id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.438 Rolnummer: A. 227905/XIV-38023 Zaak: Arrest 246438 - Politie, uitgezonderd personeelszaken - 18/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-20 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-21 06:47 Fiche Arrest nr 246.438 van 18 december 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie, uitgezonderd personeelszaken Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 246.438 van 18 december 2019 in de zaak A. 227.905/XIV-38.023 In zake: Alain Albert Noël DECOUTERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies De Raeve kantoor houdend te 3520 Zonhoven Spierhoofseweg 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5339 BRUSSEL-HOOFDSTAD - ELSENE -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 16 april 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de korpschef van de lokale politie Brussel-Hoofdstad - Elsene van 28 februari 2019 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Verzoeker heeft een memorie van toelichting ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. XIV-38.023-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Giovanni D‟Hondt, die loco advocaat Marlies De Raeve verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone Brussel-Hoofdstad - Elsene (PZ 5339). 3.
- Met het inleidend verslag van 18 januari 2019 stelt de korpschef, in zijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid, voor om verzoeker de lichte straf van de waarschuwing op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, van de datum van kennisneming ervan, van het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening ervan. Tevens bevat het een voorstel tot lichte tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. In het inleidend verslag wordt het volgende gesteld: “[…]
- Rechten van verdediging 6.
- Huidig document informeert [verzoeker] over zijn recht om voorafgaand aan de uitspraak van elke tuchtstraf mondeling te worden gehoord. Het staat hem dus vrij om mij, binnen de termijn bedoeld in punt 6.4, hetzij in zijn verweerschrift, hetzij bij een ter post aangetekende brief of door afgifte van zijn schriftelijke vraag XIV-38.023-2/7 tegen ontvangstbewijs, te vragen om mondeling te worden gehoord. […]. […]. 6.
- [Verzoeker] heeft het recht om een verweerschrift in te dienen. Dit verweerschrift moet verzonden worden, op de wijze beschreven in punt 6.1, aan de Dienst Interne Zaken, waar de tuchtoverheid woonplaats voor de onderhavige procedure heeft gekozen, […], binnen een termijn van dertig dagen die aanvangt de dag volgend op de kennisgeving van dit inleidend verslag.[…].” Het inleidend verslag wordt, luidens de bestreden beslissing, op 23 januari 2019 betekend aan verzoeker via twee aangetekende zendingen op 22 januari 2019 en 23 januari
- 3.
- Met een aangetekende zending van 22 februari 2019 vraagt verzoeker om mondeling te worden gehoord. 3.
- De korpschef beslist op 28 februari 2019 om de lichte tuchtstraf van de waarschuwing op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Toepassing korte debattenprocedure Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in het enige middel onder meer de schending aan van artikel 29 van de wet van 13 mei 1999 „houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten‟ (hierna: de tuchtwet), van artikel 9 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 „tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten‟ (hierna: het koninklijk besluit van 26 november 2001), het recht om gehoord te worden en van het recht van verdediging, doordat de verwerende partij verzoeker niet gehoord heeft vooraleer de bestreden beslissing te nemen, en dit ondanks zijn uitdrukkelijke vraag hiertoe. Hij licht toe dat te dezen het inleidend verslag hem XIV-38.023-3/7 werd betekend op 23 januari 2019, zodat de termijn van dertig dagen begon te lopen de dag na de betekening, namelijk op 24 januari 2019, en eindigde op 22 februari 2019 om 24.00 uur. Verzoeker heeft aldus tijdig, op 22 februari 2019, de aanvraag om mondeling te worden verhoord schriftelijk geformuleerd en in een specifieke brief aangetekend opgestuurd naar de verwerende partij. Verzoeker stelt vast dat de verwerende partij deze aanvraag van verzoeker om gehoord te worden volledig genegeerd heeft en zonder hem te horen over de feiten, de bestreden beslissing heeft genomen. Aldus heeft zij dan duidelijk artikel 29 van de tuchtwet en artikel 9 van het koninklijk besluit van 26 november 2001, alsook het recht om gehoord te worden, geschonden. In de toelichtende memorie stelt verzoeker vast dat de verwerende partij geen memorie van antwoord heeft ingediend en meent hij dat uit het omstandig stilzwijgen van de verwerende partij kan worden afgeleid dat zij de vordering van verzoeker niet betwist.
- De verwerende partij heeft geen memorie van antwoord ingediend. Beoordeling
- Het door verzoeker geschonden geachte artikel 29, tweede lid, van de tuchtwet luidt: “Art. 29 […]. Geen enkele straf mag worden uitgesproken zonder dat de betrokkene ingelicht werd over zijn recht om mondeling gehoord te worden. Hij wordt gehoord door de bevoegde tuchtoverheid of door de door hem aangewezen overheid.” Artikel 9 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 bepaalt, samen met artikel 8 ervan, op welke wijze het horen van de politieambtenaar moet plaatsvinden. Deze bepalingen luiden: “Artikel
- Het personeelslid dat gehoord wenst te worden bij toepassing van artikel 29, tweede lid, van de tuchtwet, vermeldt dit in zijn verweerschrift of dient XIV-38.023-4/7 een aanvraag, tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief, in bij de bevoegde tuchtoverheid. […]. Artikel
- Het verhoor bedoeld in artikel 8 moet: 1° worden aangevraagd, in voorkomend geval in het verweerschrift, ten laatste vóór het einde van de termijn van dertig dagen bedoeld in artikel 35 of 38quater van de tuchtwet; 2° plaatsvinden vóór de beslissing van lichte tuchtstraf of het voorstel van zware tuchtstraf. De procedure van verhoor schorst in geen geval de lopende tuchtprocedure.” Het te dezen ter zake zijnde artikel 35 van de tuchtwet waarnaar wordt verwezen in het hiervoor aangehaalde artikel 9 luidt: “Artikel
- Het betrokken personeelslid of zijn verdediger dient zijn verweer in binnen de dertig dagen te rekenen vanaf de dag die volgt op die van de ontvangst van het inleidend verslag. Eens die termijn verstreken is, wordt het personeelslid geacht geen schriftelijk verweer te willen voeren.” Uit de samenlezing van die bepalingen volgt dat de op de tuchtoverheid rustende plicht tot het horen van de politieambtenaar inhoudt dat de tuchtoverheid de tuchtrechtelijk vervolgde persoon moet inlichten over zijn recht om gehoord te worden en, indien de betrokkene daar binnen de dertig dagen na de dag volgend op de ontvangst van het inleidend verslag om vraagt, hem moet horen alvorens een beslissing aangaande de tuchtstraf te nemen.
- Te dezen voert verzoeker in het verzoekschrift aan dat het inleidend verslag hem op 23 januari 2019 werd betekend - zodat de termijn van dertig dagen eindigde op 22 februari 2019 om 24.00 uur - en hij aldus tijdig met een bij ter post aangetekende brief van 22 februari 2019 aan de korpschef heeft gevraagd om te worden gehoord. Voorts stelt hij dat hij niet werd gehoord voorafgaand aan de bestreden beslissing. De verwerende partij heeft geen memorie van antwoord noch een administratief dossier ingediend. In die omstandigheden worden krachtens artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de feiten in het verzoekschrift geacht juist te zijn. Voorts blijkt niet dat die feiten kennelijk onjuist zijn. Ze worden overigens ondersteund door de door verzoeker bijgebrachte XIV-38.023-5/7 stukken waaronder de bestreden beslissing - waarin expliciet is vermeld dat het inleidend verslag verzoeker werd betekend op 23 januari 2019 - en het verzoek om gehoord te worden waaraan een door Bpost op 22 februari 2019 gedateerd verzendingsbewijs is gehecht waarvan het barcodenummer overeenstemt met het nummer vermeld op het verzoek zelf. Tot slot blijkt uit de bestreden beslissing noch uit enig ander overlegd stuk dat verzoeker voorafgaand aan de bestreden beslissing werd gehoord. Uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij aldus het recht om gehoord te worden, zoals nader bepaald in artikel 29 van de tuchtwet en artikel 9 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 heeft geschonden.
- Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de korpschef van de lokale politie Brussel-Hoofdstad - Elsene van 28 februari 2019 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de waarschuwing is opgelegd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. XIV-38.023-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.023-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.438 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div