingsprocedure vier vacante betrek- kingen waren met vier verschillende kantoren met telkens een ander profiel. Bo- vendien werd voor de vacante plaats van de overleden gerechtsdeurwaarder P.G. niemand geschikt bevonden, terwijl deze als eerste had moeten worden ingevuld. Het benoemingsbesluit moet dan ook worden vernietigd en kan bijgevolg ook niet de vereiste wettige grondslag voor het ministerieel besluit van 2 augustus 2018 vormen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd. 10. De verwerende partij werpt op dat het middel onontvankelijk is omdat verzoeker geen belang heeft bij de kritiek dat hij ten onrechte omwille van zijn organisatorische bekwaamheden ongeschikt werd bevonden. Zij argumenteert dat zelfs indien deze kritiek gegrond zou worden bevonden, dit geen enkele in- vloed kan hebben op de draagwijdte van de bestreden beslissing. De benoe- mingscommissie heeft verzoeker immers niet alleen niet geschikt bevonden op het vlak van organisatorische bekwaamheden, maar ook op het vlak van twee andere evaluatiecriteria, namelijk zijn visie op het beroep en zijn parate juridische kennis. Verzoekers kritiek met betrekking tot de beoordeling van zijn organisatorische bekwaamheden kan enkel een invloed hebben op de draagwijdte van de beslissing wanneer hij ook kan aantonen dat de benoemingscommissie op onredelijke wijze zijn parate kennis en zijn visie op het beroep zou hebben beoordeeld, hetgeen verzoeker evenwel niet doet. Op verzoekers kritiek dat de vacante plaats van een overleden gerechtsdeurwaarder eerst had moeten worden ingevuld, antwoordt de verwerende IX-9424-7/22 partij dat deze kritiek niet gericht is tegen het bestreden benoemingsbesluit en geen enkele invloed kan hebben op de draagwijdte van dit besluit. Het is haar onduide- lijk hoe het feit dat geen kandidaat werd benoemd voor deze vacante plaats de redelijkheid van de beoordeling van de geschiktheid van de kandidaten en de uit- eindelijke rangschikking zou aantasten. 11. De tussenkomende partij formuleert een in wezen identieke exceptie van onontvankelijkheid. Dat er voor de opvolging van een overleden gerechtsdeurwaar- der geen kandidaat werd voorgedragen, is voorts ook naar het oordeel van de tussenkomende partij irrelevant want volstrekt vreemd aan de bestreden beslissing die enkel betrekking heeft op het opengevallen ambt van gerechtsdeurwaarder in opvolging van G.M. De tussenkomende partij merkt dienaangaande nog op dat het aan verzoeker toeviel om de weigering om een voordracht te doen voor het opengevallen ambt van de overleden gerechtsdeurwaarder aan te vechten, maar dat hij dat niet heeft gedaan. 12. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het middel repliceert verzoeker dat een vernietiging van de benoeming van de tussenkomende partij impliceert dat het bestuur, in het kader van het rechtsherstel na een vernietigings- arrest, het onderzoek van de kandidaatstellingen zal moeten overdoen, wat hem de kans oplevert om alsnog gunstig te worden gerangschikt en voor een benoeming in aanmerking te komen. Indien het middel gegrond wordt bevonden, dan zou dit de benoemingscommissie ertoe kunnen brengen de ganse systematiek van het on- derzoek van de kandidaten anders aan te pakken, wat ook tot gevolg kan hebben dat de puntentoekenning voor elke kandidaat anders zou uitvallen. Dit levert ver- zoeker een kans op om zelf te worden benoemd. 13. In zijn laatste memorie laat verzoeker nog gelden dat het crite- rium van de kennis reeds werd beoordeeld tijdens de schriftelijke proef, waarna hij werd gerangschikt bij de te horen kandidaten. Daaruit kan worden afgeleid dat zijn IX-9424-8/22 parate juridische kennis door de benoemingscommissie als voldoende werd be- schouwd. Hieruit volgt dan weer dat zijn kandidatuur niet in aanmerking werd genomen omdat hij niet zou overtuigen wat het criterium van organisatorische bekwaamheid betreft. Dit criterium had echter niet het relevante criterium mogen zijn om door te wegen op de voordracht, des te meer daar er vier vacante betrek- kingen te begeven waren. Beoordeling 14. Het middel is gericht tegen de motieven van de benoemings- commissie om verzoeker niet geschikt te achten op grond van een toetsing aan de volgende evaluatiecriteria, bedoeld in de bijlage bij het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 „tot goedkeuring van de in artikel 512, § 7, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde lijst van uniforme evaluatiecriteria‟: “1° Anciënniteit en professionele ervaring in de functie:
- a)duur van de globale ervaring;
- b)duur van de ervaring in het arrondissement van de vacante plaats;
- c)aard van de ervaringen. 2° Sociale bekwaamheden en vaardigheden:
- a)communicatievaardigheden;
- b)besluitvaardigheid, zelfbeheersing, houding, standvastigheid;
- c)integriteit, onpartijdigheid, respect voor de deontologie en confraterni- teit;
- d)activiteiten in beroepsorganisaties. 3° Organisatorische bekwaamheid:
- a)kennis van het beheer, de organisatie en de continuïteit van een ge- rechtsdeurwaarderskantoor;
- b)boekhoudkundige en fiscale aspecten, personeelsbeleid, leiderschap en coaching, financiële aspecten die gepaard gaan met de overname van een kan- toor. 4° Kennis:
- a)kennis van de gerechtelijke procedures en regels;
- b)kennis van de praktijk van de gerechtsdeurwaarder;
- c)wetenschappelijke vorming (gevolgd en gegeven) en verdiensten (bij- voorbeeld publicaties). 5° Visie op het beroep: Visie op de eigenlijke uitoefening van het beroep, de collegialiteit, het respect en de positie tegenover moderne technologieën.” IX-9424-9/22 15. Uit het administratief dossier blijkt dat de benoemingscommis- sie bij het horen van de kandidaten al de in het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 opgenomen evaluatiecriteria heeft getoetst. Vervolgens heeft de benoe- mingscommissie enkel die kandidaten geschikt bevonden en gerangschikt die haar voor al deze criteria hebben weten te overtuigen. 16. Voor wat verzoeker betreft, blijkt uit het proces-verbaal van rangschikking dat hij niet geschikt is bevonden omdat hij niet voor alle in het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 opgesomde evaluatiecriteria heeft weten te overtuigen. Verzoeker is door de benoemingscommissie als volgt beoordeeld: “Drieskens Michaël kan bogen op een ruime ervaring van meer dan 14 jaar sinds zijn slagen voor het homologatie-examen op 24 september 2003. Hij be- haalde 9,33/20 op de objectieve juridische bevraging. Gedurende de hoorzitting beantwoordt de kandidaat de vragen die hem worden gesteld door de leden van de benoemingscommissie op een zeer vlotte wijze. Hij laat zich kenmerken als iemand die vlot terugkoppelt naar de praktijk en die waar mogelijk een prag- matische aanpak zal genegen zijn. Hij wijst gedurende het gesprek onder meer op zijn verantwoordelijkheidszin, op zijn diverse professionele ervaring en op zijn engagement. Bepaalde juridische vragen, zoals in verband met het pand- register en wat betreft de recente wijzigingen inzake het hoger bod, weet hij evenwel onvoldoende te kaderen, hetgeen afbreuk doet aan zijn parate juridi- sche kennis en wat ook in de lijn ligt van het door de kandidaat behaalde re- sultaat op de schriftelijke bevraging. Drieskens Michaël streeft een goed evenwicht tussen het baan- en het kantoorwerk na. Uit het dossier blijkt dat hij een groot aantal vervangingen heeft gedaan en dat hij als kandi- daat-gerechtsdeurwaarder binnen zijn kantoor de meeste opladingen en besla- gen voor zijn rekening neemt. Wat de vereiste sociale vaardigheden voor het veeleisende beroep van gerechtsdeurwaarder betreft verwijst de kandidaat uit- gebreid naar de wijze waarop hij dagdagelijks zijn ambt uitoefent. Hij stelt dat de gerechtsdeurwaarder steeds een meerwaarde moet betekenen en dat het in de praktijk dikwijls mogelijk is om mee te onderhandelen tot een voor elk van de partijen bevredigende oplossing. De kandidaat heeft enkele activiteiten op zich genomen in het kader van de beroepsverenigingen en zet zich ook daarbuiten actief in binnen de sociale dienstverlening. Wat de organisatorische aspecten betreft weet de kandidaat de commissie op heden onvoldoende te overtuigen. Hoewel hij aangeeft betrokken te zijn bij het management van het kantoor waar hij thans actief is, dit onder meer bij de aanwerving, aansturing en opleiding van personeel en bij diverse projecten (bijvoorbeeld inzake IT), stelt de commissie vast dat hij de financiële aspecten verbonden aan de opstart, overname of as- sociatie onvoldoende voorzichtig en realistisch inschat. Zo geeft hij aan de cijfers van een kantoor waarvoor een overnameverplichting bestaat niet te hebben opgevraagd. Hij geeft aan dit nog te kunnen doen na een eventuele IX-9424-10/22 voordracht en stelt dat een kantoor dat op vandaag niet rendabel is dit sowieso kan gemaakt worden naar de toekomst toe. Drieskens Michaël blinkt niet uit door een uitgesproken innoverende of toekomstgerichte visie op het ambt van gerechtsdeurwaarder en blijft op dit vlak eerder steken in algemeenheden. Hoewel de commissie aandacht heeft voor de ruime professionele ervaring van de kandidaat is zij van oordeel dat hij hic et nunc nog onvoldoende weet te overtuigen wat de vereiste organisatorische vaardigheden en visie betreft om thans reeds voorgedragen en benoemd te worden in het ambt van gerechts- deurwaarder-titularis. De commissie stelt tevens vast dat de parate juridische kennis in hoofde van de kandidaat op heden niet op het niveau is dat mag verwacht worden van een gerechtsdeurwaarder-titularis.” Anders dan verzoeker argumenteert in zijn laatste memorie, heeft de benoemingscommissie zijn juridische kennis niet als voldoende be- schouwd. Verzoeker is dus niet geschikt bevonden omdat hij niet wist te overtui- gen voor drie van de in het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 opgesomde evaluatiecriteria, meer bepaald „Organisatorische bekwaamheid‟, „Kennis‟ en „Visie op het beroep‟. 17. Vastgesteld moet worden dat verzoeker geen kritiek geeft op de handelwijze van de benoemingscommissie om een kandidaat enkel geschikt te bevinden als die voor elk van de evaluatiecriteria weet te overtuigen. Evenmin betwist verzoeker in zijn verzoekschrift de beoordeling van de benoemingscommissie dat hij onvoldoende weet te overtuigen wat de ver- eiste visie betreft en dat zijn parate juridische kennis op heden niet op het niveau is dat verwacht mag worden van een gerechtsdeurwaarder-titularis. Enkel de be- oordeling dat hij onvoldoende weet te overtuigen wat de vereiste organisatorische vaardigheden betreft, onderwerpt verzoeker aan concrete kritiek. 18. Die keuze van verzoeker heeft gevolgen. Zelfs indien zijn kritiek op de door de benoemingscommissie verleende beoordeling van het criterium „Organisatorische bekwaamheid‟ gegrond zou worden bevonden, dan blijft de beoordeling van de benoemingscommissie dat verzoeker niet wist te overtuigen voor de criteria „Kennis‟ en „Visie op het beroep‟ overeind. Aangezien de be- noemingscommissie enkel die kandidaten geschikt heeft bevonden die voor alle IX-9424-11/22 criteria wisten te overtuigen – werkwijze waarvan verzoeker zoals gezegd de wettigheid niet betwist – kan het gegrond bevinden van het middel niet ertoe leiden dat verzoeker alsnog geschikt wordt bevonden. Anders dan verzoeker beweert houdt het rechtsherstel waartoe de verwerende partij verplicht zal zijn na een vernietiging van de bestreden be- noeming op grond van het tweede middel niet in dat zij “het onderzoek van de kandidaatstellingen zal moeten overdoen”, laat staan dat zij ertoe gehouden zou zijn “de ganse systematiek van het onderzoek van de kandidaten anders aan te pakken”. Het enige rechtsherstel waartoe de verwerende partij gehouden zou zijn bij een vernietiging op grond van het tweede middel is de herbeoordeling van verzoekers kandidatuur voor wat betreft het criterium „Organisatorische be- kwaamheid‟. Zoals reeds gezegd blijft de beoordeling van de benoemingscom- missie dat verzoeker niet voldoet voor de criteria „Kennis‟ en „Visie op het beroep‟ dan onverminderd geldig, wat impliceert dat verzoeker niet geschikt kan worden bevonden aangezien de benoemingscommissie enkel die kandidaten geschikt heeft bevonden die voor alle in het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 opgesomde criteria wisten te overtuigen. 19. Wat voorafgaat noopt tot het besluit dat verzoeker geen belang heeft bij het middel. Aan die vaststelling wordt geen afbreuk gedaan doordat voor de vacante plaats van een overleden gerechtsdeurwaarder geen enkele kandidaat geschikt werd bevonden. Met dit argument toont verzoeker immers niet aan dat de beoordeling van de geschiktheid van zijn kandidatuur, en dus het feit dat hij niet geschikt werd bevonden, onregelmatig zou zijn. De exceptie is gegrond. 20. Het tweede middel is onontvankelijk. IX-9424-12/22 B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 21. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van de mate- riëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Verzoeker voert aan dat de benoemingscommissie in strijd met artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek slechts twee – in plaats van drie – kandidaten als de meest geschikte heeft voorgedragen. Hij merkt daarbij op dat in het Belgisch Staatsblad vier vacante betrekkingen voor het gerechtelijk arrondis- sement Limburg werden bekendgemaakt. Voorts meent verzoeker dat de forme- lemotiveringsplicht is miskend doordat uit de bestreden beslissing niet expliciet kan worden afgeleid waarom geen derde kandidaat in aanmerking is genomen. Ten slotte acht verzoeker de materiëlemotiveringsplicht geschonden. Dienaangaande argumenteert hij dat het ongeloofwaardig is dat de benoemingscommissie van de dertien kandidaten die zij heeft gehoord – elf kandidaten die zij zelf had geselec- teerd en twee kandidaten die hebben verzocht om te worden gehoord – slechts twee kandidaten geschikt heeft bevonden en heeft voorgedragen. Verzoeker merkt daarbij ook op dat hij in het kader van een eerdere benoemingsprocedure 12,6/20 scoorde op het schriftelijk examen en dat toen door dezelfde benoe- mingscommissie werd geoordeeld dat hij voldoende juridische kennis had, zodat het ongeloofwaardig en onredelijk is dat hij nu plots niet meer bekwaam zou zijn. Daarbij komt, aldus verzoeker, dat voor het opengevallen mandaat van een over- leden gerechtsdeurwaarder niemand geschikt werd bevonden, terwijl deze plaats als eerste zou moeten worden ingevuld. De kandidaat-gerechtsdeurwaarder die het betrokken ambt reeds enkele jaren waarneemt, is thans niet bekwaam bevonden door de benoemingscommissie om voor benoeming in aanmerking te komen maar zal nu wel opnieuw minstens één jaar dit mandaat waarnemen. Het benoemings- IX-9424-13/22 besluit moet dan ook worden vernietigd en kan bijgevolg ook niet de vereiste wettige grondslag voor het ministerieel besluit van 2 augustus 2018 vormen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd. 22. In de memorie van wederantwoord betwist verzoeker de door de verwerende partij opgeworpen exceptie dat hij geen belang heeft bij de kritiek dat slechts twee in plaats van drie kandidaten werden voorgedragen nu hij niet aan- toont dat hij zelf bij de drie meest geschikte kandidaten had moeten worden ge- rangschikt. Hij betoogt dat een vernietiging van de benoeming van de tussenko- mende partij impliceert dat het bestuur, in het kader van het rechtsherstel na een vernietigingsarrest, het onderzoek van de kandidaatstellingen zal moeten over- doen, wat hem de kans oplevert om alsnog gunstig te worden gerangschikt en voor een benoeming in aanmerking te komen. Indien het middel gegrond wordt be- vonden, dan zou dit de benoemingscommissie ertoe kunnen brengen de ganse systematiek van het onderzoek van de kandidaten anders aan te pakken, wat ook tot gevolg kan hebben dat de puntentoekenning voor elke kandidaat anders zou uit- vallen. Dit levert verzoeker een kans op om zelf te worden benoemd. Wat de gegrondheid van het middel betreft, argumenteert ver- zoeker nog dat overeenkomstig artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek de benoemingscommissie een rangschikking dient op te maken van de drie meest geschikte kandidaten, behalve indien advies moet worden uitgebracht over minder dan drie kandidaten. Er hebben meer dan drie kandidaten gepostuleerd. Door slechts twee kandidaten geschikt te bevinden en geen rangschikking op te maken van de drie meest geschikte kandidaten heeft de benoemingscommissie zich de bevoegdheid toegeëigend om definitief kandidaten te weren. De rangschikking door de benoemingscommissie is immers een bindend voorstel voor de benoe- mende overheid, in die zin dat enkel gerangschikte kandidaten in aanmerking komen voor benoeming. Uit artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek kan worden afgeleid dat iedereen die zich kandidaat stelt om te worden benoemd tot titularis-gerechtsdeurwaarder geacht wordt bekwaam te zijn, aangezien zij even- eens kunnen worden aangesteld als waarnemend gerechtsdeurwaarder. De wet IX-9424-14/22 verleent de benoemingscommissie niet de bevoegdheid om na te gaan of de kan- didaten bekwaam zijn, zij moet enkel bepalen wie de drie meest geschikte kandi- daten zijn. Voorts stelt verzoeker dat in de motivering van de rangschikking moet worden onderbouwd waarom de geselecteerde kandidaten de meest geschikte kandidaten zijn en hoe de benoemingscommissie is gekomen tot de rangschikking van de geselecteerde kandidaten onderling. In casu blijkt uit de motivering niet waarom geen derde kandidaat in aanmerking werd genomen. Uit het benoe- mingsbesluit moet dan weer kunnen worden afgeleid welke redenen het bestuur ertoe gebracht hebben de ene kandidaat boven de andere te verkiezen en waarom er maar twee geschikte kandidaten werden gerangschikt. 23. In zijn laatste memorie merkt verzoeker nog op dat de rang- schikking geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de be- kwaamheid en de geschiktheid van de kandidaat voor het uitoefenen van het ambt, maar dat het daarbij niet de bedoeling is dat andermaal een diepgaand vergelijkend examen wordt georganiseerd aangezien alle kandidaten licentiaat of master in de rechten zijn en zij reeds een homologatie-examen hebben afgelegd alvorens zij tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder werden benoemd. Iedereen die zich kandidaat stelt om te worden benoemd tot titularis-gerechtsdeurwaarder wordt geacht bekwaam te zijn, aangezien zij eveneens kunnen worden aangesteld als waarnemend ge- rechtsdeurwaarder. In casu hebben meer dan drie kandidaten gepostuleerd, zodat er een rangschikking diende te worden opgesteld van de drie meest geschikte kandidaten. Uit het bestreden benoemingsbesluit moet kunnen worden afgeleid welke redenen de benoemingscommissie ertoe hebben gebracht de ene kandidaat boven de andere te verkiezen, wat de teleurgestelde kandidaten in staat moet stel- len in te zien op grond van welke objectieve en pertinente criteria aan hen werd voorbijgegaan. Te dezen blijkt geenszins waarom van de overige kandidaten niemand als geschikt werd gerangschikt en in aanmerking werd genomen. Beoordeling 24. Het eerste middel is gericht tegen de rangschikking. IX-9424-15/22 25. In het middel bekritiseert verzoeker dat de benoemingscom- missie slechts twee – in plaats van drie – kandidaten als de meest geschikte heeft voorgedragen en daarbij niet heeft gemotiveerd waarom geen derde kandidaat in aanmerking werd genomen. Hij is van oordeel dat ook hij geschikt moest worden bevonden aangezien hij kandidaat-gerechtsdeurwaarder is, door de benoemings- commissie werd uitgenodigd om te worden gehoord en in het kader van een eer- dere benoemingsprocedure 12,6/20 scoorde op het schriftelijk examen en toen door dezelfde benoemingscommissie werd geoordeeld dat hij over voldoende juridische kennis beschikte. Indien dit middel gegrond wordt bevonden, bestaat de mogelijkheid dat de benoemingscommissie – in het kader van het rechtsherstel na een eventueel vernietigingsarrest – verzoekers kandidatuur opnieuw beoordeelt en overgaat tot het opstellen van een nieuwe rangschikking van de drie meest ge- schikte kandidaten. Dit impliceert dat de mogelijkheid bestaat dat verzoeker alsnog in de rangschikking van de drie meest geschikte kandidaten wordt opgenomen. Aangezien de benoeming gebeurt onder de door de benoemingscommissie ge- rangschikte kandidaten, bestaat dan ook de mogelijkheid voor verzoeker dat hij – in de plaats van de tussenkomende partij – zou worden benoemd tot gerechts- deurwaarder. Verzoeker heeft derhalve in die mate belang bij het middel. 26. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onont- vankelijkheid van het middel wordt verworpen. 27. Verzoeker laat na in het middel toe te lichten op welke wijze volgens hem het vertrouwensbeginsel is geschonden. In die mate is het middel bijgevolg onontvankelijk. Het middel is eveneens onontvankelijk in de mate dat verzoeker pas voor het eerst in zijn laatste memorie – en dus laattijdig – aanvoert dat de geschiktheid van de kandidaten niet mag gebeuren aan de hand van “een diepgaand vergelijkend examen”. IX-9424-16/22 28. In zoverre verzoeker het middel betrekt op de overige niet ge- schikt bevonden kandidaten door in de drie middelonderdelen achtereenvolgens aan te voeren dat ten onrechte geen van de overige kandidaten werd gerangschikt, dat voor de overige kandidaten niet formeel is gemotiveerd waarom zij niet ge- schikt zijn bevonden en dat de beslissing om de overige kandidaten niet geschikt te bevinden niet op deugdelijke motieven steunt, moet worden opgemerkt dat ver- zoeker geen belang heeft bij deze kritieken aangezien ze hem niet tot voordeel kunnen strekken. In die mate is het middel eveneens onontvankelijk. 29. In de mate dat verzoeker in het tweede onderdeel van het middel aanvoert dat niet wordt gemotiveerd waarom de gerangschikte kandidaten de meest geschikte kandidaten zijn, hoe de benoemingscommissie is gekomen tot de rangschikking van de geselecteerde kandidaten onderling en waarom hij niet als derde kandidaat geschikt is bevonden en gerangschikt, moet worden vastgesteld dat in het proces-verbaal van rangschikking per kandidaat uitgebreid wordt ge- motiveerd op grond van welke overwegingen die kandidaat als de meest geschikte, dan wel als niet geschikte kandidaat wordt beoordeeld, daarbij zeer concreet re- kening houdend met de verschillende uniforme en objectieve evaluatiecriteria vastgelegd bij koninklijk besluit van 30 augustus 2016. Die motivering maakt ook deel uit van het bestreden benoemingsbesluit. Dit geldt vooreerst voor de twee geschikt bevonden kandidaten, waarbij ook wordt gemotiveerd waarom M.D. nog meer dan de tussenkomende partij als de meest geschikte kandidaat wordt beoordeeld. Zo wordt in de beoor- deling van de kandidatuur van M.D. uiteengezet dat hij op alle evaluatiecriteria in zeer hoge mate kan overtuigen. Bij de beoordeling van de kandidatuur van de tussenkomende partij wordt uiteengezet dat zij goed beantwoordt aan alle voor- opgestelde evaluatiecriteria en wordt daarnaast ook aangegeven dat de benoe- mingscommissie, hoewel zij aandacht heeft voor de hoge score die de kandidaat behaalde op de objectieve juridische bevraging, van oordeel is dat M.D. zich voor deze specifieke vacante plaats van de tussenkomende partij onderscheidt door zijn veel meer uitgebreide professionele ervaring, door zijn sterkere organisatorische IX-9424-17/22 vaardigheden vereist voor de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder en door zijn nog sterkere sociale vaardigheden, waarvan onder meer zijn groter en- gagement binnen de beroepsorganisatie getuigt. Overigens levert verzoeker geen kritiek op deze beoordelingen. Voor de niet geschikt bevonden kandidaten wordt eveneens aangegeven op grond van welke overwegingen zij als niet geschikt worden be- oordeeld. Voor wat verzoeker betreft is de motivering hiervóór sub 16 in extenso aangehaald. Verzoeker blijkt overigens genoegzaam op de hoogte van de motieven op grond waarvan hij niet geschikt wordt bevonden en niet wordt gerangschikt aangezien hij in het voorliggende beroep die motivering in het tweede middel bekritiseert. Het tweede onderdeel van het middel kan niet worden aange- nomen. 30. In het derde onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de beslissing om hem niet geschikt te bevinden en te rangschikken niet op deugdelijke motieven steunt. Verzoeker stelt in dat verband vooreerst dat het ongeloofwaardig is dat de benoemingscommissie van de dertien kandidaten die zij heeft gehoord – elf kandidaten die zij zelf had geselecteerd en twee kandidaten die hebben ver- zocht om te worden gehoord – slechts twee kandidaten geschikt heeft bevonden en heeft voorgedragen, waarbij hij dus niet geschikt werd bevonden. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het opstellen van de lijst van te horen kandidaten slechts op basis van een beperkt aantal evaluatiecriteria is gebeurd, namelijk op basis van de resultaten van de schriftelijke proef waar enkel wordt gepeild naar de kennis van de gerechtelijke procedures en regels en van de praktijk van de ge- rechtsdeurwaarder of op basis van de professionele ervaring (anciënniteit). Tijdens het horen van de kandidaten zijn daarentegen per kandidaat telkens alle in het IX-9424-18/22 koninklijk besluit van 30 augustus 2016 opgenomen evaluatiecriteria getoetst en werd op basis daarvan geoordeeld of die kandidaat al dan niet als geschikt kon worden beoordeeld. Dat verzoeker geplaatst is op de lijst met te horen kandidaten hoeft dan ook niet per se te betekenen dat hij meteen ook als geschikt moest worden beoordeeld en moest worden opgenomen in de rangschikking van de meest geschikte kandidaten. Voor zover de motivering om hem niet geschikt te bevinden en te rangschikken volgens verzoeker niet deugdelijk is doordat dezelfde benoe- mingscommissie in het kader van een vorige benoemingsprocedure heeft geoor- deeld dat hij wel over voldoende juridische kennis beschikte en dat hij toen een score van 12,6/20 voor het schriftelijk examen heeft behaald, moet worden op- gemerkt dat juridische kennis – en zeker parate kennis – kan evolueren, onder meer in het licht van een gewijzigde regelgeving. Vastgesteld moet worden dat ver- zoeker in het kader van de voorliggende benoemingsprocedure een score van 9,33/20 op de schriftelijke bevraging heeft behaald en dat hij die score niet betwist. Evenmin betwist hij dat hij bepaalde juridische vragen die hem tijdens de hoor- zitting werden gesteld, zoals in verband met het pandregister en de recente wijzi- gingen inzake het hoger bod, onvoldoende wist te kaderen. In die omstandigheden is het niet onredelijk dat de benoemingscommissie in het kader van de huidige benoemingsprocedure – die een afzonderlijke procedure is van de vorige en die ook een afzonderlijke beoordeling vanwege de benoemingscommissie vereist – heeft geoordeeld dat verzoekers parate juridische kennis op heden niet op het niveau is dat mag worden verwacht van een titularis-gerechtsdeurwaarder. Daarbij komt dat verzoeker niet alleen voor dit evaluatiecriterium niet geschikt werd be- vonden door de benoemingscommissie, maar ook voor de evaluatiecriteria in verband met de organisatorische vaardigheden en de visie. Verzoeker maakt dan ook met dit middelonderdeel evenmin aannemelijk dat de beslissing om hem niet geschikt te bevinden en te rangschikken niet op deugdelijke motieven steunt. IX-9424-19/22 31. In het eerste onderdeel van het middel klaagt verzoeker aan dat de benoemingscommissie in strijd met artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek slechts twee – in plaats van drie – kandidaten als de meest geschikte heeft voorgedragen. Artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek luidt: “De benoemingscommissie kan ambtshalve beslissen alle kandidaten te horen. Zo niet, bestudeert zij de door de minister van Justitie overgezonden benoemingsdossiers en maakt, op basis van door de Koning te bepalen objec- tieve criteria, een lijst op van de te horen kandidaten. Van deze lijst wordt een met redenen omkleed proces-verbaal opgemaakt. Nadat de benoemingscom- missie door een aangetekende zending iedere kandidaat van haar met redenen omklede beslissing op de hoogte heeft gebracht, roept zij de in aanmerking genomen kandidaten op en hoort ze, alsook alle niet in aanmerking genomen kandidaten die, binnen een termijn van 15 dagen na de kennisgeving die aan hen werd gedaan, hierom hebben verzocht bij aangetekende zending. Zij maakt vervolgens een rangschikking op van de drie meest geschikte kandidaten. In- dien de benoemingscommissie advies moet uitbrengen over minder dan drie kandidaten, wordt de lijst beperkt tot de enige kandidaat of de enige twee kan- didaten. De rangschikking geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaat voor het uitoefenen van het ambt van gerechtsdeurwaarder.” De benoemingscommissie dient derhalve, behoudens wanneer advies moet worden verleend over minder dan drie kandidaten, een rangschikking op te stellen van “de drie meest geschikte kandidaten”. Die bepaling kan niet an- ders worden begrepen dan dat een kandidaat minstens geschikt moet zijn bevonden voor het uitoefenen van het ambt van gerechtsdeurwaarder om in de rangschikking opgenomen te kunnen worden. Anders dan verzoeker beweert valt het enkel toe aan de benoemingscommissie om een kandidaat geschikt te verklaren en volgt de geschiktheid niet uit de omstandigheid dat de betrokkene reeds een diploma of titel van kandidaat-gerechtsdeurwaarder heeft verworven en vanuit die hoeda- nigheid eventueel kan worden aangesteld om het ambt van titula- ris-gerechtsdeurwaarder tijdelijk waar te nemen. IX-9424-20/22 Verzoeker is door de benoemingscommissie niet geschikt be- vonden. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker er niet in slaagt om aan te tonen dat die beslissing onwettig is. In die omstandigheden heeft hij dan ook geen belang bij zijn kritiek dat slechts twee in plaats van drie kandidaten als de meest geschikte zijn voorgedragen aangezien hij, zelfs indien deze grief gegrond zou worden be- vonden, hoe dan ook niet in de rangschikking kan worden opgenomen. Het eerste middelonderdeel is dan ook onontvankelijk. 32. Aangezien verzoeker er met dit middel niet in slaagt aan te tonen dat het bestreden benoemingsbesluit van 22 juli 2018 onwettig is, maakt hij evenmin aannemelijk dat dit besluit geen wettige grondslag kan vormen voor het bestreden ministerieel besluit van 2 augustus 2018. 33. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. IX-9424-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9424-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.422 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div