id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.528 Rolnummer: A. 229762/VII-40718 Zaak: Arrest 246528 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 23/12/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-12-24 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-21 07:11 Fiche Arrest nr 246.528 van 23 december 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 246.528 van 23 december 2019 in de zaak A. 229.762/VII-40.718 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van Den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 16 december 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing tot stopzetting van de stage van XXXX in de opleiding Plastische Heelkunde genomen door de administrateur-generaal van het agentschap Zorg en Gezondheid van 2 december 2019 en het advies van de Adviescommissie van 12 november 2019 die als bijlage is gevoegd bij de beslissing tot stopzetting van de stage van 2 december 2019 en waarbij de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid zich aansluit. VII-40.718-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van den Berghe, die verschijnen voor verzoeker, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De bestreden beslissing luidt als volgt: “Stopzetting van de stage in plastische heelkunde Geachte XXXX, Uw stage in de plastische heelkunde wordt stopgezet. Ik volg hiermee het advies van 12 november 2019 van de ‘Kamer van artsen-specialisten en huisartsen’ van de ‘Adviescommissie voor voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (kandidaat)pleegzorgers’. U vindt het advies als bijlage bij deze beslissing”. Het advies van 12 november 2019, waarnaar wordt verwezen luidt: VII-40.718-2/10 “Tijdens de beraadslaging overlopen de leden van de adviescommissie de beroepsnota en bespreken ze de hoorzitting. De leden stellen vast dat er zich een zeer fundamenteel probleem voordoet, wat zowel uit de hoorzitting als uit de verslagen blijkt. XXXX is hoogbegaafd en heeft ADHD, en dat resulteert in attitudeproblemen die de opleiding tot plastisch chirurg zwaar hypothekeren. Bepaalde feiten, o.a. het voeren van reclame voor behandelingen met botox tegen een bepaalde prijs, worden ontkend, niettegenstaande er duidelijke bewijzen in het dossier te vinden zijn. Het feit dat deze handelingen in strijd zijn met de wettelijke opleidingsvoorwaarden en blijvend ontkend worden pleiten geenszins voor een verzachting van het standpunt van de erkenningscommissie. XXXX heeft een tweede kans gehad, doch heeft opnieuw blijk gegeven van gedrag en attitudes, die niet stroken met deze die van een modale arts assistent in opleiding zouden kunnen verwacht worden. Op basis van het dossier en op basis van de hoorzitting is geen enkel argument naar voor gekomen dat het advies van de erkenningscommissie fundamenteel zou kunnen weerleggen. De leden van de adviescommissie achten XXXX niet geschikt voor de opleiding tot arts-specialist in de plastische heelkunde en gaan om die reden dan ook akkoord met de argumenten van de erkenningscommissie. […]Advies Op basis van de overwegingen, geformuleerd tijdens de beraadslaging ziet de adviescommissie zich genoodzaakt de stopzetting van de opleiding tot arts-specialist in de plastische heelkunde van XXXX te adviseren. OM AL DEZE REDENEN Treedt de adviescommissie de motivering en het advies van de erkenningscommissie bij en adviseert zij de stopzetting van de opleiding tot arts-specialist in de plastische heelkunde van XXXX stop te zetten”. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-40.718-3/10 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunten van de partijen
- Verzoeker zet daarover het volgende uiteen: “
- Vooreerst heeft de stopzetting van de stage tot gevolg dat verzoeker zijn stage als arts-specialist met onmiddellijke ingang niet kan verder zetten. Alleen omwille van het bovenstaande is bij de onderhavige vordering tot schorsing uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden.
- Artikel 8 van de opleidingsovereenkomst tot arts-specialist die werd afgesloten tussen verzoekende partij en de KU Leuven, groep Universitaire Ziekenhuizen bepaalt verder het volgende […]: ‘Onderhavige opleidingsovereenkomst zal van rechtswege vóór 31 juli 2020 ontbonden worden zodra de erkenningscommissie/het Agentschap, dan wel de Vlaamse minister bevoegd voor het gezondheidsbeleid, vóór 31 juli 2020 beslist tot stopzetting van de stage van de arts-specialist in opleiding in UZ Leuven en/of elders. In dat geval zijn partijen ten aanzien van elkaar geen enkele vergoeding, noch opzegtermijn verschuldigd.’ Aldus heeft de bestreden beslissing tot gevolg dat de stage en opleidingsovereenkomst van rechtswege worden beëindigd ten aanzien van verzoekende partij. Gelet op de beëindiging van de opleidingsovereenkomst brengt de bestreden beslissing ook financiële implicaties teweeg voor verzoekende partij. Naast het gegeven dat verzoekende partij zijn gespecialiseerde opleiding niet mag voleindigen, verliest verzoekende partij aldus eveneens zijn werkzaamheid als arts door toedoen van de bestreden beslissing.
- Naast het materiële nadeel zal de stopzetting van de stage verder voor hem juridisch, zo niet minstens feitelijk, onmogelijk om nog een nieuwe stage te doorlopen in eender welke geneeskundige discipline en hiervoor een erkenning te verkrijgen van verwerende partij. Het oordeel in de bestreden beslissing dat verzoekende partij ‘ongeschikt’ zou zijn voor de opleiding tot arts-specialist in de plastische heelkunde maakt dit onmogelijk.
- De bestreden beslissing maakt ook dat de reeds doorlopen stageperiode van twee jaar niet in aanmerking wordt genomen.
- De bestreden beslissing ontneemt hem bovendien elk professioneel krediet en brengt ook ernstige morele schade teweeg. Het oordeel in de bestreden beslissing dat verzoekende partij ‘ongeschikt’ zou zijn voor de opleiding tot arts-specialist voelt bovendien aan als een persoonlijke mislukking in hoofde van verzoekende partij. Zoals blijkt uit het dossier van verzoekende partij ambieert verzoeker sinds lange tijd een loopbaan als arts-specialist in de plastische heelkunde. De definitieve stopzetting van zijn opleiding tot specialist doet de inspanningen die hij hiervoor heeft verricht teniet. VII-40.718-4/10 In dat opzicht verliest verzoekende partij door de bestreden beslissing elk vooruitzicht op een erkenning tot arts-specialist. Ongeschikt worden bevonden voor de opleiding arts-specialist in de plastische heelkunde heeft onbetwistbaar gevolgen voor het kunnen volgen van eender welke opleiding tot arts-specialist in een andere discipline.
- Daarnaast beroept verzoekende partij zich op de naar analogie toepasselijke rechtspraak van Uw Raad inzake het dreigend verlies van een schooljaar/opleidingsjaar en de moeilijkheden om de lopende beroepsopleiding nog te kunnen voltooien. Er moet immers gewezen worden op de negatieve connotaties verbonden aan een beslissing tot gedwongen stopzetting van de stage tot arts-specialist. Het dreigend verlies van een reeds gevorderde - van overheidswege gereglementeerde - (beroeps)opleiding (die zes jaar duurt en waarvan verzoekende partij reeds twee jaar heeft afgelegd) moet erkend worden als ernstig nadeel dat, mits het aanvoeren van ernstige middelen zoals in casu het geval is, een schorsing van de tenuitvoerlegging van een overheidsbeslissing bij uiterst dringende noodzaak kan verantwoorden.
- Enkel een schorsing van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan deze nadelen wegnemen en verzoeker de mogelijkheid bieden om zijn stage verder te zetten.
- De vordering tot schorsing is bijgevolg uiterst dringend en noodzakelijk”.
- De verwerende partij stelt daar tegenover het volgende: “Het komt de verzoeker toe om in het verzoekschrift zelf, en dit kan niet met een ander procedurestuk worden aangevuld, aan te geven waarom zijn casus werkelijk zo exceptioneel dringend is, dat er niet alleen niet kan gewacht worden op de afhandeling van de annulatieprocedure, maar dat zelfs niet kan gewacht worden op de afhandeling van een gewone schorsingsprocedure, die door de bank genomen enkele maanden in beslag neemt. Het komt de verzoekende partij daarbij hoe dan ook toe om klare feitelijke wijn te schenken, zodat Uw Raad kan evalueren of hier op een terechte wijze naar de temporeel procedurele noodrem wordt gegrepen. Er is hoger reeds uiteengezet dat verzoeker zelf een uitstel vroeg van de zitting van de adviescommissie omdat hij op 4 oktober 2019 in het buitenland verbleef. Het is niet echt duidelijk of het nu in Azië was of in Australië, of bij een Australische prof in Azië, maar in elk geval verbleef hij in het buitenland. Dit is van belang omdat verzoeker ook zelf heeft uiteengezet dat hij eigenlijk van plan is om zijn verdere opleiding in het buitenland te volgen. Daarmee moet niet gerepliceerd worden dat verzoeker geen belang heeft, daarmee wordt enkel aangegeven, maar dit is casu natuurlijk bij de UDN-procedure zeer relevant, dat er geen uiterste hoogdringendheid bestaat. Verzoeker zet zijn belang in het schrijven aan de minister van 26 november 2019 uiteen. Vanaf februari 2020 wordt de stage klaarblijkelijk in Australië gepland. Maar hij argumenteert over een Belgische erkenning want anders zou de stage langer duren. Er valt niet in te zien waarom er dan sprake zou moeten VII-40.718-5/10 zijn van een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er is een problematiek die op een grondige en doordachte wijze moet worden opgelost en hoelang de stage die klaarblijkelijk in het buitenland zou worden aangevat als verzoeker geloofd wordt, dan effectief duurt, dit hoeft niet in enkele dagen, weze het uiteraard slechts prima facie en voorlopig, te worden opgelost. Er valt eigenlijk niet in te zien welk voordeel verzoeker zou kunnen hebben van een prima facie oplossing daaromtrent. Er valt wel in te zien dat verzoeker graag zou hebben dat één en ander snel gaat, maar dit zal wel het lot zijn van elke verzoeker, of bijna elke verzoeker, dat een annulatieprocedure dan niet zo snel verloopt als de verzoeker wel zou hopen of willen. Maar als zodanig kan dit geen dringendheid adstrueren. Gezien de specifieke situatie, is er hoe dan ook geen sprake van uiterst dringende noodzakelijkheid. II.
- Maar ook om andere redenen is er niet voldaan aan deze tweede voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. De KU Leuven heeft verzoeker op 20 februari 2019 elk contact met de patiënten ontzegd. Verzoeker werkt dus niet meer sinds 20 februari
- Vanaf 20 februari 2020 zou hij in Australië beginnen. Waar verzoeker voor het ogenblik niet werkt en waar verzoeker vaste plannen heeft voor de toekomst, valt niet in te zien wat er nu uiterst dringend, weze het prima facie, zou moeten beslecht worden. Verzoeker geeft ook niet aan dat hij op één of andere wijze nog terug zou willen naar Leuven. En daaromtrent heeft de verwerende partij ook geen bevoegdheden, het gaat om een contractuele relatie tussen de KU Leuven en verzoeker en daarover gaat ook huidig geding niet. Ook hieruit blijkt dat het geen zin heeft Uw Raad met deze procedure te vatten, de rechtsbedeling te verstoren en de verwerende partij te beperken tot het opstellen van een nota bij nacht en ontij. II.
- Verzoeker verwijst naar de datum 31 juli
- Er valt niet in te zien waarom tegen die datum het niet mogelijk zou maken om een ‘gewone schorsingsprocedure’ in te leiden. II.
- Ten onrechte wordt betoogd dat er een moreel nadeel bestaat door het als het ware ontnemen van professioneel krediet. Een annulatieprocedure impliceert dat wanneer een annulatiearrest wordt uitgesproken, dat dit tot morele genoegdoening strekt. Er valt niet in te zien waarom dit een UDN zou wettigen. II.
- Er wordt ten onrechte verwezen naar de rechtspraak van Uw Raad bij de betwisting van besluiten van delibererende klassenraden. Of bij de betwisting van studievoortgangsbeslissingen. Daar kan er natuurlijk sprake zijn van een uiterst dringende noodzakelijkheid omdat de scholier of de student graag het jaar wil aanvatten, wat hij krachtens het betwiste besluit niet zou mogen. Tijdverlies maakt de slaagkans in het nieuwe jaar natuurlijk veel kleiner (en a fortiori waar degene die een negatief besluit betwist, een scholier is die wellicht, niet altijd maar meestal, zich op het randje bevindt. Het is niet de modelstudent, normaliter). Dan kan Uw Raad gevraagd worden om uiterst snel te interveniëren, teneinde desgevallend dit jaar te ‘redden’ en teneinde de rechtsbedeling tot een herstel in natura te laten leiden. Maar in casu is daar allemaal geen sprake van. Voor het ogenblik werkt verzoeker niet bij de KU Leuven en het is ook niet zijn intentie daar terug te keren. Het is zijn intentie te VII-40.718-6/10 werken in het buitenland en dat kan hij hoe dan ook. Over de duur van een eventuele stage in het buitenland, daarover bestaat wellicht nog wel enige onzekerheid, maar dit is een volstrekt andere aangelegenheid dan bij het examencontentieux. Verzoeker zal hoe dan ook geen andere stage lopen in het buitenland krachtens een arrest dat hij soliciteert”. Beoordeling
- De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij(en) aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in het inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens onder meer aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” VII-40.718-7/10 De spoedeisendheid kan niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat de doorlooptijd van een gewone schorsingsprocedure niet toelaat een arrest te verkrijgen binnen de verwachte termijn. In eerste instantie bevestigt verzoeker dat de bestreden beslissing onherroepelijke schadelijke gevolgen met zich meebrengt, namelijk dat hij zijn stage als arts-specialist met onmiddellijke ingang niet kan verder zetten en dat de stage en de opleidingsovereenkomst van rechtswege worden beëindigd. Verzoeker geeft hier het gevolg van de bestreden beslissing weer maar zet voorts niet uiteen waarom de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of zijn belangen veilig te stellen. Verzoeker merkt op dat de bestreden beslissing ook financiële implicaties heeft maar laat ook hier na om concreet uiteen te zetten waarom de financiële implicaties van dien aard zijn dat hij deze tijdens de periode die een gewone schorsingsprocedure in beslag neemt niet kan ondergaan. Deze financiële implicaties worden niet uiteengezet noch gestaafd door enig bewijs. De bewering dat het onmogelijk is om nog een nieuwe stage te doorlopen of dat de reeds doorlopen stageperiode van twee jaar niet in aanmerking kan worden genomen, of het verlies van het vooruitzicht op een erkenning tot arts-specialist, zegt op zich immers niets over de “onherroepelijke schadelijke gevolgen” of nadelen die verzoeker zou kunnen ondergaan bij een voorlopige tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing in afwachting van een uitspraak over een vordering tot schorsing volgens de gewone procedure. Met de verwijzing naar een “moreel nadeel” toont verzoeker niet in concreto aan waarom dit van dien aard zou zijn dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest hem niet voldoende genoegdoening zou kunnen VII-40.718-8/10 verschaffen, zodat hij aldus het resultaat van de procedure ten gronde niet zou kunnen afwachten. Verzoeker meent dat hij zich kan beroepen op naar analogie toepasselijke rechtspraak inzake het dreigende verlies van een schooljaar of een opleidingsjaar en de moeilijkheden om de lopende beroepsopleiding nog te kunnen voltooien. Dit is geen vergelijkbare situatie aangezien er geen schooljaar dat aanvangt op 1 september, verstrijkt waardoor een verlies van schooljaar dreigt. De uiteenzetting van verzoeker toont de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aan. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen. VI. Verzoek tot anonimisering
- In zijn verzoekschrift vraagt verzoeker de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan.
- Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State, kan een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, vragen dat zijn identiteit wordt weggelaten bij de publicatie van de beschikking van niet-toelaatbaarheid of van het arrest. Dergelijk verzoek kan in het verzoekschrift of in voorkomend geval tot aan de sluiting van de debatten, worden ingediend. VII-40.718-9/10 Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van verzoekers vraag. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig december tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.718-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.528 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div