id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.432 Rolnummer: A. 215777/X-16224 Zaak: Arrest 246432 - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen - 17/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-30 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-21 21:04 Fiche Arrest nr 246.432 van 17 december 2019 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 246.432 van 17 december 2019 in de zaak A. 215.777/X-16.224 In zake : Koenraad VERMEERSCH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 7 mei 2015, strekt tot de nietigverklaring van het “[b]esluit van de provinciegriffier van de provincie West-Vlaanderen houdende bevestiging van evaluatie en ongunstig evaluatieresultaat dd. 09.03.2015”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. X-16.224-1/6 Verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 1 oktober 2012 start bij de provincie West-Vlaanderen de evaluatiecycus 2012-2014, die loopt tot en met 30 september
- Met verzoeker, geschoold arbeider, tewerkgesteld bij de dienst Cultuur - Bulskampveld, wordt op 12 juni 2013 een planningsgesprek gehouden, op 28 april 2014 een functioneringsgesprek en op 24 november 2014 een evaluatiegesprek. De conclusie van de evaluatie van 18 december 2014 luidt “ongunstig”. X-16.224-2/6 Verzoeker stelt tegen de ongunstige evaluatie beroep in bij de raad van beroep. De raad van beroep verklaart het beroep in zijn advies van 12 februari 2015 “ontvankelijk en gegrond”. Finaal beslist de provinciegriffier op 9 maart 2015: “Het resultaat ‘ongunstig’ voor de heer Koenraad Vermeersch, geschoold arbeider in vast verband bij de Dienst Cultuur – Bulskampveld, op criterium 1 ‘efficiënte en effectieve taakvervulling’ en criterium 4 ‘interpersoonlijke relaties op het werk’ wordt bevestigd. Het resultaat is ongunstig wanneer duidelijk onvoldoende wordt gepresteerd op minstens twee criteria. Het ongunstig evaluatieresultaat wordt dan ook bevestigd.” Dit is de bestreden beslissing IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het verzoekschrift in een eerste middel de schending aan “van artikel 86 van de Rechtspositieregeling Provinciebestuur West-Vlaanderen (afgekort RPR) en de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en meer in het bijzonder schending van het zorgvuldigheidsbeginsel”. Toegelicht wordt dat hij pas na afloop van de evaluatieperiode kennis heeft kunnen nemen van het verslag van het functioneringsgesprek. Hierdoor schiet het verslag volledig aan zijn doel voorbij aangezien verzoeker niet meer in de mogelijkheid was om zo nodig te remediëren. Bovendien vereist artikel 86 RPR dat het verslag van het functioneringsgesprek binnen een redelijke termijn wordt voorgelegd aan het personeelslid. Tussen de bespreking en de kennisname van het verslag liggen bijna zes maanden. Bovendien, argumenteert verzoeker nog, is hij “niet geconfronteerd met nota’s en/of ingebrekestellingen naar aanleiding van de uitvoering van zijn werkzaamheden”. X-16.224-3/6 Beoordeling
- In het auditoraatsverslag wordt het middel ongegrond bevonden, in essentie om de volgende reden: “Het functioneringsgesprek met verzoeker is gehouden op 28 april 2014 en het verslag hiervan is door verzoeker voor akkoord en ontvangst getekend op 13 oktober
- De verwerende partij is van oordeel dat het verslag van het functioneringsgesprek binnen een redelijke termijn aan verzoeker werd bezorgd en dat de ondertekening door hem op een veel later tijdstip als redelijk kan beschouwd worden gelet op zijn afwezigheid wegens arbeidsongeval en ziekte. Uit het administratief dossier blijkt dat het verslag per email van 9 juli 2014 door de eerste evaluator aan verzoeker is gestuurd. Verzoeker betwist niet dat hij afwezig was wegens een arbeidsongeval van 3 juni tot 18 augustus 2014, waarop hij 1 dag aanwezig was om daarna tot 10 oktober 2014 afwezig te blijven wegens ziekte. Gelet op de afwezigheden van verzoeker kan samen met de verwerende partij worden aangenomen dat de ondertekening door verzoeker op een veel later tijdstip als redelijk kan worden aanzien. Overigens kan worden vastgesteld dat verzoeker reeds vóór 13 oktober 2014 kennis had van het verslag van het functioneringsgesprek. Uit de stukken die verzoeker heeft overgemaakt aan de Raad van Beroep op 16 februari 2016 blijkt dat het verslag van het functioneringsgesprek is doorgestuurd per email op 9 juli 2014 en door verzoeker op 18 augustus 2014, tijdens zijn aanwezigheid van één dag, is gelezen en afgedrukt. Bovendien heeft verzoeker op de dag van zijn ondertekening op 13 oktober 2014 zijn opmerkingen bestaande uit een bijlage van 7 bladzijden, toegevoegd. Indien hij niet op de hoogte was van de inhoud van dit verslag, zou hij niet in de mogelijkheid zijn geweest zijn opmerkingen reeds op de dag van ondertekening toe te voegen. In zoverre verzoeker aanvoert dat het weinig ernstig is en onzorgvuldig is om het verslag van het functioneringsgesprek voor te leggen na de evaluatieperiode, kan verwezen worden naar voorgaande bespreking. De verwerende partij is geenszins onzorgvuldig door het verslag pas voor ontvangst en akkoord voor te leggen op 13 oktober 2014 aangezien verzoeker afwezig was wegens een arbeidsongeval en ziekte. Gelet op zijn lange afwezigheid, kan het de verwerende partij bovendien niet worden verweten om geen nota’s en/of ingebrekestellingen naar aanleiding van het functioneren van verzoeker te versturen. De rechtspositieregeling legt, behoudens het houden van een plannings-, functionerings-, en [evaluatie]gesprek, hiertoe geen verplichting op.”
- Verzoeker brengt daar in de laatste memorie niets tegen in. Hij verklaart alleen in het middel te volharden. X-16.224-4/6
- De Raad van State valt de zienswijze in het auditoraatsverslag bij. Daargelaten de ontvankelijkheid van het middel, die de verwerende partij betwist, is er hoe dan ook reden het te verwerpen als ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Een tweede middel in het verzoekschrift is afgeleid uit de “[s]chending van artikel 85 [RPR] en de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en meer in het bijzonder van het zorgvuldigheidsbeginsel”. Verzoeker betoogt dat het planningsgesprek acht en een halve maand na de aanvang van de evaluatieperiode plaatshad. Bijna de helft van de evaluatieperiode was reeds verstreken toen verzoeker kennis kreeg van het verslag van het planningsgesprek. Dat is volgens verzoeker weinig ernstig. Beoordeling
- In het auditoraatsverslag wordt het middel ongegrond bevonden, in essentie om de volgende reden: “Het planningsgesprek tussen verzoeker en zijn eerste evaluator heeft plaatsgevonden op 12 juni 2013 en het verslag hiervan is door verzoeker voor akkoord en ontvangst getekend op 17 juni
- Verzoeker heeft geen opmerkingen gemaakt. De eerste evaluator heeft op deze wijze de instructies van de provinciegriffier opgevolgd. Er kan overigens niet worden aangenomen dat verzoeker voor dit planningsgesprek niet op de hoogte was van de verwachtingen die ten aanzien van hem werden gesteld. Zo heeft hij bij zijn indiensttreding een functiebeschrijving ontvangen en werd hij reeds geëvalueerd voor de evaluatiecyclus van 2010-2012 en werden op het einde van deze evaluatiecyclus 3 aandachtspunten geformuleerd, namelijk inventaris en registratie van collectiestukken, registratie van de hoofdcollectie en gebruik en invulling van de diverse museumlocaties. De eventuele laattijdige betekening van het planningsverslag heeft hem bijgevolg niet in zijn belangen geschaad.” X-16.224-5/6
- Verzoeker brengt daar in de laatste memorie niets tegen in. Hij verklaart alleen in het middel te volharden.
- De Raad van State valt de zienswijze in het auditoraatsverslag bij. Daargelaten de ontvankelijkheid van het middel, die de verwerende partij betwist, is er hoe dan ook reden het te verwerpen als ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De Raad van State verwijst verzoeker in de kosten van het beroep, begroot op het rolrecht van 200 euro en een aan de verwerende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.224-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.432 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div