← België

Arrest 246448 - Tucht (openbaar ambt) - 18/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.448 Rolnummer: A. 229018/XIV-38144 Zaak: Arrest 246448 - Tucht (openbaar ambt) - 18/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-20 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-21 21:01 Fiche Arrest nr 246.448 van 18 december 2019 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 246.448 van 18 december 2019 in de zaak A. 229.018/XIV-38.144 In zake : Tom WILLEMS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5341 ZUID bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jérôme Sohier en Manoël De Keukelaere kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 181/24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 4 september 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de politiezone 5341 Zuid van 30 juli 2019, waarbij aan verzoeker als tuchtsanctie het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december 2019. XIV-38.144-1/15 Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Manoël De Keukelaere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone 5341 zone Zuid. 3.2. Met het inleidend verslag van 28 november 2018 stelt de hogere tuchtoverheid voor om verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambstwege op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten en de gevolgen, van de datum van kennisneming van de feiten, van het vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. Het inleidend verslag is ondertekend door Charles Picqué, Eric Tomas en Marc-Jean Ghyssels. De laatstgenoemde tekent als lid van het politiecollege, burgemeester van de gemeente Vorst. Luidens het uittreksel uit het register der beraadslagingen van het politiecollege blijkt dat op de zitting van het politiecollege van 28 november 2018 inzake “punt 4 - onderwerp: tuchtdossier betreffende dhr. INP T. Willems” XIV-38.144-2/15 beslist werd “de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege voor te stellen”, “de dienst Intern Toezicht te gelasten met het opstellen en de betekening van de nodige documenten” en “de burgemeester-voorzitter, de leden van het college en de korpschef a.i. met volledige draagkracht te mandateren tot de beoordeling en ondertekening van de administratieve/tuchtdocumenten, die voortvloeide uit onderhavig besluit.” Nog luidens dat uittreksel waren hierbij aanwezig: Charles Picqué, burgemeester, Marie-Jean Ghyssels en Eric Tomas, burgemeesters, de korpschef a.i. en de secretaris, waarbij luidens het uittreksel “ nadat de korpschef a.i. en de expert in tucht zich uit de zitting terugtrokken” werd beslist. 3.3. Op 30 januari 2019 stelt de hogere tuchtoverheid voor om aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Tegen dit voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.4. In zijn definitief advies van 17 juni 2019 adviseert de Tuchtraad onder meer het volgende: “in hoofdorde, dat het aangewezen is dat de tuchtoverheid afziet van een verdere vervolging nu het voorstel van straf door een onbevoegd orgaan genomen [en] in ondergeschikte orde dat het aangewezen is dat de tuchtoverheid afziet van een verdere vervolging wegens schending van de taalwet en de rechten van verdediging; […].” 3.5. Op 10 juli 2019 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad en om het initiële voorstel tot zware tuchtstraf, zijnde het ontslag van ambtswege, te behouden. Het voorstel is ter kennis gebracht van verzoeker, die vervolgens tegen dat voorstel een verweerschrift indient. XIV-38.144-3/15 3.6. De hogere tuchtoverheid beslist op 30 juli 2019 aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Ernst van het eerste middel Standpunt van de partijen 5. Verzoeker voert in het eerste middel de onbevoegdheid van de steller van de handeling aan, alsook de schending van artikel 23 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: de wet van 7 december 1998), de artikelen 20 en 56 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna de tuchtwet), de schending van artikel 14 van de Nieuwe Gemeentewet en de schending van “het algemeen rechtsbeginsel van de beslotenheid der vergadering.” In wat voor het onderzoek van het middel als een eerste onderdeel kan worden beschouwd, stelt verzoeker vast dat hem een inleidend verslag, gedateerd op 28 november 2018, werd betekend dat uitgaat van een politiecollege waarvan Marc-Jean Ghyssels als lid en burgemeester van de gemeente Vorst deel uitmaakte. Op 26 november 2018 had evenwel een nieuwe XIV-38.144-4/15 burgemeester van de gemeente Vorst de eed had afgelegd, meer bepaald Roberti Stephane die bij ministerieel besluit van 26 november 2018 werd benoemd tot burgemeester, hetgeen ook in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd op 8 januari 2019. De verwerende partij heeft dit niet betwist in de loop van de procedure. Verzoeker doet daarop gelden dat het inleidend verslag uitgaat van het politiecollege als hogere tuchtoverheid dat, bij gebreke aan een rechtsgeldige samenstelling van het politiecollege evenwel een onbevoegd orgaan was dat geen rechtsgeldig inleidend verslag kon betekenen als formele start van de tuchtprocedure. De bevoegde hogere tuchtoverheid is te dezen overeenkomstig artikel 20 van de tuchtwet het politiecollege, waarbij het politiecollege is samengesteld zoals bepaald in art. 23 van de wet van 7 december 1999. Alwaar het inleidend verslag uitgaat van een comité dat anders is samengesteld dan voorzien in artikel 23 van de wet van 7 december 1999 is dit niet het politiecollege, ook al noemt dat comité zich wel zo in het inleidend verslag. Aldus is er geen rechtsgeldig inleidend verslag ingevolge de onbevoegdheid van het comité van wie het inleidend verslag uitgaat en wegens de schending van artikel 23 van de wet van 7 december 1999 en artikel 20 van de tuchtwet. Aldus is eveneens artikel 56 van de tuchtwet geschonden omdat er geen - rechtsgeldig - inleidend verslag is betekend binnen de zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Dat twee van de drie opstellers van het inleidend verslag wel beantwoorden aan de wettelijke vereisten om deel uit te maken van het politiecollege doet er niet aan af dat zij een comité vormden met een derde die geen deel is van het politiecollege. Het is dit drietal dat niet alleen de beslissing heeft genomen maar hetwelk ook daartoe heeft beraadslaagd en waarbij er dus wederzijdse beïnvloeding is. 6. De verwerende partij antwoordt in de nota met opmerkingen wat de aanwezigheid betreft van voormalig burgemeester Ghyssels op de zitting van het politiecollege van 28 november 2018, dat die zitting plaatsvond in de nasleep van de gemeenteraadsverkiezingen en in volle transitieperiode wat de mandaten en de samenstelling betreft van het college van burgemeester en schepenen. Zij bevestigt dat Roberti op 26 november 2018 de eed heeft afgelegd, maar zij betoogt XIV-38.144-5/15 dat er van uit werd gegaan dat die benoeming pas op een latere datum uitwerking zou hebben. De verwerende partij bemerkt dat het voorheen trouwens gebruikelijk was dat de nieuwe besturen pas in werking traden op 1 januari van het jaar volgend op de verkiezingen. Te dezen is pas op de gemeenteraad van 4 december 2018 de gemeenteraad van Vorst overgegaan tot haar installatie en tot de installatie van de politieraad en pas op 18 december 2018 werd het college van burgemeester en schepenen geïnstalleerd. Voorts betwist de verwerende partij het belang van verzoeker bij dit onderdeel van het middel. Volgens haar veranderde het inleidend verslag immers op zich niets aan de rechtspositie van verzoeker, zodat niet wordt ingezien waarom een eventuele onregelmatigheid bij het inleidend verslag repercussies zou kunnen hebben op de geldigheid van de tuchtstraf. Ook moet de aanwezigheid van Ghyssels worden bekeken vanuit het perspectief van de continuïteit van de openbare dienst in de transitieperiode waarin o.m. het politiecollege zich bevond na de verkiezingen. Het was niet zo dat er zomaar een derde bij het politiecollege was opgeroepen die niets met het college te maken had. Hoe dan ook was er geen sprake van een "onbevoegd" orgaan. Conform art. 28 van de wet van 7 december 1999 mag het politiecollege alleen dan beraadslagen en besluiten als de meerderheid van de stemmen bedoeld in artikel 24 is vertegenwoordigd. In casu waren minstens 2 van de 3 burgemeesters geldig aanwezig zodat beslissing en beraadslaging geldig konden gebeuren. Het verdere verloop van de procedure toont aan dat ook bij aanwezigheid van Roberti de opportuniteit van een tuchtprocedure lastens verzoeker op geen enkel ogenblik in vraag werd gesteld en dit ongeacht de concrete samenstelling van het politiecollege. XIV-38.144-6/15 Beoordeling Het belang bij het middelonderdeel 7. De verwerende partij doet gelden dat, daarbij verwijzend naar het arrest nr. 227.299 van 7 mei 2014, verzoeker geen belang heeft bij dit onderdeel van het middel omdat het inleidend verslag op zich de rechtspositie van verzoeker niet wijzigt. Er kan aldus volgens haar niet worden ingezien waarom een eventuele onregelmatigheid bij het inleidend verslag repercussies zou kunnen hebben op de geldigheid van de tuchtstraf. 8. Overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geven de onregelmatigheden die onder een in het eerste lid vermelde nietigheidsgrond ressorteren “slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden”. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad van State brengt, doet blijken van een belang bij het aangevoerde middelonderdeel. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. Het middelonderdeel strekt er op het eerste gezicht toe te onderzoeken of het inleidend verslag is genomen door een daartoe rechtsgeldig samengesteld politiecollege. Het argument dat het inleidend verslag de rechtspositie van verzoeker niet wijzigt ontneemt verzoeker niet zijn belang bij dat middel. De tuchtvervolging neemt vooreerst een aanvang op het ogenblik van de kennisgeving van het inleidend verslag dat overeenkomstig XIV-38.144-7/15 artikel 38 van de tuchtwet wordt opgesteld. Vanaf dat ogenblik is er sprake van een aangespannen tuchtprocedure (Parl. St. Kamer 1998-99, nr. 49-1965/1, 15). Het inleidend verslag is derhalve de eerste en noodzakelijke beslissing van de (hogere) tuchtoverheid om een tuchtprocedure op te starten: zonder inleidend verslag is er geen tuchtvordering en uiteindelijk geen tuchtstraf. Ten tweede moet op grond van artikel 56 van de tuchtwet de kennisgeving van het inleidend verslag aan verzoeker gebeuren binnen de in die bepaling gestelde termijn. Het betreft een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Is die derhalve verlopen, dan brengt zulks het verlies van de tuchtbevoegdheid met zich mee. In het licht van wat voorafgaat, lijkt verzoeker derhalve gebaat bij het onderzoek naar de wettigheid van het inleidend verslag waarmee de tuchtprocedure lastens hem werd opgestart. Zulks volstaat opdat verzoeker getuigt van een belang bij het middelonderdeel. 9. De exceptie vertoont niet de vereiste ernst opdat ze in de huidige stand van de rechtspleging reeds kan worden aangenomen. De ernst van het middelonderdeel 10. Opdat een collegiaal orgaan op geldige wijze kan beslissen is vereist dat het op dat ogenblik op regelmatige wijze is samengesteld. Zonder dat de Raad van State in de huidige stand van het geding moet onderzoeken of dit de bevoegdheid van de steller van de akte betreft dan wel een substantiële vormvereiste betreft, staat aldus in het middelonderdeel centraal de betwisting of het politiecollege als collegiaal orgaan regelmatig was samengesteld op 28 november 2018 wanneer het besliste om lastens verzoeker de tuchtvordering op te starten door middel een inleidend verslag (zie supra, punt 3.2.). 11. Verzoeker is politieambtenaar bij de lokale politiezone Brussel Zuid (PZ 5341). Dit is een meergemeentezone (koninklijk besluit van 28 april 2000 ‘houdende de indeling van het grondgebied van het administratief XIV-38.144-8/15 arrondissement van Brussel-Hoofdstad in politiezones’). Op grond van artikel 20, 1°,

  1. a)van de tuchtwet is ten aanzien van verzoeker, het politiecollege derhalve de bevoegde hogere tuchtoverheid. Het politiecollege wordt gevormd overeenkomstig artikel 23 van de wet van 7 december 1999, dat luidt: “Art. 23. Het politiecollege wordt gevormd door de burgemeesters van de verschillende gemeenten die de meergemeentezone vormen. Het mandaat van lid van het politiecollege vangt aan op het ogenblik van de eedaflegging als burgemeester. Het lid van het politiecollege dat afwezig is of verhinderd, wordt vervangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 14 van de nieuwe gemeentewet. [ ...].” In de toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot de wet van 7 december 1998 is ter zake het volgende te lezen (Parl. St. Kamer 1997-98, nr. 49-1676/1, 19): “In het politiecollege hebben alle burgemeesters uit de meergemeentenzone zitting. Elk maakt er onmiddellijk na de eedaflegging als burgemeester in de handen van de gouverneur deel van uit en houdt op er zitting in te hebben op het ogenblik dat de Koning zijn ontslag als burgemeester heeft aanvaard. Het lidmaatschap is niet vatbaar voor delegatie. Enkel plaatsvervanging overeenkomstig de bepalingen van artikel 14 van de nieuwe gemeentewet is mogelijk. […].” Uit wat voorafgaat blijkt dat het mandaat van lid van het politiecollege (in de meergemeentezone) aanvangt op het ogenblik van de eedaflegging van de burgemeester. 12. De verwerende partij erkent dat Roberti op 26 november 2018 is benoemd tot burgemeester van de gemeente Vorst en dat hij op die datum de eed als burgemeester heeft afgelegd bij de minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Hieruit volgt dat, overeenkomstig artikel 23, eerste lid, van de wet van 7 december 1998, vanaf die datum zijn mandaat in het politiecollege aanving. Hieruit volgt eveneens dat vanaf die datum enkel Roberti XIV-38.144-9/15 als burgemeester-lid van het politiecollege deel mocht uitmaken en dat Ghyssels daartoe niet langer gerechtigd was. In zoverre de verwerende partij hier tegen in brengt dat zij ervan uitging dat de benoeming van Roberti als burgemeester pas op latere datum dan de eedaflegging uitwerking zou hebben, gaat zij op het eerste gezicht uit van een rechtsopvatting die strijdt met de hiervoor nader bepaalde draagwijdte van artikel 23 van de wet van 7 december 1998. Dat de gemeenteraad en het college van burgemeester en schepenen na 28 november 2018 zijn geïnstalleerd is niet relevant nu artikel 23, tweede lid van de wet van 7 december 1998 de aanvang van het mandaat in het politiecollege niet afhankelijk maakt van die installatie. 13. Uit het overgelegde uittreksel uit de notulen van de vergadering van het politiecollege van 28 november 2018 betreffende het agendapunt waarbij beslist werd om lastens verzoeker “de zware tuchtstraf van ambtswege voor te stellen” (supra, punt 3.2.), blijkt dat de voornoemde Ghyssels in de hoedanigheid van burgemeester-lid heeft deelgenomen aan de beraadslaging en besluitvorming over dat punt. Niet wordt aangevoerd noch aangetoond dat er te dezen sprake zou zijn geweest van een plaatsvervanging in de zin van artikel 23, tweede lid, van de wet van 7 december 1998. Aldus lijkt de beslissing van 28 november 2018 waarbij beslist werd tot het opstarten van de tuchtvordering door middel van een inleidend verslag, te zijn genomen door het politiecollege waaraan een derde heeft deelgenomen die niet gerechtigd was deel uit te maken van dat collegiaal orgaan en derhalve niet aanwezig mocht zijn bij de beraadslaging en besluitvorming van dat orgaan. Uit wat voorafgaat volgt dat prima facie het politiecollege niet regelmatig was samengesteld en derhalve niet op geldige wijze kon beslissen wanneer het op 28 november 2018 besliste tot het opstarten van de voorliggende tuchtvordering door middel van het betrokken inleidend verslag. Die beslissing lijkt aldus niet regelmatig tot stand te zijn gekomen zodat prima facie de betekening van het inleidend verslag niet op rechtsgeldige wijze de tuchtvordering XIV-38.144-10/15 kon opstarten. Voorts blijkt prima facie niet noch wordt aangevoerd dat het politiecollege binnen de in artikel 56 van de tuchtwet bepaalde vervaltermijn dit gebrek heeft hersteld. 14. De argumenten van de verwerende partij leiden in deze stand van het geding niet tot een andere conclusie. In zoverre de verwerende partij zich ter verantwoording lijkt te beroepen op het principe van de continuïteit van de openbare dienst in de “transitieperiode waarin o.m. het politiecollege zich bevond na de verkiezingen”, blijkt uit wat voorafgaat dat er geen “transitieperiode” bestond vermits op 26 november 2018 reeds een nieuwe burgemeester de eed had afgelegd die van rechtswege lid werd van het politiecollege. Aldus lijkt op het eerste gezicht de continuïteit van de openbare dienst niet in het gedrang te zijn gekomen, zodat om die reden alleen reeds het argument niet ernstig is. Overtuigt in de huidige stand van het geding evenmin, het argument dat de twee wel rechtsgeldig zetelende burgemeesters overeenkomstig artikel 28 van de wet van 7 december 1998 de meerderheid van de stemmen bezitten - zodat het politiecollege wel rechtsgeldig kon beraadslagen en beslissen - en dat het verdere verloop van de procedure aantoont dat ook bij de aanwezigheid van Roberti de opportuniteit van een tuchtprocedure lastens verzoeker op geen enkel ogenblik in vraag werd gesteld. Het staat in deze stand van het geding vast dat een derde die daartoe niet gerechtigd was, heeft deelgenomen aan de beraadslaging en de besluitvorming van de beslissing tot het “voorstellen” van de zware straf van ontslag van ambtswege door middel van een inleidend verslag. Te dezen beschikt het politiecollege over een beoordelingsvrijheid om al dan niet een tuchtvordering op te starten met de kennisgeving van het inleidend verslag aan verzoeker binnen de vervaltermijn bepaald in artikel 56 van de tuchtwet en is er geen sprake van een gebonden bevoegdheid waarbij het eindresultaat al bij voorbaat vastligt of moet vastliggen. Voorts blijkt er geen geheime stemming. Het kan daarom niet worden uitgesloten dat die derde een invloed heeft gehad op de XIV-38.144-11/15 besluitvorming terwijl die niet gerechtigd was aan die beraadslaging en besluitvorming deel te nemen. De mogelijke feitelijke impact van de deelneming van deze niet-gerechtigde derde aan de besluitvorming is op het eerste gezicht immers niet zomaar af te meten aan het feit dat de twee gerechtigde leden van het collegiale orgaan de meerderheid van de stemmen in het politiecollege bezitten. Het komt de Raad van State niet toe zich met betrekking tot die impact aan voorspellingen en speculaties te wagen. Met andere woorden, zelfs al is de bestreden beslissing met de meerderheid van het stemmenaantal binnen het politiecollege genomen, dan nog lijkt het niet boven alle twijfel te staan dat een besluitvorming waaraan slechts de leden deelnamen die stemgerechtigd waren, tot hetzelfde resultaat zou hebben geleid. 15. Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig. VI. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen 16. Verzoeker voert aan dat de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege zijn tewerkstelling als inspecteur van politie beëindigt met uitwerking vanaf de dag van de kennisgeving ervan. Verzoeker is dus volledig zonder inkomen gevallen, behoudens de precaire mogelijkheid van een werkloosheids- vergoeding, terwijl hij de gebruikelijke kosten van levensonderhoud - die hij staaft - verder moet dragen. Verzoeker merkt op dat de weinige spaargelden wegslinken aan lopende uitgaven. Hij dreigt met zijn gezin aldus in een schuldenspiraal terecht te komen welke hem onherroepelijk ernstig zal schaden. Het afwachten van het gewone procesverloop van de vordering tot nietigverklaring zal verzoeker in een toestand van armoede brengen, minstens in een toestand van ernstige financiële problemen. Er is zodoende sprake van een sterke financiële weerslag. Verzoeker wijst er nog op dat een beslissing als een ontslag van ambtswege uit zichzelf een ernstig nadeel veroorzaakt waaraan een latere vernietiging niet kan verhelpen gezien de morele en sociale druk die is verbonden aan een dergelijke beslissing. De XIV-38.144-12/15 schandvlek verbonden aan de opgelegde tuchtstraf is dermate dat ze een schorsingsvordering verrechtvaardigt nu deze onaanzienlijk groot dreigt te worden en mogelijks zelfs onherroepelijk als de gewone procedure moet worden afgewacht. Hetzelfde geldt voor wat de sociale gevolgen voor verzoeker betreft, gezien die is afgesneden van professioneel sociaal contact. Beoordeling 17. Zoals sub 4 hiervóór in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). 18. De opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege heeft voor verzoeker ingrijpende gevolgen op materieel-financieel vlak. Het kan bezwaarlijk worden betwist dat het volledig wegvallen van verzoekers maandelijks beroepsinkomen op een wezenlijke wijze zijn levensstandaard aantast en dat het volledig verlies aan wedde hem in een moeilijke financiële situatie zal plaatsen. Verzoeker maakt voorts aannemelijk dat in de persoonlijke financiële situatie waarin hij zich bevindt, deze financiële schade onherroepelijk dreigt te worden indien hij zou dienen te wachten op een uitspraak van de Raad van State over zijn beroep tot nietigverklaring. Deze vaststelling volstaat om te besluiten dat in dit geval aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan. De verwerende partij betwist overigens het spoedeisendheid karakter van de vordering niet in haar nota met opmerkingen. XIV-38.144-13/15 19. Aan de vereiste van spoedeisendheid is voldaan. VII. Conclusie 20. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VIII. Kosten 21. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de politiezone 5341 Zuid van 30 juli 2019, waarbij aan verzoeker als tuchtsanctie het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. XIV-38.144-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.144-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.448 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.030 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.