id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.466 Rolnummer: A. 219228/VII-39671 Zaak: Arrest 246466 - Milieuvergunningen - 19/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-30 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-24 17:07 Fiche Arrest nr 246.466 van 19 december 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.466 van 19 december 2019 in de zaak A. 219.228/VII-39.671 In zake : de CVBA KEMPISCH TEHUIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bouly kantoor houdend te 3920 Lommel Lepelstraat 15 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV STATION GROTE BARRIER gevestigd te 3920 Lommel Luikersteenweg 258, bus 1 waar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erik Berx kantoor houdend te 3590 Diepenbeek Sint-Servatiusstraat 55 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 13 mei 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 7 maart 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van VII-39.671-1/17 de deputatie van de provincieraad van Limburg van 24 september 2015, houdende het weigeren van de milieuvergunning aan de nv Station Grote Barrier voor een tankstation, gelegen aan de Luikersteenweg 234b te Lommel, gegrond wordt verklaard en de vergunning onder voorwaarden wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 29 augustus 2016. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 november 2019. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Vande Casteele, die loco advocaat Stijn Verbist verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Eric Berx, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-39.671-2/17 Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.1. De bestreden beslissing heeft betrekking op een tankstation op de hoek van de Luikersteenweg en de Fabriekstraat in Lommel, Luikersteenweg 234b. Het tankstation bestaat onder meer uit een grootschalige luifel met twee pompeilanden en een shop, deels gelegen onder de luifel. De inrichting bevindt zich op een terrein, kadastraal gekend als afdeling 5, sectie H, perceelnrs 917V2 en 918H. Aan de thans bestreden beslissing gaat een beslissing van 17 maart 2015 van de minister vooraf, waarbij deze in graad van beroep een vergunning verleent voor het “hernieuwen van een tankstation” op het kadastrale perceel, afdeling 5, sectie H, perceelnr. 918H, omvattende: • het lozen van 0,5m³/uur - 3m³/dag - 250m³/jaar bedrijfsafvalwater, afkomstig van de tankpiste, via een koolwaterstofafscheider in de openbare riolering; • de opslag van 40.000 l benzine in een ondergrondse, dubbelwandige gecompartimenteerde opslaghouder (1 X 10.000 l en 2 X 15.000
- l)en de opslag van 50 l tweetaktbenzine - totale opslag bedraagt 40.050 l; • de opslag van 18.000 l diesel in een ondergrondse, dubbelwandige houder; • acht verdeelslangen. 3.2. Op 7 april 2015 dient de nv Station Grote Barrier een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in. Zij wenst de geldende milieuvergunning te veranderen door toevoeging van een perceel 917V en door uitbreiding met een bijkomende verdeelinstallatie. VII-39.671-3/17 De milieuaanvraag vermeldt onder meer: “De geldende milieuvergunning werd afgeleverd bij besluit van de deputatie van de provincie Limburg dd. 25 september 2014. Deze milieuvergunning werd afgeleverd voor een beperkte termijn van 5 jaar. Echter in beroep werd de milieuvergunning afgeleverd voor een periode van 20 jaar bij besluit van de Vlaamse minister van omgeving, natuur en landbouw dd. 17 maart 2015”. Op de aanvraag zijn volgende rubrieken uit de indelingslijst van toepassing: “- (rubriek 3.4.1.a.): het zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie lozen van bedrijfsafvalwater dat geen van de in bijlage 2C bij titel I van het Vlarem bedoelde gevaarlijke stoffen bevat in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom „indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen)‟ van artikel 3 van bijlage 2.3.1. van titel II van het Vlarem Ongewijzigd: het lozen van 0,5m³/uur - 3m³/dag - 250m³/jaar bedrijfsafvalwater, afkomstig van de tankpiste, via een koolwaterstofafscheider in de openbare riolering (klasse 3); - (rubriek 17.3.4.2.a.3.): opslagplaatsen voor zeer licht ontvlambare en licht ontvlambare vloeistoffen, bij uitsluitende ondergrondse opslag of bij combinatie van ondergrondse of bovengrondse opslag Ongewijzigd: de opslag van 40 000l benzine in een ondergrondse, dubbelwandige gecompartimenteerde opslaghouder (1 X 10 000l en 2 X 15 000l) en de opslag van 50l tweetaktbenzine - totale opslag bedraagt 40 050l (klasse 1); - (rubriek 17.3.6.1.b.): opslagplaatsen voor vloeistoffen met een ontvlammingspunt hoger dan 55°C, maar dat 100°C niet overtreft, voor andere dan sub
- a)bedoelde inrichtingen Ongewijzigd: de opslag van 18.000 liter diesel in een ondergrondse, dubbelwandige houder (klasse 3); - (rubriek 17.3.9.3): brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen, zijnde installaties voor het vullen van brandstoftanks van motorvoertuigen met vloeibare koolwaterstoffen bestemd voor de voeding van de erop geïnstalleerde motor(en); Vergund: 8 verdeelslangen; Verandering: uitbreiden met 8 verdeelslangen; Na verandering: 16 verdeelslangen (klasse1); op de kadastrale percelen van en te Lommel, afdeling 5, Sectie B, nrs. 917V2 en 918H, Luikersteenweg 234b”. De aangevraagde uitbreiding betreft de regularisatie van de bestaande toestand, die wordt gekenmerkt door een conflict tussen de verzoekende VII-39.671-4/17 partij en de exploitant over het gedeelte van het tankstation dat zich op perceel 917V2 bevindt. 3.3. Tijdens het openbaar onderzoek wordt een bezwaarschrift ingediend door Sociale woonmaatschappij Kempisch Tehuis. Zij wijst er onder meer op dat de aanvraag betrekking heeft op perceel 917V2 in eigendom van de CVBA en dat zij niet akkoord gaat met de verlenging van de milieuvergunning zonder voorafgaand bindend akkoord over een herlokalisatie. Tevens wijst zij op een beding in de aankoopakte van 1995 in verband met de beëindiging van de exploitatie, op de aankoop van het verwaarloosde Barriershuis dat zij ondertussen opgewaardeerd heeft in het kader van sociale woningbouw en dat een beeldbepalend gebouw is, terwijl het tankstation enkel nog werd “geduld” in afwachting van de verhuis ervan, en op de leefbare omgeving voor de huurders, die zij wil vrijwaren. 3.4. De gemeente Lommel verleent een negatief advies, onder meer op grond van de overweging dat het aangevraagde pompeiland gelegen is op het eigendom van de verzoekende partij en dat de exploitant geen toelating heeft om het te gebruiken. 3.5. Voor de Provinciale Milieuvergunningscommissie voert de raadsman van de exploitant aan: - dat hij met de huidige aanvraag een tweede verdeelinstallatie voor motorbrandstoffen wenst te regulariseren op het toe te voegen perceel 917V2, dat “tot 24 maart 2011 steeds deel heeft uitgemaakt van de afgeleverde milieuvergunningen op naam van de NV Station Grote Barrier”; - dat er geen schriftelijke maar wel een mondelinge overeenkomst bestaat tussen de verzoekende partij en de exploitant voor het gebruik van het terrein 917V2, tot de herlocalisatie kan plaatsvinden, waarvoor de exploitant sedert januari 2013 een maandelijkse vergoeding aan de verzoekende partij betaalt - de exploitant stelt dat hij op basis daarvan over een gebruiksrecht op het terrein beschikt. VII-39.671-5/17 Hij schetst tevens de historiek van de (mislukte) pogingen tot herlokalisatie, die wel zijn “intentie” blijft. 3.6. De deputatie van de provincieraad van Limburg weigert de gevraagde vergunning voor het veranderen van een tankstation. Zij overweegt onder meer dat de exploitant geen beschikkingsrecht heeft over perceel 917V2, dat vanuit stedenbouwkundig oogpunt het tankstation een storend element vormt, gelegen in het zicht van het Barriershuis, en dat het een verkeersonveilige situatie creëert. 3.7. De exploitant dient een bestuurlijk beroep in bij de minister tegen deze weigering. Hij argumenteert onder meer dat er een mondelinge overeenkomst bestaat met de huidige verzoekende partij voor het gebruik(srecht) van het terrein 917V2, en dat hij er een maandelijkse vergoeding voor betaalt. 3.8. De afdeling gebieden en projecten van ruimte Vlaanderen, de afdeling Milieuvergunningen en de GMVC verlenen een gunstig advies. De adviesinstanties overwegen onder meer dat “betwistingen over burgerlijke rechten zoals in casu een gebruiksrecht voor het perceel 917V2, toebehoren aan de burgerlijke rechtbanken en buiten de bevoegdheid van de milieuvergunningverlenende overheid vallen”. 3.9. Op 7 maart 2016 bevindt de minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het beroep gegrond en heft zij het bestreden besluit op. De milieuvergunning wordt verleend onder voorwaarden. Wat de planologische toets en de toets aan de goede ruimtelijke ordening betreft, overweegt de bestreden beslissing het volgende: “Overwegende dat het betrokken goed volgens het gewestplan Neerpelt-Bree (Koninklijk Besluit van 22 maart 1978) in een woongebied met landelijk karakter ligt; dat de woongebieden met een landelijk karakter bestemd zijn voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven; VII-39.671-6/17 Overwegende dat het tankstation gelegen is aan de hoek van de Luikersteenweg en de Fabriekstraat en bestaat uit een grootschalige luifel met 2 pompeilanden en een shop, deels gelegen onder de luifel; dat het de percelen 917v2 en 919h betreft; dat thans de aanvrager hier 2 pompeilanden met gezamenlijk 16 verdeelslangen wenst uit te baten; Overwegende dat het tankstation zich bevindt vóór het in de inventaris Bouwkundig Erfgoed opgenomen Barriershuis, net achter het perceel 917v2; Overwegende dat de bestaande infrastructuur regelmatig bouwvergund werd; dat dit impliceert dat er telkens ook vanuit gegaan mag worden dat ondanks de ligging ter hoogte van het kruispunt er geen verkeersonveilige situatie werd bestendigd; dat heden de verkeerstechnische situatie ter hoogte van dit kruispunt ongewijzigd is gebleven; dat uit de vergunningshistoriek eveneens besloten mag worden dat de infrastructuur er steeds ruimtelijk bestaanbaar werd geacht; dat huidige aanvraag niets wijzigt aan dit gegeven; dat er immers geen bouwvergunningsplichtige werken aan de orde zijn; Overwegende dat het deel (perceel 917v2) gelegen vóór het Barriershuis in eigendom is van het Kempisch Tehuis; dat het bezwaar van de eigenaar aangaande de exploitatie echter burgerrechtelijk moet worden beslecht; dat eigendomskwesties geen aspect zijn van ruimtelijke ordening; Overwegende dat het een infrastructuur betreft die zich ruimtelijk goed geïntegreerd heeft in de betrokken omgeving; dat de huidige aanvraag geen bouwvergunningsplichtige werken met zich meebrengt; Overwegende dat de aangevraagde inrichting bijgevolg verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de tussenkomende partij 4. De tussenkomende partij werpt als exceptie op dat het verzoekschrift tot nietigverklaring onontvankelijk is omdat het instellen van het beroep niet conform het maatschappelijk doel is zoals opgenomen in de statuten van de verzoekende partij. Voorts hebben de onmiddellijk omwonenden, huurders van de verzoekende partij, allen vrijwel gelijkluidend verklaard geen hinder, noch enig ongemak te ondervinden van de exploitatie. VII-39.671-7/17 Ook zou de verzoekende partij het vereiste belang ontberen doordat de nietigverklaring haar geen voordeel zou verschaffen, aangezien het om een bestemmingsconforme exploitatie gaat. Beoordeling 5. Het staat niet ter betwisting dat de verzoekende partij eigenaar is van het perceel waarop de bestreden beslissing betrekking heeft. Zij beschikt alleen al om die reden over het vereiste belang om de wettigheid van de verleende vergunning voor de Raad van State te betwisten. De exceptie is niet gegrond. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunten van de partijen 6. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending van artikel 17, eerste lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, de artikelen 21, § 2, 29 en 30, § 1, 4°-5°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Zij betoogt dat de beoordeling die in de bestreden beslissing wordt gemaakt van de verenigbaarheid van de milieuvergunning met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening, niet feitelijk correct noch afdoende is, en evenmin zorgvuldig is voorbereid, beoordeeld en gemotiveerd, ondanks de ter zake uitgebrachte adviezen en vergunningsbesluiten. VII-39.671-8/17 Zij wijst vooreerst op beslissingen, bezwaren en adviezen die doorheen de jaren in het kader van een vergunningsprocedure de stedenbouwkundige onverenigbaarheid aan de kaak hebben gesteld, in het bijzonder betreffende problemen in verband met de verkeersveiligheid, het leefcomfort van het Barriershuis, en de ontsiering van het beschermde monument door de inplanting van een banaal tankstation. Vervolgens gaat zij in het kader van haar grief in verband met de feitelijke onjuistheid en onzorgvuldige grondslag van de motivering dieper in op de verschillende overwegingen in de bestreden beslissing: onder meer het motief omtrent het gebruiksrecht van het perceel 917V2, het verbeteren van de verkeersveiligheid en de ruimtelijke bestaanbaarheid ervan in samenhang met de vergunningenhistoriek. De verzoekende partij besluit dat de verenigbaarheid van de milieuvergunning met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening niet degelijk werd onderzocht. De argumenten van de vergunningsaanvrager werden volgens haar zonder meer bijgetreden, en de vergunningshistoriek en de bezwaren van de eigenaar, de stad en de deputatie van de provincieraad van Limburg zouden zonder meer van tafel zijn geveegd. 7. De verwerende partij stelt daar tegenover dat de verenigbaarheid van de aanvraag met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening wel ter dege is onderzocht. Zij wijst erop dat de bestreden beslissing alle elementen die in het bezwaarschrift worden aangereikt heeft besproken, “met name de verkeersveiligheid, het leefcomfort van de bewoners van het Barriershuis en het waardevol karakter daarvan”, en verwijst voorts naar bepaalde stukken wat betreft de vergunningshistoriek voor bouwvergunningen, waaruit volgens haar blijkt dat het tankstation zowel op perceel 918h als op perceel 917V2 volledig stedenbouwkundig vergund is. Op 17 maart 2015 werd overigens nog een milieuvergunning verleend voor het perceel 918H voor het verder exploiteren en veranderen van een tankstation. VII-39.671-9/17 Zij zet onder meer uiteen dat de bestreden beslissing wel degelijk een grondige analyse van de verenigbaarheid van de milieuvergunning met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening bevat, dat de verzoekende partij ter staving van haar beweringen geen enkel concreet element bijbrengt, en dat de talrijke aspecten van het bezwaarschrift in de bestreden beslissing aan bod komen. 8. De tussenkomende partij verwijst wat betreft het motief inzake de verbetering van de verkeersveiligheid en de feitelijke grondslag ervan naar de verklaringen van de rechtstreeks aanpalende bewoners dat zij geen enkele hinder van het tankstation ondervinden. Het door de verzoekende partij geopperde “uitdoofscenario voor het gehele tankstation” wordt volgens haar weerlegd doordat haar op 17 maart 2015 een milieuvergunning werd afgeleverd op het perceel 918H, voor een termijn van twintig jaar. Aansluitend bij het standpunt van de verwerende partij, stelt ook de tussenkomende partij dat “een en ander volledig stedenbouwkundig vergund is in tegenstelling tot de beweringen van de verzoekende partij”. Ook lijken volgens haar de in eerste aanleg uitgebrachte adviezen in principe niet bestemd te zijn voor de in beroep oordelende overheid. De tussenkomende partij besluit met enkele bedenkingen: - bij de beoordeling van de motivering van het al dan niet toelaten van een vergunningsplichtige inrichting mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de bevoegde overheid; - betwistingen over eigendoms- en gebruiksrechten vallen niet onder de bevoegdheid van de vergunnende overheid; er bestaat betwisting over het gebruiksrecht: enkel de burgerlijke rechter kan daarover uitspraak doen; - de milieuvergunningsaanvraag kan enkel beoordeeld worden op haar milieuhygiënische verdiensten los van eigendoms- en gebruiksbetwistingen. VII-39.671-10/17 9. In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij toe dat het besluit van de Vlaamse minister van 17 maart 2015 aantoont dat met de dynamiek die kenmerkend is voor maatschappelijke en ruimtelijke evoluties rekening werd gehouden. Zij merkt op dat visies en denkbeelden over ruimtelijke ordening evolueren. Bij de milieuvergunningsaanvrag die deels betrekking heeft op hetzelfde perceel 918H kon volgens haar terecht worden uitgegaan van de verenigbaarheid met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening. Bovendien is de voormelde beslissing thans definitief. 10. Het standpunt van de verwerende partij in haar laatste memorie sluit hierbij aan. Beoordeling 11. De milieuvergunnende overheid moet nagaan of de inrichting verenigbaar is met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient dan ook in een eigen redengeving aan te geven waarom de inrichting verenigbaar wordt geacht met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Afdoende betekent dat de motieven pertinent zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken hebben, en tevens dat ze draagkrachtig zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen volstaan om de genomen beslissing in rechte te verantwoorden. In de motivering overweegt de overheid dat de infrastructuur regelmatig stedenbouwkundig is vergund, waaruit zij afleidt dat er thans evenmin een probleem rijst qua ruimtelijke ordening of qua verkeersveilige ligging aangezien er niets verkeerstechnisch veranderd is ten opzichte van de vroegere situatie. Vanuit de premisse dat de inrichting in het verleden telkens ruimtelijk VII-39.671-11/17 inpasbaar werd geacht, redeneert de vergunningverlenende overheid dat dit ook geldt voor huidige aanvraag. Hiermee gaat zij voorbij aan het wezen van de stedenbouwkundige toets, die inhoudt dat de overheid aan de hand van precieze, aan de zaak eigen gegevens toetst of de aangevraagde exploitatie (te dezen de exploitatie van een tankstation) verenigbaar is met de goede plaatselijke aanleg. Die beoordeling moet bij elke milieuvergunningsaanvraag opnieuw uitgevoerd worden, waarbij concreet moet worden gemotiveerd waarom een aanvraag (nog steeds) verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving. Het feit dat er geen “bouwvergunningsplichtige werken” aan de orde zouden zijn, doet daaraan geen afbreuk. Er kan in de beoordeling niet louter worden teruggegrepen naar een vergunde situatie in het verre verleden om de exploitatie thans ook nog conform de goede plaatselijke aanleg en de onmiddellijke omgeving te beschouwen. De toets aan de goede ruimtelijke ordening is onvoldoende onderbouwd en onzorgvuldig uitgevoerd. De opmerking van de tussenkomende partij in haar laatste memorie dat het besluit van de Vlaamse minister van 17 maart 2015 aantoont dat door de vergunningverlenende overheid rekening werd gehouden met de dynamiek die kenmerkend is voor maatschappelijke en ruimtelijke evoluties, en dat visies en denkbeelden over ruimtelijke ordening evolueren, en de opmerking van de verwerende partij die daarbij aansluit, verandert hieraan niets. De verwijzing naar de vergunde situatie en vergunningshistoriek ter onderbouwing van de “ruimtelijke bestaanbaarheid” is overigens niet alleen in rechte onaanvaardbaar, maar mist ook feitelijke grondslag. De “vergunningshistoriek” blijkt immers wat betreft de ruimtelijke bestaanbaarheid niet zo onverdeeld positief te zijn als de bestreden beslissing laat uitschijnen: zo acht bijvoorbeeld de deputatie bij de eindbeslissing VII-39.671-12/17 van 24 maart 2011 de inrichting juist niet verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening, onder meer gelet op het Barriershuis en de verkeersonveilige ligging, reden waarom de vergunning desondanks voor een korte termijn werd verleend. Voorts noemde de deputatie het tankstation in haar beslissing over een bouwvergunning van 12 december 2002 een “storend element”. Het motief dat “uit de vergunningenhistoriek eveneens besloten mag worden dat de infrastructuur er steeds ruimtelijk bestaanbaar werd geacht” berust op een onzorgvuldige feitenvinding. Daarbij komt dat de aanvraag ook betrekking heeft op perceel 917V2, waarop zich een pompeiland en een deel van de luifel bevindt. De door de verwerende partij aangebrachte bouwvergunningen blijken evenwel enkel duidelijk melding te maken van perceel 918G. Uit die stukken blijkt niet, in tegenstelling tot wat de verwerende partij repliceert, dat de infrastructuur “volledig” stedenbouwkundig werd vergund. De overweging dat “het een infrastructuur betreft die zich ruimtelijk goed geïntegreerd heeft” is niet onderbouwd, nu niet blijkt welke relevante en concrete gegevens de overheid daartoe in aanmerking heeft genomen. Uit de motivering blijkt niet dat de verwerende partij op grond van precieze gegevens, eigen aan de zaak, tot het besluit is gekomen dat de vergunde inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening. Dit klemt des te meer nu op die problematiek in het bijzonder ten aanzien van het gerestaureerde Barriershuis werd gewezen in het bezwaarschrift. Het eerste middel is gegrond. VII-39.671-13/17 VI. Handhaving van de gevolgen Verzoek 12. De tussenkomende partij vraagt in haar laatste memorie toepassing van artikel 14ter van de RvS-wet. Zij stelt: “Voor zover de Raad desondanks van oordeel moest zijn dat het bestreden besluit van de Vlaamse Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw d.d. 7 maart 2016 dient vernietigd te worden, verzoekt de tussenkomende partij om de gevolgen van deze vernietigde individuele akte alleszins voorlopig te handhaven voor een termijn van 5 jaar vanaf het tussen te komen arrest, op grond van artikel 14ter RvSt.-wet. Zoals hoger weergegeven, dagvaardde het Kempisch Tehuis tussenkomende partij voor het Vredegerecht kanton Neerpelt-Lommel (actueel : kanton Pelt), op 17 augustus 2017. Mede namens tussenkomende partij werd de Stad Lommel in gedwongen tussenkomst en vrijwaring gedagvaard, op 31 maart 2017. Onder meer beide vorderingen werden door het Vredegerecht kanton Pelt ontvankelijk verklaard waar bij vonnis d.d. 21 januari 2019 […] tevens alvorens ten gronde te oordelen plaatsopneming bevolen werd met de persoonlijke verschijning van eisende partij, verwerende partijen en verwerende partijen in tussenkomst en vrijwaring (art. 922 Ger. W.) en dit met het oog op het eventueel uitwerken van een minnelijke regeling en de feitelijke toestand ter plaatse vast te stellen. De bevolen plaatsopneming van dinsdag 26 maart 2019 werd door het Vredegerecht kanton Pelt verdaagd naar dinsdag 2 april 2019. In tussentijd hebben partijen al rond tafel gezeten én werden voorstellen onderling uitgewisseld. Ook tussenkomende partij is nog steeds bereid om medewerking te verlenen aan het bereiken van een minnelijke regeling, net zoals alle andere betrokken partijen. Voor tussenkomende partij is het hierbij echter van primordiaal belang dat exploitatie van het tankstation gevrijwaard én gegarandeerd blijft tot na operationele uitbating van het bevoorradings- en servicestation op de nieuwe locatie. Uitbating van het tankstation gelegen te 3920 Lommel, Luikersteenweg 234b dient in een rechtszeker kader voor de beide (kadastrale) percelen met nummers 918H en 917v2 plaats te vinden. Vernietiging van het bestreden besluit van de Vlaamse Minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 7 maart 2016 door de Raad van State [...] zal daarentegen onaanvaardbare gevolgen voor de uitbating van het tankstation VII-39.671-14/17 hebben, en dit meest fundamenteel vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid waar een tempering in voorliggend geval gerechtvaardigd is teneinde het bij hoger vermeld vonnis van het Vredegerecht kanton Pelt duidelijk vooropgestelde oogmerk, namelijk het eventueel uitwerken van een minnelijke regeling […], een ware kans op welslagen te (kunnen) bieden. Immers zijn aan deze minnelijke regeling heel wat (complexe) onderscheiden handelingen verbonden waar tevens primordiaal de vereiste vergunningen aangevraagd en bekomen dienen te (kunnen) worden. Ter gelegenheid van de plaatsopneming door mevrouw de Vrederechter kanton Pelt op 2 april 2019 werd de zaak opnieuw vastgesteld op (het eind van
- de)zitting van midden mei 2019, met het oog op kennisname van de tussentijdse stand van zaken (o.m. welke concrete stappen ondernonnen zijn) waar minnelijke regeling op de geplande terechtzitting eind oktober 2019 geëvalueerd zal worden. Samenvattend : 5 jaar vanaf het tussen te komen arrest om de gevolgen van deze vernietigde individuele akte alleszins voorlopig te handhaven op grond van artikel 14ter RvSt.-wet kan als realistisch omschreven worden wat de voorbije acht jaren in deze zaak onomstotelijk voor alle betrokken partijen hebben aangetoond; de percelen voor de nieuwe locatie zijn (reeds) in 2011 aangekocht door tussenkomende partij”. Beoordeling 13. Artikel 14ter van de RvS-wet luidt: “Op verzoek van een verwerende of tussenkomende partij, en als de afdeling bestuursrechtspraak het nodig oordeelt, wijst ze die gevolgen van de vernietigde individuele akten of, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde reglementen aan, die als definitief moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die ze vaststelt. De in het eerste lid bedoelde maatregel kan enkel worden bevolen om uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing en na een tegensprekelijk debat. Deze beslissing kan rekening houden met de belangen van derden”. 14. De partij die de toepassing vraagt van deze bepaling moet omstandigheden aanvoeren en aannemelijk maken dat de nadelige gevolgen van de nietigverklaring op een kennelijk onredelijke wijze zwaarder wegen dan het rechtsherstel dat het gevolg is van de nietigverklaring van een onwettige vergunning. VII-39.671-15/17 Er moet bewezen worden dat de vernietiging, specifiek vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid, onaanvaardbare gevolgen zal hebben en dat, om uitzonderlijke redenen, weliswaar een tempering kan worden gerechtvaardigd van een onvoorwaardelijke nietigverklaring door de uitwerking ervan in de tijd te moduleren. Het kan niet worden aanvaard dat, via het voormelde artikel 14ter, de gevolgen van de nietigverklaring volledig teniet worden gedaan en het arrest dat de nietigverklaring uitspreekt, wordt uitgehold. In de uiteenzetting van de tussenkomende partij wordt de precieze omvang van de beweerde gevolgen niet behoorlijk gestaafd noch toegelicht. Daarom bestaat er geen dwingende reden om aan te nemen dat de gevolgen van de vernietiging van de bestreden beslissing zo uitzonderlijk zijn dat ze moeten worden getemperd met toepassing van artikel 14ter van de RvS-wet. Het verzoek om de gevolgen van de vernietigde beslissing te handhaven wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 7 maart 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 24 september 2015, houdende het weigeren van de milieuvergunning aan de nv Station Grote Barrier voor een tankstation, gelegen aan de Luikersteenweg 234b te Lommel, gegrond wordt verklaard en de vergunning onder voorwaarden wordt verleend. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-39.671-16/17 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien december tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.671-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.466 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div