← België

Arrest 246428 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 17/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.428 Rolnummer: A. 223592/X-17049 Zaak: Arrest 246428 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 17/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-30 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-21 21:21 Fiche Arrest nr 246.428 van 17 december 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 246.428 van 17 december 2019 in de zaak A. 223.592/X-17.049 In zake : de NV MATICO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip De Preter kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. de STAD DENDERMONDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter De Smedt kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen
  2. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van Den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 24 oktober 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de stad Dendermonde van 21 juni 2017 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „De Dammen – Donckstraat‟, en van de beslissing van de dienst Milieueffectenrapportagebeheer (de dienst Mer) van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van 18 augustus 2016 dat de opmaak van een milieueffectrapport voor het voormelde plan niet nodig is. X-17.049-1/18 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Pierrot T‟Kindt heeft een verslag opgesteld. De verwerende partijen en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 november
  5. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Adrian De Weerdt, die loco advocaten Filip De Preter en Kurt Stas verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Peter De Smedt, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Pierrot T‟Kindt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. De verzoekende partij is eigenaar van een aantal percelen die gelegen zijn aan de Hof ter Bremptstraat te Dendermonde, aldaar kadastraal gekend als Dendermonde, afdeling 1, sectie B, nrs. 561/X, 561/V, 561/F/2, X-17.049-2/18 561/A/2, 561/E/2, 561/D/2 en 561/C/
  8. Het eerste van voornoemde percelen bevindt zich binnen het beheersingsgebied van het bij het eerste bestreden besluit definitief vastgestelde gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan „De Dammen – Donckstraat‟ (hierna: het gemeentelijk RUP). De overige van die percelen liggen in de onmiddellijke nabijheid van dat beheersingsgebied. 3.
  9. Het gemeentelijk RUP, waarmee volgens de plannende overheid “een herbestemming [wordt] doorgevoerd, die een eigentijdse ontwikkeling van het plangebied mogelijk moet maken”, voorziet in een gevarieerde zonering bestaande uit de bestemmingen „Wegenis‟, „Wonen‟, „Projectgebieden‟, „Bijzondere woongebieden‟, „Gemeenschapsvoorzieningen en wonen‟, „Gemeenschapsvoorzieningen‟, „Groengebieden‟ en „Waterlopen en oeverstroken‟. Deze voorschriften vervangen voor het plangebied de voorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Dendermonde, dat het desbetreffende grondgebied grotendeels tot woongebied en in beperkte mate tot een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut en een bufferzone bestemde. 3.
  10. De bestemmingsvoorschriften voor de zone „Projectgebieden‟ (artikel 5) luiden: “Hoofdbestemming De projectgebieden zijn bestemd voor de ontwikkeling van eengezinswoningen en meergezinswoningen in functie van wonen met de bijhorende private, semi-private en openbare (groene) ruimte Nevenbestemming - Vrije beroepen in combinatie en verenigbaar met de woonfunctie - Gemeenschapsvoorzieningen verenigbaar met de woonfunctie”. Voor het perceel 555/F geldt grotendeels het projectgebied D (artikel 5.5), waarvoor de volgende stedenbouwkundige voorschriften gelden: “5.5.1 Bebouwingscoëfficiënten Binnen het projectgebied D worden volgende richtcijfers gerespecteerd - Maximale B/T-index: 0,3 - Maximale V/T-index: 1,2 X-17.049-3/18 - Minimale G/T-index: 0,4 5.5.2 Typologie Binnen het projectgebied D worden volgende woontypologieën voorzien: - Gekoppelde of aaneengeschakelde eengezinswoningen - Kleinschalige meergezinswoningen - Urban villa‟s - Co-housing projecten - Compacte geschakelde woonvormen 5.5.3 Inplanting van de gebouwen De gebouwen binnen het projectgebied worden vrij ingeplant. Tussen de gebouwen wordt een kwalitatief semi-publiek park voorzien. Deze groene ruimtes dienen samen met de bovenlokale groene verbinding een samenhangend geheel te vormen. De verschillende bouwvolumes respecteren een minimale afstand van 3 m ten opzichte van de omringende perceelsgrenzen. De afstand van de achtergevel ten opzichte van de achterste perceelsgrens dient minimaal de 45°-regel te respecteren met een minimum van 6 m. 5.5.4 Gabarit Bouwhoogte - Bij hellende daken: maximaal 10 m tot de kroonlijst gemeten vanaf het maaiveld en een maximale nokhoogte van 16 m. - Bij platte daken: maximaal 10 m tot afgewerkte dakrand gemeten vanaf het maaiveld ter hoogte van voor- en achtergevel en maximaal 13 m tot afgewerkte dakrand gemeten vanaf het maaiveld voor een bijkomende teruggetrokken dakverdieping. Bouwlagen - woonlagen - Maximaal 3 bouwlagen onder afgewerkte dakrand. - Maximaal 1 bijkomende woonlaag waarbij: - In geval van hellende daken 1 bijkomende woonlaag in het hellend dak. - In geval van platte daken als bijkomend teruggetrokken dakverdieping binnen het toegelaten gabarit voor een hellend dak. De maximale hoogte van de dakverdieping is 3 m. - Ondergrondse bouwlagen zijn toegestaan als parkeer- en/of opbergruimte doch tellen niet als woonlaag. Dak - De dakvorm is vrij”. Voorheen gold voor het perceel 555/F, overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Dendermonde, de bestemming „Gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen‟. 3.
  11. Met een e-mailbericht van 22 maart 2016 vraagt de eerste verwerende partij aan de dienst Mer om op basis van haar plan-MER- X-17.049-4/18 screeningsnota een beslissing te nemen over de opmaak van een plan-MER als omschreven in artikel 4.1.1, § 1, 7°, van het decreet van 5 april 1995 „houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid‟ (hierna: het DABM). 3.
  12. Op 7 april 2016 bezorgt de dienst Mer aan de eerste verwerende partij een lijst met te raadplegen adviesorganen. Nadat deze organen hun advies hebben uitgebracht, vult de eerste verwerende partij haar plan-MER- screeningsnota aan. 3.
  13. Op 2 mei 2016 vindt de plenaire vergadering over het voorontwerp van het gemeentelijk RUP plaats. 3.
  14. Vanaf 9 augustus 2016 stelt Geopunt Vlaanderen een geactualiseerde biologische waarderingskaart beschikbaar, dat het perceel 555/F als biologisch waardevol kwalificeert. 3.
  15. Op 18 augustus 2016 beslist de dienst Mer als volgt over de vereiste tot opmaak van een plan-MER: “Het screeningsdossier (bestaande uit de screeningsnota en de adviezen) bevat de nodige informatie over het voorgenomen plan en heeft de relevante milieudisciplines voldoende besproken. Alle instanties zijn van mening dat de effecten op het milieu correct en voldoende beschreven zijn. De uitgebrachte adviezen bevatten geen elementen waaruit de dienst Mer kan besluiten dat het uitgevoerde onderzoek naar de aanzienlijkheid van de milieueffecten onvolledig of onjuist is. Enkele adviesinstanties hebben ook opmerkingen over het plan zelf. Deze opmerkingen hebben echter geen impact op de beoordeling van de aanzienlijkheid van de milieueffecten van het plan. Waterwegen en zeekanaal nv voegt als opmerking toe dat de functie van de gracht langsheen de Nieuwe Tijsluis niet in het gedrang mag komen en geen verhogingen mogen plaatsvinden. Rekening houdend met het bovenvermelde kunnen wij concluderen dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is.” Dit is het tweede bestreden besluit. X-17.049-5/18 3.
  16. Op 19 oktober 2016 stelt de gemeenteraad van de eerste verwerende partij het ontwerp van het gemeentelijk RUP voorlopig vast. 3.
  17. Van 28 november 2016 tot en met 27 januari 2017 vindt een openbaar onderzoek over het ontwerp van het gemeentelijk RUP plaats. Op 26 januari 2017 dient de verzoekende partij in het kader van dat onderzoek een bezwaarschrift in. 3.
  18. Op 11 april 2017 bundelt en coördineert de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de stad Dendermonde (hierna: de Gecoro) alle adviezen, bezwaren en opmerkingen en brengt zij een advies met voorstellen tot wijziging van het ontwerp van het gemeentelijk RUP uit. 3.
  19. Op 15 mei 2017 beslist het college van burgemeester en schepenen van de eerste verwerende partij om een aantal wijzigingen aan het ontworpen gemeentelijk RUP aan te brengen. 3.
  20. Op 21 juni 2017 stelt de gemeenteraad van de eerste verwerende partij het gemeentelijk RUP definitief vast. Dit is het eerste bestreden besluit, dat bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad van 25 augustus 2017 bekend wordt gemaakt. Ter verduidelijking volgt hierna een weergave van het grafisch plan met benaderende verduidelijking: X-17.049-6/18 Perceel 555/F IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4.
  21. De verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van “artikel 4.2.3 en 4.2.6 van [het DABM], het redelijkheids- en zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag.” 4.1.
  22. In een eerste middelonderdeel betoogt de verzoekende partij dat de plannende overheid van 2,93 bijkomende motorbewegingen per woning uitgaat, maar dat de screening niet aangeeft hoeveel bijkomende woningen ingevolge het gemeentelijk RUP kunnen gebouwd worden. Wat het aspect mobiliteit betreft, meent de verzoekende partij dan ook dat de dienst Mer op grond van onvolledige gegevens heeft geoordeeld dat het gemeentelijk RUP niet tot aanzienlijke milieugevolgen aanleiding zal geven en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is. De beslissing van deze dienst is op een onvoldoende, X-17.049-7/18 dan wel onzorgvuldige, feitelijke grondslag gestoeld. Minstens is de beslissing kennelijk onredelijk. Verder voert de verzoekende partij nog aan dat een toetsing ontbreekt van de effecten van het gemeentelijk RUP op het bestaande weggennet. 4.1.
  23. In een tweede middelonderdeel zet de verzoekende partij uiteen dat de biologische waarderingskaart het perceel 555/F ingevolge de aanwezigheid van loofhoutaanplant als “biologisch waardevol” kwalificeert. Het gemeentelijk RUP neemt dit beboste perceel nochtans in een projectzone op. De plan-MER- screeningsnota heeft er volgens haar geen rekening mee gehouden dat het perceel 555/F als “biologisch waardevol” wordt gekwalificeerd. De op die nota gestoelde tweede bestreden beslissing steunt derhalve op verkeerde feitelijke gegevens. 4.2.
  24. Wat het eerste middelonderdeel betreft, vestigt de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord de aandacht op de weerlegging van verzoeksters bezwaar op grond van het advies van de Gecoro. Daarin wordt naar de plan-MER-screening en naar de tweede bestreden beslissing verwezen, beslissing die de screening na uitsluitend gunstige adviezen goedkeurt. De eerste verwerende partij betoogt dat verzoekster op basis van concrete elementen moet aantonen dat de screening onzorgvuldig is gebeurd en dat er verkeerde conclusies zijn getrokken. Zij wijst er in dit verband op dat het toetsingsrecht van de Raad van State slechts marginaal is. Volgens haar maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat geen zorgvuldige inschatting van de mobiliteitseffecten zou zijn gebeurd. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de kwestieuze gronden reeds in woongebied lagen en dus konden ontwikkeld worden, zoals in de plan-MER-screeningsnota is aangegeven. 4.2.
  25. De eerste verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord, wat het tweede middelonderdeel betreft, dat de verzoekende partij geen concrete gegevens aanvoert waaruit zou blijken dat de dienst Mer een onzorgvuldige beoordeling heeft gemaakt. Zij verwijst naar de volgende weerlegging van verzoeksters bezwaar door de Gecoro: X-17.049-8/18 “De BWK is in de loop van 2016 aangepast. Ten tijde van het verzoek tot raadpleging was de contour nog gecategoriseerd als biologisch minder waardevol. De nieuwe categorisering (BWK identificator 171727_ v2016) doet geen afbreuk aan de vooropgestelde doelstellingen van het RUP. Bij eventuele herontwikkelingen op het betreffend perceel dient de biologisch waardevolle loofhoutaanplant wel meegenomen worden bij de project-mer- screening. De scoping van de plan-mer-screening is niet gevoerd op één individueel perceel maar wel op de afgebakende biologische zones.” Daaruit leidt de eerste verwerende partij af dat de dienst Mer bij het nemen van haar beslissing op basis van de op dat ogenblik meest actuele gegevens heeft geoordeeld. De wijziging van de biologische waarderingskaart heeft op die beoordeling geen invloed gehad, minstens toont de verzoekende partij het tegendeel niet aan. Evenmin maakt de verzoekende partij aannemelijk dat het biologisch waardevol karakter van een perceel een aanzienlijk milieueffect op planniveau zou impliceren. Volgens de eerste verwerende partij blijkt uit niets dat de actualisatie van de biologische waarderingskaart op de conclusies van de project-MER-screening een invloed zou hebben gehad. Zij wijst er daarbij op dat de bewuste grond al in woongebied was gelegen. 4.3.
  26. De tweede verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat de verzoekende partij niet aantoont dat de beoordeling van de dienst Mer feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn. Zij verwijst in dit verband naar de inhoud van de plan-MER- screeningsnota. Het feit dat die nota niet bepaalt hoeveel bijkomende woningen ingevolge het gemeentelijk RUP kunnen worden gebouwd, doet volgens haar geen afbreuk aan de beoordeling van de dienst Mer. De verzoekende partij toont niet aan dat het plan aanzienlijke negatieve effecten op de discipline mens en ruimte zal hebben. Bij de uitvoering van de screening moet volgens de tweede verwerende partij alleen rekening worden gehouden met de elementen die de initiatiefnemer op dat ogenblik bekend zijn of kunnen zijn. Op basis van die elementen mocht de initiatiefnemer besluiten dat, ofschoon het gemeentelijk RUP de ontwikkeling van bijkomende verkeersgenererende activiteiten mogelijk X-17.049-9/18 maakt, globaal bekeken geen aanzienlijk effect op de mobiliteit diende verwacht te worden. Voorts is het gemeentelijk RUP volgens de tweede verwerende partij niet het meest geëigende instrument om het exacte aantal bijkomende woningen te bepalen. De detaillering daarvan kan het voorwerp van een ontwikkelingsplan uitmaken, met daarbij een afweging van de concrete projecten ten aanzien van de goede ruimtelijke ordening en de draagkracht van de omgeving. De bewering dat bij de beoordeling van de milieueffecten van het gemeentelijk RUP geen rekening is gehouden met de effecten van het plan op het bestaande wegennet, is volgens de tweede verwerende partij feitelijk onjuist. 4.3.
  27. Wat het tweede middelonderdeel betreft, betoogt de tweede verwerende partij dat de verzoekende partij niet aantoont dat het oordeel van de dienst Mer dat het gemeentelijk RUP geen aanzienlijk effect op de discipline fauna en flora zal hebben, feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn. Zij verwijst naar de screeningsnota en stelt dat de dienst Mer op grond van juiste feitelijke gegevens en in redelijkheid heeft beslist dat het gemeentelijk RUP geen aanleiding tot aanzienlijke milieugevolgen geeft. De verzoekende partij toont niet aan dat het gemeentelijk RUP wel aanzienlijke gevolgen voor de discipline fauna en flora zou hebben. De tweede verwerende partij wijst er voorts op dat de screeningsnota op de biologische waarderingskaart steunt die bij de opmaak ervan in maart 2016 bestond. De wijziging in verband met het perceel 555/F blijkt pas uit een actualisatie van de biologische waarderingskaart, die vanaf 9 augustus 2016 door Geopunt Vlaanderen werd gepubliceerd. Bij de opmaak van de screeningsnota werd derhalve van de op dat ogenblik meest actuele biologische waarderingskaart gebruik gemaakt. X-17.049-10/18 Aangezien de plannende overheid enkel rekening kon houden met de biologische waarderingskaart die haar bekend was of kon zijn, dient geconcludeerd te worden dat de screeningsnota op correcte informatie steunt. Het feit dat de screeningsnota van de versie van 2014 van de biologische waarderingskaart gebruik maakt, doet geen afbreuk aan het oordeel van de dienst Mer dat het gemeentelijk RUP voor de discipline fauna en flora niet tot aanzienlijke milieugevolgen aanleiding geeft. De verzoekende partij toont het tegendeel niet aan, temeer nu het perceel 555/F slechts een zeer beperkte wijziging aan de biologische waarderingskaart betreft. 4.4.
  28. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord aangaande het eerste middelonderdeel dat zij zeer concreet aangeeft dat de plan- MER-screening op het vlak van het aantal bijkomende woningen onvolledig is, omdat die nota niet aangeeft hoeveel woningen er binnen het plangebied mogelijk zijn. De plan-MER-screening moet op basis van volledige gegevens onderzoeken of er voor een bepaald aspect aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Het kan haar niet verweten worden dat zij niet aantoont dat de screeningsnota onjuist is. Het gebrek aan concrete gegevens maakt juist dat zij die kritiek niet kan leveren. Uit de samenlezing van de artikelen 4.2.3, § 3, en 4.2.6 DABM volgt dat de screeningsnota de nodige gegevens moet bevatten opdat een inschatting kan worden gemaakt van de “waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid en ... orde van grootte” van de effecten. Wat de mobiliteitseffecten betreft, moet de initiatiefnemer een inschatting van de toename van de mobiliteitsvraag maken. Verder acht de verzoekende partij het niet relevant dat het bewuste perceel reeds in woongebied is gelegen en dat de adviesinstanties geen opmerkingen over de mobiliteit hebben geformuleerd, respectievelijk omdat de bestreden beslissing een reglementair karakter heeft en omdat de afwezigheid van opmerkingen nog niet betekent dat het standpunt van de eerste verwerende partij correct zou zijn. X-17.049-11/18 4.4.
  29. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord, wat het tweede middelonderdeel betreft, dat zij geen louter potentieel probleem bekritiseert. Het is volgens haar onbetwist dat de biologische waarderingskaart waarop de screeningsnota steunt, achterhaald is. De verwerende partijen bevestigen dat de plan-MER-screening op basis van de biologische waarderingskaart van 2014 is opgesteld. Zij wijst erop dat de dienst Mer op 18 augustus 2016 over de plan-MER-screening heeft beslist, dit is negen dagen nadat de biologische waarderingskaart van 2016 werd bekendgemaakt. De dienst Mer had als gespecialiseerde instantie moeten nagaan of de feitelijke gegevens die in de plan-MER-screening worden opgenomen, correct zijn. De beoordeling van deze dienst stoelt niet op actuele gegevens, zodat de plan-MER-screening onzorgvuldig is uitgevoerd. Volgens de verzoekende partij is het daarbij irrelevant dat het bewuste perceel reeds in woongebied is gelegen, aangezien het bestreden plan een reglementair karakter heeft. De verzoekende partij wijst er tenslotte op dat de plan-MER- screeningsnota als “milieueffect en milderende maatregel” uitdrukkelijk vermeldt dat de biologisch waardevolle zones behouden, versterkt en verder uitgebreid worden. Indien de dienst Mer van de juiste biologische waarderingskaart kennis had gehad, valt een mogelijke invloed ervan niet uit te sluiten. 4.
  30. De eerste verwerende partij voegt in haar laatste memorie, wat het tweede middelonderdeel betreft, nog toe dat het de initiatiefnemer is die de evaluatie moet maken of het plan aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Wanneer de adviesinstanties van oordeel zijn dat de milieueffecten voldoende en juist beschreven zijn, bestaat er voor de dienst Mer “geen reden om alsnog te besluiten dat het uitgevoerde onderzoek naar de aanzienlijkheid van de milieueffecten onvolledig of onjuist zou zijn”. Het staat volgens de eerste verwerende partij niet aan de dienst Mer om de analyse bedoeld in artikel 4.2.3, § 3, DABM inhoudelijk over te doen. Evenmin impliceert het zorgvuldigheidsbeginsel dat de dienst Mer bij het beoordelen van de screening dient na te gaan of er sedert het doorvoeren van de screening door de initiatiefnemer omstandigheden zijn gewijzigd. Een dergelijke opvatting strookt X-17.049-12/18 volgens haar niet met de decretaal vastgelegde taakverdeling. De eerste verwerende partij wijst er ook op dat het agentschap Natuur en Bos zich met de inhoud van de screeningsnota akkoord heeft verklaard. 4.
  31. De tweede verwerende partij stelt in haar laatste memorie voor wat het tweede middelonderdeel betreft dat de verantwoordelijkheid voor de screening op de initiatiefnemer rust. De taak van de dienst Mer bestaat erin “om na te gaan of het screeningsdossier […] de nodige informatie over het plan bevat en de afdoende milieudisciplines afdoende bespreekt”. Net als de eerste verwerende partij stelt zij dat wanneer de adviesinstanties van oordeel zijn dat de milieueffecten correct en voldoende beschreven zijn, er voor de dienst Mer “geen reden [bestaat] om te besluiten dat het uitgevoerde onderzoek naar de aanzienlijkheid van de milieueffecten onvolledig of onjuist zou zijn”. Voorts meent ook de tweede verwerende partij dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet vereist dat de dienst Mer bij het beoordelen van de screening nagaat of er sedert het doorvoeren van de screening door de initiatiefnemer omstandigheden zijn gewijzigd. Een en ander zou volgens haar “ook vanuit bestuurs-organisatorisch oogpunt onhaalbaar en zelfs absurd [zijn]”. Zij benadrukt dat de wijziging aan de biologische waarderingskaart “van zeer laat [dateert]”. De eerste verwerende partij wijst er eveneens op dat het agentschap Natuur en Bos zich met de inhoud van de screeningsnota akkoord heeft verklaard, en stelt dat de verzoekende partij niet aantoont dat de beoordeling van dit agentschap fout zou zijn. Een nieuwe biologische waardering van één perceel impliceert volgens haar ook niet dat het plan “plots” aanleiding tot aanzienlijke milieueffecten zou geven. Nergens toont de verzoekende partij dit aan. Bovendien is het aangewezen om “de nieuwe biologische waardering van één perceel binnen het plangebied in rekening te brengen op het project-niveau”. 4.7.
  32. De verzoekende partij betoogt in haar laatste memorie, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat de beschouwingen in de plan-MER- screeningsnota “hoegenaamd geen enkele cijfermatige inschatting” van de verkeersstromen geven. Deze informatie is volgens haar “nochtans ontegensprekelijk essentieel om te kunnen beslissen dat het plan-MER geen X-17.049-13/18 aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen”. De verzoekende partij wijst erop dat het wettigheidstoezicht van de Raad van State onder meer een controle van de volledigheid van de in aanmerking genomen gegevens, rekening houdend met de doelstelling van de plan-MER-screening, omvat. 4.7.
  33. Wat het tweede middelonderdeel betreft, stelt de verzoekende partij in haar laatste memorie dat niet enkel de initiatiefnemer maar ook de dienst Mer moet onderzoeken of het plan in kwestie al dan niet aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De dienst Mer kan nooit een gedegen beslissing nemen zonder een zorgvuldige actualisatie van de voor haar liggende documenten. Beoordeling 5.1.
  34. Het toentertijd geldend artikel 4.2.3, § 3, DABM, luidt: “Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1 onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhoudt, moet geen plan-MER worden opgemaakt voor zover de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, aantoont dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten.” Artikel 4.2.6, § 2, DABM, bepaalt: “De administratie neemt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de documenten, vermeld in § 1, een beslissing inzake de opmaak van een plan-MER.” 5.1.
  35. Door de partijen wordt niet betwist dat het gemeentelijk RUP niet van rechtswege plan-MER-plichtig is, maar wel onderworpen is aan de verplichting tot het uitvoeren van een onderzoek tot milieueffectrapportage. Ter uitvoering van die laatste plicht moet worden nagegaan of dat plan aanzienlijke milieueffecten op de bestaande situatie van mens en leefmilieu kan hebben, aan de hand van de in bijlage I van het DABM opgesomde criteria. Indien er voor een X-17.049-14/18 of meer van deze criteria aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn, geldt in beginsel de plan-MER-plicht. 5.1.
  36. Wat de intrinsieke degelijkheid van een plan-MER-screening betreft, is de Raad van State niet bevoegd om zijn beoordeling in de plaats van die van de dienst Mer te stellen. In de uitoefening van het hem opgedragen rechtmatigheidstoezicht is hij wel bevoegd om na te gaan of de dienst Mer op grond van juiste, relevante en toereikende feitelijke gegevens in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is. 5.1.
  37. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist onder meer dat het bestuur bij de voorbereiding van een besluit zorgvuldig te werk gaat en bij de besluitvorming alle daarvoor relevante aspecten betrekt zodat het dat besluit met kennis van zaken kan nemen. 5.1.
  38. Het materiëlemotiveringsbeginsel houdt in dat een besluit van het bestuur moet gedragen worden door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit het besluit zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. 5.1.
  39. Met betrekking tot het onderzoek naar de mobiliteitseffecten van het plan vermeldt de plan-MER-screeningsnota dat per bijkomende woongelegenheid met 2,93 bijkomende gemotoriseerde verkeersbewegingen rekening wordt gehouden. 5.1.
  40. Met de verzoekende partij moet echter vastgesteld worden dat de plan-MER-screeningsnota geen enkele cijfermatige inschatting bevat van het aantal extra woningen dat als gevolg van het gemeentelijk RUP zal kunnen gebouwd worden. Zonder een dergelijke inschatting kon de dienst Mer niet op goede gronden aannemen dat de toename van de ruimte voor wonen en aanverwante functies die uit het plan voortvloeit slechts in een beperkte mate in een verhoging van de mobiliteitsdruk kan resulteren en besluiten dat “[d]e mogelijke ontwikkelingen […] geenszins van die aard zijn dat ze gepaard gaan met een aanzienlijke stijging in verkeersbewegingen”. X-17.049-15/18 Dat de plan-MER-screeningsnota een aantal beschouwingen bevat die erop wijzen dat de door het gemeentelijk RUP mogelijk gemaakte ontwikkeling van bijkomende verkeersgenererende activiteiten wordt getemperd, doet niet anders besluiten. 5.2.
  41. Wat het tweede middelonderdeel betreft, wordt niet betwist dat de plan-MER-screeningsnota in maart 2016 is opgemaakt op basis van een biologische waarderingskaart die het perceel 555/F niet als een biologisch waardevol gebied aanduidt, en dat dit laatste pas blijkt uit de geactualiseerde biologische waarderingskaart die Geopunt Vlaanderen sinds 9 augustus 2016 beschikbaar heeft gesteld. De verwerende partijen ontkennen voorts niet dat de actualisatie van de biologische waarderingskaart, met de aanduiding van het perceel 555/F als biologisch waardevol gebied, de dienst Mer bij het nemen van het tweede bestreden besluit bekend kon zijn. 5.2.
  42. Mede gelet op de doelstelling om met de regelgeving inzake milieueffectrapportage in een hoog milieubeschermingsniveau te voorzien, moet een beslissing over de vereiste tot opmaak van een plan-MER gebaseerd zijn op de meest actuele gegevens waarover de dienst Mer redelijkerwijze kan beschikken, zelfs al gaat het om gegevens die bij de opmaak van de plan-MER- screeningsnota door de initiatiefnemer nog niet beschikbaar waren. Met de verzoekende partij moet dan ook aangenomen worden dat van de dienst Mer als gespecialiseerde instantie verwacht mocht worden dat zij de nieuwe kwalificatie van het perceel 555/F als biologisch waardevol bij haar beoordeling van de plan-MER-screening in aanmerking nam. Dit geldt te dezen nog meer, nu de plan-MER-screeningsnota bepaalt dat “[d]e potenties voor natuurontwikkeling binnen het voorliggend RUP […] maximaal [dienen] benut te worden”. X-17.049-16/18 Dat de dienst Mer met de kwalificatie biologisch waardevol van het perceel 555/F geen rekening heeft gehouden, kan niet worden goedgepraat door het feit dat het agentschap Natuur en Bos zich, net als andere adviserende instanties, met de inhoud van de plan-MER-screeningsnota akkoord heeft verklaard. 5.2.
  43. Mede gezien het belang dat de plan-MER-screeningsnota aan een maximale benutting van de potenties voor natuurontwikkeling binnen het gemeentelijk RUP hecht, kan de verzoekende partij gevolgd worden in haar standpunt dat het niet in rekening brengen van de kwalificatie van het perceel 555/F als biologisch waardevol bij het nemen van de tweede bestreden beslissing, een invloed op het bestreden gemeentelijk RUP kan hebben gehad. 5.2.
  44. Anders dan de verwerende partijen in navolging van de Gecoro (zie randnummer 4.2.2) aannemen, kan de evaluatie van de impact van de kwalificatie van het perceel 555/F als biologisch waardevol niet naar de project- MER-screening doorgeschoven worden. Een dergelijke screening heeft een eigen, specifieker voorwerp dan een plan-MER-screening en kan in beginsel niet aangewend worden om de gebreken van een plan-MER-screening te ondervangen. In dit laatste geval zou voor het perceel 555/F, niettegenstaande zijn biologisch waardevol karakter, reeds de bestemming „Projectgebieden‟ (Projectgebied D, zie randnummer 3.3) van het gemeentelijk RUP gelden. 5.
  45. Hetgeen voorafgaat, doet besluiten dat de tweede bestreden beslissing onwettig is. Deze onwettigheid van de tweede bestreden beslissing vitieert het eerste bestreden besluit, dat erop is gestoeld. 5.
  46. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  47. De Raad van State vernietigt het besluit van de gemeenteraad van de stad Dendermonde van 21 juni 2017 houdende de definitieve vaststelling van het X-17.049-17/18 gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘De Dammen – Donckstraat’, en van de beslissing van de dienst Milieueffectrapportage van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie van 18 augustus 2016 dat de opmaak van een milieueffectrapport voor het voormelde plan niet nodig is.
  48. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het eerste vernietigde besluit.
  49. De verwerende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.049-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.428 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.