id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.448 Rolnummer: A. 229018/XIV-38144 Zaak: Arrest 246448 - Tucht (openbaar ambt) - 18/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-20 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-21 21:01 Fiche Arrest nr 246.448 van 18 december 2019 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 246.448 van 18 december 2019 in de zaak A. 229.018/XIV-38.144 In zake : Tom WILLEMS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5341 ZUID bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jérôme Sohier en Manoël De Keukelaere kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 181/24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 4 september 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de politiezone 5341 Zuid van 30 juli 2019, waarbij aan verzoeker als tuchtsanctie het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december 2019. XIV-38.144-1/15 Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Manoël De Keukelaere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone 5341 zone Zuid. 3.2. Met het inleidend verslag van 28 november 2018 stelt de hogere tuchtoverheid voor om verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambstwege op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten en de gevolgen, van de datum van kennisneming van de feiten, van het vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. Het inleidend verslag is ondertekend door Charles Picqué, Eric Tomas en Marc-Jean Ghyssels. De laatstgenoemde tekent als lid van het politiecollege, burgemeester van de gemeente Vorst. Luidens het uittreksel uit het register der beraadslagingen van het politiecollege blijkt dat op de zitting van het politiecollege van 28 november 2018 inzake “punt 4 - onderwerp: tuchtdossier betreffende dhr. INP T. Willems” XIV-38.144-2/15 beslist werd “de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege voor te stellen”, “de dienst Intern Toezicht te gelasten met het opstellen en de betekening van de nodige documenten” en “de burgemeester-voorzitter, de leden van het college en de korpschef a.i. met volledige draagkracht te mandateren tot de beoordeling en ondertekening van de administratieve/tuchtdocumenten, die voortvloeide uit onderhavig besluit.” Nog luidens dat uittreksel waren hierbij aanwezig: Charles Picqué, burgemeester, Marie-Jean Ghyssels en Eric Tomas, burgemeesters, de korpschef a.i. en de secretaris, waarbij luidens het uittreksel “ nadat de korpschef a.i. en de expert in tucht zich uit de zitting terugtrokken” werd beslist. 3.3. Op 30 januari 2019 stelt de hogere tuchtoverheid voor om aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Tegen dit voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.4. In zijn definitief advies van 17 juni 2019 adviseert de Tuchtraad onder meer het volgende: “in hoofdorde, dat het aangewezen is dat de tuchtoverheid afziet van een verdere vervolging nu het voorstel van straf door een onbevoegd orgaan genomen [en] in ondergeschikte orde dat het aangewezen is dat de tuchtoverheid afziet van een verdere vervolging wegens schending van de taalwet en de rechten van verdediging; […].” 3.5. Op 10 juli 2019 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad en om het initiële voorstel tot zware tuchtstraf, zijnde het ontslag van ambtswege, te behouden. Het voorstel is ter kennis gebracht van verzoeker, die vervolgens tegen dat voorstel een verweerschrift indient. XIV-38.144-3/15 3.6. De hogere tuchtoverheid beslist op 30 juli 2019 aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Ernst van het eerste middel Standpunt van de partijen 5. Verzoeker voert in het eerste middel de onbevoegdheid van de steller van de handeling aan, alsook de schending van artikel 23 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: de wet van 7 december 1998), de artikelen 20 en 56 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna de tuchtwet), de schending van artikel 14 van de Nieuwe Gemeentewet en de schending van “het algemeen rechtsbeginsel van de beslotenheid der vergadering.” In wat voor het onderzoek van het middel als een eerste onderdeel kan worden beschouwd, stelt verzoeker vast dat hem een inleidend verslag, gedateerd op 28 november 2018, werd betekend dat uitgaat van een politiecollege waarvan Marc-Jean Ghyssels als lid en burgemeester van de gemeente Vorst deel uitmaakte. Op 26 november 2018 had evenwel een nieuwe XIV-38.144-4/15 burgemeester van de gemeente Vorst de eed had afgelegd, meer bepaald Roberti Stephane die bij ministerieel besluit van 26 november 2018 werd benoemd tot burgemeester, hetgeen ook in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd op 8 januari 2019. De verwerende partij heeft dit niet betwist in de loop van de procedure. Verzoeker doet daarop gelden dat het inleidend verslag uitgaat van het politiecollege als hogere tuchtoverheid dat, bij gebreke aan een rechtsgeldige samenstelling van het politiecollege evenwel een onbevoegd orgaan was dat geen rechtsgeldig inleidend verslag kon betekenen als formele start van de tuchtprocedure. De bevoegde hogere tuchtoverheid is te dezen overeenkomstig artikel 20 van de tuchtwet het politiecollege, waarbij het politiecollege is samengesteld zoals bepaald in art. 23 van de wet van 7 december 1999. Alwaar het inleidend verslag uitgaat van een comité dat anders is samengesteld dan voorzien in artikel 23 van de wet van 7 december 1999 is dit niet het politiecollege, ook al noemt dat comité zich wel zo in het inleidend verslag. Aldus is er geen rechtsgeldig inleidend verslag ingevolge de onbevoegdheid van het comité van wie het inleidend verslag uitgaat en wegens de schending van artikel 23 van de wet van 7 december 1999 en artikel 20 van de tuchtwet. Aldus is eveneens artikel 56 van de tuchtwet geschonden omdat er geen - rechtsgeldig - inleidend verslag is betekend binnen de zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Dat twee van de drie opstellers van het inleidend verslag wel beantwoorden aan de wettelijke vereisten om deel uit te maken van het politiecollege doet er niet aan af dat zij een comité vormden met een derde die geen deel is van het politiecollege. Het is dit drietal dat niet alleen de beslissing heeft genomen maar hetwelk ook daartoe heeft beraadslaagd en waarbij er dus wederzijdse beïnvloeding is. 6. De verwerende partij antwoordt in de nota met opmerkingen wat de aanwezigheid betreft van voormalig burgemeester Ghyssels op de zitting van het politiecollege van 28 november 2018, dat die zitting plaatsvond in de nasleep van de gemeenteraadsverkiezingen en in volle transitieperiode wat de mandaten en de samenstelling betreft van het college van burgemeester en schepenen. Zij bevestigt dat Roberti op 26 november 2018 de eed heeft afgelegd, maar zij betoogt XIV-38.144-5/15 dat er van uit werd gegaan dat die benoeming pas op een latere datum uitwerking zou hebben. De verwerende partij bemerkt dat het voorheen trouwens gebruikelijk was dat de nieuwe besturen pas in werking traden op 1 januari van het jaar volgend op de verkiezingen. Te dezen is pas op de gemeenteraad van 4 december 2018 de gemeenteraad van Vorst overgegaan tot haar installatie en tot de installatie van de politieraad en pas op 18 december 2018 werd het college van burgemeester en schepenen geïnstalleerd. Voorts betwist de verwerende partij het belang van verzoeker bij dit onderdeel van het middel. Volgens haar veranderde het inleidend verslag immers op zich niets aan de rechtspositie van verzoeker, zodat niet wordt ingezien waarom een eventuele onregelmatigheid bij het inleidend verslag repercussies zou kunnen hebben op de geldigheid van de tuchtstraf. Ook moet de aanwezigheid van Ghyssels worden bekeken vanuit het perspectief van de continuïteit van de openbare dienst in de transitieperiode waarin o.m. het politiecollege zich bevond na de verkiezingen. Het was niet zo dat er zomaar een derde bij het politiecollege was opgeroepen die niets met het college te maken had. Hoe dan ook was er geen sprake van een "onbevoegd" orgaan. Conform art. 28 van de wet van 7 december 1999 mag het politiecollege alleen dan beraadslagen en besluiten als de meerderheid van de stemmen bedoeld in artikel 24 is vertegenwoordigd. In casu waren minstens 2 van de 3 burgemeesters geldig aanwezig zodat beslissing en beraadslaging geldig konden gebeuren. Het verdere verloop van de procedure toont aan dat ook bij aanwezigheid van Roberti de opportuniteit van een tuchtprocedure lastens verzoeker op geen enkel ogenblik in vraag werd gesteld en dit ongeacht de concrete samenstelling van het politiecollege. XIV-38.144-6/15 Beoordeling Het belang bij het middelonderdeel 7. De verwerende partij doet gelden dat, daarbij verwijzend naar het arrest nr. 227.299 van 7 mei 2014, verzoeker geen belang heeft bij dit onderdeel van het middel omdat het inleidend verslag op zich de rechtspositie van verzoeker niet wijzigt. Er kan aldus volgens haar niet worden ingezien waarom een eventuele onregelmatigheid bij het inleidend verslag repercussies zou kunnen hebben op de geldigheid van de tuchtstraf. 8. Overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geven de onregelmatigheden die onder een in het eerste lid vermelde nietigheidsgrond ressorteren “slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden”. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad van State brengt, doet blijken van een belang bij het aangevoerde middelonderdeel. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. Het middelonderdeel strekt er op het eerste gezicht toe te onderzoeken of het inleidend verslag is genomen door een daartoe rechtsgeldig samengesteld politiecollege. Het argument dat het inleidend verslag de rechtspositie van verzoeker niet wijzigt ontneemt verzoeker niet zijn belang bij dat middel. De tuchtvervolging neemt vooreerst een aanvang op het ogenblik van de kennisgeving van het inleidend verslag dat overeenkomstig XIV-38.144-7/15 artikel 38 van de tuchtwet wordt opgesteld. Vanaf dat ogenblik is er sprake van een aangespannen tuchtprocedure (Parl. St. Kamer 1998-99, nr. 49-1965/1, 15). Het inleidend verslag is derhalve de eerste en noodzakelijke beslissing van de (hogere) tuchtoverheid om een tuchtprocedure op te starten: zonder inleidend verslag is er geen tuchtvordering en uiteindelijk geen tuchtstraf. Ten tweede moet op grond van artikel 56 van de tuchtwet de kennisgeving van het inleidend verslag aan verzoeker gebeuren binnen de in die bepaling gestelde termijn. Het betreft een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Is die derhalve verlopen, dan brengt zulks het verlies van de tuchtbevoegdheid met zich mee. In het licht van wat voorafgaat, lijkt verzoeker derhalve gebaat bij het onderzoek naar de wettigheid van het inleidend verslag waarmee de tuchtprocedure lastens hem werd opgestart. Zulks volstaat opdat verzoeker getuigt van een belang bij het middelonderdeel. 9. De exceptie vertoont niet de vereiste ernst opdat ze in de huidige stand van de rechtspleging reeds kan worden aangenomen. De ernst van het middelonderdeel 10. Opdat een collegiaal orgaan op geldige wijze kan beslissen is vereist dat het op dat ogenblik op regelmatige wijze is samengesteld. Zonder dat de Raad van State in de huidige stand van het geding moet onderzoeken of dit de bevoegdheid van de steller van de akte betreft dan wel een substantiële vormvereiste betreft, staat aldus in het middelonderdeel centraal de betwisting of het politiecollege als collegiaal orgaan regelmatig was samengesteld op 28 november 2018 wanneer het besliste om lastens verzoeker de tuchtvordering op te starten door middel een inleidend verslag (zie supra, punt 3.2.). 11. Verzoeker is politieambtenaar bij de lokale politiezone Brussel Zuid (PZ 5341). Dit is een meergemeentezone (koninklijk besluit van 28 april 2000 ‘houdende de indeling van het grondgebied van het administratief XIV-38.144-8/15 arrondissement van Brussel-Hoofdstad in politiezones’). Op grond van artikel 20, 1°,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.