id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.431 Rolnummer: A. 219634/X-16669 Zaak: Arrest 246431 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-30 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-24 13:42 Fiche Arrest nr 246.431 van 17 december 2019 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 246.431 van 17 december 2019 in de zaak A. 219.634/X-16.669 In zake : Tom VANDERMARLLIERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de TUSSENGEMEENTELIJKE MAATSCHAPPIJ DER VLAANDEREN VOOR WATERVOORZIENING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 juni 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het hoger beroepscollege van de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening van 2 mei 2016 om de negatieve evaluatie van Tom Vandermarliere over het kalenderjaar 2015 te behouden. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 236.140 van 18 oktober 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. X-16.669-1/9 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en verzoeker hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat John Devers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker, coördinator keurder bij de verwerende partij, krijgt op 19 december 2014 voor de evaluatieperiode januari – december 2014 een negatieve globale evaluatie. 3.
- Een begeleidingstraject van negen maanden wordt gestart. Het evaluatierapport van 18 september 2015 besluit tot een nieuwe negatieve globale beoordeling. X-16.669-2/9 Als gevolg van verzoekers beroep ertegen, beslist de beroepscommissie evaluatie op 29 oktober 2015 om de scores voor ‘collegialiteit’ en ‘kwantiteit’ met één eenheid te verhogen, zodat de globale beoordeling positief is. 3.
- Op 27 januari 2016 krijgt verzoeker over de evaluatieperiode 2015 een negatieve globale beoordeling. Hij tekent er beroep tegen aan bij de verzoeningscommissie evaluatie, onder andere omdat hij meent reeds geëvalueerd te zijn over de betrokken evaluatieperiode. De verzoeningscommissie evaluatie bevestigt op 16 maart 2016 de jaarevaluatie 2015 van 27 januari
- Op beroep van verzoeker besluit het hoger beroepscollege op 2 mei 2016 om verzoekers jaarevaluatie over het kalenderjaar 2015 te behouden. Het verklaart de stelling van de verzoeningscommissie evaluatie te volgen: “° De evaluatie dd. 27 januari 2016 betreft de jaarevaluatie
- Artikel 3 van het Reglement Evaluatie stelt dat de jaarevaluatie een periode van 1 kalenderjaar beslaat. ° De jaarevaluatie 2015 is geen herhaling van de evaluatie van het begeleidingstraject. Het begeleidingstraject beslaat slechts een deel van het jaar. De jaarevaluatie is ruimer en beslaat tevens de periode voor en na het begeleidingstraject. ° Hieruit moet geconcludeerd worden dat de jaarevaluatie over het kalenderjaar 2015 dd. 27 januari 2016 correct is en conform het Reglement Evaluatie.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen Uiteenzetting van de middelen 4.
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 1, 3 en 26 van het toepasselijke evaluatiereglement. Onder meer wordt toegelicht dat de verwerende partij weliswaar beweert “dat de jaarevaluatie geen X-16.669-3/9 kopie kan zijn van de evaluatie van een begeleidingstraject”, maar dat niettemin “de evaluator wel dezelfde gesprekken/doelstellingen gebruikt met betrekking [tot] een zelfde periode om verzoeker voor de jaarevaluatie 2015 een negatieve beoordeling toe te kennen, terwijl verzoeker door de Beroepscomissie Evaluatie een positieve beoordeling werd toegekend die 8 van de 12 maanden van de jaarevaluatie 2015 beslaat”. Naar het oordeel van verzoeker is het niet toegelaten “[e]enzelfde periode op basis van dezelfde gegevens/gesprekken en documenten, de ene keer positief en de andere keer negatief [te] evalueren”. 4.
- In een tweede middel wordt de schending van de materiële- en de formelemotiveringsplicht aangevoerd. Verzoeker betoogt dat de motivering van de bestreden beslissing niet op pertinente, duidelijke en afdoende wijze de redenen doet kennen om hem “over een quasi zelfde periode twee keer te evalueren, de ene keer positief en de andere keer negatief”. Ook kan, volgens hem, artikel 3 waarnaar het hoger beroepscollege verwijst, niet verantwoorden “waarom de evaluatie na begeleidingstraject en de jaarevaluatie naast elkaar bestaan en een zelfde periode beslaan”. 5.
- In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat het tweede middel onontvankelijk is in zoverre erin de formelemotiveringsplicht geschonden wordt genoemd en het eerste middel in zoverre het de schending van andere artikelen beoogt dan de artikelen 1, 3 en 26 van het evaluatiereglement. Ten gronde doet zij gelden, met betrekking tot de artikelen 1 en 3 van het evaluatiereglement, dat de regelgeving klaar en duidelijk is: “een jaarevaluatie is sowieso aan de orde”. Een begeleidingstraject eindigt in voorkomend geval met een negatieve of een positieve globale beoordeling. In het laatste geval “herneemt het betrokken personeelslid zijn plaats in het generiek evaluatiesysteem, zodat zijn evaluatiecyclus terug met een kalenderjaar overeenstemt”. Aannemen dat er na de evaluatie over het begeleidingstraject niet meer geëvalueerd kan worden over hetzelfde kalenderjaar, doet “noodzakelijk” een evaluatievacuüm van minstens drie maanden ontstaan, “hetgeen natuurlijk X-16.669-4/9 onmogelijk is, laat staan dat dit de bedoeling zou zijn van de toepasselijke regelgeving”. Voorts merkt de verwerende partij op dat zij bij de jaarevaluatie 2015 wel degelijk rekening heeft gehouden met de definitief geworden tussentijdse evaluatie van 18 september 2015, zoals op 29 oktober 2015 door de beroepscommissie evaluatie bijgesteld – “met name op de criteria die voor die Beroepscommissie in het debat lagen en tot de gezegde bijstelling hebben geleid”. Zo verkreeg verzoeker op 27 januari 2016 voor het criterium ‘kwantiteit’ een betere score dan op 29 oktober 2015; de score van de beroepscommissie evaluatie voor ‘collegialiteit’ werd dan weer niet gevolgd om reden van “in de motivering opgenomen en specifiek aangegeven oncollegiale feiten” van na de periode van het begeleidingstraject. 5.
- In de laatste memorie benadrukt de verwerende partij “dat bij de jaarevaluatie rekening te houden is met de evaluatie op het einde van het begeleidingstraject” en dat het erom gaat “na te gaan op welke evaluatiecriteria de jaarevaluatie anders is dan de tussentijdse evaluatie op het einde van het begeleidingstraject […] en op welke motieven deze verschillen geënt zijn, verstaan zijnde dat de motieven ook moeten van doen hebben met feitelijkheden die zich situeren na afsluiten van het begeleidingstraject”. Beoordeling
- Artikel 1 van het evaluatiereglement schrijft onder andere voor dat alle personeelsleden jaarlijks geëvalueerd worden en dat de evaluatie, die “resulteert in een evaluatierapport”, “als eindresultaat” “een globale beoordeling met betrekking tot de afgelopen evaluatieperiode” heeft. Voor de bepaling van de globale beoordeling worden de scores, van A tot en met I, “cijfermatig verrekend volgens een 9-puntenschaal”. Artikel 3 geeft aan dat een evaluatieperiode “in principe overeenstemt met een kalenderjaar”. Tevens bepaalt het dat het evaluatiegesprek X-16.669-5/9 toelaat “om op het einde van de lopende evaluatieperiode een eindbeoordeling op te maken met betrekking tot de uitoefening van de functie en het realiseren van de objectieven”; het evaluatiegesprek resulteert in een evaluatierapport. Volgens artikel 26 wordt de beslissing van de beroepscommissie evaluatie definitief indien binnen zestien kalenderdagen na ontvangst geen hoger beroep bij het hoger beroepscollege wordt aangetekend; de beslissing wordt toegevoegd aan het evaluatiedossier.
- Te dezen kreeg verzoeker een negatieve globale beoordeling voor 2014, waarna een begeleidingstraject werd gestart dat, overeenkomstig artikel 12bis van het evaluatiereglement, “eindigt met een tweede evaluatie uiterlijk negen maanden na de eerste evaluatie”. Die tweede evaluatie was volgens het evaluatierapport van 18 september 2015, waarop het evaluatiegesprek van dezelfde datum uitliep, negatief, maar werd op 29 oktober 2015 door de beroepscommissie evaluatie aangepast tot een positieve globale evaluatie. Bij gebrek aan hoger beroep tegen de beslissing van de beroepscommissie evaluatie, is ze, overeenkomstig artikel 26 van het evaluatiereglement, “definitief” geworden.
- Gelet op de artikelen 1, 3 en 26 van het evaluatiereglement, ligt met de beslissing van de beroepscommissie evaluatie het eindresultaat vast wat de globale beoordeling met betrekking tot de afgelopen evaluatieperiode van het begeleidingstraject betreft. Niettemin beslaat ook de daarop volgende globale evaluatie van 27 januari 2016 de evaluatieperiode van het begeleidingstraject en wordt daarin, zoals verzoeker doet gelden, “verwezen naar concrete feiten die reeds geëvalueerd werden in de evaluatie na begeleidingstraject en die na Hoger Beroep resulteerden in een positieve evaluatie voor verzoeker”. X-16.669-6/9
- Volgens de bestreden beslissing volgt uit artikel 3 van het evaluatiereglement dat “de jaarevaluatie een periode van 1 kalenderjaar beslaat”. Niet dít leest de Raad van State in het artikel 3, maar dat een evaluatieperiode “in principe” overeenstemt met een kalenderjaar.
- Anders ook dan de verwerende partij, ziet de Raad van State niet in waarom er “noodzakelijk een evaluatievacuüm” van drie maanden zou ontstaan als verzoeker na de evaluatie over het begeleidingstraject niet meer over het hele betrokken kalenderjaar geëvalueerd mag worden. Blijkens artikel 4, § 3, van het evaluatiereglement wordt hoe dan ook voor elk personeelslid een evaluatiegesprek georganiseerd tussen 15 december en 31 januari en kan het gesprek tot een evaluatierapport en een globale beoordeling leiden indien er ten minste in totaal zestig dagen effectief gepresteerd werden. Welnu, na 18 september 2015 restten in 2015 nog meer dan drie maanden en het wordt niet beweerd dat verzoeker daarin geen zestig dagen heeft gewerkt.
- In de zienswijze van de verwerende partij is de evaluatie van de periode van het begeleidingstraject slechts een zogenaamde “tussentijdse” evaluatie. Uit de gunstige beëindiging van het begeleidingstraject volgt dat verzoeker volgens haar “zijn plaats in het generiek evaluatiesysteem [herneemt], zodat zijn evaluatiecyclus terug met een kalenderjaar overeenstemt” en zodat het bestuur opnieuw de periode van het begeleidingstraject mag beoordelen in het kader van een globale beoordeling van het kalenderjaar
- Dat het resultaat van de globale beoordeling van het kalenderjaar 2015 anders is dan dat van de globale beoordeling van de periode van het begeleidingstraject heet geen bezwaar te zijn als daarvoor motieven bestaan die “ook” verband houden met feitelijkheden van na de periode van het begeleidingstraject. X-16.669-7/9 Deze zienswijze gaat in tegen de bepalingen van het evaluatiereglement die in de middelen worden aangevoerd. De bepalingen doen ervan blijken dat de (finaal) positieve globale beoordeling van 29 oktober 2015, het definitieve eindresultaat van de evaluatie van de afgelopen periode van het begeleidingstraject is. Het is een volwaardige evaluatie die, indien ze negatief zou zijn geweest, “een tweede opeenvolgende globale negatieve beoordeling” zou hebben uitgemaakt, die de toepassing verantwoordt van artikel 12bis, § 7, van het evaluatiereglement, volgens welk “[h]et statutaire personeelslid wordt ontslagen na twee opeenvolgende globale negatieve beoordelingen”. Het komt aan het karakter van definitief eindresultaat van de betrokken globale beoordeling van het begeleidingstraject tekort om verzoekers presteren tijdens die periode nog eens opnieuw te evalueren, weze het in het kader van de evaluatie van een ruimere periode en al worden “ook” bijkomende feitelijkheden in ogenschouw genomen.
- De middelen zijn in de besproken mate ontvankelijk en gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van het hoger beroepscollege van de Tussengemeentelijke Maatchappij der Vlaanderen voor Watervoorziening van 2 mei 2016 om de negatieve evaluatie van Tom Vandermarliere over het kalenderjaar 2015 te behouden.
- De Raad van State verwijst de verwerende partij in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op het rolrecht van 400 euro en een aan verzoeker verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. X-16.669-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.669-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.431 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.140 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.