← België

Arrest 246499 - Niet begeleide minderjarigen - 20/12/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.499 Rolnummer: A. 227083/XIV-37910 Zaak: Arrest 246499 - Niet begeleide minderjarigen - 20/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-02 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-21 07:11 Fiche Arrest nr 246.499 van 20 december 2019 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 246.499 van 20 december 2019 in de zaak A. 227.083/XIV-37.910 In zake : Yonas SHISHAY MOGOS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katrin Verhaegen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 17 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 18 oktober 2018 waarbij wordt vastgesteld dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’, van de programmawet van 24 december 2002”, waardoor de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege vervalt op de datum van de kennisgeving van deze beslissing. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus XIV-37.910-1/17 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 juni
  3. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Maertens, die loco advocaat Katrin Verhaegen verschijnt voor verzoeker, en attaché Anja Billooye, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker komt België binnen en dient een asielaanvraag in op 13 augustus
  6. Hij verklaart alsdan van Eritrese nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 12 januari
  7. Verzoeker wordt onder de hoede geplaatst van de dienst Voogdij doch de dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van betrokkene. In het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven ondergaat verzoeker op 10 oktober 2018 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. XIV-37.910-2/17 Op 18 oktober 2018 beslist de dienst Voogdij dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december
  8. Bijgevolg vervalt de plaatsing onder de hoede van Jongeheer Yonas SHISHAY MOGOS door de dienst Voogdij van rechtswege op de datum van de kennisgeving van deze beslissing.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  9. In het auditoraatsverslag wordt aangegeven dat verzoeker zelf heeft verklaard geboren te zijn op 12 januari
  10. Ter terechtzitting is de vraag gesteld naar verzoekers belang bij het beroep tot nietigverklaring omdat hij, uitgaande van de voormelde geboortedatum, op het ogenblik van de terechtzitting reeds de leeftijd van 18 jaar zou hebben bereikt en de vraag rijst naar zijn belang bij het beroep tot nietigverklaring, nu de verwerende partij na een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing slechts zou kunnen vaststellen dat verzoeker inmiddels ouder is dan 18 jaar.
  11. Uit nader onderzoek van het dossier blijkt dat verzoeker in het verzoekschrift tot nietigverklaring bovenaan bij de opgave van zijn identiteit “12 januari 2002” als geboortedatum vermeldt doch verder bij de uiteenzetting van de feiten “12 januari 2001” aangeeft. In de bestreden beslissing wordt enkel 12 januari 2002 als de door verzoeker opgegeven geboortedatum vermeld. Bijgevolg kan worden aangenomen dat verzoekers opgegeven geboortedatum 12 januari 2002 is, zodat hij volgens zijn eigen verklaring de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en hij op grond van die opgegeven leeftijd zijn belang bij het beroep tot nietigverklaring niet heeft verloren. XIV-37.910-3/17 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  12. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op artikel 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003), van “de motiveringsplicht” vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van de zorgvuldigheidsplicht en de redelijkheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van artikel 25 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2013/32), van artikel 24.2 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en van artikel 17 van het Europees Sociaal Handvest. Hij licht dit toe als volgt: “Artikel 25.5 van de herschikte Procedurerichtlijn vereist als waarborg voor minderjarigen dat waar de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige wordt vastgesteld door een medisch onderzoek dit pas kan nadat ‘er een algemene verklaring is afgelegd of andere relevante aanwijzingen zijn overgelegd’ en die twijfel doen rijzen: ‘De lidstaten kunnen in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of ander relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd’. Verzoeker kan op basis van de bestreden beslissing en het medische dossier niet nagaan welke afgelegde verklaringen of andere relevante aanwijzingen geleid zouden hebben tot twijfel die op zijn beurt tot de medische test geleid heeft. Er wordt in de bestreden beslissing enkel gesteld dat de DVZ ‘twijfel’ geuit heeft. Wat die twijfel inhoudt, op wat die gebaseerd is, en welke aanwijzingen ertoe XIV-37.910-4/17 geleid hebben komen we niet te weten. Dit maakt een schending uit van artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn, dat verder niet is omgezet naar nationale wetgeving en directe werking heeft. Verder bepaalt artikel 25.5 als waarborg naar niet-begeleide minderjarigen toe dat indien een medisch onderzoek wordt verricht dat de niet-begeleide minderjarige in een taal die hij begrijpt of waarvan kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt in kennis wordt gesteld van het feit dat mogelijk een medisch onderzoek zal worden verricht om zijn leeftijd vast te stellen. Er wordt daartoe informatie verstrekt over de onderzoeksmethode, over de mogelijke gevolgen van het onderzoek voor de behandeling van de asielaanvraag en over de gevolgen indien de betrokkene weigert het onderzoek te ondergaan. Uit de bestreden beslissing blijkt enkel dat ‘betrokkene werd geïnformeerd over het verloop van het medisch onderzoek’. Of verzoeker effectief in kennis werd gesteld in een taal die hij kon begrijpen, wat de onderzoeksmethode zou zijn, wat de mogelijke gevolgen van het onderzoek kunnen zijn en wat de gevolgen kunnen zijn voor de asielaanvraag en wat er gebeurt indien hij weigert kan niet afgeleid worden uit de motieven van de bestreden beslissing. Artikel 51 van de Procedurerichtlijn bepaalt dat artikel 25.5 van de richtlijn diende omgezet te zijn uiterlijk op 20 juli
  13. Die omzetting is niet gebeurd tot op heden. Het Van Gend & Loos-arrest (zaak 26/62) vormt de basis voor het mechanisme van rechtstreekse werking. In dit arrest oordeelde het Hof van Justitie dat het gemeenschapsrecht onafhankelijk van de wetgeving van de lidstaten voor particulieren rechten kan scheppen. Als (een deel van) de bepalingen uit de richtlijn rechtstreeks werken, zijn deze volledig en direct van toepassing. Op grond van het beginsel van gemeenschapstrouw (voorheen art. 10 EG-verdrag; huidig artikel 4 lid 3 Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)), zoals het Hof van Justitie EG oordeelde in het Constanzo-arrest (zaak C-103/88), kunnen de nationale rechters en de administratie zich niet verschuilen achter mogelijke gebreken van de centrale wetgever wanneer het gaat om correcte implementatie van Europese richtlijnen. De bepalingen van artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn zijn onvoorwaardelijk, voldoende duidelijk en nauwkeurig en hebben bij gebrek aan omzetting, directe werking en scheppen een subjectief recht voor verzoeker. De Orde der Artsen wijst er in haar advies met betrekking tot leeftijdstests ook op dat geïnformeerde toestemming van de betrokkene essentieel is: ‘In elk geval mag de test niet uitgevoerd worden zonder de toestemming van de persoon, die de nodige informatie verkregen dient te hebben over het doeleinde, de contra-indicaties en de inherente risico’s van de test. Deze informatie dient te worden verstrekt in een duidelijke en begrijpelijke taal, eventueel door bemiddeling van een tolk. De toestemming dient uitdrukkelijk gegeven te worden. Bijstand van een voogd of van een referentiepersoon is belangrijk voor de betrokken persoon in dit stadium van de procedure, […] ofschoon de programmawet van 24 december 2002 bepaalt dat een voogd aangewezen wordt wanneer het statuut van NBMV bewezen is, behalve in uiterst dringende noodzakelijkheid. De onderzoeker dient te beschikken over de nodige tijd en gunstige omstandigheden om een kwalitatieve test uit te voeren. Het onderzoek dient uitgevoerd te worden met eerbied voor het individu.’ Nationale Raad van de Orde der Artsen, Testen voor leeftijdsbepaling bij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, advies van 20 februari 2010, stuk 2, https://www.ordomedic.be/nl/adviezen/advies/testen-voor-leeftijdsbepaling-bij-nie t-begeleide-minderjarige-vreemdelingen. Gelet op het feit dat uit het medische dossier en uit de bestreden beslissing niet blijkt dat verzoeker werd geïnformeerd over doeleinde, de contra-indicaties en de inherente risico’s van de test, en gelet op het feit dat niet enkel de Orde dit XIV-37.910-5/17 onontbeerlijk acht maar dit ook vereist wordt door een bepaling in de Procedurerichtlijn dat bij gebrek aan omzetting nu directe werking heeft, schendt de bestreden beslissing de motiveringsplicht en artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn. Wat betreft het eigenlijke onderzoek dient er aangemerkt te worden dat de 3 onderzoeken die gevoerd werden ernstig bekritiseerd worden vanuit de vakliteratuur en op supranationaal niveau. ‘[Het Europese Parlement] betreurt het dat de medische technieken die in sommige lidstaten worden gehanteerd om de leeftijd vast te stellen ongepast en opdringerig zijn en trauma’s kunnen veroorzaken, betreurt het eveneens dat sommige, op botontwikkeling of gebitsmineralisatie gebaseerde methodes omstreden blijven en een grote foutenmarge kennen; verzoekt de Commissie om in de strategische richtsnoeren op beste praktijken gebaseerde gemeenschappelijke normen op te nemen voor de methode waarmee de leeftijd wordt bepaald, waarbij deze beoordeling multidimensionaal en multidisciplinair moet zijn en door onafhankelijke, gekwalificeerde beroepsbeoefenaars en deskundigen uitgevoerd moet worden op een wetenschappelijke, veilige, gender- en kindvriendelijke en eerlijke manier, met bijzondere aandacht voor meisjes; herinnert eraan dat de leeftijdsbepaling moet worden verricht onder eerbiediging van de rechten en fysieke integriteit van het kind en van de menselijke waardigheid, en dat minderjarigen altijd het voordeel van de twijfel gegeven moet worden; wijst er tevens op dat medische onderzoeken alleen moeten worden uitgevoerd wanneer andere beoordelingsmethodes zijn uitgeput en dat het mogelijk moet zijn om tegen de uitkomsten van deze beoordeling in beroep te gaan; looft de werkzaamheden van EASO op dit vlak, en is van mening dat deze aanpak voor alle minderjarigen zou moeten worden veralgemeend.’ Resolutie van het Europese Parlement van 12 september 2013 over de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de Europese Unie (2012/2263(INI)) […] ‘De techniek van de botleeftijdsbepaling laat enkel toe de leeftijd van het skelet vast te stellen; het overeenstemmen met de burgerlijke leeftijd van de persoon is een diagnostische beoordeling. […] Voorts schuilt een moeilijkheid in de reproduceerbaarheid van de interpretatie van de onderzoeken tussen de verschillende deskundigen. Schatting houdt altijd een onnauwkeurigheidsfactor in en kan bijgevolg slechts leiden tot een betrouwbaarheidsinterval. Twijfel moet altijd uitvallen in het voordeel van de persoon die verklaart minderjarig te zijn. (...) Verschillende factoren (etnische, genetische, endocriene, sociaaleconomische, nutritionele, medische, ...) kunnen de groei van een individu beïnvloeden. De tabellen voor de botleeftijdsbepaling die als referentie dienen, zijn opgemaakt op grond van een bepaalde bevolking; de meest gebruikte zijn gebaseerd op de westerse blanke bevolking. Opdat de verwijzing relevant zou zijn, dient de persoon op wie ze toegepast worden tot dezelfde bevolking te behoren. De dentale criteria hangen in het bijzonder af van de etnische oorsprong en van het sociaaleconomisch en nutritioneel niveau van het individu. [...] De Nationale Raad meent om de hierboven uiteengezette redenen dat de andere indicatoren die leeftijdsbepaling van het individu mogelijk maken niet verwaarloosd mogen worden.’ Nationale Raad van de Orde der Artsen, Testen voor leeftijdsbepaling bij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, advies van 20 februari 2010, stuk 2, https ://www. ordomedic.be/nl/adviezen/advies/testen-voor-leeftijdsbepaling-bij -niet-begeleide- minderjarige-vreemdelingen. De onderzoeken zijn onvoldoende nauwkeurig en zijn volledig geijkt op een westers publiek. Met betrekking tot kinderen die in armoede zijn opgegroeid, en kinderen die uit Azië komen, zijn er doorslaggevende indicaties dat de resultaten XIV-37.910-6/17 van de huidig gebruikte testen er jaren naast kunnen zitten. Zoals hierboven reeds aangehaald wijst de Orde der Artsen daar zelf ook op: ‘We merken op dat geen enkele van de gebruikte methodes werd uitgewerkt en getest op jongeren afkomstig uit de landen waar de NBMV vandaan komen. Als deze methodes geen rekening houden met de betreffende referentiegroepen, is hier dan geen sprake van foute premissen?’ Platform Kinderen op de Vlucht, Leeftijdsschatting van niet-begeleide minderjarigen (NBMV) in vraag: Probleemstelling, analyse en aanbevelingen, september 2017, pg.18, stuk
  14. ‘4.4.1 Onderzoek en radiografie van de tanden In België begint de leeftijdsschatting met een onderzoek van de tanden en een orthopantomogram, een panoramische radiografie van het hele gebit. Er is geen vaste methode vastgelegd in het protocol van de Dienst Voogdij met de ziekenhuizen om de resultaten van het tandonderzoek en orthopantomogram te interpreteren. Wel heeft de KU Leuven verschillende onderzoeken gedaan naar de groei en ontwikkelingsstadia van de wijsheidstanden. Deze methode baseert zich op een scoringssysteem van de ontwikkelingsstadia van de wijsheidstanden. Deze scoringsystemen zijn gebaseerd op onderzoek van Demirjian en Köhler. Volgens een studie van 2003 op 2513 Belgische jongeren tussen de 15,7 en 23,3 jaar van Kaukasische origine kan men de chronologische leeftijd schatten met een standaarddeviatie van 1,49 jaar voor mannen en 1,50 voor vrouwen. Een vaak terugkerende kritiek is dat men er niet vanuit kan gaan dat deze resultaten ook gelden voor jongeren van ander origine. Er bestaat een studie die deze techniek toepast voor doelgroepen in China, Japan, Korea, Polen, Thailand, Turkije, Saoedi-Arabië en India. Bij de onderzochte personen, in hetzelfde ontwikkelingsstadium van de tanden, stelt met verschillen vast die oplopen tot 14 maanden. Hier valt op te merken dat er dus wel degelijk verschillen bestaan en dat de onderzochte doelgroepen niet behoren tot landen waar NBMV vandaan komen (Afghanistan, Syrië, Eritrea, Somalië, Congo, Guinée enz.).’ Platform Kinderen op de Vlucht, Leeftijdsschatting van niet-begeleide minderjarigen (NBMV) in vraag: Probleemstelling, analyse en aanbevelingen, september 2017, pg 18, stuk
  15. ‘Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de permanente tanden en wijsheidstanden op zeer variabele leeftijden uitgroeien en dat er een risico bestaat op het van overschatten van de leeftijd. De onderzoekers Solheim en Sondnes kwamen tot de volgende conclusie: ‘een schatting van de leeftijd werd uitgevoerd op 100 tanden volgens verschillende methodes: alle methodes leverden een overschatting van de gebitsleeftijd bij de onderzoeken die werden gedaan op tanden bij mannen jonger dan 40 jaar.’ Platform Kinderen op de Vlucht, Leeftijdsschatting van niet-begeleide minderjarigen (NBMV) in vraag: Probleemstelling, analyse en aanbevelingen, september 2017, pg 26, stuk
  16. ‘De wetenschappelijke controverse is ook groot rond het evalueren van het groeistadium van de wijsheidstanden. Voor Solari en Abramovitch bedraagt het gemiddelde verschil tussen de werkelijke leeftijd en de geschatte leeftijd 3 jaar voor vrouwen en 2,6 jaar voor mannen. Een ander onderzoek door Thorson en Hagg meldt een gemiddeld verschil tussen de werkelijke leeftijd en de geschatte leeftijd dat kan gaan tot 3,5 jaar voor vrouwen. We zullen verder in dit rapport zien dat ook de etnische afkomst en het leefmilieu van een jongere medeoorzaak kunnen zijn van overschatting van de leeftijd.’ Platform Kinderen op de Vlucht, Leeftijdsschatting van niet-begeleide minderjarigen (NBMV) in vraag: Probleemstelling, analyse en aanbevelingen, september 2017, pg 18, stuk
  17. XIV-37.910-7/17 ‘4.6 Etnische variaties De huidige procedures van leeftijdsschatting houden geen rekening met de etnische afkomst van de jongeren. In de wetenschappelijke literatuur wordt er nochtans gewezen op aanzienlijke verschillen. We vermelden hieronder enkele van de talrijke studies. In een onderzoek van Koshy en Tandon over de leeftijdsschatting van kinderen in het zuiden van India op basis van de methode van Demirjian werd vastgesteld dat de leeftijd voor meisjes met 2,82 jaar en jongens met 3,04 jaar werd overschat. Wat de wijsheidstanden betreft, brachten verschillende studies van Olze en coll. aan het licht dat wijsheidstanden ‘bij de zwarten in Zuid-Afrika veel vroeger opkomen dan bij blanken in Duitsland, terwijl ze bij Aziaten van Japan veel later opkomen’. Sommige auteurs zoals Iscan en coll. wijzen op het belang van etnische afkomst, met name voor ‘zwarten, die een snellere botrijping met een densere botstructuur vertonen’. Ontell et al. concluderen dat het gebruik van de methode van Greulich en Pyle met de nodige omzichtigheid gebruikt moet worden, met name voor Aziatische en Latino jongens en voor Latino meisjes of meisjes met een zwarte huidskleur. Wij concluderen hier dat er meer onderzoek vereist is naar de invloed van etnische afkomst op de betrouwbaarheid van de huidige methodes om botscans te interpreteren. Hiermee moet rekening gehouden worden wanneer de leeftijd geschat wordt.’ Platform Kinderen op de Vlucht, Leeftijdsschatting van niet-begeleide minderjarigen (NBMV) in vraag: Probleemstelling, analyse en aanbevelingen, september 2017, pg.21, stuk
  18. Het is duidelijk dat er effectief gerede twijfel bestaat over de nauwkeurigheid van de testen en dat de resultaten er jaren van kunnen zitten. Op zijn minst dient verzoekers socio-economische achtergrond, nutritioneel niveau en zijn etnische herkomst mee in rekening gebracht te worden om tot een nauwkeuriger resultaat te komen. Artikel 3 laatste lid van het KB van 22 december 2003 stelt dan ook dat het medische onderzoek niet enkel radiografisch onderzoek dient te bevatten maar onder meer ook psycho-affectieve tests kan omvatten, wat de nauwkeurigheid ongetwijfeld ten goede zou komen. Wat betreft de eigenlijke testuitslagen dient het volgende opgemerkt te worden. Voor wat betreft het klinische onderzoek wordt er gewezen op de ‘intuïtie van de tandarts’ en dit op grond van een bron van
  19. Dit is geen wetenschappelijke manier van werken en wordt niet erkend als een goede manier om aan leeftijdsbepaling te doen. De preliminaire indruk op grond van intuïtie werkt daarenboven een zekere vooringenomenheid in de hand en tast de betrouwbaarheid van het onderzoek aan. Voor de handpolsradiografie dient opgemerkt te worden dat zowel de methode van Greulich en Pyle als deze van Tanner, Whitehouse e.a. hier niet dienst kunnen aangewend worden. De methode van Greulich en Pyle werd niet ontwikkeld om op basis van de botleeftijd de werkelijke leeftijd van een persoon te kunnen afleiden, maar om een andere reden: de tabellen werden opgesteld om vroeg- of laattijdige botrijping op te sporen en zo een groeiachterstand bij kinderen of adolescenten vast te stellen. De methode is dus bedoeld om de leeftijd van het skelet te bepalen ten opzichte van de chronologische leeftijd, en niet omgekeerd. In casu wordt de methode van Greulich en Pyle omgekeerd toegepast, hetgeen nooit door de auteurs van de methode gevalideerd werd (Platform Kinderen op de vlucht pg 19). De methode van Tanner en Whitehouse is gebaseerd op een steekproef van Schotse kinderen geboren in 1950, afkomstig uit gezinnen met een bescheiden socio-economische status. In deze methode wordt er, op basis van radiografieën, gekeken naar de verbening van verschillende epifysaire punten in de linker pols en linkerhand (Pauline Saint-Martin, ‘Apport de l'imagerie par résonance magnétique XIV-37.910-8/17 dans la détermination de l'âge chez le sujet vivant’, Thèse de doctorat, Université Toulouse 3 Paul Sabatier, Januari 2014, http ://thesesups.ups-tlse.fr/2370/1/2014T 0U30003.pdf). Net zoals de methode van Greulich en Pyle, werd ook deze methode ontwikkeld om de skeletleeftijd te schatten, met kennis van de chronologische leeftijd, en niet omgekeerd. Deze methode houdt eveneens geen rekening met variaties in etnische afkomst van de personen of met hun medische voorgeschiedenis. (Platform Kinderen op de vlucht pg 19) Wat betreft het onderzoek van de wijsheidstanden dient ook hier gewezen te worden op het controversiële karakter van de test. Een vaak terugkerende kritiek is dat men er niet vanuit kan gaan dat deze resultaten ook gelden voor jongeren van ander origine. Er bestaat een studie die deze techniek toepast voor doelgroepen in China, Japan, Korea, Polen, Thailand, Turkije, Saoedi-Arabië en India (Thevissen PW, Fieuws S, Willems G. ‘Human third molars development: Comparison of 9 country specific populations. ‘, Forensic Sci Int., 201(1-3), 2010, 102-5.). Bij de onderzochte personen, in hetzelfde ontwikkelingsstadium van de tanden, stelt men verschillen vast die oplopen tot 14 maanden. Hier valt op te merken dat er dus wel degelijk verschillen bestaan en dat de onderzochte doelgroepen niet behoren tot landen waar verzoeker vandaan komt (Eritrea). Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de permanente tanden en wijsheidstanden op zeer variabele leeftijden uitgroeien en dat er een risico bestaat op het van overschatten van de leeftijd. De onderzoekers Solheim en Sondnes kwamen tot de volgende conclusie: ‘een schatting van de leeftijd werd uitgevoerd op 100 tanden volgens verschillende methodes: alle methodes leverden een overschatting van de gebitsleeftijd bij de onderzoeken die werden gedaan op tanden bij mannen jonger dan 40 jaar.’ (Tore Solheim et Per Kristian Sundnes: ‘Dental age estimation of norwegian adults - a comparaison of different methods’, Forensic Science International, 16, 1980, 7-17) De wetenschappelijke controverse is ook groot rond het evalueren van het groeistadium van de wijsheidstanden. Voor Solari en Abramovitch bedraagt het gemiddelde verschil tussen de werkelijke leeftijd en de geschatte leeftijd 3 jaar voor vrouwen en 2,6 jaar voor mannen (AC Solari, K. Abramovitch, ‘The accuracy and precision of the third molar development as an indicator of chronological age in Hispanics’, J Forensic Sci, 47

(3), 2002, 531-535) Een ander onderzoek door Thorson en Hagg meldt een gemiddeld verschil tussen de werkelijke leeftijd en de geschatte leeftijd dat kan gaan tot 3,5 jaar voor vrouwen (J. Thorson, U. Hagg, ‘The accuracy and precision of the third mandibular molar as an indicator of chronological age’, Swed. Dent. J. ,15, 1991,15-22). De Claviculascore volgens Schmelling zit in stadium 3. Het wordt gelinkt aan een leeftijd rond de 20 jaar en met een foutenmarge van 2 jaar. Dat is bijzonder opmerkelijk gezien alle relevante literatuur er op wijst dat stadium 3 voor jongens vanaf 16 jaar of 16,9 jaar begint: ‘Stadium 3 is ‘zichtbaar vanaf 16 jaar voor beide geslachten’.1 Een ander onderzoek geeft aan dat fase III begint op 16,9 jaar’ 1 F. Gabioud, Des méthodes d’évaluation de l’âge d'un être humain. Doctoraatsthersis; Universiteit van Genève, 2009, no. Med 10599 2 S. Schmidt, M Mühler, A. Schmeling, W. Reisinger, R. Schulz, ‘Magnetic resonance imaging of the clavicular ossification’, Int J Legal Med, 121
(4), 2007, 321-324’ Platform Kinderen op de Vlucht, Leeftijdsschatting van niet-begeleide minderjarigen (NBMV) in vraag: Probleemstelling, analyse en aanbevelingen, september 2017, pg.20, stuk 3. ‘De huidige referentiestudies over de bepaling van de graad van ossificatie van het kraakbeen van de mediale claviculaire epifyse d.m.v. verschillende beeldvormingtechnieken melden een minimumleeftijd voor stadium II tussen 11 en XIV-37.910-9/17 17 jaar, voor stadium III op 16 jaar en voor stadium IV tussen 19 en 23 jaar. Radiologische evaluatie van de pols en de clavicula ter bepaling van de skeletleeftijd De minimum leeftijd bepaald bij autopsie correspondeert met deze leeftijdsgrenzen. (Schmidt et al., 2007; Schmeling et al., 2004; Schulz et al., 2005; Schulze et al., 2006; Kreitner et al., 1998; Cardoso, 2008; Kellinghaus et al., 2009; Schulz et al., 2008b)’ J. DE TOBEL, Radiologische evaluatie van de pols en de clavicula ter bepaling van de skeletleeftijd Partim Clavicula, pg 57-58, stuk 6. Dit wil dus zeggen dat verzoeker 16 jaar zou kunnen zijn volgens deze test. Indien we dan nog in rekening brengen dat zowel voor deze twee testen als de tandentest er afwijkingen mogelijk van tot en met 3 jaar voor jongens, zeker waar geen rekening werd gehouden met ethnische origine, sociaaleconomische afkomst en voedingspatroon, zitten we met onnauwkeurige resultaten, waarbij er sterke indicaties zijn dat verzoeker zijn verklaarde leeftijd heeft. Verwerende partij ging dan ook onzorgvuldig te werk door op basis van een medisch onderzoek waarvan 2 van de 3 tests wijzen op een jongere leeftijd dan 18, en waarbij geen relevante criteria zijn gebruikt die rekening houden met verzoekers afkomst, etnie, socioeconomische geschiedenis en voedingspatroon, te besluiten dat verzoeker meerderjarig is. Het feit dat van de mogelijkheid vervat in artikel 3 van het KB van 22 december 2003 omtrent psycho-affectieve tests geen gebruik werd gemaakt, leidt tot een schending van de zorgvuldigheidsplicht geschonden. Verder werd ook de motiveringsplicht geschonden. Uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 blijkt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet tevens afdoende zijn. Gelet op het feit dat met betrekking tot de precieze informatie die verzoeker verschaft werd, en zijn instemming of het gebrek eraan geen motieven werden opgenomen, en gelet op het feit dat de vaststellingen van de radioloog gebrekkig vertaald werden door de tandheelkundige en aan beslissingen over leeftijd gelinkt werden die geen weerslag vinden in de vakliteratuur wordt de motiveringsplicht geschonden. Tot slot werd ook artikel 7 van Titel XIII, hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de Programmawet van 24 december 2002 geschonden. Dit artikel bepaalt immers dat in geval van twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek, er met de jongste leeftijd rekening wordt gehouden. In casu biedt het medisch onderzoek geen zekerheid omtrent de meerderjarigheid van verzoeker, waardoor verwerende partij de jongste leeftijd van verzoeker had moeten aanhouden. Het feit dat 2 van de 3 tests wijzen op een jongere leeftijd dan 18, en waarbij geen relevante criteria zijn gebruikt die rekening houden met verzoekers afkomst, etnie, socioeconomische geschiedenis en voedingspatroon, miskennen het hoger belang van het kind zoals vervat in artikel 24.2 van het EU Handvest, dat de eerste overweging zou moeten vormen.[.] Het feit dat van de mogelijkheid vervat in artikel 3 van het KB van 22 december 2003 omtrent psycho-affectieve tests geen gebruik werd gemaakt, leidt eveneens tot een miskenning van het hoger belang van het kind. Er had immers veel zorgvuldiger kunnen omgesprongen worden met verzoekers minderjarigheid, de gebreken van de tests, en de interpretatie van de resultaten ervan. De bestreden beslissing dient te worden nietig verklaard.” XIV-37.910-10/17 Beoordeling 7. Naar luid van artikel 25.5, eerste lid, van richtlijn 2013/32 kunnen “de lidstaten […] in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of ander relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd”. Daargelaten de vraag naar de rechtstreekse werking van deze bepaling, kan er geen verplichting uit worden afgeleid om aan de vreemdeling, nadat deze laatste een verklaring heeft afgelegd, mee te delen welke de redenen zijn om te twijfelen aan de door de vreemdeling opgegeven leeftijd. Naar luid van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32, zorgen de lidstaten ervoor dat “de niet-begeleide minderjarige, voordat het verzoek om internationale bescherming wordt behandeld, in een taal die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, in kennis wordt gesteld van het feit dat mogelijk een medisch onderzoek zal worden verricht om zijn leeftijd vast te stellen” en wordt daarbij “onder meer informatie verstrekt over de onderzoeksmethode en over de mogelijke gevolgen van het medische onderzoek voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, alsook over de gevolgen indien de niet-begeleide minderjarige weigert het medische onderzoek te ondergaan”. Uit de bestreden beslissing blijkt “dat de betrokkene werd geïnformeerd over het verloop van het medisch onderzoek” en “dat op 10 oktober 2018 een gesprek heeft plaatsgevonden op de dienst Voogdij tussen de betrokkene en een medewerker van de dienst Voogdij in het bijzijn van een tolk”. Vervolgens blijkt niet dat verzoeker zich heeft verzet tegen het leeftijdsonderzoek, dat zonder zijn medewerking immers niet had kunnen worden uitgevoerd. Omwille van deze elementen blijkt dan ook niet dat de voornoemde voorwaarden van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32 niet werden gerespecteerd. XIV-37.910-11/17 Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond. 8. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in die beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan achttien jaar oud is. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Verzoeker blijkt trouwens kennis te hebben van het verslag van het deskundig onderzoek vermits hij in het middel ingaat op de (resultaten van
  1. de)verschillende deelonderzoeken en zich tegen de beoordeling ervan in de bestreden beslissing verzet. Verzoeker voert alleszins niet aan, en maakt a fortiori niet aannemelijk, dat hij geen kennis kon nemen van het administratief dossier. Het eerste middel is ongegrond wat de aangevoerde schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreft. 9. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Hij beperkt zich tot algemene kritiek doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten XIV-37.910-12/17 gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen gaat het dus op datum van 10 oktober 2018 om “een leeftijd […] van 20,6 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Verzoeker geeft een eigen interpretatie aan de verschillende onderzoeksresultaten doch hij toont daarmee niet aan dat de eindconclusie van het medisch verslag in strijd is met de gedane vaststellingen. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag. Het eerste middel is ongegrond wat de schending van artikel 7 XIV-37.910-13/17 van de voogdijwet en van het redelijkheidsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur betreft. 10. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. De voornoemde bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de informatie uit de overgelegde documenten wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Het enige middel is in die mate ongegrond. 11. Artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch het zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht met de algemene bewering van het tegendeel. Het eerste middel is ook in die mate ongegrond. XIV-37.910-14/17 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 12. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van de materiëlemotiveringsplicht, van “het beginsel van het recht op tegenspraak en de rechten van verdediging”, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en van artikel 41.2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hij licht dit toe als volgt: “Artikel 2 van de Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van 29 juli 1991 stelt: ‘De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd’. Artikel 3 van die wet stelt: ‘De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn’. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht bestaat erin dat de betrokkene in de beslissing de motieven moet kunnen aantreffen derwijze dat kan worden nagegaan of de overheid van redenen die in feite en rechte juist zijn, of de overheid die gegevens correct heeft beoordeeld, en of ze op die gronden redelijkerwijze tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is een annulatieberoep tegen de beslissing in te dienen (RvS, 18 januari 2010, nr. 199.583; RvS, 11 december 2015, nr; é. 222). Artikel 41 van het Handvest van Grondrechten van de Unie voorziet in een recht op behoorlijk bestuur, waarbij wordt gesteld dat eenieder het recht heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld en dat de betrokken instanties daarbij de plicht hebben om hun beslissingen met redenen te omkleden. In deze context is de rechtspraak van het Hof volgens dewelke de doeltreffendheid van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechterlijke toetsing vereist dat de belanghebbende kennis kan nemen van de gronden waarop het jegens hem genomen besluit is gebaseerd, hetzij door lezing van het besluit zelf, hetzij doordat de redenen hem op zijn verzoek worden meegedeeld (HvJ 17 maart 2011, C-372/09 en C-373/09, Peñarroja Fa, pt. 63; HvJ 17 november 2011, C-430/10, Gaydarov, pt. 41.), uitermate relevant. Dit is immers een conditio sine qua non teneinde hem de mogelijkheid te bieden zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft om zich tot de bevoegde rechter te wenden, en teneinde deze laatste ten volle in staat te stellen om de wettigheid van het betrokken nationale besluit te toetsen (HvJ 15 oktober 1987, C-222/86, Heylens e.a., pt. 15; HvJ 3 september 2008, C-402/05 P en C-415/05 P, Kadi en Al Barakaat International Foundation, pt. 337; HvJ 17 november 2011, C-430/10, Hristo Gaydarov, pt. 41; HvJ 20 september 2011, T-461/08, Evropaiki Dynamiki, pt. 122. Zie ook Marleen Maes en Anja Wijnants, Tijdschrift voor Vreemdelingenrecht, nr. 2, 2016, Het Handvest van de Grondrechten van de XIV-37.910-15/17 Europese Unie: een nieuwe speler in het vreemdelingenrecht (Deel 2), pg.167). Artikel 41.2 van het Handvest bevat ook: ‘het recht van eenieder om toegang te krijgen tot het dossier hem betreffende, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim’. Verzoekende partij heeft kopie gevraagd aan verwerende partij van de eigenlijke uitslagen van de leeftijdstest zodat kan nagegaan worden of de test correct is afgenomen. Verzoeker kreeg enkel kopie van het document met kenmerk FT_ex 5116, wat een bespreking bevat van het onderzoek en de resultaten. Het eigenlijke onderzoek krijgt verzoeker evenwel niet te zien, zodat hij op basis van die resultaten niet ook een tweede advies kan vragen aan een expert van zijn keuze. Hij kan evenmin nagaan of de conclusies die getrokken werden en de parafrasering (indien die er
  2. is)correct hebben plaatsgevonden. De beslissing dient dan ook vernietigd te worden.” Beoordeling 13. Het recht op verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, is in beginsel enkel van toepassing in straf- en tuchtzaken. Geen wettelijke of reglementaire bepaling breidt het recht van verdediging uit tot administratieve beslissingen in het kader van de voogdijwet, zoals de bestreden beslissing. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze de materiëlemotiveringsplicht zou zijn geschonden met de bestreden beslissing. Het tweede middel is in die mate niet-ontvankelijk. 14. Uit de behandeling van het eerste middel blijkt reeds dat verzoeker daarmee geen schending aantoont van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991. Verder geeft verzoeker aan dat hij een kopie heeft ontvangen van “het document met kenmerk FT_ex 5116, wat een bespreking bevat van het onderzoek en de resultaten”. Verzoeker heeft dus kennis van het medisch onderzoek, temeer daar hij in het eerste middel de resultaten ervan betwist, verwijzend naar de verschillende deelonderzoeken. Derhalve heeft verzoeker ook kennis van de gronden waarop de bestreden beslissing is gesteund, minstens maakt XIV-37.910-16/17 verzoeker wat dat betreft geen tekortkoming aannemelijk. Er blijkt ook niet dat verzoeker geen kennis zou hebben kunnen nemen van het administratief dossier. Verzoeker toont dat ook geen schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 of van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het tweede middel is in die mate ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.910-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.499 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.