← België

Arrest 246433 - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen - 17/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.433 Rolnummer: A. 218466/X-16530 Zaak: Arrest 246433 - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen - 17/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-30 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-24 13:43 Fiche Arrest nr 246.433 van 17 december 2019 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt (provinciën, gemeenten, enz.) - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 246.433 van 17 december 2019 in de zaak A. 218.466/X-16.530 In zake : Koenraad VERMEERSCH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 18 februari 2016, strekt tot de nietigverklaring van het “[b]esluit van de Bestendige Deputatie van de provincie West-Vlaanderen dd. 21.12.2015 waarbij verzoeker met ingang van 31.12.2015 ontslagen wordt wegens beoepsongeschiktheid”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. X-16.530-1/8 Verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober
  3. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Op 9 maart 2015 bevestigt de provinciegriffier van West-Vlaanderen de ongunstige evaluatie van verzoeker, geschoold arbeider, tewerkgesteld bij de dienst Cultuur - Bulskampveld, voor de periode 2012-
  6. De provinciegriffier voorziet, in het kader van een bijkomende evaluatie, in “passende maatregelen [met] de intentie om verbetering te brengen in de wijze waarop het betrokken personeelslid functioneert”. Er heeft met verzoeker een planningsgesprek plaats op 30 maart 2015, een eerste functioneringsgesprek op 8 juli 2015, een tweede functioneringsgesprek op 14 oktober 2015, en een evaluatiegesprek op 10 november
  7. X-16.530-2/8 De conclusie van het evaluatieverslag is ongunstig. Op 2 december 2015 formuleert de provinciegriffier een gemotiveerd voorstel aan de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen om verzoeker te ontslaan wegens beroepsongeschiktheid op basis van het ongunstig evaluatieresultaat beschreven in het evaluatieverslag van de bijkomende evaluatie. Na verzoeker op 17 december 2015 te hebben gehoord, besluit de deputatie op 21 december 2015 hem met ingang van 31 december 2015 te ontslaan wegens beroepsongeschiktheid. Dit is de bestreden beslissing IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  8. Een eerste middel in het verzoekschrift is afgeleid uit “[s]chending van artikel 105 van de Rechtspositieregeling Provinciebestuur West-Vlaanderen (afgekort RPR), artikel 110 van het Provinciedecreet en de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en meer in het bijzonder van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en schending van het algemeen rechtsbeginsel van de deugdelijke materiële motivering”. Verzoeker licht toe dat nergens uit het dossier blijkt welke maatregelen de verwerende partij genomen heeft om zijn functioneren te verbeteren. Er werden volgens hem geen maatregelen genomen, noch remediëringsgesprekken gehouden. Het stond, volgens verzoeker “met andere woorden reeds in de sterren geschreven dat [hij] bij voorbaat negatief zou beoordeeld worden in het kader van de bijkomende evaluatie.” X-16.530-3/8 Na het eerste functioneringsgesprek was er “geen vuiltje aan de lucht”. Het is verzoeker “dan ook een groot raadsel” waarom na het tweede functioneringsgesprek van amper drie maanden later “plots alles negatief wordt voorgesteld’, ofschoon verzoeker zijn taak nauwgezet is blijven uitoefenen. Op geen enkele wijze refereert de bestreden beslissing aan de positieve evaluatie en de nauwgezette, correcte houding van verzoeker. Voorts zijn de opmerkingen die in het verslag van het tweede functioneringsgesprek gemaakt worden, niet in tijd en ruimte situeerbaar. Het gaat om nietszeggende commentaren die niet in concreto worden aangetoond en op geen enkel moment worden afgewogen tegen de positieve vaststellingen na het eerste functioneringsgesprek. Ten slotte is verzoeker van mening dat de negatieve kritiek in het tweede functioneringsgesprek uitsluitend te wijten is aan een ontwrichte werkrelatie met de eerste evaluator, M. A. Verzoeker was zelfs verplicht om over te gaan tot het indienen van een formeel verzoek tot psychosociale interventie. De plotse negatieve commentaar van M. A. “is een duidelijke represaille ten aanzien van verzoeker”. Het dossier dat verzoeker naar aanleiding van zijn beoordeling samenstelde en waardoor de aantijgingen en negatieve kritiek worden ontkracht, is door de deputatie niet of minstens onvoldoende in ogenschouw genomen. Beoordeling
  9. In het auditoraatsverslag wordt voorgesteld het middel ongegrond te bevinden om de volgende reden: “Vooreerst dient te worden vastgesteld dat er wel degelijk passende maatregelen zijn genomen. Overeenkomstig voornoemde bepalingen [ artikel 105 RPR en artikel 110 van het provinciedecreet] heeft de provinciegriffier op 27 maart 2015 een aantal passende maatregelen genomen ter verbetering van het functioneren van verzoeker. Deze maatregelen zijn ter kennis gebracht van de twee evaluatoren. Verzoeker betwist niet dat hij van deze maatregelen op de hoogte werd gebracht. Deze passende maatregelen houden onder meer het volgende in: -minstens twee formele functioneringsgesprekken voorzien in de bijkomende evaluatieperiode. X-16.530-4/8 -De evaluatoren streven ernaar om, behoudens verhindering en minstens in de periode tot aan het eerste functioneringsgesprek, zich om de twee weken te begeven naar de arbeidspost van Dhr. Koenraad Vermeersch voor het maken van concrete werkafspraken voor de komende periode en opvolging van de werkzaamheden van de voorbije periode. Nadien dient ook een opvolging ter plaatse te gebeuren, maar overeen te komen volgens modaliteiten. -de evaluatoren stellen aan Dhr. Koenraad Vermeersch de nodige informatie (afkomstig van het Museum voor Oude Technieken) ter beschikking waarin wordt beschreven hoe de werkzaamheden moeten uitgevoerd worden. Uit het administratief dossier blijkt dat er twee formele functioneringsgesprekken hebben plaatsgevonden, op 8 juli 2015 en op 14 oktober
  10. Volgens verzoeker hebben de evaluatoren zich vóór het eerste functioneringsgesprek slechts 3 maal naar zijn arbeidspost begeven. Uit de voorgestelde maatregelen blijkt evenwel niet dat aan de evaluatoren de verplichting wordt opgelegd zich iedere veertien dagen naar de arbeidspost te begeven. Verzoeker maakt bijgevolg niet aannemelijk dat er geen ernstige opvolging is geweest. De omstandigheid dat na het eerste functioneringsgesprek de evaluatie een positieve richting uitging, belet niet dat de verdere evaluatieperiode als negatief wordt beoordeeld ingeval verzoekers functioneren niet verbetert. In de uiteindelijke ongunstige evaluatie dient hiervan dan ook geen melding te worden gemaakt. In ieder geval toont dit aan dat verzoeker er ten onrechte van uit gaat dat het reeds bij voorbaat vaststond dat hij ongunstig zou worden geëvalueerd. Bovendien kan verzoeker niet worden gevolgd waar hij stelt dat het tweede functioneringsgesprek zou bestaan uit ‘nietszeggende opmerkingen’. Zo wordt hem verweten zich niet op constructieve wijze van zijn hoofdopdracht te kwijten, zich niet te houden aan de strikte opgelegde planning, onrust te stoken, het systeem tot het uiterste te drijven, deadlines niet te respecteren en niet te komen opdagen voor een functioneringsgesprek. Verzoeker brengt hier tegen in dat hij niet alle [werk]planningen heeft ontvangen. Het feit dat hij voor een aantal weken geen werkplanning zou hebben ontvangen, betekent niet dat verzoeker niet wist wat er van hem werd verwacht aangezien een planningsgesprek met zijn evaluatoren was gehouden en hij het verslag hiervan had ontvangen. Ook beweert verzoeker dat het niet correct is dat hij zich niet naar het functioneringsgesprek heeft begeven, hij laat evenwel na uiteen te zetten uit welke elementen zulks kan worden opgemaakt. Met de verwijzing naar een email van een collega waarin aan de evaluatoren gevraagd wordt zich redelijk te gedragen en verzoeker in te schakelen, toont verzoeker niet aan dat hem de nodige informatie niet ter beschikking werd gesteld. Volgens verzoeker is de negatieve kritiek in het tweede functioneringsgesprek uitsluitend te wijten aan een ontwrichte relatie met zijn eerste evaluator. Verzoeker heeft deze argumentatie ook voorgelegd aan de deputatie. In de bestreden beslissing wordt ten aanzien van dit X-16.530-5/8 verweer geantwoord dat ‘uit het volledig dossier blijkt dat niet (kan) aangetoond worden dat de evaluatie het gevolg zou zijn van een onfaire beoordeling van het functioneren van betrokkene, noch van vooringenomenheid.’ De [ver]houding met zijn eerste evaluator werd dus wel degelijk ‘onder de loep’ genomen. Verzoeker betoogt dat de negatieve commentaren na het tweede functioneringsgesprek het gevolg zijn van het formeel verzoek tot psychosociale interventie, volgens hem ingediend op 8 oktober
  11. Uit het administratief dossier blijkt niet dat verzoeker op 8 oktober 2015 een dergelijk verzoek heeft ingediend. De email die hij op 8 oktober 2015 verstuurde naar de vertrouwenspersoon, betrof een vraag tot informatie over het indienen van een formele klacht en geen vraag voor een gesprek met de vertrouwenspersoon. Verzoeker maakt bijgevolg niet aannemelijk dat de evaluatoren op de datum van het tweede functioneringsgesprek op de hoogte waren dat verzoeker een formeel verzoek tot psychosociale interventie tegen de eerste evaluator had ingediend. De preventieadviseur stelde in zijn advies van 23 februari 2016 dat het incorrect is de gedragingen van de aangeklaagde als pesterijen te beschouwen en achtte het aangewezen dat [de] eerste evaluator onder meer een passende opleiding in communicatievaardigheden zou volgen. Het voorgaande betekent niet dat de ontwrichte relatie van verzoeker met zijn eerste evaluator aan de basis lag van zijn negatieve evaluatie. Het komt de Raad van State niet toe in de plaats van het bestuur na te gaan of verzoekers functioneren manifest nog steeds niet voldoet. Verzoeker slaagt er in ieder geval niet in aan te tonen dat de deputatie op kennelijk onredelijke wijze tot het besluit is gekomen dat verzoeker manifest niet voldoet aan de hem opgelegde verwachtingen. In zoverre verzoeker de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert, laat hij na aan te geven met welke stukken of argumentatie de deputatie geen rekening heeft gehouden.”
  12. Verzoeker brengt daar in de laatste memorie niets tegen in. Hij verklaart alleen in het middel te volharden.
  13. De Raad van State valt de zienswijze in het auditoraatsverslag bij. Het eerste middel is ongegrond. X-16.530-6/8 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  14. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan “van beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en meer in het bijzonder van het zorgvuldigheidsbeginsel”. Betoogd wordt: “In de bestreden beslissing blijkt dat er vijf leden aanwezig waren, die stemgerechtigd zijn. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat er een geheime stemming werd gehouden en dat het resultaat 4 ja-stemmen betrof en 0 neen-stemmen en 0 onthouding-stemmen. Dit is een dusdanige onzorgvuldigheid die vragen doet rijzen of er op een ernstige wijze werd gestemd en geoordeeld omtrent het dictum van de bestreden beslissing.” Beoordeling
  15. In het auditoraatsverslag wordt voorgesteld het middel als ongegrond te verwerpen om de volgende reden: “Er dient te worden vastgesteld dat op de zitting van de deputatie van 21 december 2015 vijf leden, waaronder de provinciegouverneur, en de wnd.provinciegriffier aanwezig waren. Overeenkomstig artikel 52 van het provinciedecreet is de provinciegouverneur niet stemgerechtigd. De provinciegriffier maakt geen deel uit van de deputatie. Door in de bestreden beslissing te stellen dat het resultaat van de geheime stemming 4 ja-stemmen, 0 neen-stemmen en 0 onthoudingen is, begaat de verwerende partij geen onzorgvuldigheid.”
  16. Verzoeker brengt daar in de laatste memorie niets tegen in. Hij verklaart alleen in het middel te volharden.
  17. De Raad van State valt de zienswijze in het auditoraatsverslag bij. Het tweede middel is ongegrond. X-16.530-7/8 BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het beroep.
  19. De Raad van State verwijst verzoeker in de kosten van het beroep, begroot op het rolrecht van 200 euro en een aan de verwerende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.530-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.433 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.