id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.499 Rolnummer: A. 227083/XIV-37910 Zaak: Arrest 246499 - Niet begeleide minderjarigen - 20/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-01-02 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-21 07:11 Fiche Arrest nr 246.499 van 20 december 2019 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 246.499 van 20 december 2019 in de zaak A. 227.083/XIV-37.910 In zake : Yonas SHISHAY MOGOS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katrin Verhaegen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
(4), 2007, 321-324’ Platform Kinderen op de Vlucht, Leeftijdsschatting van niet-begeleide minderjarigen (NBMV) in vraag: Probleemstelling, analyse en aanbevelingen, september 2017, pg.20, stuk 3. ‘De huidige referentiestudies over de bepaling van de graad van ossificatie van het kraakbeen van de mediale claviculaire epifyse d.m.v. verschillende beeldvormingtechnieken melden een minimumleeftijd voor stadium II tussen 11 en XIV-37.910-9/17 17 jaar, voor stadium III op 16 jaar en voor stadium IV tussen 19 en 23 jaar. Radiologische evaluatie van de pols en de clavicula ter bepaling van de skeletleeftijd De minimum leeftijd bepaald bij autopsie correspondeert met deze leeftijdsgrenzen. (Schmidt et al., 2007; Schmeling et al., 2004; Schulz et al., 2005; Schulze et al., 2006; Kreitner et al., 1998; Cardoso, 2008; Kellinghaus et al., 2009; Schulz et al., 2008b)’ J. DE TOBEL, Radiologische evaluatie van de pols en de clavicula ter bepaling van de skeletleeftijd Partim Clavicula, pg 57-58, stuk 6. Dit wil dus zeggen dat verzoeker 16 jaar zou kunnen zijn volgens deze test. Indien we dan nog in rekening brengen dat zowel voor deze twee testen als de tandentest er afwijkingen mogelijk van tot en met 3 jaar voor jongens, zeker waar geen rekening werd gehouden met ethnische origine, sociaaleconomische afkomst en voedingspatroon, zitten we met onnauwkeurige resultaten, waarbij er sterke indicaties zijn dat verzoeker zijn verklaarde leeftijd heeft. Verwerende partij ging dan ook onzorgvuldig te werk door op basis van een medisch onderzoek waarvan 2 van de 3 tests wijzen op een jongere leeftijd dan 18, en waarbij geen relevante criteria zijn gebruikt die rekening houden met verzoekers afkomst, etnie, socioeconomische geschiedenis en voedingspatroon, te besluiten dat verzoeker meerderjarig is. Het feit dat van de mogelijkheid vervat in artikel 3 van het KB van 22 december 2003 omtrent psycho-affectieve tests geen gebruik werd gemaakt, leidt tot een schending van de zorgvuldigheidsplicht geschonden. Verder werd ook de motiveringsplicht geschonden. Uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 blijkt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet tevens afdoende zijn. Gelet op het feit dat met betrekking tot de precieze informatie die verzoeker verschaft werd, en zijn instemming of het gebrek eraan geen motieven werden opgenomen, en gelet op het feit dat de vaststellingen van de radioloog gebrekkig vertaald werden door de tandheelkundige en aan beslissingen over leeftijd gelinkt werden die geen weerslag vinden in de vakliteratuur wordt de motiveringsplicht geschonden. Tot slot werd ook artikel 7 van Titel XIII, hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de Programmawet van 24 december 2002 geschonden. Dit artikel bepaalt immers dat in geval van twijfel over de uitslag van het medisch onderzoek, er met de jongste leeftijd rekening wordt gehouden. In casu biedt het medisch onderzoek geen zekerheid omtrent de meerderjarigheid van verzoeker, waardoor verwerende partij de jongste leeftijd van verzoeker had moeten aanhouden. Het feit dat 2 van de 3 tests wijzen op een jongere leeftijd dan 18, en waarbij geen relevante criteria zijn gebruikt die rekening houden met verzoekers afkomst, etnie, socioeconomische geschiedenis en voedingspatroon, miskennen het hoger belang van het kind zoals vervat in artikel 24.2 van het EU Handvest, dat de eerste overweging zou moeten vormen.[.] Het feit dat van de mogelijkheid vervat in artikel 3 van het KB van 22 december 2003 omtrent psycho-affectieve tests geen gebruik werd gemaakt, leidt eveneens tot een miskenning van het hoger belang van het kind. Er had immers veel zorgvuldiger kunnen omgesprongen worden met verzoekers minderjarigheid, de gebreken van de tests, en de interpretatie van de resultaten ervan. De bestreden beslissing dient te worden nietig verklaard.” XIV-37.910-10/17 Beoordeling 7. Naar luid van artikel 25.5, eerste lid, van richtlijn 2013/32 kunnen “de lidstaten […] in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of ander relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd”. Daargelaten de vraag naar de rechtstreekse werking van deze bepaling, kan er geen verplichting uit worden afgeleid om aan de vreemdeling, nadat deze laatste een verklaring heeft afgelegd, mee te delen welke de redenen zijn om te twijfelen aan de door de vreemdeling opgegeven leeftijd. Naar luid van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32, zorgen de lidstaten ervoor dat “de niet-begeleide minderjarige, voordat het verzoek om internationale bescherming wordt behandeld, in een taal die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, in kennis wordt gesteld van het feit dat mogelijk een medisch onderzoek zal worden verricht om zijn leeftijd vast te stellen” en wordt daarbij “onder meer informatie verstrekt over de onderzoeksmethode en over de mogelijke gevolgen van het medische onderzoek voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, alsook over de gevolgen indien de niet-begeleide minderjarige weigert het medische onderzoek te ondergaan”. Uit de bestreden beslissing blijkt “dat de betrokkene werd geïnformeerd over het verloop van het medisch onderzoek” en “dat op 10 oktober 2018 een gesprek heeft plaatsgevonden op de dienst Voogdij tussen de betrokkene en een medewerker van de dienst Voogdij in het bijzijn van een tolk”. Vervolgens blijkt niet dat verzoeker zich heeft verzet tegen het leeftijdsonderzoek, dat zonder zijn medewerking immers niet had kunnen worden uitgevoerd. Omwille van deze elementen blijkt dan ook niet dat de voornoemde voorwaarden van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32 niet werden gerespecteerd. XIV-37.910-11/17 Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond. 8. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in die beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan achttien jaar oud is. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Verzoeker blijkt trouwens kennis te hebben van het verslag van het deskundig onderzoek vermits hij in het middel ingaat op de (resultaten van
- de)verschillende deelonderzoeken en zich tegen de beoordeling ervan in de bestreden beslissing verzet. Verzoeker voert alleszins niet aan, en maakt a fortiori niet aannemelijk, dat hij geen kennis kon nemen van het administratief dossier. Het eerste middel is ongegrond wat de aangevoerde schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreft. 9. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of de materiëlemotiveringsplicht uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Hij beperkt zich tot algemene kritiek doch hij toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten XIV-37.910-12/17 gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen gaat het dus op datum van 10 oktober 2018 om “een leeftijd […] van 20,6 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Verzoeker geeft een eigen interpretatie aan de verschillende onderzoeksresultaten doch hij toont daarmee niet aan dat de eindconclusie van het medisch verslag in strijd is met de gedane vaststellingen. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag. Het eerste middel is ongegrond wat de schending van artikel 7 XIV-37.910-13/17 van de voogdijwet en van het redelijkheidsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur betreft. 10. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. De voornoemde bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de informatie uit de overgelegde documenten wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Het enige middel is in die mate ongegrond. 11. Artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch het zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht met de algemene bewering van het tegendeel. Het eerste middel is ook in die mate ongegrond. XIV-37.910-14/17 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 12. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van de materiëlemotiveringsplicht, van “het beginsel van het recht op tegenspraak en de rechten van verdediging”, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en van artikel 41.2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hij licht dit toe als volgt: “Artikel 2 van de Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van 29 juli 1991 stelt: ‘De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd’. Artikel 3 van die wet stelt: ‘De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn’. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht bestaat erin dat de betrokkene in de beslissing de motieven moet kunnen aantreffen derwijze dat kan worden nagegaan of de overheid van redenen die in feite en rechte juist zijn, of de overheid die gegevens correct heeft beoordeeld, en of ze op die gronden redelijkerwijze tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is een annulatieberoep tegen de beslissing in te dienen (RvS, 18 januari 2010, nr. 199.583; RvS, 11 december 2015, nr; é. 222). Artikel 41 van het Handvest van Grondrechten van de Unie voorziet in een recht op behoorlijk bestuur, waarbij wordt gesteld dat eenieder het recht heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld en dat de betrokken instanties daarbij de plicht hebben om hun beslissingen met redenen te omkleden. In deze context is de rechtspraak van het Hof volgens dewelke de doeltreffendheid van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechterlijke toetsing vereist dat de belanghebbende kennis kan nemen van de gronden waarop het jegens hem genomen besluit is gebaseerd, hetzij door lezing van het besluit zelf, hetzij doordat de redenen hem op zijn verzoek worden meegedeeld (HvJ 17 maart 2011, C-372/09 en C-373/09, Peñarroja Fa, pt. 63; HvJ 17 november 2011, C-430/10, Gaydarov, pt. 41.), uitermate relevant. Dit is immers een conditio sine qua non teneinde hem de mogelijkheid te bieden zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft om zich tot de bevoegde rechter te wenden, en teneinde deze laatste ten volle in staat te stellen om de wettigheid van het betrokken nationale besluit te toetsen (HvJ 15 oktober 1987, C-222/86, Heylens e.a., pt. 15; HvJ 3 september 2008, C-402/05 P en C-415/05 P, Kadi en Al Barakaat International Foundation, pt. 337; HvJ 17 november 2011, C-430/10, Hristo Gaydarov, pt. 41; HvJ 20 september 2011, T-461/08, Evropaiki Dynamiki, pt. 122. Zie ook Marleen Maes en Anja Wijnants, Tijdschrift voor Vreemdelingenrecht, nr. 2, 2016, Het Handvest van de Grondrechten van de XIV-37.910-15/17 Europese Unie: een nieuwe speler in het vreemdelingenrecht (Deel 2), pg.167). Artikel 41.2 van het Handvest bevat ook: ‘het recht van eenieder om toegang te krijgen tot het dossier hem betreffende, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim’. Verzoekende partij heeft kopie gevraagd aan verwerende partij van de eigenlijke uitslagen van de leeftijdstest zodat kan nagegaan worden of de test correct is afgenomen. Verzoeker kreeg enkel kopie van het document met kenmerk FT_ex 5116, wat een bespreking bevat van het onderzoek en de resultaten. Het eigenlijke onderzoek krijgt verzoeker evenwel niet te zien, zodat hij op basis van die resultaten niet ook een tweede advies kan vragen aan een expert van zijn keuze. Hij kan evenmin nagaan of de conclusies die getrokken werden en de parafrasering (indien die er
- is)correct hebben plaatsgevonden. De beslissing dient dan ook vernietigd te worden.” Beoordeling 13. Het recht op verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, is in beginsel enkel van toepassing in straf- en tuchtzaken. Geen wettelijke of reglementaire bepaling breidt het recht van verdediging uit tot administratieve beslissingen in het kader van de voogdijwet, zoals de bestreden beslissing. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze de materiëlemotiveringsplicht zou zijn geschonden met de bestreden beslissing. Het tweede middel is in die mate niet-ontvankelijk. 14. Uit de behandeling van het eerste middel blijkt reeds dat verzoeker daarmee geen schending aantoont van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991. Verder geeft verzoeker aan dat hij een kopie heeft ontvangen van “het document met kenmerk FT_ex 5116, wat een bespreking bevat van het onderzoek en de resultaten”. Verzoeker heeft dus kennis van het medisch onderzoek, temeer daar hij in het eerste middel de resultaten ervan betwist, verwijzend naar de verschillende deelonderzoeken. Derhalve heeft verzoeker ook kennis van de gronden waarop de bestreden beslissing is gesteund, minstens maakt XIV-37.910-16/17 verzoeker wat dat betreft geen tekortkoming aannemelijk. Er blijkt ook niet dat verzoeker geen kennis zou hebben kunnen nemen van het administratief dossier. Verzoeker toont dat ook geen schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 of van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het tweede middel is in die mate ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.910-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.499 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div