id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.465 Rolnummer: A. 228203/VII-40554 Zaak: Arrest 246465 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-30 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-21 20:54 Fiche Arrest nr 246.465 van 19 december 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.465 van 19 december 2019 in de zaak A. 228.203/VII-40.554 In zake :
- Vien BUI-VANDEPUT
- Bach Nga PHAM THI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Roland Timmermans kantoor houdend te 3010 Kessel-Lo Martelarenlaan 50, bus 0203 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0903 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 23 april 2019 in de zaak 1819-RvVb-0204-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 27 juni 2019 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.554-1/9 Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 november
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Roland Timmermans, die verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Met een besluit van 30 augustus 2018 verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) een omgevingsvergunning aan de aanvrager “voor het bouwen en uitbaten van een nieuw uitvaartcentrum”.
- Het bestreden arrest verklaart de vordering van de verzoekende partijen tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie bij VII-40.554-2/9 toepassing van artikel 21, § 5, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet) en artikel 59/1, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: procedurebesluit RvVb) “klaarblijkelijk onontvankelijk”. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting ingediend waarin zij de memorie van wederantwoord hernemen en een repliek geven op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de verzoekende partijen. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover het daarnaast de neerslag vormt van de uiteenzetting van de verzoekende partijen ter terechtzitting, wordt het niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. VII-40.554-3/9 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partijen
- De verzoekende partijen voeren in het eerste middel de schending aan van de artikelen 4.8.14, 4.8.18, 4.8.20, 4.8.21, 4.8.23, 4.8.24 en 4.8.25 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Zij betogen dat het bestreden arrest het algemeen rechtsbeginsel dat de strengheid van de wet in geval van overmacht of onoverwinnelijke dwaling kan worden gemilderd schendt door “enkel vast te stellen dat de betaling van het door de verzoekende partij verschuldigde rolrecht niet tijdig is gebeurd en op grond van die vaststelling het beroep van de verzoekende partij, zonder tegenspraak, onontvankelijk te verklaren”. Beoordeling
- De artikelen 4.8.14, 4.8.18, 4.8.20, 4.8.23, 4.8.24 en 4.8.25 VCRO zijn opgeheven bij de artikelen 81 en 83 van het DBRC-decreet. Artikel 4.8.21 VCRO bepaalt dat elk van de personen, vermeld in artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, VCRO in de zaak kan tussenkomen.
- Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen” bevatten. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. VII-40.554-4/9 Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. Het middel dat de schending aanvoert van de artikelen 4.8.14, 4.8.18, 4.8.20, 4.8.21, 4.8.23, 4.8.24 en 4.8.25 VCRO zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen schendt, wordt verworpen.
- Het bestreden arrest verklaart het beroep van de verzoekende partijen bij toepassing van de vereenvoudigde procedure (artikel 59/1, § 1, van het procedurebesluit RvVb) klaarblijkelijk onontvankelijk na: - de vaststelling bij een aan de verzoekende partijen meegedeelde beschikking van de voorzitter van de RvVb van 21 februari 2019 dat de verzoekende partijen “hebben verzuimd om binnen de voorgeschreven termijn het verschuldigde rolrecht te storten en dat het beroep […] klaarblijkelijk onontvankelijk is”, en - de beoordeling van de argumentatie van de verzoekende partijen in hun verantwoordingsnota. Het middel dat de schending aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel (randnr. 6) omdat geen tegenspraak werd gevoerd, mist feitelijke grondslag.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 149 van de Grondwet. VII-40.554-5/9 De verzoekende partijen betogen dat hun recht op een eerlijke behandeling (artikel 6.1 EVRM) en de motiveringsplicht (artikel 149 van de Grondwet) geschonden zijn “doordat de motieven, neergelegd in het ingediende verzoekschrift tot vernietiging, niet behandeld worden, maar onder het mom van het niet kwijten van het rolrecht, onbeantwoord worden gelaten” door het bestreden arrest. Zij stellen dat de “loutere verwijzing naar de niet betaling van het rolrecht” het bestreden arrest niet kan schragen “omdat de verwerende partij (lees: de RvVb) erkent dat de ongeopende envelop met het betalingsverzoek [...] werd teruggestuurd zodat [h]ij wist en moest weten dat door de ongeopend gertourneerde brief de verzoekende partij materialiter nooit een rolrecht kon betalen”. Zij voegen toe dat het motief in het bestreden arrest “dat het gegeven dat de verzoekende partij in het verleden steeds onmiddellijk betaald heeft na het verzoek te hebben ontvangen niet relevant is” duidelijk aantoont dat “verzoekende partij van zodra zij kennis heeft van een betalingsverzoek ook de betaling uitvoert”.
- De verzoekende partijen zetten voor het eerst in de memorie van wederantwoord uiteen dat artikel 6.1 EVRM wordt geschonden omdat het “arbitrair en eenzijdig stopzetten van een binnen de termijn ingeleide procedure onder het voorwendsel van het niet betalen van het rolrecht […] een flagrante schending van het recht van verdediging” is, en omdat de “regeling, die de RvVb toepast, […] discriminatoir purgerend effect” heeft. Beoordeling
- De aldus in de memorie van wederantwoord aangevoerde schending van artikel 6.1 EVRM, zonder aan te tonen dat de verzoekende partijen dat niet in de inleidende akte konden aanvoeren zoals wordt vereist in artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit, is laattijdig en dienvolgens onontvankelijk. VII-40.554-6/9
- Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet), treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. In zoverre het middel de Raad van State noopt tot het in tweede instantie overdoen van de feitelijke beoordeling van de RvVb, is het onontvankelijk. Het middel wordt hierna onderzocht zonder in de beoordeling van de zaak zelf te treden.
- De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. Het middel dat aanvoert dat “[d]e loutere verwijzing naar de niet betaling van het rolrecht” het bestreden arrest niet kan schragen, gaat uit van een andere rechtsopvatting. Het middel faalt naar recht.
- Door het klaarblijkelijk onontvankelijk verklaren van de vordering van de verzoekende partijen op basis van de beoordeling van de argumenten van de verzoekende partijen in hun verantwoordingsnota, is het bestreden arrest naar eis van recht gemotiveerd. VII-40.554-7/9
- Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Standpunt van de verzoekende partijen
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. Zij betogen dat “het verzet van de verzoekende partij tegen de bouwvergunning, zoals blijkt uit het ingediende verzoekschrift, grondig onderbouwd” is en dat het “afhankelijk stellen van de behandeling van de zaak van de betaling van een rolrecht, waarvan men weet dat het verzoek onverrichter zake is teruggekeerd” een schending is van voormelde beginselen. Beoordeling
- De aangevoerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn toepasselijk op bestuurshandelingen van administratieve overheden als bedoeld in artikel 14, § 1, RvS-wet. De RvVb is een administratief rechtscollege als bedoeld in artikel 14, § 2, RvS-wet. De aangevoerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet toepasselijk op de arresten van de RvVb.
- Het middel faalt naar recht. VII-40.554-8/9 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 40 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.554-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.465 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div