id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.423 Rolnummer: A. 226256/IX-9426 Zaak: Arrest 246423 - Gerechtsdeurwaarders - 17/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-30 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-21 20:58 Fiche Arrest nr 246.423 van 17 december 2019 Justitie - Gerechtsdeurwaarders Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 246.423 van 17 december 2019 in de zaak A. 226.256/IX-9426 In zake : Michaël DRIESKENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Hugo Lamon en Ine Schildermans kantoor houdend te 3500 Hasselt de Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Marc DREESSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Van Geeteruyen kantoor houdend te 3700 Tongeren Piepelpoel 13 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 september 2018, strekt tot de nie- tigverklaring van: - het koninklijk besluit van 22 juli 2018 waarbij Marc Dreessen wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder; - het ministerieel besluit van 2 augustus 2018 waarbij het kantoor van gerechts- deurwaarder Marc Dreessen wordt gevestigd te Tongeren. IX-9426-1/27 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Marc Dreessen heeft een verzoekschrift tot tussenkomst inge- diend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 27 november 2018. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij, en de tussenko- mende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 december 2019. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Ine Schildermans, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Steven Van Geeteruyen, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. IX-9426-2/27 III. Feiten 3.1. In het Belgisch Staatsblad van 1 augustus 2017 worden vier vacante betrekkingen bekendgemaakt voor het ambt van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Limburg. 3.2. Zowel verzoeker als de tussenkomende partij stellen zich kan- didaat voor de betrekking waarin de thans bestreden benoeming is gebeurd. In totaal postuleren negentien kandidaten voor deze betrekking. 3.3. Op 15 september 2017 vraagt de minister van Justitie de bij artikel 515, § 2, eerste lid, 1° en 2°, van het Gerechtelijk Wetboek vereiste ad- viezen aan de procureur des Konings bij het parket te Limburg en aan de raad van de arrondissementskamer van het gerechtelijk arrondissement Limburg. 3.4. Op 5 oktober 2017 verstrekt de procureur des Konings een gunstig advies zowel met betrekking tot verzoeker als de tussenkomende partij. 3.5. De arrondissementskamer van het gerechtelijk arrondissement Limburg brengt geen advies uit binnen de in artikel 515, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijn. 3.6. Op 21 november 2017 bezorgt de minister van Justitie de be- noemingsdossiers van de verschillende kandidaten aan de Nederlandstalige be- noemingscommissie voor gerechtsdeurwaarders (hierna: de benoemingscommis- sie). 3.7. Op 16 december 2017 wordt een schriftelijke proef georgani- seerd waarbij de kennis van de gerechtelijke procedures en regels en van de prak- tijk van de gerechtsdeurwaarder worden getest. Verzoeker behaalt een score van 9,33/20 (afgerond 9/20). De tussenkomende partij neemt omwille van medische IX-9426-3/27 redenen – wat gestaafd wordt aan de hand van een medisch attest – niet deel aan die proef. 3.8. Met het oog op het opstellen van een definitieve rangschikking stelt de benoemingscommissie op 20 december 2017 met toepassing van arti- kel 515, § 4, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek een lijst op van de te horen kandidaten, en dit op basis van de resultaten van de schriftelijke proef en op basis van de professionele ervaring (anciënniteit). Verzoeker wordt uitgenodigd om te worden gehoord. 3.9. Op 6 januari 2018 en op 3 februari 2018 vinden de hoorzittingen van de door de benoemingscommissie geselecteerde kandidaten plaats. Daarnaast hoort de benoemingscommissie ook de andere kandidaten die hierom hebben verzocht, onder wie de tussenkomende partij. 3.10 Voorafgaand aan de hoorzitting van 3 februari 2018 wordt de tussenkomende partij onderworpen aan een schriftelijke proef omdat zij niet heeft deelgenomen aan de schriftelijke proef van 16 december 2017. Hiervoor behaalt zij een score van 12,6/20. 3.11. Op 21 februari 2018 vindt de beraadslaging van de benoe- mingscommissie plaats over de vacante betrekking waarin de thans bestreden benoeming is gebeurd. De benoemingscommissie stelt vervolgens de volgende rangschikking op van de drie meest geschikte kandidaten: 1. de tussenkomende partij; 2. D.D. 3. geen kandidaat. Uit het proces-verbaal van rangschikking blijkt dat de benoe- mingscommissie enkel die kandidaten geschikt heeft bevonden en gerangschikt die voor alle in het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 „tot goedkeuring van de in artikel 512, § 7, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde lijst van uniforme evalu- IX-9426-4/27 atiecriteria‟ (hierna: het koninklijk besluit van 30 augustus 2016) opgesomde evaluatiecriteria wisten te overtuigen. Voor elke kandidaat wordt uitgebreid ge- motiveerd op grond van welke overwegingen die kandidaat als de meest geschikte dan wel als niet geschikt moet worden beoordeeld. Verzoeker is niet geschikt bevonden. 3.12. Bij koninklijk besluit van 22 juli 2018 wordt de tussenkomende partij benoemd tot gerechtsdeurwaarder, ter vervanging van E.S. die de leeftijds- grens heeft bereikt. Dat is het eerste bestreden besluit. 3.13. Bij ministerieel besluit van 2 augustus 2018 wordt bepaald dat het kantoor van de tussenkomende partij wordt gevestigd te Tongeren. Dat is het tweede bestreden besluit. IV. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 4. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de formelemotiveringswet) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbe- ginsel, het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, het vertrouwensbeginsel en het beginsel patere legem quam ipse fecisti. IX-9426-5/27 Verzoeker voert aan dat de benoemingscommissie op grond van artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek een lijst van te horen kandidaten kan opstellen, en dit op basis van door de Koning bepaalde objectieve criteria. In de voorliggende benoemingsprocedure heeft de benoemingscommissie de criteria „anciënniteit/professionele ervaring‟ en „kennis van de gerechtelijke procedures en regels van de praktijk‟ vooropgesteld. Zij heeft daartoe een voor elke kandidaat identieke schriftelijke evaluatietoets georganiseerd, om te vermijden dat de ene kandidaat moeilijkere vragen zou krijgen dan de andere. Aan de tussenkomende partij werd echter een andere schriftelijke proef opgelegd. Hierdoor heeft de be- noemingscommissie de door haarzelf vooropgestelde criteria miskend en schendt zij het gelijkheidsbeginsel. Dat aan de tussenkomende partij vragen met eenzelfde moeilijkheidsgraad zouden zijn gesteld, is een niet te verifiëren bewering aange- zien de schriftelijke proef geen deel uitmaakt van het administratief dossier. Die handelwijze is ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Voorts betoogt verzoeker dat hij door de benoemingscommissie geselecteerd werd als een te horen kandidaat terwijl de tussenkomende partij niet werd geselecteerd. In het bestreden benoemingsbesluit wordt gesteld dat de tus- senkomende partij tijdig heeft verzocht om te worden gehoord en dat de tussen- komende partij “zich verontschuldigde om geattesteerde en ernstige medische redenen voor de deelname aan de algemene schriftelijke bevraging die plaatsvond op 16 december 2017”. Uit het administratief dossier kan evenwel niet worden afgeleid dat deze motieven steun vinden in het dossier, daar zowel het verzoek om te worden gehoord als de geattesteerde en ernstige medische redenen ter veront- schuldiging voor deelname aan de algemene schriftelijke bevraging ontbreken. De bestreden benoeming steunt dan ook niet op draagkrachtige motieven. Ten slotte laat verzoeker gelden dat de benoemingscommissie de lijst met uniforme evaluatiecriteria heeft aangevuld en geconcretiseerd door bij het vaststellen van de lijst van de te horen kandidaten rekening te houden met de an- ciënniteit van de kandidaten en met het resultaat van de schriftelijke evaluatie van 16 december 2017. Na toepassing van deze criteria werd verzoeker geselecteerd op IX-9426-6/27 de lijst van de te horen kandidaten en de tussenkomende partij niet, aangezien zij niet heeft deelgenomen aan de schriftelijke evaluatie. Uit de bestreden benoe- mingsbeslissing blijkt dat de tussenkomende partij voorafgaand aan de hoorzitting aan een andere schriftelijke evaluatie dan de overige kandidaten werd onderwor- pen. In tegenstelling tot wat de benoemingscommissie had vooropgesteld is er geen sprake meer van een uniforme schriftelijke proef waaraan alle kandidaten voor dezelfde vacante plaats werden onderworpen, hetgeen in strijd is met het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel. Daarenboven is de benoemingscom- missie bij het opstellen van de rangschikking afgeweken van de algemene regeling die zij voor zichzelf heeft uitgevaardigd, zodat het beginsel patere legem quam ipse fecisti werd geschonden. Het benoemingsbesluit moet dan ook worden vernietigd en kan bijgevolg ook niet de vereiste wettige grondslag voor het ministerieel besluit van 2 augustus 2018 vormen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd. 5. In de memorie van wederantwoord argumenteert verzoeker nog dat de tussenkomende partij werd onderworpen aan een schriftelijke proef van tien meerkeuzevragen en dus niet, zoals de overige kandidaten, van vijfentwintig meerkeuzevragen en dat moet worden nagegaan of er voor het verschil in behan- deling een deugdelijk aanvaardbaar motief bestaat. In vergelijkbare gevallen dient er tot gelijke beslissingen te worden gekomen, tenzij er geldige redenen zijn voor een afwijking of wijziging van het beleid. 6. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat de schriftelijke proef waaraan de tussenkomende partij werd onderworpen niet gelijkaardig was aan de proef van 16 december 2017, terwijl de proef voor iedere kandidaat een identieke schriftelijke bevraging moest inhouden teneinde te voorkomen dat de ene kandidaat moeilijkere vragen dient te beantwoorden dan de andere. De voorzitter van de benoemingscommissie stelde dienaangaande onder meer dat geen rekening kan worden gehouden met de uitslag van het examen van het jaar voordien, omdat dan niet alle kandidaten aan een identieke schriftelijke bevraging werden onder- IX-9426-7/27 worpen en de ene kandidaat dan zou kunnen opwerpen dat hij moeilijkere vragen voorgeschoteld kreeg dan de andere. Bij vergelijking van de resultaten van het schriftelijk examen van het ene jaar met de resultaten van het jaar nadien, valt op dat de kandidaten op de verschillende examens zeer uiteenlopende resultaten hebben behaald. Hieruit blijkt ontegensprekelijk dat onmogelijk kan worden be- weerd dat de tussenkomende partij werd onderworpen aan een gelijkaardige proef. Beoordeling 7. Verzoeker laat na in zijn verzoekschrift toe te lichten op welke wijze volgens hem het vertrouwensbeginsel is geschonden. In die mate is het middel bijgevolg onontvankelijk. De laattijdige invulling van die grief in de laatste memorie vermag het gebrek aan uiteenzetting in het verzoekschrift niet goed te maken. 8.1. Overeenkomstig artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek heeft de benoemingscommissie de mogelijkheid om op basis van de door de Ko- ning te bepalen objectieve criteria een lijst van te horen kandidaten op te stellen. Uit het administratief dossier blijkt dat de benoemingscommis- sie van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Daartoe heeft zij zelf het crite- rium „anciënniteit/professionele ervaring‟ en het criterium „kennis van de gerech- telijke procedures en regels en van de praktijk van de gerechtsdeurwaarder‟ vooropgesteld. Zij heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven waarom zij precies deze criteria in het kader van het opstellen van een lijst van te horen kandidaten wenste te hanteren en zij heeft daarbij ook gewezen op de mogelijkheid voor niet-geselecteerde kandidaten om een bindend verzoek te doen om toch te worden gehoord. Wat het laatstgenoemde criterium met betrekking tot de kennis betreft, heeft zij bepaald dat dit zou worden geëvalueerd door middel van een uniforme schriftelijke proef. IX-9426-8/27 8.2. De op 16 december 2017 georganiseerde schriftelijke proef bestaat uit vijfentwintig meerkeuzevragen die peilen naar de kennis van ofwel de gerechtelijke procedures en regels ofwel de praktijk van de gerechtsdeurwaarder. Elke meerkeuzevraag bevatte vier mogelijke antwoorden waarvan telkens één antwoord correct is. Een juist antwoord leverde één punt op, een blanco gelaten vraag leverde geen punten op en een fout antwoord werd gestraft door aftrek van één derde van een punt. Voor deze schriftelijke proef werd een tijdsduur van twee uur en dertig minuten gegeven. Verzoeker nam deel aan deze schriftelijke proef en behaalde een score van 9,33/20. 8.3. De tussenkomende partij nam niet deel aan deze schriftelijke proef van 16 december 2017 omwille van medische redenen die blijkens het ad- ministratief dossier zijn gestaafd aan de hand van een medisch attest. Verzoeker beweert dan ook ten onrechte dat het motief uit het bestreden benoemingsbesluit dat “de kandidaat zich verontschuldigde om geattesteerde en ernstige medische redenen voor de deelname aan de algemene schriftelijke bevraging die plaatsvond op 16 december 2017” geen steun vindt in het administratief dossier. 8.4. Vervolgens is de benoemingscommissie overgegaan tot de vaststelling van een lijst met te horen kandidaten en dit op basis van de voorop- gestelde criteria. Verzoeker werd opgenomen op deze lijst van te horen kandidaten. Daarna is de benoemingscommissie overgegaan tot het horen van die kandidaten, alsook van de kandidaten die in overeenstemming met artikel 515, § 4, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek een verzoek tot horen hebben ingediend. Uit het administratief dossier blijkt dat de tussenkomende partij op 4 januari 2018 een verzoek tot horen heeft ingediend. Verzoeker beweert dan ook ten onrechte dat het motief uit het bestreden benoemingsbesluit dat “de kandidaat aanvankelijk niet werd opgenomen in de lijst van kandidaten voor de hoorzittingen, maar hij heeft tijdig een verzoek ingediend om gehoord te worden, dat ontvankelijk werd ge- oordeeld, in overeenstemming met artikel 515, § 4, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek” geen steun vindt in het administratief dossier. IX-9426-9/27 8.5. Voorafgaand aan de hoorzitting op 3 februari 2018 heeft de benoemingscommissie de tussenkomende partij onaangekondigd onderworpen aan een schriftelijke proef en dit om haar gewettigde afwezigheid tijdens de schrifte- lijke bevraging van 16 december 2017 te ondervangen. Voor zover verzoeker kritiek uit op het feit dat de tussenko- mende partij als enige kandidaat werd onderworpen aan een andere schriftelijke proef dan de overige kandidaten die hebben deelgenomen aan de uniforme schriftelijke proef van 16 december 2017, moet worden opgemerkt dat het be- zwaarlijk als onredelijk kan worden beschouwd dat de benoemingscommissie de door de tussenkomende partij ingeroepen reden om niet deel te nemen aan de proef van 16 december 2017 als overmacht heeft bestempeld. Deze reden was immers door een medisch attest gestaafd. Hoewel de tussenkomende partij aan een andere schriftelijke proef werd onderworpen, kan uit het administratief dossier worden afgeleid dat het desalniettemin om een gelijkaardige proef ging als deze van 16 december 2017. De proef bestond immers eveneens uit meerkeuzevragen die peilden naar de kennis van de gerechtelijke procedures en regels en de praktijk van de gerechtsdeurwaarder. Ook hier bevatte elke meerkeuzevraag vier mogelijke antwoorden waarvan telkens één antwoord correct is. Een juist antwoord leverde één punt op, een blanco gelaten vraag leverde geen punten op en een fout antwoord werd gestraft door aftrek van één derde van een punt. Weliswaar bestond de schriftelijke proef waaraan de tussenkomende partij deelnam slechts uit tien meerkeuzevragen terwijl de schriftelijke proef van 16 december 2017 uit vijfen- twintig meerkeuzevragen bestond, maar daartegenover staat dat de tussenkomende partij hieraan onaangekondigd werd onderworpen en dat zij over een beperkter tijdsbestek beschikte. Dat de schriftelijke proef waaraan de tussenkomende partij is onderworpen andere vragen omvatte dan de vragen die werden gesteld tijdens de schriftelijke proef van 16 december 2017, neemt niet weg dat het wel degelijk om gelijkaardige vragen ging. Overigens is het niet meer dan logisch dat de tussen- komende partij niet dezelfde vragen kreeg, anders zou zij een voordeel kunnen hebben ten opzichte van de overige kandidaten doordat zij mogelijk al kennis had IX-9426-10/27 gekregen van de op 16 december 2017 gestelde vragen. De tussenkomende partij behaalde een score van 12,6/20. Voorts moet worden vastgesteld dat de benoemingscommissie tijdens de hoorzitting aan de tussenkomende partij nog bijkomende juridische vragen heeft voorgelegd om te peilen naar haar kennis van de gerechtelijke pro- cedures en regels en van de praktijk van de gerechtsdeurwaarder. De benoe- mingscommissie heeft vervolgens vastgesteld dat de tussenkomende partij die vragen goed wist te kaderen en te beantwoorden. Verzoeker overtuigt niet dat de benoemingscommissie in de gegeven omstandigheden onwettig heeft geoordeeld dat de tussenkomende partij wist te overtuigen wat het criterium van de kennis betreft. 8.6. Door de tussenkomende partij toch nog te onderwerpen aan een andere maar gelijkaardige schriftelijke proef heeft de benoemingscommissie op gerechtvaardigde wijze de afwezigheid van de tussenkomende partij om medische redenen voor de eerdere schriftelijke proef ondervangen. Door zo te handelen heeft de benoemingscommissie de nodige zorgvuldigheid aan de dag gelegd, heeft zij de door haar vooropgestelde criteria gerespecteerd en heeft zij de tussenkomende partij op een gelijkaardige wijze behandeld als de overige kandidaten. 8.7. Verzoeker toont dan ook niet aan dat artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, de ma- teriëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel of het beginsel patere legem quam ipse fecisti werden geschonden. 8.8. Daar verzoeker er met dit middel niet in slaagt aan te tonen dat het bestreden benoemingsbesluit van 22 juli 2018 onwettig is, maakt hij evenmin aannemelijk dat dit besluit geen wettige grondslag kan vormen van het bestreden ministerieel besluit van 2 augustus 2018. IX-9426-11/27 9. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. B. Derde middel Standpunt van de partijen 10. Het derde middel is genomen uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van de materiëlemotiverings- plicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat de benoemingscommissie zijn kandi- datuur niet in aanmerking heeft genomen omdat hij onvoldoende weet te overtui- gen wat de vereiste organisatorische vaardigheden betreft. De benoemingscom- missie motiveert daaromtrent dat verzoeker de financiële aspecten verbonden aan de opstart, overname of associatie onvoldoende voorzichtig en realistisch inschat en dat hij de cijfers van een kantoor waarvoor een overnameverplichting bestaat niet heeft opgevraagd. Volgens verzoeker mochten de organisatorische aspecten in deze specifieke feitelijke omstandigheid evenwel niet het relevante criterium zijn om door te wegen op de voordracht. Dat hij de cijfers nog niet had opgevraagd voor een kantoor waarvoor een overnameverplichting geldt, kan in redelijkheid niet verantwoorden waarom hij niet werd voorgedragen voor een benoeming. Dit geldt in casu des te meer nu er in de benoemingsprocedure vier vacante betrek- kingen waren met vier verschillende kantoren met telkens een ander profiel. Bo- vendien werd voor de vacante plaats van de overleden gerechtsdeurwaarder P.G. niemand geschikt bevonden, terwijl deze als eerste had moeten worden ingevuld. Het benoemingsbesluit moet dan ook worden vernietigd en kan bijgevolg ook niet de vereiste wettige grondslag voor het ministerieel besluit van 2 augustus 2018 vormen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd. 11. De verwerende partij werpt op dat het middel onontvankelijk is omdat verzoeker geen belang heeft bij de kritiek dat hij ten onrechte omwille van zijn organisatorische bekwaamheden ongeschikt werd bevonden. Zij argumenteert IX-9426-12/27 dat zelfs indien deze kritiek gegrond zou worden bevonden, dit geen enkele in- vloed kan hebben op de draagwijdte van de bestreden beslissing. De benoe- mingscommissie heeft verzoeker immers niet alleen niet geschikt bevonden op het vlak van organisatorische bekwaamheden, maar ook op het vlak van twee andere evaluatiecriteria, namelijk zijn visie op het beroep en zijn parate juridische kennis. Verzoekers kritiek met betrekking tot de beoordeling van zijn organisatorische bekwaamheden kan enkel een invloed hebben op de draagwijdte van de beslissing wanneer hij ook kan aantonen dat de benoemingscommissie op onredelijke wijze zijn parate kennis en zijn visie op het beroep zou hebben beoordeeld, hetgeen verzoeker evenwel niet doet. Op verzoekers kritiek dat de vacante plaats van een overleden gerechtsdeurwaarder eerst had moeten worden ingevuld, antwoordt de verwerende partij dat deze kritiek niet gericht is tegen het bestreden benoemingsbesluit en geen enkele invloed kan hebben op de draagwijdte van dit besluit. Het is haar onduide- lijk hoe het feit dat geen kandidaat werd benoemd voor deze vacante plaats de redelijkheid van de beoordeling van de geschiktheid van de kandidaten en de uit- eindelijke rangschikking zou aantasten. 12. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het middel repliceert verzoeker dat een vernietiging van de benoeming van de tussenkomende partij impliceert dat het bestuur, in het kader van het rechtsherstel na een vernietigings- arrest, het onderzoek van de kandidaatstellingen zal moeten overdoen, wat hem de kans oplevert om alsnog gunstig te worden gerangschikt en voor een benoeming in aanmerking te komen. Indien het middel gegrond wordt bevonden, dan zou dit de benoemingscommissie ertoe kunnen brengen de ganse systematiek van het on- derzoek van de kandidaten anders aan te pakken, wat ook tot gevolg kan hebben dat de puntentoekenning voor elke kandidaat anders zou uitvallen. Dit levert ver- zoeker een kans op om zelf te worden benoemd. 13. In zijn laatste memorie laat verzoeker nog gelden dat het crite- rium van de kennis reeds werd beoordeeld tijdens de schriftelijke proef, waarna hij IX-9426-13/27 werd gerangschikt bij de te horen kandidaten. Daaruit kan worden afgeleid dat zijn parate juridische kennis door de benoemingscommissie als voldoende werd be- schouwd. Hieruit volgt dan weer dat zijn kandidatuur niet in aanmerking werd genomen omdat hij niet zou overtuigen wat het criterium van organisatorische bekwaamheid betreft. Dit criterium had echter niet het relevante criterium mogen zijn om door te wegen op de voordracht, des te meer daar er vier vacante betrek- kingen te begeven waren. Beoordeling 14. Het middel is gericht tegen de motieven van de benoemings- commissie om verzoeker niet geschikt te achten op grond van een toetsing aan de volgende evaluatiecriteria, bedoeld in de bijlage bij het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 „tot goedkeuring van de in artikel 512, § 7, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde lijst van uniforme evaluatiecriteria‟: “1° Anciënniteit en professionele ervaring in de functie:
- a)duur van de globale ervaring;
- b)duur van de ervaring in het arrondissement van de vacante plaats;
- c)aard van de ervaringen. 2° Sociale bekwaamheden en vaardigheden:
- a)communicatievaardigheden;
- b)besluitvaardigheid, zelfbeheersing, houding, standvastigheid;
- c)integriteit, onpartijdigheid, respect voor de deontologie en confraterni- teit;
- d)activiteiten in beroepsorganisaties. 3° Organisatorische bekwaamheid:
- a)kennis van het beheer, de organisatie en de continuïteit van een ge- rechtsdeurwaarderskantoor;
- b)boekhoudkundige en fiscale aspecten, personeelsbeleid, leiderschap en coaching, financiële aspecten die gepaard gaan met de overname van een kan- toor. 4° Kennis:
- a)kennis van de gerechtelijke procedures en regels;
- b)kennis van de praktijk van de gerechtsdeurwaarder;
- c)wetenschappelijke vorming (gevolgd en gegeven) en verdiensten (bij- voorbeeld publicaties). 5° Visie op het beroep: Visie op de eigenlijke uitoefening van het beroep, de collegialiteit, het respect en de positie tegenover moderne technologieën.” IX-9426-14/27 15. Uit het administratief dossier blijkt dat de benoemingscommis- sie bij het horen van de kandidaten al de in het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 opgenomen evaluatiecriteria heeft getoetst. Vervolgens heeft de benoe- mingscommissie enkel die kandidaten geschikt bevonden en gerangschikt die haar voor al deze criteria hebben weten te overtuigen. 16. Voor wat verzoeker betreft blijkt uit het proces-verbaal van rangschikking dat hij niet geschikt is bevonden omdat hij niet voor alle in het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 opgesomde evaluatiecriteria heeft weten te overtuigen. Verzoeker is door de benoemingscommissie als volgt beoordeeld: “Drieskens Michaël kan bogen op een ruime ervaring van meer dan 14 jaar sinds zijn slagen voor het homologatie-examen op 24 september 2003. Hij be- haalde 9,33/20 op de objectieve juridische bevraging. Gedurende de hoorzitting beantwoordt de kandidaat de vragen die hem worden gesteld door de leden van de benoemingscommissie op een zeer vlotte wijze. Hij laat zich kenmerken als iemand die vlot terugkoppelt naar de praktijk en die waar mogelijk een prag- matische aanpak zal genegen zijn. Hij wijst gedurende het gesprek onder meer op zijn verantwoordelijkheidszin, op zijn diverse professionele ervaring en op zijn engagement. Bepaalde juridische vragen, zoals in verband met het pand- register en wat betreft de recente wijzigingen inzake het hoger bod, weet hij evenwel onvoldoende te kaderen, hetgeen afbreuk doet aan zijn parate juridi- sche kennis en wat ook in de lijn ligt van het door de kandidaat behaalde re- sultaat op de schriftelijke bevraging. Drieskens Michaël streeft een goed evenwicht tussen het baan- en het kantoorwerk na. Uit het dossier blijkt dat hij een groot aantal vervangingen heeft gedaan en dat hij als kandi- daat-gerechtsdeurwaarder binnen zijn kantoor de meeste opladingen en besla- gen voor zijn rekening neemt. Wat de vereiste sociale vaardigheden voor het veeleisende beroep van gerechtsdeurwaarder betreft verwijst de kandidaat uit- gebreid naar de wijze waarop hij dagdagelijks zijn ambt uitoefent. Hij stelt dat de gerechtsdeurwaarder steeds een meerwaarde moet betekenen en dat het in de praktijk dikwijls mogelijk is om mee te onderhandelen tot een voor elk van de partijen bevredigende oplossing. De kandidaat heeft enkele activiteiten op zich genomen in het kader van de beroepsverenigingen en zet zich ook daarbuiten actief in binnen de sociale dienstverlening. Wat de organisatorische aspecten betreft weet de kandidaat de commissie op heden onvoldoende te overtuigen. Hoewel hij aangeeft betrokken te zijn bij het management van het kantoor waar hij thans actief is, dit onder meer bij de aanwerving, aansturing en opleiding van personeel en bij diverse projecten (bijvoorbeeld inzake IT), stelt de commissie vast dat hij de financiële aspecten verbonden aan de opstart, overname of as- sociatie onvoldoende voorzichtig en realistisch inschat. Zo geeft hij aan de cijfers van een kantoor waarvoor een overnameverplichting bestaat niet te hebben opgevraagd. Hij geeft aan dit nog te kunnen doen na een eventuele IX-9426-15/27 voordracht en stelt dat een kantoor dat op vandaag niet rendabel is dit sowieso kan gemaakt worden naar de toekomst toe. Drieskens Michaël blinkt niet uit door een uitgesproken innoverende of toekomstgerichte visie op het ambt van gerechtsdeurwaarder en blijft op dit vlak eerder steken in algemeenheden. Hoewel de commissie aandacht heeft voor de ruime professionele ervaring van de kandidaat is zij van oordeel dat hij hic et nunc nog onvoldoende weet te overtuigen wat de vereiste organisatorische vaardigheden en visie betreft om thans reeds voorgedragen en benoemd te worden in het ambt van gerechts- deurwaarder-titularis. De commissie stelt tevens vast dat de parate juridische kennis in hoofde van de kandidaat op heden niet op het niveau is dat mag verwacht worden van een gerechtsdeurwaarder-titularis.” Anders dan verzoeker argumenteert in zijn laatste memorie, heeft de benoemingscommissie zijn juridische kennis niet als voldoende be- schouwd. Verzoeker is dus niet geschikt bevonden omdat hij niet wist te overtui- gen voor drie van de in het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 opgesomde evaluatiecriteria, meer bepaald „Organisatorische bekwaamheid‟, „Kennis‟ en „Visie op het beroep‟. 17. Vastgesteld moet worden dat verzoeker geen kritiek geeft op de handelwijze van de benoemingscommissie om een kandidaat enkel geschikt te bevinden als die voor elk van de evaluatiecriteria weet te overtuigen. Evenmin betwist verzoeker in zijn verzoekschrift de beoordeling van de benoemingscommissie dat hij onvoldoende weet te overtuigen wat de ver- eiste visie betreft en dat zijn parate juridische kennis op heden niet op het niveau is dat verwacht mag worden van een titularis-gerechtsdeurwaarder. Enkel de be- oordeling dat hij onvoldoende weet te overtuigen wat de vereiste organisatorische vaardigheden betreft, onderwerpt verzoeker aan concrete kritiek. 18. Die keuze van verzoeker heeft gevolgen. Zelfs indien zijn kritiek op de door de benoemingscommissie verleende beoordeling van het criterium „Organisatorische bekwaamheid‟ gegrond zou worden bevonden, dan blijft de beoordeling van de benoemingscommissie dat verzoeker niet wist te overtuigen voor de criteria „Kennis‟ en „Visie op het beroep‟ overeind. Aangezien de be- noemingscommissie enkel die kandidaten geschikt heeft bevonden die voor alle IX-9426-16/27 criteria wisten te overtuigen – werkwijze waarvan verzoeker zoals gezegd de wettigheid niet betwist – kan het gegrond bevinden van het middel niet ertoe leiden dat verzoeker alsnog geschikt wordt bevonden. Anders dan verzoeker beweert houdt het rechtsherstel waartoe de verwerende partij verplicht zal zijn na een vernietiging van de bestreden be- noeming op grond van het derde middel niet in dat zij “het onderzoek van de kandidaatstellingen zal moeten overdoen”, laat staan dat zij ertoe gehouden zou zijn “de ganse systematiek van het onderzoek van de kandidaten anders aan te pakken”. Het enige rechtsherstel waartoe de verwerende partij gehouden zou zijn bij een vernietiging op grond van het derde middel is de herbeoordeling van ver- zoekers kandidatuur voor wat betreft het criterium „Organisatorische bekwaam- heid‟. Zoals reeds gezegd blijft de beoordeling van de benoemingscommissie dat verzoeker niet voldoet voor de criteria „Kennis‟ en „Visie op het beroep‟ dan on- verminderd geldig, wat impliceert dat verzoeker niet geschikt kan worden be- vonden aangezien de benoemingscommissie enkel die kandidaten geschikt heeft bevonden die voor alle in het koninklijk besluit van 30 augustus 2016 opgesomde criteria wisten te overtuigen. 19. Wat voorafgaat noopt tot het besluit dat verzoeker geen belang heeft bij het middel. Aan die vaststelling wordt geen afbreuk gedaan doordat voor de vacante plaats van een overleden gerechtsdeurwaarder geen enkele kandidaat geschikt werd bevonden. Met dit argument toont verzoeker immers niet aan dat de beoordeling van de geschiktheid van zijn kandidatuur, en dus het feit dat hij niet geschikt werd bevonden, onregelmatig zou zijn. De exceptie is gegrond. 20. Het derde middel is onontvankelijk. IX-9426-17/27 C. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 21. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 2 en 3 van de formelemotive- ringswet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwens- beginsel. Verzoeker voert aan dat de benoemingscommissie in strijd met artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek slechts twee – in plaats van drie – kandidaten als de meest geschikte heeft voorgedragen. Hij merkt daarbij op dat in het Belgisch Staatsblad vier vacante betrekkingen voor het gerechtelijk arrondis- sement Limburg werden bekendgemaakt. Voorts meent verzoeker dat de forme- lemotiveringsplicht is miskend doordat uit de bestreden beslissing niet expliciet kan worden afgeleid waarom geen derde kandidaat in aanmerking is genomen. Ten slotte acht verzoeker de materiëlemotiveringsplicht geschonden. Dienaangaande argumenteert hij dat het ongeloofwaardig is dat de benoemingscommissie van de dertien kandidaten die zij heeft gehoord – elf kandidaten die zij zelf had geselec- teerd en twee kandidaten die hebben verzocht om te worden gehoord – slechts twee kandidaten geschikt heeft bevonden en heeft voorgedragen. Verzoeker merkt daarbij ook op dat hij in het kader van een eerdere benoemingsprocedure 12,6/20 scoorde op het schriftelijk examen en dat toen door dezelfde benoemingscom- missie werd geoordeeld dat hij voldoende juridische kennis had, zodat het onge- loofwaardig en onredelijk is dat hij nu plots niet meer bekwaam zou zijn. Daarbij komt, aldus verzoeker, dat voor het opengevallen mandaat van een overleden gerechtsdeurwaarder niemand geschikt werd bevonden, terwijl deze plaats als eerste zou moeten worden ingevuld. De kandidaat-gerechtsdeurwaarder die het betrokken ambt reeds enkele jaren waarneemt, is thans niet bekwaam bevonden door de benoemingscommissie om voor benoeming in aanmerking te komen maar zal nu wel opnieuw minstens één jaar dit mandaat waarnemen. Het benoemings- IX-9426-18/27 besluit moet dan ook worden vernietigd en kan bijgevolg ook niet de vereiste wettige grondslag voor het ministerieel besluit van 2 augustus 2018 vormen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd. 22. In de memorie van wederantwoord betwist verzoeker de door de verwerende partij opgeworpen exceptie dat hij geen belang heeft bij de kritiek dat slechts twee in plaats van drie kandidaten werden voorgedragen nu hij niet aan- toont dat hij zelf bij de drie meest geschikte kandidaten had moeten worden ge- rangschikt. Hij betoogt dat een vernietiging van de benoeming van de tussenko- mende partij impliceert dat het bestuur, in het kader van het rechtsherstel na een vernietigingsarrest, het onderzoek van de kandidaatstellingen zal moeten over- doen, wat hem de kans oplevert om alsnog gunstig te worden gerangschikt en voor een benoeming in aanmerking te komen. Indien het middel gegrond wordt be- vonden, dan zou dit de benoemingscommissie ertoe kunnen brengen de ganse systematiek van het onderzoek van de kandidaten anders aan te pakken, wat ook tot gevolg kan hebben dat de puntentoekenning voor elke kandidaat anders zou uit- vallen. Dit levert verzoeker een kans op om zelf te worden benoemd. Wat de gegrondheid van het middel betreft, argumenteert ver- zoeker nog dat overeenkomstig artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek de benoemingscommissie een rangschikking dient op te maken van de drie meest geschikte kandidaten, behalve indien advies moet worden uitgebracht over minder dan drie kandidaten. Er hebben meer dan drie kandidaten gepostuleerd. Door slechts twee kandidaten geschikt te bevinden en geen rangschikking op te maken van de drie meest geschikte kandidaten heeft de benoemingscommissie zich de bevoegdheid toegeëigend om definitief kandidaten te weren. De rangschikking door de benoemingscommissie is immers een bindend voorstel voor de benoe- mende overheid, in die zin dat enkel gerangschikte kandidaten in aanmerking komen voor benoeming. Uit artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek kan worden afgeleid dat iedereen die zich kandidaat stelt om te worden benoemd tot titularis-gerechtsdeurwaarder geacht wordt bekwaam te zijn, aangezien zij even- eens kunnen worden aangesteld als waarnemend gerechtsdeurwaarder. De wet IX-9426-19/27 verleent de benoemingscommissie niet de bevoegdheid om na te gaan of de kan- didaten bekwaam zijn, zij moet enkel bepalen wie de drie meest geschikte kandi- daten zijn. Voorts stelt verzoeker dat in de motivering van de rangschikking moet worden onderbouwd waarom de geselecteerde kandidaten de meest geschikte kandidaten zijn en hoe de benoemingscommissie is gekomen tot de rangschikking van de geselecteerde kandidaten onderling. In casu blijkt uit de motivering niet waarom geen derde kandidaat in aanmerking werd genomen. Uit het benoe- mingsbesluit moet dan weer kunnen worden afgeleid welke redenen het bestuur ertoe gebracht hebben de ene kandidaat boven de andere te verkiezen en waarom er maar twee geschikte kandidaten werden gerangschikt. 23. In zijn laatste memorie merkt verzoeker nog op dat de rang- schikking geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de be- kwaamheid en de geschiktheid van de kandidaat voor het uitoefenen van het ambt, maar dat het daarbij niet de bedoeling is dat andermaal een diepgaand vergelijkend examen wordt georganiseerd aangezien alle kandidaten licentiaat of master in de rechten zijn en zij reeds een homologatie-examen hebben afgelegd alvorens zij tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder werden benoemd. Iedereen die zich kandidaat stelt om te worden benoemd tot titularis-gerechtsdeurwaarder wordt geacht bekwaam te zijn, aangezien zij eveneens kunnen worden aangesteld als waarnemend ge- rechtsdeurwaarder. In casu hebben meer dan drie kandidaten gepostuleerd, zodat er een rangschikking diende te worden opgesteld van de drie meest geschikte kandidaten. Uit het bestreden benoemingsbesluit moet kunnen worden afgeleid welke redenen de benoemingscommissie ertoe hebben gebracht de ene kandidaat boven de andere te verkiezen, wat de teleurgestelde kandidaten in staat moet stel- len in te zien op grond van welke objectieve en pertinente criteria aan hen werd voorbijgegaan. Te dezen blijkt geenszins waarom van de overige kandidaten niemand als geschikt werd gerangschikt en in aanmerking werd genomen. Beoordeling 24. Het eerste middel is gericht tegen de rangschikking. IX-9426-20/27 25. In het middel bekritiseert verzoeker dat de benoemingscom- missie slechts twee – in plaats van drie – kandidaten als de meest geschikte heeft voorgedragen en daarbij niet heeft gemotiveerd waarom geen derde kandidaat in aanmerking werd genomen. Hij is van oordeel dat ook hij geschikt moest worden bevonden aangezien hij kandidaat-gerechtsdeurwaarder is, door de benoemings- commissie werd uitgenodigd om te worden gehoord en in het kader van een eer- dere benoemingsprocedure 12,6/20 scoorde op het schriftelijk examen en toen door dezelfde benoemingscommissie werd geoordeeld dat hij over voldoende juridische kennis beschikte. Indien dit middel gegrond wordt bevonden, bestaat de mogelijkheid dat de benoemingscommissie – in het kader van het rechtsherstel na een eventueel vernietigingsarrest – verzoekers kandidatuur opnieuw beoordeelt en overgaat tot het opstellen van een nieuwe rangschikking van de drie meest ge- schikte kandidaten. Dit impliceert dat de mogelijkheid bestaat dat verzoeker alsnog in de rangschikking van de drie meest geschikte kandidaten wordt opgenomen. Aangezien de benoeming gebeurt onder de door de benoemingscommissie ge- rangschikte kandidaten, bestaat dan ook de mogelijkheid voor verzoeker dat hij – in de plaats van de tussenkomende partij – zou worden benoemd tot gerechts- deurwaarder. Verzoeker heeft derhalve in die mate belang bij het middel. 26. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onont- vankelijkheid van het middel wordt verworpen. 27. Verzoeker laat na in het middel toe te lichten op welke wijze volgens hem het vertrouwensbeginsel is geschonden. In die mate is het middel bijgevolg onontvankelijk. Het middel is eveneens onontvankelijk in de mate dat verzoeker pas voor het eerst in zijn laatste memorie – en dus laattijdig – aanvoert dat de geschiktheid van de kandidaten niet mag gebeuren aan de hand van “een diepgaand vergelijkend examen”. IX-9426-21/27 28. In zoverre verzoeker het middel betrekt op de overige niet ge- schikt bevonden kandidaten door in de drie middelonderdelen achtereenvolgens aan te voeren dat ten onrechte geen van de overige kandidaten werd gerangschikt, dat voor de overige kandidaten niet formeel is gemotiveerd waarom zij niet ge- schikt zijn bevonden en dat de beslissing om de overige kandidaten niet geschikt te bevinden niet op deugdelijke motieven steunt, moet worden opgemerkt dat ver- zoeker geen belang heeft bij deze kritieken aangezien ze hem niet tot voordeel kunnen strekken. In die mate is het middel eveneens onontvankelijk. 29. In de mate dat verzoeker in het tweede onderdeel van het middel aanvoert dat niet wordt gemotiveerd waarom de gerangschikte kandidaten de meest geschikte kandidaten zijn, hoe de benoemingscommissie is gekomen tot de rangschikking van de geselecteerde kandidaten onderling en waarom hij niet als derde kandidaat geschikt is bevonden en gerangschikt, moet worden vastgesteld dat in het proces-verbaal van rangschikking per kandidaat uitgebreid wordt ge- motiveerd op grond van welke overwegingen die kandidaat als de meest geschikte, dan wel als niet geschikte kandidaat wordt beoordeeld, daarbij zeer concreet re- kening houdend met de verschillende uniforme en objectieve evaluatiecriteria vastgelegd bij koninklijk besluit van 30 augustus 2016. Die motivering maakt ook deel uit van het bestreden benoemingsbesluit. Dit geldt vooreerst voor de twee geschikt bevonden kandidaten, waarbij ook wordt gemotiveerd waarom de tussenkomende partij nog meer dan de tweede gerangschikte kandidaat als de meest geschikte kandidaat wordt beoor- deeld. Zo wordt in de beoordeling van de kandidatuur van de tussenkomende partij uiteengezet dat zij op alle evaluatiecriteria in zeer hoge mate kan overtuigen. Bij de beoordeling van de kandidatuur van de tweede gerangschikte kandidaat wordt uiteengezet dat hij goed beantwoordt aan alle vooropgestelde evaluatiecriteria en wordt daarnaast ook aangegeven dat de benoemingscommissie, hoewel zij aan- dacht heeft voor de hoge score die de kandidaat behaalde op de objectieve juridi- sche bevraging, van oordeel is dat de tussenkomende partij zich voor deze speci- fieke vacante plaats van hem onderscheidt door haar veel meer uitgebreide pro- IX-9426-22/27 fessionele ervaring, door haar sterkere organisatorische vaardigheden vereist voor de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder en door haar nog sterkere sociale vaardigheden, waarvan onder meer haar groter engagement binnen de beroepsorganisatie getuigt. Overigens levert verzoeker geen kritiek op deze beoordelingen. Voor de niet geschikt bevonden kandidaten wordt eveneens aangegeven op grond van welke overwegingen zij als niet geschikt worden be- oordeeld. Voor wat verzoeker betreft is de motivering hiervóór sub 17 in extenso aangehaald. Verzoeker blijkt overigens genoegzaam op de hoogte van de motieven op grond waarvan hij niet geschikt wordt bevonden en niet wordt gerangschikt aangezien hij in het voorliggende beroep die motieven bekritiseert. Het tweede onderdeel van het middel kan niet worden aange- nomen. 30. In het derde onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de beslissing om hem niet geschikt te bevinden en te rangschikken niet op deugdelijke motieven steunt. Verzoeker stelt in dat verband vooreerst dat het ongeloofwaardig is dat de benoemingscommissie van de dertien kandidaten die zij heeft gehoord – elf kandidaten die zij zelf had geselecteerd en twee kandidaten die hebben ver- zocht om te worden gehoord – slechts twee kandidaten geschikt heeft bevonden en heeft voorgedragen, waarbij hij dus niet geschikt werd bevonden. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het opstellen van de lijst van te horen kandidaten slechts op basis van een beperkt aantal evaluatiecriteria is gebeurd, namelijk op basis van de resultaten van de schriftelijke proef waar enkel wordt gepeild naar de kennis van de gerechtelijke procedures en regels en van de praktijk van de ge- rechtsdeurwaarder of op basis van de professionele ervaring (anciënniteit). Tijdens het horen van de kandidaten zijn daarentegen per kandidaat telkens alle in het IX-9426-23/27 koninklijk besluit van 30 augustus 2016 opgenomen evaluatiecriteria getoetst en werd op basis daarvan geoordeeld of die kandidaat al dan niet als geschikt kon worden beoordeeld. Dat verzoeker geplaatst is op de lijst met te horen kandidaten hoeft dan ook niet per se te betekenen dat hij meteen ook als geschikt moest worden beoordeeld en moest worden opgenomen in de rangschikking van de meest geschikte kandidaten. Voor zover de motivering om hem niet geschikt te bevinden en te rangschikken volgens verzoeker niet deugdelijk is doordat dezelfde benoe- mingscommissie in het kader van een vorige benoemingsprocedure heeft geoor- deeld dat hij wel over voldoende juridische kennis beschikte en dat hij toen een score van 12,6/20 voor het schriftelijk examen heeft behaald, moet worden op- gemerkt dat juridische kennis – en zeker parate kennis – kan evolueren, onder meer in het licht van een gewijzigde regelgeving. Vastgesteld moet worden dat ver- zoeker in het kader van de voorliggende benoemingsprocedure een score van 9,33/20 op de schriftelijke bevraging heeft behaald en dat hij die score niet betwist. Evenmin betwist hij dat hij bepaalde juridische vragen die hem tijdens de hoor- zitting werden gesteld, zoals in verband met het pandregister en de recente wijzi- gingen inzake het hoger bod, onvoldoende wist te kaderen. In die omstandigheden is het niet onredelijk dat de benoemingscommissie in het kader van de huidige benoemingsprocedure – die een afzonderlijke procedure is van de vorige en die ook een afzonderlijke beoordeling vanwege de benoemingscommissie vereist – heeft geoordeeld dat verzoekers parate juridische kennis op heden niet op het niveau is dat mag worden verwacht van een titularis-gerechtsdeurwaarder. Daarbij komt dat verzoeker niet alleen voor dit evaluatiecriterium niet geschikt werd be- vonden door de benoemingscommissie, maar ook voor de evaluatiecriteria in verband met de organisatorische vaardigheden en de visie. Verzoeker maakt dan ook met dit middelonderdeel evenmin aannemelijk dat de beslissing om hem niet geschikt te bevinden en te rangschikken niet op deugdelijke motieven steunt. IX-9426-24/27 31. In het eerste onderdeel van het middel klaagt verzoeker aan dat de benoemingscommissie in strijd met artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek slechts twee – in plaats van drie – kandidaten als de meest geschikte heeft voorgedragen. Artikel 515, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek luidt: “De benoemingscommissie kan ambtshalve beslissen alle kandidaten te horen. Zo niet, bestudeert zij de door de minister van Justitie overgezonden benoemingsdossiers en maakt, op basis van door de Koning te bepalen objec- tieve criteria, een lijst op van de te horen kandidaten. Van deze lijst wordt een met redenen omkleed proces-verbaal opgemaakt. Nadat de benoemingscom- missie door een aangetekende zending iedere kandidaat van haar met redenen omklede beslissing op de hoogte heeft gebracht, roept zij de in aanmerking genomen kandidaten op en hoort ze, alsook alle niet in aanmerking genomen kandidaten die, binnen een termijn van 15 dagen na de kennisgeving die aan hen werd gedaan, hierom hebben verzocht bij aangetekende zending. Zij maakt vervolgens een rangschikking op van de drie meest geschikte kandidaten. In- dien de benoemingscommissie advies moet uitbrengen over minder dan drie kandidaten, wordt de lijst beperkt tot de enige kandidaat of de enige twee kan- didaten. De rangschikking geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaat voor het uitoefenen van het ambt van gerechtsdeurwaarder.” De benoemingscommissie dient derhalve, behoudens wanneer advies moet worden verleend over minder dan drie kandidaten, een rangschikking op te stellen van “de drie meest geschikte kandidaten”. Die bepaling kan niet an- ders worden begrepen dan dat een kandidaat minstens geschikt moet zijn bevonden voor het uitoefenen van het ambt van gerechtsdeurwaarder om in de rangschikking opgenomen te kunnen worden. Anders dan verzoeker beweert valt het enkel toe aan de benoemingscommissie om een kandidaat geschikt te verklaren en volgt de geschiktheid niet uit de omstandigheid dat de betrokkene reeds een diploma of titel van kandidaat-gerechtsdeurwaarder heeft verworven en vanuit die hoedanigheid eventueel kan worden aangesteld om het ambt van titularis-gerechtsdeurwaarder tijdelijk waar te nemen. IX-9426-25/27 Verzoeker is door de benoemingscommissie niet geschikt be- vonden. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker er niet in slaagt om aan te tonen dat die beslissing onwettig is. In die omstandigheden heeft hij dan ook geen belang bij zijn kritiek dat slechts twee in plaats van drie kandidaten als de meest geschikte zijn voorgedragen aangezien hij, zelfs indien deze grief gegrond zou worden be- vonden, hoe dan ook niet in de rangschikking kan worden opgenomen. Het eerste middelonderdeel is dan ook onontvankelijk. 32. Aangezien verzoeker er met dit middel niet in slaagt aan te tonen dat het bestreden benoemingsbesluit van 22 juli 2018 onwettig is, maakt hij evenmin aannemelijk dat dit besluit geen wettige grondslag kan vormen voor het bestreden ministerieel besluit van 2 augustus 2018. 33. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. V. Rechtsplegingsvergoeding 34. Aan de vraag van de tussenkomende partij dat verzoeker zou worden veroordeeld tot betaling aan haar van een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro kan geen gunstig gevolg worden gegeven, aangezien artikel 30/1, § 2, laatste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uitdrukkelijk be- paalt dat tussenkomende partijen geen rechtsplegingsvergoeding kunnen verkrij- gen. IX-9426-26/27 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9426-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.423 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div