← België

Arrest 246462 - Dierenwelzijn - 18/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.462 Rolnummer: A. 229716/VII-40714 Zaak: Arrest 246462 - Dierenwelzijn - 18/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-20 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-21 22:00 Fiche Arrest nr 246.462 van 18 december 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 246.462 van 18 december 2019 in de zaak A. 229.716/VII-40.714 In zake : Joss GUNTHER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kilian Stulens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 9 december 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van: “de beslissing tot inbeslagname van 5 honden dd. 26 september 2019 van de inspecteur Dierenarts/Inspecteur Dierenwelzijn van het Vlaams Gewest, Departement Omgeving, afdeling Strategie, International Beleid en Dierenwelzijn […], in toepassing van artikel 42, §1 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn van dieren […]”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-40.714-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 december
  3. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kilian Stulens, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Maxim Lecomte, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Na een controle op 23 september 2019 gaat een inspecteur, in dienst van de verwerende partij, over tot inbeslagname van vijf honden die toebehoren aan verzoeker en zijn partner. De vaststellingen en het beslag worden geformaliseerd in een beslissing van 26 september
  6. Deze wordt dezelfde dag bij aangetekend schrijven aan verzoeker verzonden. Op 14 oktober 2019 wordt een bestemmingsbeslissing genomen, waarbij de vijf dieren definitief in volle eigendom worden overgedragen aan een erkend asielcentrum. VII-40.714-2/8 IV. Herinnering aan de schorsingvoorwaarden
  7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  8. Met betrekking tot deze voorwaarde zet verzoeker het volgende uiteen: “Algemeen Overeenkomstig artikel 16, § 1, 7°, van het procedurereglement kort geding van 5 december 1991 moet het verzoekschrift ‘een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen’ bevatten. Dit impliceert dat de verzoekende partij in het inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens onder meer aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, ‘op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen’ (Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13). Concreet Ten eerste moet worden benadrukt dat verzoekende partij diligent heeft gehandeld. Bij ontvangst van de beslissing begreep hij niet meteen wat de consequenties van de beslissing waren en is hij hier door niemand over ingelicht (noch door de politie, noch door een dierenarts, noch door de Vlaamse Overheid). Hij betwist zelfs de bestreden beslissing te hebben ontvangen en hiervan pas kennis te hebben gehad nadat verwerende partij het administratief dossier aan zijn raadsman heeft bezorgd (4 december 2019 om 16u11). Gelet op het specifieke karakter van een procedure bij de Raad van State heeft hij zich met zijn vriendin, naar aanleiding van de latere bestemmingsbeslissing, minder dan een week na ontvangst van de bestemmingsbeslissing (22 oktober 2019), tot het Bureau voor Juridische VII-40.714-3/8 Bijstand gewend. Gelet op hun precaire financiële situatie hadden zij geen andere keuze en dienen zij beroep te doen op een pro-deo raadsman. Het Bureau voor Juridische Bijstand heeft de pro-deo-aanvraag van verzoekende partij pas op 15 november 2019 goedgekeurd. Wegens omstandigheden (gebrek aan ervaring binnen het administratief recht) heeft die willekeurig aangestelde pro-deo raadsman de zaak niet kunnen behartigen wegens de complexiteit ervan. Op 28 november 2019, in de late namiddag, heeft zij Mr. Stulens gecontacteerd om de zaak over te nemen. Op vrijdag 29 november 2019 werd Mr. Kilian aangesteld door het Bureau voor Juridische Bijstand en heeft verzoekende partij en zijn vriendin diezelfde dag met hem een bespreking gehad. Binnen de week na raadpleging van de nieuwe advocaat werd huidig verzoekschrift bij Uw Raad ingediend. Verzoekende partij heeft wel degelijk diligent opgetreden en de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig gemaakt bij de RvS. Dat buiten hun wil de aanstelling van (de juiste) pro-deo raadsman lang op zich heeft laten wachten kan aan hen niet worden verweten. Zij hebben nu eenmaal een gebrek aan financiële middelen met als gevolg dat zij zijn aangewezen op pro-deo raadsman. Hun precaire financiële situatie (en gebrekkige kennis van het recht) mag niet tot gevolg hebben dat zij worden verstoken van de schorsingsmogelijkheid bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Daarenboven komt nog dat de beslissing van verwerende partij wat betreft de beroepsmogelijkheden eenvoudigweg op foutieve wijze zijn weergegeven. Enerzijds spreekt de beslissing over een bezwaarschrift dat bij Uw Raad kan worden ingediend, hetgeen niet eens mogelijk is. Daarnaast komt nog dat er geen enkel wetsartikel bij de beslissing werd gevoegd, zelfs niet als bijlage, waaruit blijkt op welke wijze een verzoekschrift dient te worden opgesteld (met alle andere essentiële voorwaarden opdat een verzoekschrift ontvankelijk zou zijn). Op de mogelijkheid om een verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid aan Uw Raad toe te zenden wordt zelfs geen melding gemaakt. Van een overheid mag toch wel minstens verwacht worden dat zij de beroepsmogelijkheden op een correcte manier in de beslissing vermelden... De raadsman van verzoekende partij heeft, dezelfde dag als dat hij werd aangesteld door het Bureau voor Juridische Bijstand, het volledige administratieve dossier bij de dienst dierenwelzijn opgevraagd […]. Dit gebeurde met een e-mail met hoge urgentie. Tevens werd getracht de dienst telefonisch te bereiken doch blijkt het telefoonnummer waarvan melding werd gemaakt in de beslissing niet eens te bestaan. Aangezien de raadsman van verzoekende partij op 3 december 2019 nog steeds geen administratief dossier heeft ontvangen werd opnieuw, via diverse omwegen, telefonisch contact gezocht met de dienst dierenwelzijn. Dat contact vond in de voormiddag plaats. Het dossier zou mogelijks op 3 december 2019 worden overgemaakt maar gelet op een teambuildingactiviteit die namiddag zou doorgaan, zou het dossier vermoedelijk pas op 4 december 2019 worden overgemaakt. Na een nieuwe e-mail en telefonische aanmaning werd het dossier op 4 december 2019 om 16u11 overgemaakt aan de raadsman van verzoekende partij. […] Binnen de week na ontvangst van het administratief dossier heeft verzoekende partij een verzoekschrift aan Uw Raad gericht. VII-40.714-4/8 Gelet op alle omstandigheden heeft verzoekende partij en zijn raadsman wel degelijk al het nodige gedaan om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij Uw Raad. Verzoekende partij werd door zijn raadsman ingelicht dat, gelet op artikel 19, 2de lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de beroepstermijn tegen de bestreden beslissing nog niet was verstreken. Door de beslissing tot inbeslagname heeft hij de honden niet langer bij zich. Het staat vast dat verzoekende partij ernstig wordt getroffen door de bestreden beslissing. Verzoekende partij beschikt over geen enkel ander middel om de honden terug te krijgen. Gelet op het feit dat er al een bestemmingsbeslissing is genomen zullen de dieren met een zekere aan grenzende waarschijnlijkheid, indien toepassing zal worden gemaakt van de gewone procedure, uit het asiel zijn. Dit hetzij als adoptiehond, hetzij als kadaver. Aangezien de beslissing tot inbeslagname en de bestemmingsbeslissing aan elkaar gekoppeld zijn en de beslissing tot inbeslagname onrechtmatig/onwettig is. Het gevolg hiervan is dat de beslissing tot bestemming eveneens onwettig/onrechtmatig is aangezien zij berust op de beslissing tot inbeslagname. De concrete situatie is zeer urgent en gaat niet samen met de gebruikelijke termijn die nodig is voor de afwikkeling van een gewone vordering tot schorsing. Het afwachten van deze termijn heeft desastreuze gevolgen voor zowel de dieren, verzoekende partij, zijn vriendin en hun kinderen. Verzoekende partij heeft in het inleidend verzoekschrift, aan de hand van precieze en concrete gegevens, aangetoond dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of haar belangen veilig te stellen. Een afwijking van de gebruikelijke termijn kan in onderhavig geval worden verantwoord. De uiterst dringende noodzakelijkheid is aanwezig”.
  9. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij(en) aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. VII-40.714-5/8 Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing wordt mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Van een verzoekende partij - die haar belangen door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing immers dermate nadelig aangetast weet dat zij de afwikkeling van de procedure ten gronde en zelfs de gewone schorsing niet kan afwachten - wordt gevergd dat zij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. In het inleidend verzoekschrift wordt geen verantwoording gegeven voor de lange tijd die verstreken is tussen de kennisneming van de bestreden beslissing en het instellen van de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid. Verzoeker meent dat zijn onbegrip betreffende de consequenties van de beslissingen, de trage werking van het Bureau voor Juridische bijstand en het aanduiden van een nieuwe advocaat, de lange tijd die verstreken is tussen de kennisneming van de bestreden beslissing en het instellen van de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoordt. Het feit dat verzoeker een nieuwe raadsman zou hebben moeten kiezen heeft geen invloed op de beoordeling van de termijn. Het lijkt weinig aannemelijk dat verzoeker de consequenties van de beslissingen niet zouden hebben kunnen inschatten, de honden werden naar aanleiding van de beslissing tot inbeslagname immers meegenomen en in afwachting van een definitieve bestemmingsbeslissing overgebracht naar een asiel. De daaropvolgende bestemmingsbeslissing vermeldt dat de dieren in volle eigendom worden gegeven aan het erkende asiel. De bewoordingen van de VII-40.714-6/8 bestreden beslissingen en het feit dat de honden effectief werden weggenomen laten weinig ruimte voor interpretatie. De trage werking van het Bureau voor Juridische bijstand wordt wel beweerd maar wordt niet aangetoond. De verzoekende partij legt geen stukken voor waaruit dit zou blijken. Bovendien verantwoordt dit niet waarom verzoeker zelf minstens een volle week heeft gewacht vooraleer hij zelf actie ondernam en het Bureau voor Juridische bijstand contacteerde. De bepaling van artikel 19, tweede lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 kan te dezen niet met succes worden ingeroepen, aangezien zij enkel verwijst naar de beroepen tot nietigverklaring, bedoeld in artikel 14, § 1, van diezelfde wet, en niet naar vorderingen tot schorsing. Er is bijgevolg niet voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 1, en § 4 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie te onderzoeken, VI.Rechtsplegingsvergoeding
  10. De verwerende partij vraagt een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. Gelet op het bepaalde in artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is er aanleiding om de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het minimumbedrag van 140 euro. VII-40.714-7/8 BESLISSING
  11. De Raad van State verwerpt de vordering.
  12. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro verschuldigd aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.714-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.462 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.