id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.435 Rolnummer: A. 225742/XIV-37782 Zaak: Arrest 246435 - Wapens - 18/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-20 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-24 13:43 Fiche Arrest nr 246.435 van 18 december 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 246.435 van 18 december 2019 in de zaak A. 225.742/XIV-37.782 In zake : Libert VANALKEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Panis kantoor houdend te 3600 Genk Weg naar As 21/23 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 juli 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 18 juni 2018 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 14 januari
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. XIV-37.782-1/20 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dieter Vanelverdinghe, die loco advocaat Patrick Panis verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker beschikt als jager over een aantal vergunde vuurwapens. 3.
- Op 14 januari 2016 beslist de gouverneur van de provincie Limburg verzoekers recht tot het voorhanden houden van de in zijn beslissing opgesomde vuurwapens in te trekken. 3.
- Verzoekers beroep tegen die beslissing wordt op 17 februari 2017 door de gemachtigde van de minister van Justitie verworpen. Tegen die beslissing dient verzoeker een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. XIV-37.782-2/20 De bestreden beslissing wordt ingetrokken, waarop het voormelde beroep tot nietigverklaring wordt verworpen bij arrest nr. 240.999 van 13 maart
- 3.
- Op 18 juni 2018 neemt de gemachtigde van de minister van Justitie een nieuwe beslissing over verzoekers beroep tegen de voornoemde beslissing van de gouverneur van 14 januari
- Het beroep wordt verworpen op de volgende gronden: “[…] CONCLUSIE Op basis van de stukken aanwezig in het administratieve dossier kan worden besloten dat het voorhanden hebben van vuurwapens in uw hoofde een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden. Concreet kan worden verwezen naar het feit dat u reeds meermaals in aanraking bent geweest met politie en/of justitie, voornamelijk dan in het kader van het motortreffen waarbij u gebruik maakte van fysiek geweld. U aanvaardde hiervoor strafbemiddeling en betaalde schadevergoeding hoewel u nog steeds beweert dat de feiten niet hebben plaatsgevonden (slag aan politieagent). Bovendien gebeurden deze feiten op het ogenblik dat er een aanrijding had plaatsgehad waarbij u alcohol had genuttigd. De vaststellingen door de politie van dit gebeuren en de getuigenverklaringen in het dossier bevestigen duidelijk de feiten van weerspannigheid, wederzijdse opzettelijke slagen en verwondingen. Daarnaast is het feit vervat in PV TG.36.L6.012137/2015 dd. 04/08/2015: illegaal bezit van een verboden blank wapen of niet-vuurwapen - bezit busje CS spray 40ml. U ontkent hier opnieuw en bezorgde bij het eerdere een verklaring van uw ex-vriendin waaruit zou moeten blijken dat deze haar toebehoorde maar waarvoor u eveneens een minnelijke schikking aanvaardde. De spray werd immers in uw woning aangetroffen. In 2012 werd u veroordeeld voor inbreuken op de wapenwetgeving, meer bepaald illegaal wapenbezit. Bovendien blijkt dat u het niet al te nauw neemt wanneer het gaat om de naleving van de wapenwetgeving. Van een wapenbezitter mag worden verwacht dat hij ALLE regels inzake wapenbezit met de nodige nauwgezetheid en het nodige respect naleeft, in het bijzonder de naleving van de veiligheidsmaatregelen. De wapenwetgeving is immers in de eerste plaats gericht op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Het niet strikt naleven van deze regelgeving kan dan ook desastreuze gevolgen hebben en zeer zeker een gevaar inhouden voor de openbare orde en veiligheid. De door u gepleegde inbreuk betreffen feiten die geviseerd worden in artikel 5, § 4, 2° van de wapenwet. Rekening houdend met de bedoeling van de wetgever om geen vergunningen af te leveren aan personen die correctioneel werden veroordeeld wegens voornoemde inbreuken, kan worden aangenomen dat wanneer het onomstotelijk vaststaat dat iemand dergelijke inbreuken heeft gepleegd, ook voldoende reden kan zijn om de vergunning en/of het recht om vuurwapens voorhanden te houden te weigeren of in XIV-37.782-3/20 te trekken. De minister van Justitie is immers van oordeel dat inbreuken op de jacht- en/of wapenwetgeving misdrijven betreffen die in de wapenwetgeving zijn opgenomen omdat het - in combinatie met wapenbezit - een vermoeden creëert van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Dergelijke feiten maken dat het noodzakelijk vertrouwen dat moet gesteld kunnen worden in hoofde van een wapenbezitter wordt ondermijnd. Het louter feit dat u voor deze inbreuk de gunst van de opschorting van de uitspraak heeft verkregen, betekent nog niet dat de feiten als dusdanig niet weerhouden kunnen worden om aan te tonen dat uw gedrag een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden. Ook de Raad van State in zijn arrest nr. 193 442 d.d. 19 mei 2009 uitdrukkelijk bepaald dat een bestuur bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, ook rekening gehouden mag worden met feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. De tenlastelegging werd door de strafrechter als bewezen beschouwd en is dan ook niet betwistbaar. Deze feiten in samenhang met de overige feiten doen dan ook besluiten dat een preventieve maatregel ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid zich opdringt.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het verzoekschrift onder het kopje “bespreking van de aangevoerde middelen” de schending aan van het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel. Hij wenst, inleidend, vooreerst aan te stippen dat er lastens hem “minstens sedert 20 mei 2016” geen nieuwe feiten werden genoteerd en dat trouwens de laatste feitelijkheden (PV. TG.45.L6.012132) dateren van 4 augustus 2015 “met dien verstande dat [hij] hiervoor niet eens werd vervolgd daar de strafklacht door [het] parket van de Procureur des Konings zonder gevolg werd gerangschikt”, terwijl het volgens hem precies die strafklacht was die de aanleiding was om zijn wapenvergunning in te trekken. XIV-37.782-4/20 Vervolgens overloopt verzoeker de navolgende feiten waarop volgens hem de beslissing steunt, waarbij hij formeel gezien, kritiek uit op die welke zijn opgenomen in het advies van inspecteur B. In de eerste plaats gaat verzoeker in op het feit van “illegaal wapenbezit (vonnis correctionele rechtbank Tongeren van 3 mei 2012)”. Hij erkent dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar een “veroordeling” wegens illegaal wapenbezit waarbij wordt verwezen naar een strafklacht die resulteerde in een vonnis van de correctionele rechtbank van Tongeren van 3 mei
- Verzoeker merkt echter op dat hij voor deze feiten het voordeel bekwam van de opschorting van de uitspraak van veroordeling voor een termijn van drie jaar. Hij stelt dat hij weliswaar plichtig werd geacht aan de hem ten laste gelegde feiten, maar dat de strafrechter het in de gegeven omstandigheden inopportuun achtte om verzoeker hiervoor met een correctionele veroordeling te bezwaren. Volgens verzoeker had de correctionele rechter gegronde redenen om hem het voordeel van de opschorting van veroordeling te verlenen, waarna hij de feiten die het voorwerp van het strafvonnis waren toelicht “vermits anders misschien de indruk zou kunnen worden gewekt dat verzoeker de wapenwet aan zijn laars zou lappen”. Hij erkent dat de verwerende partij inderdaad niet aan de voormelde veroordeling voorbij kan gaan, maar betoogt dat in de gegeven omstandigheden - gelet op het verleende voordeel van de opschorting van de uitspraak van veroordeling - de verwerende partij wel diende af te wegen of zij in haar besluitvorming voldoende rekening hield met het gegeven dat het precies in de bedoeling lag van de rechter om verzoeker niet “op te zadelen met de gevolgen van een eventuele veroordeling.” Hiervan vindt verzoeker niets terug in de bestreden beslissing. Een veroordeling in de zin van artikel 5, § 4, 1° tot 4° lid van de wapenwet is immers niet absoluut. De verwerende partij kan weliswaar rekening houden met antecedenten maar dan moet zij minstens aan de hand van relevante feiten aantonen dat er een gevaar is voor de openbare orde. Te dezen wordt dit bewijs niet geleverd. De minister stelt in zijn besluitvorming voorts dat een inbreuk op artikel 5 § 4, eerste tot vierde lid van de wapenwet als dusdanig „ernstig‟ moet worden beschouwd dat de wetgever het nodig achtte om geen wapenbezit meer toe te kennen aan personen die tot dit XIV-37.782-5/20 misdrijf veroordeeld werden. De feiten betreffen een „vergetelheid‟ die volgens verzoeker bezwaarlijk als een „ernstige‟ inbreuk op de wapenwet kan worden omschreven. Verder stelt zich de vraag waarom verzoeker na de uitspraak van de correctionele rechter van 3 mei 2012 nog drie opeenvolgende jaren een wapenvergunning, dito jachtverlof werd toegekend. Hieruit kan volgens verzoeker worden afgeleid “dat een inbreuk op voormeld artikel van de wapenwet niet als absoluut dient te worden beschouwd en dat de strafrechter wel degelijk met kennis van zaken verzoeker het voordeel van de opschorting van de uitspraak van veroordeling verleende.” De verwerende partij kan weliswaar rekening houden met antecedenten maar dan moet zij minstens aan de hand van feiten aantonen dat er een gevaar is voor de openbare orde. Volgens verzoeker komt “de toeziende overheid die haar beslissing baseert op een loutere veroordeling zonder de gevolgen hiervan te toetsen aan de thans voorliggende feiten” tekort aan het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel. Verzoeker besluit dat de strafbare feiten “uiteraard” in se niet worden betwist maar dat deze veroordeling op zich nog niet impliceert dat het gedrag van verzoeker de openbare orde en veiligheid in gedrang zou brengen. Verzoeker had immers door een vergetelheid nagelaten zijn schietproeven af te leggen waardoor hij het recht om zijn handvuurwapens te bezitten verloor. Om hieruit af te leiden dat verzoeker een gevaar voor de openbare orde en veiligheid zou betekenen is volgens verzoeker dan ook “een brug te ver”, zodat de bestreden beslissing dan ook niet op deze “veroordeling” kan worden gesteund. Inzake de feiten gepleegd te Zutendaal op 4 augustus 2015 (PV nr. TG.L6.012134/2015) doet verzoeker gelden dat ”een grondig onderzoek […] evenwel aan het licht [bracht] dat de ten lasten gelegde feiten niet konden worden weerhouden, minstens als niet bewezen werden verklaard”, waarop hij omstandig het gebeuren verduidelijkt en detailleert. Hij besluit dat met het PV nr. TG.45.L6.012132/2015 bij de beoordeling van de bestreden beslissing geen rekening mag worden gehouden. XIV-37.782-6/20 Inzake de feiten gebeurd op een motortreffen te Leopoldsburg op 27 juli 2013 zet verzoeker het volgende uiteen: “[…] FEITEN GEBEURD OP EEN MOTORTREFFEN TE LEOPOLDSBURG dd. 27.07.2013 In de mail van inspecteur [B.] dd. 23 januari 2018 werd er eveneens gealludeerd naar een vluchtmisdrijf met dronkenschap te Leopoldsburg. Toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen aan tegenpartij tijdens afhandeling van het ongeval. Weerspannigheid en toebrengen van slagen en verwondingen aan collega‟s van de Politie Zone Kempenland tijdens de vaststellingen. Bestuurlijke aanhouding voor openbare dronkenschap. De vraag is evenwel of deze zware betichtingen de lading wel dekten. Het antwoord hierop is inderdaad méér dan genuanceerd. Alleszins zijn de door inspecteur [B.] omschreven feitelijkheden niet in overeenstemming met het strafdossier (HA.43.L4.005686/13) [B.] gaf immers volgende relaas : […] Welnu, verzoeker heeft nooit vluchtmisdrijf gepleegd laat staan dat verzoeker een politie-inspecteur in het aangezicht zou hebben gestampt. Verzoeker werd noch voor het een noch voor het andere feit veroordeeld! Verzoeker kan zich dan ook niet van de indruk ontdoen dat inspecteur [B.] erg vooringenomen is en zich niet helemaal houdt aan de inhoud van het repressief dossier. Ook hier lijkt enige toelichting niet misplaatst. De openbare dronkenschap kan uiteraard niet worden betwist. Het ging trouwens om eenmalige gebeurtenis... Verzoeker drinkt immers zelden of nooit alcohol. Verzoeker werd voor deze feiten veroordeeld bij vonnis gewezen door de Politierechtbank van Beringen dd. 13 maart
- Ook hier lijkt het nuttig de precieze omstandigheden even toe te lichten. Jaarlijks wordt er in Leopoldsburg een Harley-treffen georganiseerd. Heel de stad is dan in de ban van de meeting en ook de horeca doet dan gouden zaken. Ook verzoeker tekende met zijn Harley present. De motorrijders - zo een duizendtal - draaien dan rondjes op een afgebakend parcours in het centrum van Leopoldsburg. Op zeker ogenblik vertrok verzoeker uit een parkeerhaven en kwam ongelukkig in aanrijding met een passerende motard. Alhoewel de blikschade zeer gering was en verzoeker bereid was om de veroorzaakte schade in der minne te regelen greep de collega-motard naar zijn gsm en op een mum van tijd werd verzoeker omringd door een aantal politieagenten. Verzoeker begreep van heel die heisa dan ook niets en vond de machtsontplooiing een maat voor niets. Meer dan wat trek- en duwwerk kwam er niet aan te pas laat staan dat verzoeker in het aangezicht van een politieagent zou hebben gestampt. Het een en ander blijkt overigens niet uit het strafdossier. Slechts post factum werd het voor verzoeker duidelijk dat hij een aanrijding met een agent in burger had veroorzaakt... Dat verzoeker zich inderdaad weerspannig had opgesteld wordt niet betwist. Evenmin dat verzoeker op het ogenblik van de aanrijding teveel gedronken had. XIV-37.782-7/20 Verzoeker geeft deze laakbare feiten dan ook ootmoedig toe. Wel nam verzoeker vrijwillig - zonder tussenkomst van zijn verzekeringsmaatschappij - de door hem veroorzaakte schade te zijner laste. Toen de zaak dan ook een half jaar later voor de Politierechtbank van Beringen werd beslecht restte er zijn raadsman niets anders dan verzachtende omstandigheden te pleiten. Volledigheidshalve dient aangestipt dat verzoeker enkel terecht moest staan voor dronkenschap in samenloop met een verkeersinbreuk. Tijdens de terechtzitting manifesteerde zich een zekere [P.], inspecteur bij de Politie Zone Kempenland. Bleek dat laatstgenoemde het slachtoffer was van de aanrijding... Inspecteur [P.] bevestigde alsdan spontaan dat [verzoeker] zijn schade vrijwillig had vergoed en dat hij zelfs nadien met [verzoeker] bevriend was geworden hetgeen bij de Politierechter de opmerking uitlokte dat men blijkbaar een ongeval moet krijgen om een vriendschap te bezegelen... In die context dient de openbare dronkenschap en de „weerspannigheid‟ te worden beoordeeld. Inspecteur [V.] - die blijkbaar ook een duw had gekregen - werd in het kader van een strafbemiddeling een schadevergoeding van 250,00 euro toegekend alhoewel de dienstdoende parketmagistraat […] zelf moest toegeven dat uit geen enkel element van het dossier bleek dat [V.] zich zou hebben gekwetst! Aangestipt dient overigens dat mijn verzoeker zelfs van voormelde verbalisant geen weet had tot hij ongeveer twee jaar na datum hiervoor ontboden werd door de Procureur des Konings van Tongeren. Verzoeker verkoos echter kort proces te maken en opteerde dan ook onder begeleiding van een justitie-assistente om de Heer [V.] de geclaimde schadevergoeding te betalen. De Procureur des Konings nam hiervan akte en sloot het dossier dan ook af. Ter staving verwijst verzoeker naar het schrijven van de Procureur des Konings hetwelk zich in het repressief dossier bevindt. […] Blijkens voormeld proces-verbaal voldeed verzoeker derhalve aan de door het Parket opgelegde voorwaarden te weten: - Het constructief deelnemen aan de vorming de CAD ( 5 + 1 u) in een periode van 6 maanden beginnend vanaf heden - Het betalen van een schadevergoeding van 250,00 euro aan [V.]. Dit bedrag zal vergoed worden voor 15 april
- De betalingen dienen te gebeuren op het rekeningnummer […] met de mededeling „Bemiddeling PV 3530/13.‟ Dit bedrag is reeds voldaan. Hierdoor verviel de strafvordering althans voor de door het Parket gekwalificeerde feiten van opzettelijke slagen en verwondingen gepleegd te Leopoldsburg op 27 juli
- Het relaas van inspecteur [B.] staat dan ook erg ver van de realiteit! Enige nuance is dan ook zeker niet misplaatst. Verder heeft verzoeker - in tegenstelling met de beweringen van de Minister - de feiten niet ontkend! Integendeel, verzoeker heeft de weerspannigheid toegegeven en om kort proces te maken heeft hij gekozen voor strafbemiddeling en de daarbij horende schadeloosstelling. Zijn regelingsbereidheid kan hem bezwaarlijk worden aangerekend. Verzoeker is trouwens de mening toegedaan dat deze eenmalige gebeurtenis - waarvoor hij overigens al werd gestraft - niet van die aard is om hem het recht om wapens voorhanden te hebben te ontzeggen. XIV-37.782-8/20 Blijft weliswaar de dronkenschap waarvoor verzoeker bij vonnis gewezen door de Politierechtbank van Beringen dd. 13 maart 2014 werd veroordeeld. Het spreekt voor zich dat een wapenvergunning bezwaarlijk kan worden uitgereikt aan een persoon die zich regelmatig in dronken toestand bevindt. De alcoholische intoxicatie van verzoeker was evenwel een eenmalige en eerder uitzonderlijke gebeurtenis. Verzoeker drinkt immers niet en is evenmin in die zin bij de betrokken overheid gekend. De diensten van het CAD - alwaar verzoeker zich op advies van de Procureur des Konings aanbood - konden evenmin een alcoholverslaving weerhouden... Ook de door de Politierechter opgelegde geldboete ad 1.800,00 euro werd integraal voldaan. Tevens werden de slachtoffers schadeloos gesteld. De vraag rijst dan ook of de veroordeling op zich een grond vormt om verzoeker het recht om vuurwapens te dragen te ontzeggen. Het antwoord hierop lijkt negatief. Vooreerst betreft het - zoals blijkt uit het strafregister van verzoeker - een eenmalige gebeurtenis zodat de kans op recidive als onbestaand dient te worden beschouwd. Bovendien wenst verzoeker aan te stippen dat diverse arresten van de Raad van State bevestigen dat een alcoholische intoxicatie of zelfs dronkenschap geen reden vormen om iemand een wapenvergunning te weigeren. Immers het hoogste Administratief Rechtscollege herhaalde in haar arrest van 14 juni 2016 haar eerder ingenomen standpunt dat dronkenschap op zich niet het bewijs levert dat de betrokkene onbetrouwbaar met vuurwapens zou omgaan. De veroordeling van verzoeker zou dan ook met de enige reserve moeten worden geëvalueerd.” Voorts zet verzoeker omstandig zijn standpunt uiteen wat het feit betreft in het postkantoor te Zutendaal op 17 april
- Inzake het feit betreffende het illegaal bezit van een busje pepperspray zet verzoeker uiteen wat volgt: “[…] VERBODEN WAPEN TE WETEN HET ILLEGAAL BEZIT VAN EEN BUSJE PE[P]PERSPRAY Voormeld dossier is gekend onder het notitienummer TG.36.L6.012137/
- Het betrof een busje pepperspray dat tijdens de inbeslagname van de jachtgeweren werd aangetroffen. Deze pepperspray was geen eigendom van verzoeker maar wel van zijn voormalige Duitse vriendin [S.]. Verzoeker verwijst hiervoor naar de eigenhandig geschreven verklaring van [S.]. De pepperspray lag blijkbaar in een lade en was aldaar door [S.] achteloos achtergelaten. In Duitsland is pepperspray overigens perfect legaal. Om kort proces te maken heeft verzoeker geopteerd voor een minnelijke schikking. Om hieruit te concluderen dat verzoeker zich schuldig zou hebben gemaakt aan illegaal wapen bezit lijkt toch wat erg kort door de bocht. XIV-37.782-9/20 De vraag rijst evenwel of deze schuldverklaring op zich een grond vormt om verzoeker het recht om vuurwapens te dragen te ontzeggen. Het antwoord hierop lijkt negatief ( zie supra).” Verzoeker besluit dat hij de feitelijkheden geenszins wil minimaliseren - integendeel verzoeker heeft blijk gegeven van schuldinzicht - maar de retroakten dienen volgens hem wel tot hun ware proporties te worden herleid. In dat opzicht faalt de bestreden beslissing in zijn conclusies “dat het in de bedoeling lag van de wetgever om inbreuken zoals opgenomen in de lijst van artikel 5, § 4, 1° tot 4° lid van de wapenwet van 8 juni 2006 - zelfs zonder correctionele veroordeling waarin vaststaat dat iemand dergelijke inbreuken heeft gepleegd - zouden moeten leiden tot het weigeren of intrekken van een vergunning en/of het recht om vuurwapens voorhanden te hebben”. Verzoeker betoogt dat de veroordeling waarbij hem bij vonnis gewezen door de correctionele rechtbank van Tongeren van 3 mei 2012 het voordeel van de opschorting van de uitspraak werd verleend en zelfs de latere politionele veroordeling wegens dronkenschap bij vonnis gewezen door de politierechtbank van Beringen van 13 maart 2014 stricto sensu geen weerslag hebben op het al dan niet toekennen van een wapenvergunning. Voor de andere feiten werd verzoeker niet veroordeeld omdat ze hetzij niet bewezen werden verklaard, hetzij te licht werden bevonden. Tussen de vastgestelde feiten en de uiteindelijke beslissing van de minister van Justitie bestaat er dan ook een kennelijke wanverhouding. Uit het administratief dossier blijkt evenmin dat het wapenbezit van verzoeker tot een potentieel gevaar zou kunnen leiden. Minstens ontbreekt dienaangaande enig bewijs.
- In de memorie van wederantwoord bevestigt verzoeker dat “de middelen van beroep om de [bestreden beslissing] aan te vechten zijn vervat in een schending van het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel” en dat hij zich niet van de indruk kan ontdoen dat inspecteur B. “zich wel erg eenzijdig en ongenuanceerd uitlaat” over zijn moraliteit. Voorts herneemt verzoeker zijn middel. XIV-37.782-10/20 In de laatste memorie bevestigt verzoeker zijn “memorie van antwoord” en verzoekt de Raad van State “tevens zo nodig de onderstaande argumentatie bijkomend in overweging te nemen”, waarna hij op omstandige wijze een vergelijking maakt met de motieven van de eerder ingetrokken beslissing, stelt dat hij zich niet van de indruk kan ontdoen dat de verwerende partij gebruik maakt van copy-paste motiveringen hetgeen hij illustreert en doet hij omstandig gelden dat er geen recente feiten zijn, minstens dat die niet relevant zijn ter beoordeling van de minder recente gegevens (van 2011), zodat de verwerende partij niet op wettige wijze tot de bestreden beslissing kon komen, waardoor het redelijkheidsbeginsel is geschonden. Beoordeling
- Verzoeker voert in het verzoekschrift uitdrukkelijk als middel de schending aan van het redelijkheids- en het proportionaliteitsbeginsel. Hij doet gelden dat er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de bestreden beslissing en de vastgestelde feiten, waarbij hij elk der feiten aan een onderzoek onderwerpt. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht.
- Een schending van het redelijkheids- of proportionaliteitsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar discretionaire bevoegdheid of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te XIV-37.782-11/20 gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. Ter beoordeling van deze grief moet ook worden gewezen op het feit dat de bestreden beslissing is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de wapenwet. Dit voorschrift bepaalt een georganiseerd administratief beroep bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde tegen het in de voormelde bepaling opgesomde stilzitten of de opgesomde beslissingen van de gouverneur (Cf. GwH 19 december 2007, nr. 154/2007, punt B.60.1). Door de devolutieve werking van het georganiseerd beroep verwerft de beroepsinstantie op grond van deze bepaling de beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Aangezien op grond van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de wapenwet, de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene, de vergunning of het recht om een wapen voorhanden te hebben, kan beperken, schorsen of intrekken, indien blijkt dat dit voorhanden hebben de openbare orde kan verstoren, beschikt de minister of zijn gemachtigde aldus op grond van de devolutieve werking van het beroep over dezelfde beslissingsmacht, op dezelfde wijze als de gouverneur. De wapenwet bepaalt niet op grond van welke criteria, de gouverneur en, in administratieve aanleg, de beroepsinstantie, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet worden beoordeeld. De beroepsinstantie beschikt te dezen over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Geconcretiseerd op het voorliggende beroep, impliceert het voormelde redelijkheidsbeginsel dat de beroepsinstantie haar discretionaire bevoegdheid of beleidsvrijheid inzake het beoordelen of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren, binnen de perken van de redelijkheid moet gebruiken.
- De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden XIV-37.782-12/20 beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent. Aangezien het aan de Raad van State niet toekomt ambtshalve te beoordelen of de bestreden intrekking van het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens en de bijhorende munitie in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de in aanmerking genomen feiten, toetst de Raad van State de vraag of de bestreden beslissing te kort komt aan de eis van evenredigheid enkel aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten, die volgens hem doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel miskent. Op verzoeker rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door hem aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de beroepsinstantie.
- De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (zie supra, punt 3.4.). Hieruit blijkt dat de bestreden beslissing “op basis van de stukken aanwezig in het administratieve dossier” besluit dat het voorhanden hebben van vuurwapens in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden. Om tot dat besluit te komen verwijst de bestreden beslissing concreet naar het feit dat verzoeker meermaals in aanraking is geweest met politie en/of justitie, “voornamelijk dan in het kader van het motortreffen waarbij [verzoeker] gebruik maakte van fysiek geweld”. Daarnaast wordt verwezen naar het feit van “illegaal bezit van een verboden blank wapen of niet-vuurwapen - bezit van een busje CS spray 40 ml.” En tot slot naar verzoekers veroordeling in 2012 voor inbeuken op de wapenwetgeving, “meer bepaald illegaal wapenbezit.” Voorts blijkt uit de bestreden beslissing dat niet een of meer van die feiten op zich determinerend zijn geweest bij de besluitvorming, zodat ze allen als nevenschikkend moeten worden beschouwd en samen bijdragen tot het besluit dat het voorhanden hebben van vuurwapens in XIV-37.782-13/20 hoofde van verzoeker een potentieel gevaar kan inhouden voor de openbare orde en veiligheid. In tegenstelling tot wat verzoeker in het verzoekschrift aanvoert, worden bij de beoordeling van het potentieel gevaar voor de openbare orde noch de feiten te Zutendaal op 4 augustus 2015 (PV nr. TG.L6.012134/2015) noch het feit in het postkantoor te Zutendaal op 17 april 2012 meegenomen in de conclusie van de bestreden beslissing. De kritiek die verzoeker in het middel uit wat die beide feiten betreft, is bijgevolg niet ter zake voor de beoordeling van de gegrondheid van het middel. Uit wat voorafgaat volgt dat, ter beoordeling van de vraag of er een redelijke verhouding van evenredigheid bestaat tussen de in aanmerking genomen feiten en de beslissing, aldus de voormelde drie feiten te samen als een geheel moeten worden beoordeeld. Zij worden hierna onderzocht.
- Inzake de feiten die zich voordeden tijdens het motortreffen op 27 juli 2013, blijkt uit de gegevens van de zaak en inzonderheid uit het overgelegde strafdossier omvattend onder meer de vaststellingen van de verbalisanten, verzoekers verhoor en dat van getuigen, dat de verwerende partij in de bestreden beslissing mocht aannemen dat “de vaststellingen door de politie van dit gebeuren en de getuigenverklaringen in het dossier [duidelijk] de feiten van weerspannigheid, wederzijdse opzettelijke slagen en verwondingen [bevestigen].” Voorts wordt niet betwist dat verzoeker voor openbare dronkenschap werd veroordeeld door de politierechtbank. De omstandigheid dat verzoeker thans in het verzoekschrift deze feiten tegenspreekt of minstens nuanceert, doet hieraan geen afbreuk. Overigens blijkt uit het verzoekschrift dat verzoeker niet betwist dat hij “zich inderdaad weerspanning had opgesteld”. Hoewel zoals verzoeker opwerpt in het middel, deze vaststaande feiten gebeurd ter gelegenheid van het motortreffen volkomen vreemd zijn aan het wapenbezit van verzoeker, belet zulks op zich niet dat de verwerende partij bij de XIV-37.782-14/20 beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, in beginsel mag rekening houden met feiten en gedragingen die niets te maken hebben met het wapenbezit, zonder dat zij evenwel zonder nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan, niet uit het louter gegeven dat verzoeker dergelijke feiten en gedragingen heeft gepleegd, mag besluiten dat verzoekers wapenbezit een gevaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde en veiligheid. Uit de bestreden beslissing blijkt te dezen dat de voormelde feiten van dronkenschap, weerspannigheid en opzettelijke slagen en verwondingen op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat het voorhanden hebben van vuurwapens in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden, maar dat deze conclusie is verbonden aan het geheel van de aangehaalde feiten. Verzoeker bekritiseert in het middel de relevantie van die feiten voor de beoordeling en stelt zich ter zake in wezen op het standpunt dat die feiten van dronkenschap en weerspannigheid ter gelegenheid van het ongeval met de motor, overroepen zijn en in de bestreden beslissing te ongenuanceerd in acht zijn genomen. Aldus doet verzoeker weliswaar blijken van een ander standpunt dan de beroepsinstantie wat de relevantie en ernst betreft van deze bewezen feiten, maar op zich maakt verzoeker met deze eigen beoordeling niet aannemelijk dat de beroepsinstantie deze feiten niet mede mocht meenemen in haar beoordeling van het potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid dat het voorhanden hebben van vuurwapens in hoofde van verzoeker kan inhouden noch dat die niet voldoende relevant en ernstig zijn om daartoe mee te worden gewogen. Anders dan hoe verzoeker het dus ziet, kan een dergelijke eenmalige gebeurtenis derhalve mee in de beoordeling worden betrokken, te meer daar zoals hiervoor is vastgesteld, de finale beoordeling van de verwerende partij niet louter steunt op die aan het voorhanden hebben van wapens vreemde (straf)feiten. Een tweede feit dat de verwerende partij bij haar beoordeling in aanmerking heeft genomen, is het “illegaal bezit van een verboden blank wapen of niet-vuurwapen - bezit busje CS spray 40 ml.” Verzoeker betwist de relevantie van het feit van het voorhanden hebben van een verboden wapen, omdat naar hij betoogt, het busje pepperspray hem niet toebehoorde maar aan zijn toenmalige XIV-37.782-15/20 Duitse vriendin en omdat de draagwijdte van de voor die feiten aanvaarde minnelijke schikking moet worden genuanceerd in die zin dat zulks niet betekent dat hij zich zou schuldig hebben gemaakt aan illegaal wapenbezit. Dat eigen standpunt maakt op zich evenwel niet aannemelijk om te besluiten dat de beroepsinstantie deze inbreuk op de wapenwetgeving redelijkerwijs niet had mogen meenemen in haar beoordeling. Zoals is aangegeven in de bestreden beslissing, is de bus pepperspray in verzoekers woning aangetroffen en zulks, zoals blijkt uit het strafdossier, ter gelegenheid van een huiszoeking op heterdaad. Verzoeker betwist zulks niet, maar wel dat hij de eigenaar is van het verboden wapen. Deze, door de beroepsinstantie in de bestreden beslissing overigens niet-betwiste kritiek van verzoeker, belet evenwel op zich niet dat de beroepsinstantie binnen haar beoordelingsbevoegdheid blijft door dit feit van “illegaal wapenbezit” mee in haar beoordeling op te nemen. De openbare orde en veiligheid zouden uiteraard niet worden beschermd indien de bevoegdheid tot het intrekken van de wapenvergunningen of van het recht om vuurwapens voorhanden te hebben slechts zou kunnen worden uitgeoefend ten aanzien van de wapens die in het bezit zijn of eigendom zijn van de betrokkene. Het Grondwettelijk Hof, verwijzend naar de vroegere wetgevingen ter zake en naar de parlementaire voorbereiding van de huidige wapenwet, heeft daarenboven verduidelijkt dat de term “voorhanden hebben” in de gebruikelijke betekenis ervan dient te worden begrepen en derhalve het effectieve bezit aangeeft, ongeacht de juridische titel die daaraan ten grondslag ligt (GwH 19 december 2007, nr. 154/2007, punt B.27.7.). In het licht hiervan volstaat aldus de enkele kritiek dat verzoeker geen eigenaar is van het verboden wapen en dat de draagwijdte van de minnelijke schikking moet worden genuanceerd niet om te besluiten dat de beroepsinstantie het feit dat verzoeker in zijn woning illegaal een pepperspray bezat - dit is het voorhanden hebben ervan - redelijkerwijs niet had mogen meenemen in haar beoordeling. Een derde feit tot slot dat de beroepsinstantie mede in haar beoordeling betrekt, is het gegeven dat verzoeker met het vonnis van 3 mei 2012 van de correctionele rechtbank te Tongeren de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd verleend voor het “als particulier een XIV-37.782-16/20 vergunningsplichtig vuurwapen, of de daarbij horende munitie voorhanden te hebben gehad zonder een voorafgaande vergunning verleend door de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de verzoeker, namelijk een Browning 9mm en een vuurwapen Smith & Wesson 38/.357M.” De omstandigheid dat verzoeker de opschorting voor deze strafbare feiten genoot, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de strafbare feiten van het voorhanden hebben zonder vergunning van twee vergunningsplichtige wapens waarvoor hij werd vervolgd, bewezen zijn verklaard en verzoeker er schuldig aan werd bevonden. Het argument van verzoeker dat de strafrechter gegronde redenen had om hem het voordeel van de opschorting van veroordeling te verlenen belet dus niet dat de beroepsinstantie ten aanzien van de beoordeling van verzoekers wapenbezit op geen enkele wijze is gebonden door de opschorting van de straf. De beroepsinstantie vermocht zich aldus op die bewezen feiten, die op onaantastbare wijze in een vonnis met kracht van gewijsde zijn vastgesteld, te steunen om te oordelen dat ze als dusdanig in aanmerking kunnen worden genomen om aan te tonen dat verzoekers gedrag een gevaar voor de openbare orde kan inhouden. Hieruit volgt dat het loutere feit dat de strafrechter verzoeker de gunst van de opschorting heeft verleend - om naar verzoeker betoogt het “niet in de bedoeling van de strafrechter [lag] om verzoeker met een strafblad op te zadelen maar wel [om] een signaal te geven dat verzoeker zich in de toekomst van dusdanige strafbare feiten moest onthouden” - er niet aan in de weg staat dat de beroepsinstantie kan beslissen de bewezen feiten mede te betrekken in haar beoordeling. Anders dan hoe verzoeker het ziet, blijkt voorts niet uit de bestreden beslissing dat werd geoordeeld dat deze bewezen feiten op zichzelf doen blijken dat het gedrag van verzoeker de openbare orde en veiligheid in het gedrang kan brengen. Uit de bestreden beslissing blijkt immers dat die feiten - die volgens de verwerende partij van die aard zijn dat “wanneer onomstotelijk vaststaat dat iemand dergelijke inbreuken heeft gepleegd, ook voldoende reden kan zijn om de vergunning en/of het recht om vuurwapens voorhanden te houden te weigeren of in te trekken” en die “het noodzakelijk vertrouwen” dat moet kunnen worden gesteld in hoofde van een wapenbezitter ondermijnt - “in samenhang met de overige feiten” doen besluiten dat de bestreden beslissing zich opdringt. XIV-37.782-17/20
- Voorts doet de enkele vaststelling dat “minstens sedert 20 mei 2016” geen nieuwe feiten werden genoteerd en dat “trouwens de laatste feitelijkheden dateren van 4 augustus 2015,” op zich niet blijken dat de verwerende partij tot haar besluit is gekomen met miskenning van het geschonden geachte redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel, te meer daar verzoeker in het verzoekschrift het actueel karakter van de door de verwerende partij in aanmerking genomen feiten niet betwist en de Raad van State, binnen zijn hiervoor afgebakende wettigheidsonderzoek (zie supra, punt 7) en binnen de op verzoeker rustende stelplicht (zie supra, punt 8), niet vermag zulks ambtshalve te betrekken bij zijn onderzoek. Tot slot belet het gegeven dat de bestreden beslissing ook steunt op feiten waarvoor verzoeker niet is veroordeeld, op zich niet dat de verwerende partij ermee rekening mag houden bij haar beoordeling van verzoekers gedrag, zonder dat zulks op zich blijk geeft van een onredelijke beslissing.
- Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake het mogelijks gevaar voor de openbare orde te buiten is gegaan door te oordelen dat verzoekers bewezen gedrag inhoudt dat het voorhanden hebben van vuurwapens in zijn hoofde een potentieel gevaar voor de openbare orde en de veiligheid kan inhouden, omdat “concreet kan worden gewezen naar het feit dat [verzoeker] meermaals in aanraking [is] geweest met politie en/of justitie, voornamelijk dan in het kader van het motortreffen waarbij [verzoeker] gebruik maakte van fysiek geweld” en dat verzoeker “het niet al te nauw neemt wanneer het gaat om de naleving van de wapenwetgeving”, hetgeen steunt op enerzijds het onwettig voorhanden hebben van een verboden wapen en anderzijds het bewezen zijn van het wapenmisdrijf zoals vastgesteld door de strafrechter in
- De door verzoeker aangevoerde elementen geven weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling van de zwaarwichtigheid van elk van de in aanmerking genomen feiten die verschilt van die van de beroepsinstantie, maar daarmee maakt verzoeker het niet aannemelijk dat de bestreden intrekking niet in XIV-37.782-18/20 een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot het geheel van de in aanmerking genomen feiten.
- In zoverre dat verzoeker in zijn laatste memorie bijkomende argumentatie geeft en de Raad van State verzoekt “tevens zo nodig” die in overweging te nemen, had verzoeker die reeds in zijn verzoekschrift kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. De nieuwe of aanvullende argumenten kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In de mate dat het geen nieuwe of aanvullende argumenten betreffen, vallen ze samen met hetgeen hiervoor is uiteengezet. Ze leiden in dat geval evenmin tot het gegrond bevinden van het middel.
- Het enige middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-37.782-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.782-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.435 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div